MARCUSEVANGELIE : EERSTE HOOFDSTUK , MC 1 -- TAALGEBRUIK
-- COMMENTAAR
-
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 1
-
- Mc
1,1-8 -- Mc
1,12-15 -
- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
Overzicht van het Marcusevangelie : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
Tekstuitleg per pericope : Mc
1,1-6 , Mc
1,7-8 , Mc
1,9-11 , Mc
1,12-13 , Mc
1,14-15 , Mc
1,16-20 , Mc
1,21 , Mc
1,22 , Mc
1,23-28 , Mc
1,29-31 , Mc
1,32-34 , Mc
1,35-38 , Mc
1,39 , Mc
1,40-45
Tekstuitleg vers per vers : Mc
1,1 - Mc
1,2 - Mc
1,3 - Mc
1,4 - Mc
1,5 - Mc
1,6 - Mc
1,7 - Mc
1,8 - Mc
1,9 - Mc
1,10 - Mc
1,11 - Mc
1,12 - Mc
1,13 - Mc
1,14 - Mc
1,15 - Mc
1,16 - Mc
1,17 - Mc
1,18 - Mc
1,19 - Mc
1,20 - Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23 - Mc
1,24 - Mc
1,25 - Mc
1,26 - Mc
1,27 - Mc
1,28 - Mc
1,29 - Mc
1,30 - Mc
1,31 - Mc
1,32 - Mc
1,33 - Mc
1,34 - Mc
1,35 - Mc
1,36 - Mc
1,37 - Mc
1,38 - Mc
1,39 - Mc
1,40 - Mc
1,41 - Mc
1,42 - Mc
1,43 - Mc
1,44 - Mc
1,45
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://scripturetext.com/ |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Mc
1,1-8 : 2de
(tweede) zondag van de advent B .
Mc 1,7-11: B-cyclus, feest van het doopsel van Jezus
Mc 1,12-15
: 1ste
(eerste zondag in de veertigdagentijd B .
Mc 1,14-20: B-cyclus, 3de zondag door het jaar
Mc 1,21-28: B-cyclus, 4de zondag door het jaar
Mc 1,29-39: B-cyclus, 5de zondag door het jaar
- Mc
1,40-45 : 6de
(zesde) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
-W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
13. Optreden van Johannes de Doper - Mc
1,1-6 - Mt
3,1-6 - Lc
3,1-6 -
16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan Mc
1,7-8 - Mt
3,11-12 - Lc
3,15-17 -
18. Doop van Jezus - Mc
1,9-11 - Mt
3,13-17 - Lc
3,21-22 -
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc
1,12-13 - Mt
4,1-11 - Lc
4,1-13 -
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc
1,14-15 - Mt
4,12-17 - Lc
4,14-15 -
23. Roeping van de eerste leerlingen - Mc
1,16-20 - Mt
4,18-22 -
24. Jezus leert en geneest - Mc
1,21 - Mt
4,23-25 ; 5,1-2 - Lc
4,31 -
54. Slot van de bergrede - Mc
1,22 - Mt
7,28-29 - Lc
4,32 -
55. Uitdrijving van een demon - Mc
1,23-28 - Lc
4,33-37 -
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder - Mc
1,29-31 - Mt
8,14-15 - Lc
4,38-39 -
59. Genezingen en exorcismen - Mc
1,32-34 - Mt
8,16-17 - Lc
4,40-41 -
60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm - Mc
1,35-38 - Lc
4,42-43 -
61. Prediking in de synagogen - Mc
1,39 - Mt
4,23-25 ; 5,1-2 - Lc
4,44 -
63. Genezing van een melaatse - Mc
1,40-45 - Mt
8,2-4 - Lc
5,12-16 -
- Mc 1,1 : titel
- Mc 1,2-8 : Johannes de Doper
-- Mc 1,2-3: profetie
---- 2a : inleiding op het citaat van Jesaja
---- 2b : Eliatekst: aankondiging van een bode
---- 3 : Jesajatekst: aankondiging en opdracht tot
-- Mc 1,4-5 : voorbereiding
---- 4 : optreden van Johannes: vervulling, aanwezigheid van de bode
---- 5 : reactie; daadwerkelijke voorbereiding
-- Mc : 1,6
-- Mc : 1,7-8
-- Mc 1,9-15
---- Mc 1,9-11
------ Mc 1,9
------ Mc 10-11
---- Mc 1,12-13
---- Mc 1,14-15
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6
- Mc 1,1-6
- Mt 3,1-6
- Lc 3,1-6
-
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 1 --
Mc 1,1
- Mc 1,2
- Mc 1,3
- Mc 1,4
- Mc 1,5
- Mc 1,6 -
| Mc 1,2 b | Mc 1,2 c | Mc 1,3 | Mc 1,7 | Mc 1,8 - Mc 1,8a | Mc 1,8 - Mc 1,8b |
| idou (zie) | hos (die) | egô (ik) | autos de (hij echter) | ||
| apostellô (ik zend) | kataskeuasei (zal bereiden) | hetoimasate (bereidt) | erchetai (zal komen) | ebaptisa (heb gedoopt) | baptisei (zal dopen) |
| ton aggelon mou (mijn engel) | ton hodon sou (uw weg) | tèn hodon kuriou (de weg van de Heer) | ho ischuteros mou (de sterkere dan mij ) | humas (je) | humas (je) |
| pro prosôpou sou (voor uw aangezicht) | opisô mou (na mij) | hudati (met water) | pneumati hagiôi (met heilige geest) | ||
| 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - | 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - | 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - |
Evangelie van de 2de (tweede) zondag van de advent B . Mc 1,1-8 . Taalgebruik : Mc 1,1-8 .
Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God. Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maak zijn paden recht. Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek van Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: "Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water maar Hij zal u dopen met de heilige Geest."
Mc 1,1-6 - Mc 1,7-8 horen bij elkaar. Na bijbelcitaten wordt de vervulling ervan door Johannes de Doper gegeven . Mc 1,2 - Mc 1,3 en Mc 1,6 omsluiten elkaar . Mc 1,7 - Mc 1,8 gaat de komst van Jezus onmiddellijk vooraf .
| Mc 1,1 - Mc 1,1 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van
God.
King James Bible . [1] The beginning of the gospel of Jesus Christ, the Son
of God;
Luther-Bibel . 1 Dies ist der Anfang des Evangeliums von Jesus Christus, dem
Sohn Gottes.
Tekstuitleg van Mc 1,1 . Dit vers Mc 1,1 .telt 8 woorden (2 X 2 X 2 X 5) woorden en 40 (2 X 2 X 2 X 5) letters . Door het feit dat de zin geen werkwoord bevat , komt hij over als een titel . Het is een boekopschrift .
Mc 1,1.1.
archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het N.T. : archè
(begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè
(begin, heerschappij) . Mc (2) : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
13,8 .
a is de eerste letter van het alfabet . In het Hebreeuws komt de aleph slechts
voor met een klinker . De bijbel (Gn
1,1) begint met de letter b in het woord bëresjît (in het begin)
. De evangelist Marcus begint zijn evangelie met het optreden van Johannes de
Doper in de woestijn . Nadat Johannes werd overgeleverd , begint Jezus zijn
optreden in Galilea . De evangelisten Matteüs en Lucas verleggen dit begin
. Zij vatten hun evangelie aan met de conceptie en de geboorte van Johannes
en Jezus en komen zo terecht bij hun ouders : Zacharia en Elisabeth , Jozef
en Maria . Hierdoor maken zij een link met de vorige generatie van Johannes
en Jezus . Zij breiden dit nog uit door de toevoeging van een stamboom , die
Matteüs laat teruggaan tot Abraham en Lucas tot Adam . De evangelist Johannes
verlegt het begin bij God . Hij begint zijn evangelie met en archèi (in
het begin) zoals Genesis begon met bëresjît (in het begin) . Met
dit woord maakt Marcus een link met het begin van de schepping .
Begin roept ook de idee van einde op . Het boek van de Openbaring spreekt van
Alfa en Omega . De evangelist Matteüs eindigt zijn evangelie met de woorden
'tot aan de voleinding van de wereldtijd" .
In Mc
1,45 is het de eerste keer dat Marcus èrxato (hij begon) gebruikt
. Het gebruik ervan in het laatste vers van dit hoofdstuk roept de idee van
een inclusio (omarming, omsluiting) met het archè (begin) van vers 1
op . Dit eerste hoofdstuk zou dus een begin / aanvang van de boodschap van Jezus
geven . In Mc
1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik
zullen we vinden in Mc
5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen heiden . Zo krijgen we twee
getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus
. Een derde maal komt de infinitief kèrussein (getuigen) voor in Mc
3,14 waar de leerlingen geroepen worden om gezonden te worden om te getuigen
. Het zijn deze maal de leerlingen die getuigen zullen zijn . De realisatie
van deze roeping gebeurt in Mc
6,12 , na de zending door Jezus .
Waarin bestaat dit getuigenis . In Mc 1,14 is er sprake van het verkondigen
van het evangelie van God en in Mc 1,1 : begin van het evangelie : Jezus is
de Messias (Christus) . Het getuigenis of de verkondiging van de genezene zou
kunnen zijn : Jezus is de Messias (Christus) . Zo omsluit Mc
1,45 nog mooier Mc 1 . In het evangelie is het getuigenis van Jezus als
de Messias (Christus) voorbehouden voor Petrus .
Mc 1,1.2.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,1.3.
genitief onzijdig enkelvoud euaggeliou (van het evangelie) van het zelfst. naamw.
euaggelion . Taalgebruik in het N.T. : euaggelion
(evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion
(evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile
. D. Evangelium . E. gospel .
Mc (3) : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
8,35 . (3) Mc
10,29 .
In Mc 1 een vorm van euaggelion (goede boodschap) in drie verzen : (1) Mc
1,1 (gen. euaggeliou) . (2) Mc
1,14 (acc. euaggelion) . (3) Mc
1,15 (dat. euaggeliô(i) .
Mc 1,1.2.
- 3. tou euaggeliou (van het evangelie) . Een vorm van euaggelion
(goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt
voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. (tou) , dat. tô(i) , acc.
to .
In twee complementaire zinnen in Mc
1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal
voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede
boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft
in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc
1,1 en Mc
1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord
euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor , nl. Mc
16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .
Mc 1,1.4.
gen. mann. enk. Ièsou (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc 1 (1) : Mc
1,1 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
In Mc komt zesmaal de genitief Ièsou voor . Het kan een subjectsgenitief zijn en heeft dan de betekenis van : de goede boodschap die Jezus verkondigt . Het kan een objectsgenitief zijn en heeft dan de betekenis van: de goede boodschap over Jezus . In Mc 1,1-15 wordt Jezus driemaal met zijn naam vernoemd . In Mc 1,14 verkondigt Jezus de boodschap van God . In Mc 16,15 gaat het over Jezus en hoort de verrijzenis tot de boodschap .
5. christou (van Christus) . Taalgebruik : christos (Christus) . Het Griekse woord christos (Christus) is de vertaling van het Hebreeuwse massiach (gezalfde, messias). Jezus was zijn geboortenaam, Christus is een bijnaam om hem als de messias aan te duiden .
Mc 1,1.6. gen. mann. enk. huiou (zoon) van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils . Mc (1) . (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . In Mc 1,11 (nom. huios) . huiou theou (zoon van God) . Deze woorden komen slechts in bepaalde handschriften voor en zouden een toevoeging kunnen zijn .
Mc 1,1.7. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . In vier verzen in Mc 1 , en wel telkens een genitief : (1) Mc 1,1 : huiou theou = van een zoon van een God . (2) Mc 1,14 : to euaggelion tou theou = de goede boodschap van de God . (3) Mc 1,15 : hè basileia tou theou = het koninkrijk van de God . (4) Mc 1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .
Mc 1,1.6.
- 7. huiou theou (een zoon van een God) . Hapax in Mc .
Verdere titelbenamingen van Jezus :
(2) Mc
1,11 : su ei ho huios mou ho agapètos = jij bent de zoon van mij
de beminde .
(3) Mc
1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .
(4) Mc
3,11 : su ei ho huios tou theou = jij bent de zoon van de God .
(5) Mc
5,7 : Ièsou , huie tou theou = Jezus , zoon van de God .
(6) Mc
9,7 : outos estin ho huios mou ho agapètos = deze is de zoon van
mij de beminde .
(7) Mc
14,61 : su ei ho christos ho huios tou eulogètou = jij bent de messias
, de zoon van de gezegende .
(8) Mc
15,39 : houtos ho anthrôpos huios theou èn = deze mens was
een zoon van een God .
Deze titelbenamingen zijn citaten , die worden ingeleid :
(2) Mc
1,11 : kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er
was een stem uit de hemel . Er is geen werkw. legô (zeggen) om het citaat
aan te kondigen .
(3) Mc
1,24 : kai anekraxen legôn = en hij krijste met hoge stem zeggende
.
(4) Mc
3,11 : kai ekrazon legontes hoti = en zij krijsten zeggende dat
(5) Mc
5,7 : kai kraxas fônè(i) megalè(i) legei = en 'hij krijste'
met luide stem 'en' hij zegt .
(6) Mc
9,7 : kai fônè egeneto ek tès nefelès = en er
was een stem uit de wolk . Er is geen werkw. legô (zeggen) om het citaat
aan te kondigen .
(7) Mc
14,61 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem .
(8) Mc
15,39 : eipen = hij zei .
| Mc 1,2 - Mc 1,2 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn
engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.
King James Bible . [2] As it is written in the prophets, Behold, I send my messenger
before thy face, which shall prepare thy way before thee.
Luther-Bibel . 2 Wie geschrieben steht im Propheten Jesaja: »Siehe, ich sende
meinen Boten vor dir her, der deinen Weg bereiten soll.«
Tekstuitleg van Mc 1,2 .
Mc 1,2.1.
kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) .
Mc (8) : (1) Mc
1,2 (gegraptai) . (2) Mc
4,33 . (3) Mc
9,13 (gegraptai) . (4) Mc
11,6 (eipen) . (5) Mc
14,16 (eipen) . (6) Mc
14,21 (gegraptai) . (7) Mc
15,8 . (8) Mc
16,7 (eipen) . 3X : + gegraptai . 3X : + eipen . 2X : andere .
Er is enige gelijkenis tussen Mc 1,2 en Mc 16,7 . In Mc 1,2 : Zie ik zend mijn engel voor je aangezicht uit ; in Mc 16,7 : dat hij jullie zal voorgaan naar Galilea . In Mc 1,2 : zoals geschreven is in het boek van de profeet Jesaja ; in Mc 16,7 : zoals hij jullie gezegd heeft . Tussen beide verzen wordt het leven van Jezus beschreven . Alles wat voorafgaat aan Mc 1,2 is op Jezus gericht , en bij wat na Mc 16,7 volgt , is Jezus de voorganger . Zo wordt reeds gesuggereerd dat Jezus de centrale figuur van de geschiedenis is .
Bij Marcus : In acht verzen . In drie verzen wordt kathôs (zoals) gevolgd door gegraptai (er werd geschreven) , in drie verzen door eipen (hij zei) . Het voegwoord kathôs (zoals) leidt een ondergeschikte zin in die volgt op een hoofdzin . Is dat ook zo in Mc 1,2 . Zo ja , dan begint Marcus aldus : begin van de goede boodschap van Jezus Christus zoals ... . euaggeliou (van de goede boodschap) en christou (van Christus) zou dan aansluiten bij Js 61,1 . In de andere evangelisten vinden we eveneens een taalgebruik naar Js 61 . Lc citeert Js 61,1 tijdens het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret . Mt begint zijn zaligsprekingen met de armen .
Mc 1,2.2.
passief indicatief perfectum derde persoon enkelvoud gegraptai (er werd geschreven)
van het werkwoord grafô (schrijven, grif-fen) . Lat. scribere . Fr. écrire
. Taalgebruik in het N.T. : grafô
(schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô
(schrijven) .
Mc (7) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
7,6 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
14,16 . (7) Mc
14,21 .
Mc 1,2.3..
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,2.4.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
7. dat. mann. enk. profètè(i) van het zelfst. naamw. profètès
(profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès
(profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès
(profeet) .
Mc (1) Mc
1,2.. Een vorm van profètès (profeet) in Mc in 5 verzen :
(1) Mc
1,2 . (2) Mc
6,4 . (3) Mc
6,15 (2 vormen) . (4) Mc
8,28 . (5) Mc
11,32 .
8. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou
(zie) . Taalgebruik in Mc : idou
(zie) . In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen
enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i;
zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen .
Mc (7) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,32 . (3) Mc
4,3 . (4) Mc
10,28 . (5) Mc
10,33 . (6) Mc
14,41 . (7) Mc
14,42 . Telkens in een citaat bij het begin ervan (5) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,32 . (3) Mc
4,3 . (4) Mc
10,28 . (5) Mc
10,33 of in het midden ervan : (1) Mc
14,41 . (2) Mc
14,42 .
Mc 1,2.9.
apostellô (afsturen, zenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô
(afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô
(afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- , weg- , sturen
, wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden .
'De inzet met een complex citaat op naam van de profeet Jesaja is meer dan een
incident , verbonden met de persoon van Johannes de Doper . Het evangelie van
Jezus de Gezalfde is geschreven in de traditie van de profeten , die zich op
hun beurt beriepen op de Torah . Zodoende moet het citaat wel een verwijzing
naar een woord uit de Torah bevatten . Ex
23,20 wordt erin herkend . Dat is een cruciale tekst in de verbondssluiting
die klinkt op de vijftigste paasdag in de tweede jaargang van de torahlezing
. Ook binnen de Torah bevat deze tekst een verwijzing , namelijk naar Ex 14,19
waar de beslissende wending van het Paasfeest verkondigd wordt ." (Monshouwer
, Markus , 1989 , p.38) . Ex
23,20 (NV) [20] Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te
beschermen en je naar de plaats te brengen die ik voor jullie bestemd heb .
Ex 14,19 (NV) [19] De engel van God , die steeds voor het leger van de Israëlieten
uit was gegaan , stelde zich nu achter hen op . Ook de wolkkolom die eerst voor
hen uit ging stelde zich achter hen op .
Mc 1,2.10.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,2.11.
acc. mann. enk. aggelon van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper)
. Taalgebruik in het N.T. : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (1) Mc
1,2 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
8,38 . (4) Mc
12,25 . (5) Mc
13,27 . (6) Mc
13,32 .
Mc 1,2.12. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
Mc 1,2.13. pro (voor) . Taalgebruik in het N.T. : pro (voor) . Taalgebruik in Mc : pro (voor) . p - r -> Ned. v - r (pro -> voor) . Eng. before . D. vor . Lat. ante . Fr. avant (uit ab : vanaf en ante : voor , van te voren = voor-af) . Eng. before . D. vor . Mc (1) : Mc 1,2 . In Mc komt dit voorzetsel slechts hier voor en dan nog in een citaat . In het Fr. vertaald door en avant de (voorafgaand aan) .
Mc 1,2.14. genitief onzijdig enkelvoud prosôpou van het zelfstand. naamw. prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : prosôpou (van het aangezicht) . Taalgebruik : prosôpon (aangezicht) . zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Mc (1) : Mc 1,2 . nom. + acc. onz. enk. prosôpon (aangezicht) : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 14,65 .
Mc 1,2.15.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,44 .
Mc 1,2.16.
nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk
voornaamwoord .
Mc (25) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,19 . (3) Mc
3,29 . (4) Mc
3,35 . (5) Mc
4,9 . (6) Mc
4,25 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
5,3 . (9) Mc
6,11 . (10) Mc
8,35 . (11) Mc
8,38 . (12) Mc
9,37 . (13) Mc
9,39 . (14) Mc
9,40 . (15) Mc
9,41 . (16) Mc
9,42 . (17) Mc
10,11 . (18) Mc
10,15 . (19) Mc
10,29 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,44 . (22) Mc
11,23 . (23) Mc
13,2 . (24) Mc
15,23 . (25) Mc
15,43 .
Mc 1,2.17. act. ind. fut. 3de pers. enk. kataskeuasei (hij zal uitrusten, inrichten) .
Mc 1,2.18.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,2.19.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in
het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) . Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg.
E. way . D. Weg .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
Mc 1,2
- Mc 1,3
kondigen een 'weg'bereider aan via een citaat uit het O.T. .
In 4 verzen in Mc is hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
12,14 . In 6 verzen in Mc wordt hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel
.
Mc 1,2.18. - 19. tèn hodon (de weg) . hodon (weg) voorafgegaan door het bep. lidw. tèn (de weg) . Mc (7 / 10) . Niet in : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 6,8 . (3) Mc 10,17 .
Mc 1,2.20.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,44 .
Betekenis van Mc
1,2
Na de titel in Mc
1,1 begint Marcus zijn evangelie met een bijbelcitaat dat in Johannes de
Doper zijn vervulling krijgt . Een bepaalde formule leidt het citaat in . Het
gaat om wat in de wet of de profeten geschreven staat .
Door zijn evangelie met een citaat uit de wet en de profeten aan te vatten geeft
de evangelist Marcus te kennen dat Johannes de Doper en Jezus in die zin moeten
geïnterpreteerd worden . Ze handelen in de lijn van de wet en de profeten
. Er is nog meer . In Mc
1,15 zegt Jezus : peplèrôtai ho kairos (tot volheid is gekomen
de gunstige tijd) . Jezus zal de volheid van de wet en de profeten brengen .
| Mc 1,3 - Mc 1,3 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des
Heeren, maakt Zijn paden recht.
King James Bible .[3] The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye
the way of the Lord, make his paths straight.
Luther-Bibel . 3 »Es ist eine Stimme eines Predigers in der Wüste: Bereitet
den Weg des Herrn, macht seine Steige eben!« (Maleachi 3,1; Jesaja 40,3):
Tekstuitleg van Mc 1,3 . Dit vers Mc 1,3 telt 14 (2 X7) woorden en 74 (2 X 37) letters .
Mc 1,3.1.
fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè
(stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè
(Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari
. Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô
= schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè
of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc
1,3 (nom.) . (2) Mc
1,11 (nom.) . (3) Mc
1,26 (dat.) . (4) Mc
5,7 (dat.) . (5) Mc
9,7 (nom.) . (6) Mc
15,34 (dat.) .
Mc 1,3.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,3.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,3.5.
erèmô(i) = in de woestijn . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Datief vrouwelijk enk. . Hebr. chârëbâh (chrbh
: 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh
(Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos
: kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus
: verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is
eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht
, gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
Een vorm van erèmos (woestijn) in zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 ,
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 ,
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc 1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
Mc 1,3.7.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
8. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik
in het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) . Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg.
E. way . D. Weg .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
Mc 1,2
- Mc 1,3
aankondigen een 'weg'bereider aan via een citaat uit het O.T. .
In 4 verzen in Mc is hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
12,14 . In 6 verzen in Mc wordt hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel
.
Mc 1,3.8.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in
het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
Mc 1,3.7. - 8. tèn hodon (de weg) . hodon (weg) voorafgegaan door het bep. lidw. tèn (de weg) . Mc (7 / 10) . Niet in : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 6,8 . (3) Mc 10,17 .
Mc 1,3.12.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,39 .
Mc 1,3.14.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos .
Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (13) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc
1,7 . (5) Mc
1,19 . (6) Mc
1,20 . (7) Mc
1,22 . (8) Mc
1,25 . (9) Mc
1,26 . (10) Mc
1,28 . (11) Mc
1,36 . (12) Mc
1,41 . (13) Mc
1,42 .
| Mc 1,4 - Mc 1,4 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den
doop der bekering tot vergeving der zonden.
King James Bible . John did baptize in the wilderness, and preach the baptism
of repentance for the remission of sins.
Luther-Bibel . 4 Johannes der Täufer war in der Wüste und predigte
die Taufe der Buße zur Vergebung der Sünden.
Tekstanalyse van Mc 1,4 . Dit vers Mc 1,4 telt 13 woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 1,4 is 9546 (2 X 2 X 3 X 37 X 43) . Mc 1,2-6 verhaalt het optreden van Johannes de Doper . De evangelist Marcus begint in Mc 1,2-3 met een citaat van een Jesajatekst om dan in Mc 1,4 over te gaan op de vervulling van die profetie in de persoon van Johannes . In Mc 1,4 is er voor het eerst sprake over Johannes . De zin begint met egeneto (het gebeurde) gevolgd door het onderwerp Johannes de Doper .
Mc 1,4.1.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in
5 verzen : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . (4) Mc
1,17 . (5) Mc
1,32 . In Mc
1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc
1,9 is dat Jezus .
In Mc is er een zekere overeenkomst tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . Beide teksten
beginnen met egeneto (het gebeurde) . In het ene geval (Mc 1,4) om het begin
van Johannes de Doper aan te duiden , in het andere geval (Mc 1,9) dat van Jezus
. Johannes treedt op in Judea en de Jordaan . Jezus komt van Galilea , van de
stad Nazaret om zich door Johannes te laten dopen . Na de gevangenneming van
Johannes de Doper zal Jezus naar Galilea teruggaan (Mc 1,14) .
- Mc 1,4
: egeneto iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper trad op)
.
- Mc 1,9
: kai egeneto (en het gebeurde) .
STAP VOOR STAP ! Eerst Johannes de Doper , dan Jezus .
Mc 1,4.2.
nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc
6,14 . (4) Mc
6,18 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
Mc 1,4.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Ofwel zijn baptizôn (dopende) ... kai kèrussôn (en verkondigend)
twee nevenschikkende particpiazinnen en staat het bepaald lidwoord ho (de) er
teveel ofwel staat ho baptizôn als bijstelling bij Iôannès
en staat kai (en) er teveel .
Mc 1,4.4. actief participium nominatief mannelijk enkelvoud baptizôn (dopende of doper) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me . Gebruikt als bijstelling (voorafgegaan door het bepaald lidwoord ho : de dopende = de doper) in (1) Mc 1,4 . (2) Mc 6,14 .
Mc 1,4.2. - 4. Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper) . Mc (15) : (1) Mc 1,4 (Iôannès ho baptizôn = Johannes de dopende of Johannes de doper). (2) Mc 1,6 (kleding en voeding) . (3) Mc 1,9 (ebaptisthè ... hupo Ioannou = hij werd gedoopt door Johannes) . (4) Mc 1,14 (overlevering) . (5) Mc 2,18 (mathètai Iôannou = leerlingen van Johannes vasten) . (6) Mc 6,14 Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper) . (7) Mc 6,16 (onthoofde Johannes) . (8) Mc 6,17 (de gevangen Johannes) . (9) Mc 6,18 (Johannes tot Herodes) . (10) Mc 6,20 (Herodes vreesde Johannes) . (11) Mc 6,24 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper) . (12) Mc 6,25 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper) . (13) Mc 8,28 (de mensen zeggen Iôannèn ton baptistèn = Johannes de doper) . . (14) Mc 11,30 (to baptisma to Iôannou = het doopsel dat van Johannes) . (15) Mc 11,32 (een profeet) . In zeven verzen in Mc wordt Johannes in verband met de doop gebracht . In zeven verzen wordt de relatie gelegd tussen Johannes en dopen : (1) Mc 1,4 . (3) Mc 1,9 . (6) Mc 6,14 . (11) Mc 6,24 . (12) Mc 6,25 . (13) Mc 8,28 . (14) Mc 11,30 . (15) Mc 11,32 . In Mc 6,24 en Mc 6,25 staat de genitiefvorm baptizontos van baptizôn .
Mc 1,4.5.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,4.6.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,4.7.
datief vrouwelijk enk. erèmô(i) = in de woestijn , van het zelfst.
naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc
1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
Mc 1,4.5.
- 7. en tè erèmô(i) = in de woestijn . Hebr. bammidëbar
(in de woestijn) : in 138 verzen . Mc (3) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- Mc 1,3
. Citaat uit het O.T. . Voorzegging .
- Mc 1,4
: vervulling in de voorloper Johannes de Doper .
- Mc 1,13
: vervulling in de persoon van Jezus .
STAP VOOR STAP !
Mc 1,4.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,4.9.
act. part. praes. nom. mann. enk. kèrussôn (verkondigend) van het
werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,39 . In Mc
1,4 en Mc
1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn
een object : Mc
1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc
1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc
1,14 en Mc
1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
Een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) in Mc 1 (6) : (1)
Mc 1,4
. (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,14 . (1) Mc
1,38 . (3) Mc
1,39 . (1) Mc
1,45 .
In Mc 1,4
trad Johannes de doper verkondigend op . In Mc
1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian kèrussôn
(ging Jezus naar Galilea verkondigend) .
- Mc 1,39
: kai èlthen kèrussôn ... eis holèn tèn Galilaian
(en hij ging verkondigend ... naar heel Galilea) .
STAP VOOR STAP !
10. nom. + acc. onz. enk. baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het N.T. : baptisma
(doopsel) . Taalgebruik in Mc : baptisma
(doopsel) .
Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
10,38 . (3) Mc
10,39 . (4) Mc
11,30 .
Mc 1,4.12.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,4.13. acc. vr. enk. afesin (vergeving) van het zelfst. naamw. afesis (aflating, vergeving) . Taalgebruik in het N.T. : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Mc : afesis (vergeving) . par-donner (pardon) : ver-geven , door : over -geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) . Mc (2) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 3,29 .
Mc 1,4.14. genitief vrouwelijk meervoud hamartiôn (van zonden) van het zelfstandig naamwoord hamartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (1) : Mc 1,4 .
Mc 1,4.12. - 14. eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) . Mc (1) : Mc 1,4 .
Duality
- In Mc is er een zekere overeenkomst tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . Beide teksten
beginnen met egeneto (het gebeurde) . In het ene geval (Mc 1,4) om het begin
van Johannes de Doper aan te duiden , in het andere geval (Mc 1,9) dat van Jezus
. Johannes treedt op in Judea en de Jordaan . Jezus komt van Galilea , van de
stad Nazaret om zich door Johannes te laten dopen . Na de gevangenneming van
Johannes de Doper zal Jezus naar Galilea teruggaan (Mc 1,14) .
- Mc 1,4
: egeneto iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper trad op)
.
- Mc 1,9
: kai egeneto (en het gebeurde) .
| Mc 1,5 - Mc 1,5 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem;
en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.
King James Bible . [5] And there went out unto him all the land of Judaea, and
they of Jerusalem, and were all baptized of him in the river of Jordan, confessing
their sins.
Luther-Bibel . 5 Und es ging zu ihm hinaus das ganze jüdische Land und alle
Leute von Jerusalem und ließen sich von ihm taufen im Jordan und bekannten ihre
Sünden.
Tekstuitleg van Mc
1,5 . Het
vers Mc
1,5 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 135 (3 X 3 X 3 X 5) letters . De
getalwaarde van Mc
1,5 is 15676 (2 X 2 X 3919) . Mc 1,5 beschrijft de reactie op het optreden
van Johannes de Doper . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen . Het
onderwerp van de tweede zin heeft een participiumzin . De opbouw van de twee
nevenschikkende zinnen verloopt parallel . Eerst het nevenschikkend voegwoord
kai (en) , vervolgens het vervoegd werkwoord . De beide werkwoorden staan in
de imperfectumvorm (onvoltooid verleden tijd) . Het ene in het enkelvoud (omwille
van de beklemtoning van de totaliteit) , het andere in het meervoud . Het onderwerp
in beide zinnen is hetzelfde . Na het werkwoord volgt een bepaling waarvan de
actor Johannes de Doper is : pros auton (naar hem) en hup'autou (door hem) .
Het onderwerp van de eerste zin is tweeledig ; het eerste deel ervan staat in
het enkelvoud pasa hè Ioudaia chôra (de hele Judese streek) , het
tweede deel in het meervoud hoi Hierosolumitai pantes (alle Jeruzalemmers) .
Het eerste deel van het onderwerp begint met een vorm van pas (heel, geheel,
al) , het tweede deel eindigt ermee : een chiastische (kruisvormige) structuur
. Daarenboven is er een zekere tegenstelling tussen de streek / het platteland
(enkelvoud en onpersoonlijk) en de stad - de inwoners van Jeruzalem (meervoud)
; de twee groepen vullen elkaar aan en vormen de totaliteit van de bevolking
. Wij zouden zeggen : stad en platteland , hier gebeurt het omgekeerde : platteland
en stad .
Het werkwoord van deze zin met dubbelvoudig onderwerp staat vooraan de zin en
wel in het enkelvoud . Het staat bovendien in de imperfectumvorm . Het werkwoord
is samengesteld uit het voorzetsel ek (uit) en poreuomai (gaan, trekken) . Het
ek (uit) suggereert een plaatsverandering . De plaats vanwaar is duidelijk :
het platteland Judea en de stad Jeruzalem . De plaats waarnaar (pros : naar)
ze trekken is niet expliciet vermeld in de eerste nevenschikkende zin ; ze trekken
naar hem (Johannes de Doper) . Uit de tweede nevenschikkende zin wordt het duidelijk
waarnaar ze getrokken zijn nl. de Jordaanrivier waar Johannes de Doper aan het
dopen is . In Mc 1,4 was reeds vermeld dat Johannes optrad in de woestijn .
Dat roept het beeld op van dorheid , zand , eenzaamheid . In Mc 1,5 is Johannes
aan de Jordaan , een grillige rivier met een sterk verval ; geen plek om er
te wonen ; een eenzame plek . Het werkwoord poreuomai of een samengesteld werkwoord
ervan wordt in het Marcusevangelie vaak gebruikt en wijst op een op weg gaan
.
Het onderwerp van de tweede zin is hetzelfde als dat van de eerste zin . Het
werkwoord staat evenwel in het meervoud en de participiumzin bij het onderwerp
staat eveneens in het meervoud . Daarenboven staat het werkwoord in de imperfectumvorm
.
Mc 1,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en...
Mc 1,5.2.
ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto (en hij begaf zich op weg naar buiten)
van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T.
: ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig
naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare
plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het
woord behoort tot de groep van varen .
Mc (1) Mc
1,5 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in Mc in 11 verzen
: (1) Mc
1,5 . (2) Mc
6,11 . (3) Mc
7,15 . (4) Mc
7,19 . (5) Mc
7,20 . (6) Mc
7,21 . (7) Mc
7,23 . (8) Mc
10,17 . (9) Mc
10,46 . (10) Mc
11,19 . (11) Mc
13,1 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) vergezeld
van ek (4) : (1) Mc
7,15 . (2) Mc
7,20 . (3) Mc
7,21 . (4) Mc
13,1 , van exô (1) : Mc
11,19 , van -then (2) : (1) Mc
6,11 . (2) Mc
7,21 .
Mc 1,5.3.
pros (naar) + accusatief , meestal bij personen . Taalgebruik in het N.T. :
pros
(naar, bij) .
Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) .. Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 * . (2) Mc
1,27 . (3) Mc
1,32 * . (4) Mc
1,33 . (5) Mc
1,40 * . (6) Mc
1,45 * .
Mc 1,5.3.
- 4. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) .
Naar Johannes de Doper : (1) Mc
1,5 : exeporeueto pros auton pasa hè Ioudaia chôra kai hoi
Hierosolumitai pantes (de hele Juda-streek en alle Jeruzalemmers trokken uit
naar hem = Johannes de Doper) .
Mc 1,5.6.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,30 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,42 .
10. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,36 .
De opbouw van de twee nevenschikkende zinnen verloopt parallel . Dat gebeurt eveneens (maar niet op zo'n mooie wijze) in Mc 1,9 dat verhaalt dat Jezus naar Johannes komt en door hem wordt gedoopt . Evenals Mc 1,5 bestaat Mc 1,9 uit twee nevenschikkende zinnen . De vervoegde werkwoorden in Mc 1,5 staan in het imperfectum , die van Mc 1,9 in de aorist .
Mc 1,5.14.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos .
Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (13) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc
1,7 . (5) Mc
1,19 . (6) Mc
1,20 . (7) Mc
1,22 . (8) Mc
1,25 . (9) Mc
1,26 . (10) Mc
1,28 . (11) Mc
1,36 . (12) Mc
1,41 . (13) Mc
1,42 .
Mc 1,5.17.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,5.18.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
22. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,39 .
24. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
1,23 . (4) Mc
1,39 .
| Mc 1,6 - Mc 1,6 13. : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen
gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
King James Bible . [6] And John was clothed with camel's hair, and with a girdle
of a skin about his loins; and he did eat locusts and wild honey;
Luther-Bibel . 6 Johannes aber trug ein Gewand aus Kamelhaaren und einen ledernen
Gürtel um seine Lenden und aß Heuschrecken und wilden Honig
Tekstuitleg van Mc 1,6 .
Mc 1,6.2.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,6.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,6.4.
nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc
6,14 . (4) Mc
6,18 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
5. endedumenos (zich aangekleed met) van het werkwoord enduomai (zich iets
aantrekken, zich aankleden met, 'aanhebben') . Participium perfectum nominatief
mannelijk enkelvoud . In drie verzen in het O.T. en in Mc 1,6
.
(1) Zach 3,3 : kai Ièsous èn endedumenos himata rupara (en Josua
had zich aangekleed met vuile kleren) .
(2) Da 6,4 : kai Danièl èn endedumenos porfuran (en Daniël
had zich aangekleed met purper) .
(3) Da 10,5 : kai idou anthrôpos heis endedumenos bussina kai tèn
osfun autou periezôsmenos bussinôi (en zie één man
was gekleed in linnen kleren en had zi jn lenden omgord met een gouden gordel)
.
| enduô (leggen op, inkleden) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| pass. part. perf. nom. mann. enk. endedumenos | 4 | 3 | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| Andere vormen | ||||||||||||||
| Totaal |
Enduma (kleed). Zelfstandig naamwoord. In 6 verzen in de bijbel; in 2 verzen
in het het O.T., in 4 verzen bij Matteüs.
- thrix (haar), genitief trichos. Trichas : accusatief meervoud.
In 12 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T.
Trichôn (van de haren). Genitief meervoud. In 4 verzen in de bijbel; in
2 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T. Trichinèn (haren) . Bijvoeglijk
naamwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud, van trichinos (haren) zie Zach 13,4
: kai endusontai derrin trichinèn (en zij zich aankleden met een haren
'vel'.
- kamèlou (kamelen - van een kameel) Genitief enkelvoud.
In 6 verzen; in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T.. In de bijbel
is slechts hier sprake van het zich kleden met een kameelharen kleed.
- Zônè (gordel). In 7 verzen in de bijbel; in
6 verzen in het O.T., in het N.T. Zônèn . Accusatief enkelvoud.
In 11 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het O.T., in 5 verzen in het N.T.
Periezôsmenos (omgord). Passief participium perfectum nominatief mannelijk
enkelvoud van het werkwoord perizôzô (?) (omgorden). Het komt in
6 verzen in het O.T. voor.
- dermatinèn (leren). Bijvoeglijk naamwoord. Accusatief
vrouwelijk enkelvoud. Het komt slechts in 3 verzen in de bijbel voor; in 2 K
1,8 en in de parallelteksten Mt
3,4 en Mc 1,6 . (1) 2 K 1,8 : anèr drasus kai
zônèn dermatinèn periezôsmenos tèn osfun autou
(en met een leren gordel had hij zijn lenden omgord). (2) + (3) Mt en Mc hebben
een identitieke tekst vanaf kai zônèn (en een gordel), overgenomen
van 2 K 1,8 met weglating van ezôsmenos ('om'-gord).
14. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
- akridas (sprinkhanen). Accusatief meervoud, van het zelfstandig
naamwoord akris - akridos (sprinkhaan). Deze vorm komt slechts voor in Js 33,4
en Mc 1,6 .
- meli (honing) . In 51 verzen in de bijbel; in 47 verzen in
het O.T., in 4 verzen in het N.T.
Ofschoon Mc 1,6 geen expliciet citaat is, is het duidelijk
dat 2 K 1,8 aan de bron van Mc 1,6 ligt. In Mc
1,6 wordt de levenswijze van Johannes (kleding - eerste het kleed en dan
de gordel - en voeding) gegeven. In 2 K 1,8 wordt uitdrukkelijk gezegd dat het
om Elia gaat. Ook de citaten van Maleachi in Mc 1,2-3 laten duidelijk verstaan
dat het om Elia gaat. Aldus omsluiten Mc 1,2-3 en Mc 1,6 elkaar.
| Mc 1,6 | Mt 3,4 | 2 K 1,8 |
| kai (en) | Autos de ho Iooannijs (Zelf echter Johannes) | |
| ijn (was) | eichen ('droeg') | |
| ho Iooannijs (Johannes) | anijr (een man) | |
| endedumenos (gekleed) | to enduma autou (zijn kleed) | dasus (behaard) |
| trichos kamijlou (haren van een kameel) | apo trichoon kamijlou (uit haren van een kameel) | |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) |
zoonijn (gordel) |
zoonijn |
zoonijn (gordel) |
| dermatinijn (lederen) | dermatinijn | dermatinijn (lederen) |
| peri (rond) | peri (rond) | periezoosmenos (omgordende) |
| tijn osfun (zijn lenden) | tijn osfun autou (zijn lenden) | tijn osfun (zijn lenden) |
| kai (en) | kai eipen : IJliou ho thesbitijs houtos estii (en hij zei : Elia de Thesbiet is die (man) | |
| esthoon (etende) | hij de trofij ijn autou (zijn voedsel echter) | |
| kai meli agrion (wilde honing) | kai meli agrion (wilde honing) | |
| akridas | akrides | |
| 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 | 2 K 1,1-18 : Elia voorspelt Achazja's dood |
dasus : harig, dichtbebost, dicht,
16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 -
| Mc 1,7 - Mc 1,7 : 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is
dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te
ontbinden.
King James Bible .[7] And preached, saying, There cometh one mightier than I
after me, the latchet of whose shoes I am not worthy to stoop down and unloose.
Luther-Bibel . 7 und predigte und sprach: Es kommt einer nach mir, der ist stärker
als ich; und ich bin nicht wert, dass ich mich vor ihm bücke und die Riemen
seiner Schuhe löse.
Tekstuitleg van Mc 1,7 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en...
2. ekèrussen (hij verkondigde) . Taalgebruik : kèrussô
(verkondigen) . Hebr. qârâ´(roepen) of râwâ`(luid
schreeuwen) . Actief indicatief imperfectum 3de pers. enk. In vier verzen in
de bijbel : (1) Est
6,11 . (2) Mc
1,7 . (3) Hnd
8,5 . (4) Hnd
9,20 . De imperfecta in Mc
1,5 ( kai exeporeueto = en het ging op weg uit ... kai ebaptizonto = en
zij werden gedoopt) , Mc
1,6 (kai èn = en hij was) . Ze omsluiten het egeneto (het gebeurde)
van Mc
1,5 en kai egeneto = en het gebeurde) van Mc
1,9 . De imperfecta geven een tijdsduur aan ; de leerlingen van Johannes
bleven het werk van Johannes de doper verder zetten . Dat was nog zo op het
moment dat Marcus zijn evangelie schreef . Hiermee is ook de rol tussen de leerlingen
van Johannes en die van Jezus duidelijker omschreven .
In de pericope Mc 1,1-15 komt driemaal een vorm van het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor : (1) Mc
1,4 (kèrussôn = verkondigend) . (2) Mc
1,7 (ekèrussen = hij verkondigde) . (3) Mc
1,14 (kèrussôn = verkondigend) . In Mc
1,4 volgt een lijdend voorwerp . In Mc
1,7 wordt Johannes de doper geciteerd , dat ingeleid wordt door legôn
(zeggend) . In Mc
1,14 volgt eerst een lijdend voorwerp en vervolgens een citaat van Jezus
, dat ingeleid wordt door kai legôn = en zeggend (Mc
1,15 ) .
| kèrussô (verkondigen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. imperf. 3de p. enk. ekèrussen | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1 | |||||
| Totaal (bij benadering) | 65 | 18 | 47 | 8 | 12 | 9 | 7 | 11 | 29 | 29 |
3. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,24 . (4) Mc
1,25 . (5) Mc
1,40 . (6) Mc
5,23 . (7) Mc
8,15 . (8) Mc
8,26 . (9) Mc
8,27 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
12,6 . (12) Mc
12,26 . (13) Mc
14,44 . (14) Mc
14,60 . (15) Mc
14,68 . (16) Mc
15,4 . (17) Mc
15,9 . (18) Mc
15,36 .
4. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt)
van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) .
Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,40 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
4,21 . (7) Mc
5,22 . (8) Mc
6,1 . (9) Mc
6,48 . (10) Mc
10,1 . (11) Mc
13,35 . (12) Mc
14,17 . (13) Mc
14,37 . (14) Mc
14,41 . (15) Mc
14,66 . (16 ) Mc
15,36 .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 .. (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 .
5. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
. ischuteros (krachtiger) . Taalgebruik : ischus (kracht) . ischuroteros (sterker) . In zes verzen in de bijbel . OT (2) . NT (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .
| ischus (kracht) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| totaal | 301 | 291 | 10 | 2 | 1 | 5 | 2 | 3 | 3 | 3 | 2 |
7. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
8. opisô (achter) . Taalgebruik in het N.T. : opisô
(achter) . Taalgebruik in Mc : opisô
(achter) . Voorzetsel . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après
(ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned.
achter .
In zes verzen in Mc : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,17 . (3) Mc
1,20 . (4) Mc
8,33 . (5) Mc
8,34 . (6) Mc
13,16 .
10. betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos
(die) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc
1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc
1,22 .
11. betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos
(die) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc
1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc
1,22 .
16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
18. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20 .
| Mc 1,8 - Mc 1,8: 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen
met den Heiligen Geest.
King James Bible . [8] I indeed have baptized you with water: but he shall baptize
you with the Holy Ghost.
Luther-Bibel . 8 Ich taufe euch mit Wasser; aber er wird euch mit dem Heiligen
Geist taufen.
Tekstuitleg van Mc
1,8 . Variante lezingen . Volgens Marcus maakt Johannes de Doper zelf een
onderscheid tussen zichzelf en Jezus . Dat onderscheid bestaat in het soort
doopsel : het ene met water , het andere met heilige geest .
Mc 1,8
bestaat uit twee delen , mooi parallel opgebouwd : onderwerp - werkwoord - lijdend
voorwerp - bepaling van middel . Laten we hagiô(i) op het einde van het
tweede versdeel buiten beschouwing , dan tellen beide versdelen elk elf lettergrepen
;
- onderwerp egô = ik (2) , autos = hij (2) ,
- licht tegenstellend partikel in het tweede versdeel de = echter (1) ,
- werkwoordvorm : ebaptisa = ik doopte (4) , baptisei = hij zal dopen (3) .
In het tweede versdeel telt de werkwoordvorm een lettergreep minder , maar dit
wordt gecompenseerd door het eenlettergrepige artikel de = echter .
- Het lijdend voorwerp is een persoonlijk voornaamwoord 2de pers. mv. . In het
Hebr. wordt dit voornaamwoord aan het vervoegde werkwoord gehecht . In Mc
1,8 staat het onmiddellijk na het vervoegde werkwoord : ebaptisen humas
(hij doopte jullie) - baptisei humas (hij zal jullie dopen) .
- bepaling van middel : hudati = met water (3) , pneumati = met geest (3) .
Beide woorden tellen drie lettergrepen en eindigen elk op -ti .
Tweeheid : Johannes de Doper en Jezus . Water en geest .
In volgende tabel worden acht teksten bij elkaar geplaatst : (1) Mc 1,8 . (2) Mt 3,11. (3) Lc 3,16 . (4) Joh 1,26 .(5) Hnd 1,5 . (6) Hnd 8,38 . (7) Hnd 11,16 . (8) Hnd 19,4 .
| 1. | Mc 1,8 | egô (ik) | ebaptisa (doopte) | humas (jullie) | hudati (met water) | ||||
| autos (hij) | de (echter) | baptisei (zal dopen) | humas (jullie) | pneumati hagiôi (met heilige geest) | |||||
| 2. | Mt 3,11 | egô (ik) | men (enerzijds) | humas (jullie) | baptizô (doop) | en hudati (met water) | eis metanoian (tot bekering) | ||
| autos (hij) | humas (jullie) | baptisei (zal dopen) | en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur) | ||||||
| 3. | Lc 3,16 | egô (ik) | men (enerzijds) | hudati (met water) | baptizô (doop) | humas (jullie) | |||
| autos (hij) | humas (jullie) | baptisei (zal dopen) | en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur) | ||||||
| 4. | Joh 1,26 | egô (ik) | baptizô (doop) | en hudati (met water) | |||||
| 5. | Hnd 1,5 | (hoti) Iôannès (want) (Johannes) | men (enerzijds) | ebaptisen (doopte) | hudati (met water) | ||||
| humeis (jullie) | de (echter) | en pneumati (met geest) | baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden) | hagiôi (heilige) | |||||
| 6. | Hnd 8,38 | (kai) (en) | ebaptisen (doopte) | auton (hem) | |||||
| 7. | Hnd 11,16 | Iôannès (Johannes) | men (enerzijds) | ebaptisen(doopte) | hudati (met water) | ||||
| humeis (jullie) | de (echter) | baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden) | en pneumati hagiôi (met heilige geest) | ||||||
| 8. | Hnd 19,4 | Iôannès (Johannes) | ebaptisen baptisma (doopte een doopsel) | metanoias (van bekering) |
Mc 1,8.1. egô (ik) . persoonl. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Lat. ego . Ned. : ik . Fr. je . Hebr. ´ânî (653) en ´ânokhî (276) , samen (929) . Mc (14) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,50 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,26 . (9) Mc 13,6 . (10) Mc 14,19 . (11) Mc 14,29 . (12) Mc 14,36 . (13) Mc 14,58 . (14) Mc 14,62 .
Mc 1,8.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ebaptisa (ik doopte) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me . Deze werkwoordvorm komt nog slechts tweemaal voor in 1 Kor : (1) 1 Kor 1,14 . (2) 1 Kor 1,16 . Het is toch opvallend dat Johannes , die hier een getuigenis geeft , spreekt in de verleden tijd . In de parallelteksten bij de andere evangelisten staat de tegenwoordige tijd baptizô (ik doop) . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,8 (twee vormen) . (4) Mc 1,9 . (5) Mc 6,14 . (6) Mc 6,24 . (7) Mc 7,4 . (8) Mc 10,38 (twee vormen) . (9) Mc 10,39 (twee vormen) . (10) Mc 16,16 .
Mc 1,8.3.
persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
In twee verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 . Mc (13) : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 .(3) Mc
6,11 . (4) Mc
9,19 . (5) Mc
9,41 . (6): Mc
11,29 . (7) Mc
13,5 . (8) Mc
13,9 . (9) Mc
13,11 . (10) Mc
13,36 . (11) Mc
14,28 . (12) Mc
14,49 . (13) Mc
16,7 .
Mc 1,8.4. dat. onz. enk. hudati (met water) . Taalgebruik in het N.T. : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau . Mc (1) : Mc 1,8 . Een vorm van hudör (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 14,13 .
Mc 1,8.5.
pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (15) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
2,25 . (3) Mc
3,13 . (4) Mc
4,27 . (5) Mc
4,38 . (6) Mc
5,40 . (7) Mc
6,17 . (8) Mc
6,45 . (9) Mc
6,47 . (10) Mc
8,29 . (11) Mc
12,36 . (12) Mc
12,37 . (13) Mc
14,15 . (14) Mc
14,44 . (15) Mc
15,43 .
Mc 1,8.6.
de (echter) . Afkorting d' .. Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte
tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin
aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . In vijf verzen in Mc
1 : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 . In Mc
1,8 werden Johannes de Doper en Jezus met elkaar vergeleken , waarbij Jezus
de belangrijkste persoon is . Vanaf Mc
1,14 begint het optreden van Jezus .
Mc 1,8.7.
act. ind. fut. 3de pers. enk. baptisei (hij zal dopen) . Taalgebruik : baptisma
(doopsel) . Actief futurum 3de pers. enk. Hierin komen de paral van het
werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô
(dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô
(dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el
, do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc
1,8 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1)
Mc 1,4
. (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,8 (twee vormen) . (4) Mc
1,9 . (5) Mc
6,14 . (6) Mc
6,24 . (7) Mc
7,4 . (8) Mc
10,38 (twee vormen) . (9) Mc
10,39 (twee vormen) . (10) Mc
16,16 .
Mc 1,8.8.
persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
In twee verzen in Mc 1 : Mc (13) : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 .(3) Mc
6,11 . (4) Mc
9,19 . (5) Mc
9,41 . (6): Mc
11,29 . (7) Mc
13,5 . (8) Mc
13,9 . (9) Mc
13,11 . (10) Mc
13,36 . (11) Mc
14,28 . (12) Mc
14,49 . (13) Mc
16,7 .
Mc 1,8.9.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,8.10.
dat. onz. enk. pneumati van het zelfst. naamw. pneuma (geest) . Taalgebruik
in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (7) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,23 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
5,2 . (5) Mc
8,12 . (6) Mc
9,25 . (7) Mc
12,36 . In 23 verzen in Mc : pneuma (geest) . In 4 verzen een heilige geest
, in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of
onzuiver . (1) Mc
1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi
= met heilige geest) . (2) Mc
1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc
1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc
1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi
= een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc
1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere
geest) . (6) Mc
1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan
de onzuivere geesten) . (7) Mc
2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest)
. (8) Mc
3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere
geesten) . (9) Mc
3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion
= tegen de heilige geest.) . (10) Mc
3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest)
. (11) Mc
5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi
= een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc
5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13)
Mc 5,13
(nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten)
. (14) Mc
6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn
tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc
7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest)
. (16) Mc
8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest)
.(17) Mc
9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc
9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc
9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest)
. (19b) Mc
9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi
akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc
9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi
akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc
12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi
hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc
13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest)
. (23) Mc
14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .
Mc 1,8.11.
dat. mann. + onz. enk. hagiô(i) van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig)
. Taalgebruik in het N.T. : hagios
(heilig) . Taalgebruik in Mc : hagios
(heilig) .
Mc (2) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
12,36 . Een vorm van hagios (heilig) in Mc (7) : (1) Mc
1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi
= met heilige geest) . (2) Mc
1,24 (nom. mann. enk. hagios : in : ho hagios tou theou = de heilige van
God) . (3) Mc
3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion
= tegen de heilige geest.) . (4) Mc
6,20 (acc. mann. enk. hagion in : andra dikaion kai hagion = een rechtvaardig
en heilig man) . (5) Mc
8,38 (gen. mann. mv. hagiôn in : meta tôn aggelôn tôn
hagiôn = met de heilige engelen) . (6) Mc
12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi
hagiôi = door de heilige geest) . (7) Mc
13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest)
.
Mc 1,8.10.
- 11. In vier verzen in Mc is een vorm van hagios (heilig) met een vorm van
pneuma (geest) :
(1) Mc
1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi
= met heilige geest) .
(2) Mc
3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion
= tegen de heilige geest.) .
(3) Mc
12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi
hagiôi = door de heilige geest) .
(4) Mc
13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest)
.
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -
De inleiding bereikt zijn hoogtepunt . Het hoofdpersonage van het verhaal (Jezus) wordt geïntroduceerd : Hij is zoon van God . Daarmee is zijn positie bepaald .
| Mc 1,9 - Mc 1,9 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van
Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
King James Bible . [9] And it came to pass in those days, that Jesus came from
Nazareth of Galilee, and was baptized of John in Jordan.
Luther-Bibel . 9 Und es begab sich zu der Zeit, dass Jesus aus Nazareth in Galiläa
kam und ließ sich taufen von Johannes im Jordan.
Tekstuitleg van Mc 1,9 . Het vers Mc 1,9 telt 19 woorden en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 1,9 is 7313 (71 X 103) .
Jezus verliet Nazaret en Galilea en ging naar Judea . Er is een lange geschiedenis
waarbij Judea in het zuiden en Galilea in het noorden hun eigen weg gingen .
Een nationale staat die David (1010 - ongeveer 972) tot stand had gebracht en
onder zijn zoon Salomo (ongeveer 972-933) tot volle bloei was gekomen , werd
in 933 gesplitst in een Noordrijk met Samaria als hoofdstad en een Zuidrijk
met Jeruzalem als hoofdstad . Na de val van Samaria in 721 voor Christus verplaatsten
de Assyriërs onderdanige volkeren van locatie , waardoor in het Noordrijk
een vermenging van volkeren ontstond en geen zuiver etnisch ras meer aanwezig
was . Dat was een doorn in het oog van het Zuidrijk , waardoor de ‘Samaritanen’
een negatieve bijklank kregen . Uit bezorgdheid voor de religieuze integriteit
behandelde het Zuiden hun Noorderburen racistisch .
Rond de eeuwwisseling weken heel wat joden (inwoners uit Judea) uit lijfsbehoud
naar Galilea uit . Wellicht vormden ze er joodse gemeenschappen met hun synagogen
en hun eigen gebruiken. Ook de ouders van Jezus waren uitgeweken . Ze vonden
er een veilig onderkomen , asiel . Jezus behoorde tot de tweede generatie asielzoekers
. Hoe was de verhouding tot de autochtone bevolking , de 'Samaritanen' ?
Jezus bracht tot nu toe zijn leven door in Galilea , één van de
deelgebieden van de Romeinse provincie Palestina . Hij woonde in het dorp Nazaret
. Hij is een jood in de diaspora.
De evangelist Marcus vertelt ons niet hoe Jezus op de hoogte kwam van de joodse
vernieuwingsbeweging van Johannes de Doper in Judea . Wellicht was hij niet
de enige die hierover hoorde en niet de enige die ernaartoe trok .
Jezus ging naar Judea , naar de roots van zijn ouders en de roots van zijn godsdienst
. Hij werd aangetrokken door Johannes de Doper en liet zich dopen .
| Mc 1,4 | Mc 1,5 | Mc 1,9 |
| egeneto ("trad op") | kai (en) | kai (en) egeneto ... (het gebeurde) |
| exeporeueto (trok uit) pros auton (naar hem) | èlthen (ging) | |
| Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende) ... | pasa hè Ioudaia chôra kai hoi Hierosolumitai pantes (heel het Judese gebied en alle Jeruzalemmers) | Ièsous (Jezus) |
| en tèi erèmôi (in de woestijn) kèrussôn (verkondigende) | apo Nazareth tès Galilaias (van Nazaret van Galilea) | |
| baptisma metanoias (het doopsel van bekering) | kai ebaptizonto (en zij werden gedoopt) hup'autou (door hem) en tôi Iordanèi potamôi (in de stroom, de Jordaan) | kai ebaptisthè (en hij werd gedoopt) eis tèn Iordanèn (in de Jordaan) hupo Iôannou (door Johannes) |
| hup'autou (door hem) | hupo Iôannou (door Johannes) | |
| eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) | eksomologoumenoi tas hamartias autôn (belijdende de zonden van hen) | kai euthus anabainôn ek tou hudatos (en terstond opstijgend uit het water) |
| Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | De doop van Jezus - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - |
Mc 1,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,9.2.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . In Mc
1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc
1,9 is dat Jezus . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Mc 1 in 5
verzen : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . (4) Mc
1,17 . (5) Mc
1,32 .
Mc 1,9.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,9.4.
aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. ekeinais (die) van het aanwijz. voornaamw.
ekeinos (die) . Taalgebruik in het N.T. : ekeinos
(die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos
(die) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc
8,1 . (3) Mc
13,17 . (4) Mc
13,24 .
Mc 1,9.5.
bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de
/ het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
6,56 . (5) Mc
8,1 . (6) Mc
12,38 . (7) Mc
12,39 . (8) Mc
13,17 . (9) Mc
13,24 . (10) Mc
16,18 .
Mc 1,9.6.
dat vr. enk. hèmerais (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag)
. Taalgebruik in het N.T. : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera
(dag) .
(1) Mc 1,9
(kai egeneto ...) . (2) Mc
8,1 . (3) Mc
13,17 . (4) Mc
13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) . Een vorm van hèmera
(dag) in Mc in 23 verzen , in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,13 .
Mc 1,9.3. - 6. en ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .
Mc 1,9.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) . . Taalgebruik in het
N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 * . (3) Mc
1,39 * . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
5,33 . (6) Mc
7,31 * . (7) Mc
8,10 * .
(8) Mc
10,45 / Mc
10,46 *. (9) Mc
10,50 . (10) Mc
11,13 . (11) Mc
14,3 . (12) Mc
14,41 . * (+ eis = naar) .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 . In Mc
1,9 gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc
1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc
1,39 naar heel Galilea .
Mc 1,9.8.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,17 . (4) Mc
1,25 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
7. - 8. Mc
1,9 en Mc
1,14 zijn aan elkaar gelinkt .
- Mc 1,9
: èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .
Mc 1,9.9.
apo (af, van-weg) . afkorting ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12 = 45) . Mc (1 + 1 = 2) . (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,42 .
Mc 1,9.10. Nazaret komt slechts in Mc 1,9 bij Marcus voor .
Mc 1,9.11.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
Mc 1,9.12.
gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik
in het N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc
6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter
van Herodes .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc
3,7 . Verder : Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
.
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc
9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc
15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc
1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van
Galilea) .
Mc 1,9.13.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,9.14.
mediaal of pass. aor. 3de pers. enk. ebaptisthè (hij werd gedoopt , hij
dompelde zich onder) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het
N.T. : baptizô
(dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô
(dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el
, do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc
1,9 . Een vorm van het werkw. baptizô (dopen) in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,8 .(2 vormen) . (4) Mc
1,9 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen :
(1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,8 (twee vormen) . (4) Mc
1,9 . (5) Mc
6,14 . (6) Mc
6,24 . (7) Mc
7,4 . (8) Mc
10,38 (twee vormen) . (9) Mc
10,39 (twee vormen) . (10) Mc
16,16 .
Mc 1,9.15. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,9.16.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,9.17. acc. vr. enk. iordanèn (Jordaan) van het zelfst. naamw. iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het N.T. : iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in Mc : iordanès (Jordaan) . Mc (1) Mc 1,9 . Een vorm van iordanès (Jordaan) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 10,1 .
Mc 1,9.15.
- 17. - eis tèn iordanèn (naar de Jordaan) . Mc (1) Mc
1,9 .
- en tè iordanè(i) (in de Jordaan) . Mc (1) Mc
1,5 .
- peran tou iordanou (aan de overzijde van de Jordaan) . Mc (2) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
10,1 .
Mc 1,9.18.
hupo (door) . Afkortingen : hup' en huf' . Taalgebruik in het N.T. : hupo
(door) . Taalgebruik in Mc : hupo
(door) .
Mc (8 + 3 = 11) . hupo in Mc (8) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
2,3 . (4) Mc
4,21 . (5) Mc
4,32 . (6) Mc
5,26 . (7) Mc
8,31 . (8) Mc
13,13 . hup' in Mc (3) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
5,4 . (3) Mc
16,11 .
Mc 1,9.19.
gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (5) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
6,24 . (4) Mc
6,25 . (5) Mc
11,30 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
| Mc 1,10 - Mc 1,10 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de
hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.
King James Bible . [10] And straightway coming up out of the water, he saw the
heavens opened, and the Spirit like a dove descending upon him:
Luther-Bibel . 10 Und alsbald, als er aus dem Wasser stieg, sah er, dass sich
der Himmel auftat und der Geist wie eine Taube herabkam auf ihn.
Tekstanalyse van Mc 1,10 . Het vers Mc 1,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,10 is 12502 (2 X 7 X 19 X 47) . Mc 1,10 bestaat uit één samengestelde zin . Aan het hoofdwerkwoord gaat een participiumzin vooraf , die het onderwerp nadert bepaalt . Op het hoofdwerkwoord volgen twee participiumzinnen als lijdend voorwerp . Deze twee participiumzinnen zijn kruisgewijze opgebouwd . Eerste participiumzin : particpium - zelfstandig naamwoord . Tweede participiumzin : zelfstandig naamwoord - participium . De drie participia staan in de tegenwoordige tijd . Het is wel opmerkelijk dat bij het begin van de zin het participium anabainôn (opklimmend) staat en op het einde van de zin het tegengestelde particpium katabainon (neerdalend) . Concentrische opbouw !
Mc 1,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,10.2.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken)
.
Mc (40) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding
tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op
een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers
zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er
lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,10.3. actief participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud anabainôn (opstijgend) van het werkwoord anabainô (beklimmen, opstijgen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Gedoopt worden is afdalen in het water en eruit opstijgen . Anabainôn (opstijdend) komt overeen met het Hebreeuwse `oleh . Mc (1) : Mc 1,10 . Een vorm van anabainô (beklimmen, opklimmen) in Mc in 9 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,32 . (6) Mc 6,51 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 15,8 .
Mc 1,10.4.
ek (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek
(uit) . Taalgebruik in Mc : ek
(uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,11 . (3) Mc
1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 .
Mc 1,10.5.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,10.6.
gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water) .
Taalgebruik in het N.T. : hudôr
(water) . Taalgebruik in Mc : hudôr
(water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau .
Mc (3) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
9,41 . (3) Mc
14,13 . Een vorm van hudôr (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,10 . (3) Mc
9,22 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
14,13 .
Mc 1,10.7.
ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 . Een vorm van eidon (ik zag) in Mc in 44 verzen , in Mc 1 (3) .
Zien veronderstelt een object of een objectzin . In de objectzin staat het werkwoord
in de accusatief (als onderwerp) . Maar in Mc
1,10 bij het werkwoord 'zien' wordt geen voorwerpzin gebruikt . Het object
staat in de accusatief en het werkwoord komt in geslacht en getal overeen met
het object , zo vertalen we echter : hij zag de hemel openscheuren (we zeggen
ook niet: wij zagen de hemel open te scheuren) en de geest als een duif naar
hem neerdalen . Telkens is Jezus onderwerp . De werkwoordvorm eiden (hij zag)
wordt in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema . Een 5de maal komt het voor
in Mc 6,34
(hij ziet de menigte zonder herder) .
Mc 1,10.3. 7. part. aor. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij zag) (5 / 5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 .
Mc 1,10.8. pass. part. praes. acc. mann. mv. schizomenous van het werkw. schizô (scheuren) . Taalgebruik in het N.T. : schizô (scheuren) . Taalgebruik in Mc : schizô (scheuren) . Mc (1) : Mc 1,10 . Een tweede vorm van schizô (scheuren) in Mc in Mc 15,38 .
Mc 1,10.9.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,32 .
Mc 1,10.10. acc. mann. mv. ouranous van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .
Mc 1,10.11.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,10.12.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(108) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,10.13. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . Een vorm van pneuma (geest) in Mc in 23 verzen . : In 4 verzen een heilige geest , in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of onzuiver . (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) . (2) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc 1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc 1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (6) Mc 1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) . (7) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (8) Mc 3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (9) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (10) Mc 3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (11) Mc 5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc 5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13) Mc 5,13 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (14) Mc 6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc 7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (16) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) .(17) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (19b) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) . (23) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .
Mc 1,10.14.
hôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : hôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs
(zoals) . Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) .
Mc (21) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,22 . (3) Mc
4,26 . (4) Mc
4,27 . (5) Mc
4,31 . (6) Mc
4,36 . (7) Mc
5,13 . (8) Mc
6,15 . (9) Mc
6,34 . (10) Mc
7,6 . (11) Mc
8,9 . (12) Mc
8,24 . (13) Mc
9,21 . (14) Mc
10,1 . (15) Mc
10,15 . (16) Mc
12,25 . (17) Mc
12,31 . (18) Mc
12,33 . (19) Mc
13,34 . (20) Mc
14,48 . (21) Mc
14,72 .
Mc 1,10.15.
acc. vr. enk. peristeran van het zelfst. naamw. peristera (duif) . Taalgebruik
in het N.T. : peristera
(duif) . Taalgebruik in Mc : peristera
(duif) .
Mc (1) Mc
1,10 . Een vorm van peristera (duif) in Mc in 2 verzen : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
11,15 .
Mc 1,10.16. act. part. praes. nom. + acc. onz. enk. katabainon van het werkw. katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in het N.T. : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in Lc : katabainô (neerdalen, afdalen) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van katabainô (neerdalen, afdalen) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 9,9 . (4) Mc 13,15 . (5) Mc 15,30 . (6) Mc 15,32 .
Mc 1,10.17. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,10.18. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .
| Mc 1,11 - Mc 1,11 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn
geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
King James Bible . [11] And there came a voice from heaven, saying, Thou art
my beloved Son, in whom I am well pleased.
Luther-Bibel . 11 Und da geschah eine Stimme vom Himmel: Du bist mein lieber
Sohn, an dir habe ich Wohlgefallen.
Tekstuitleg van Mc 1,11 . Dit vers Mc 1,11 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 1,11 is 8654 (2 X 4327) . De hemelse stem . Er is geen werkw.legô (zeggen) om het citaat aan te kondigen , zo ook in Mc 9,7 .
Mc 1,11.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,11.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus .
Mc 1,11.3.
fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè
(stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè
(Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari
. Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô
= schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè
of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc
1,3 (nom.) . (2) Mc
1,11 (nom.) . (3) Mc
1,26 (dat.) . (4) Mc
5,7 (dat.) . (5) Mc
9,7 (nom.) . (6) Mc
15,34 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Mc in 7 verzen
: 6 + 1 : Mc
15,37 (acc. enk. fônèn) .
Mc 1,11.4. ek (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .ek of ex in Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 .
Mc 1,11.1. - 4. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 . Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen .
Mc 1,11.5.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,11 . (3) Mc
1,13 . (4) Mc
1,20 .
Mc 1,11.6. gen. mann. mv. ouranôn (van de hemelen) van het zelfst. nw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) : Mc 1,11 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .
Mc 1,11.4. - 6. ek tôn ouranôn = uit de hemelen . Hapax in Mc .
Mc 1,11.1.
- 6. Wordt het onderscheid tussen Johannes de Doper , de wegbereider , en Jezus
getypeerd door de zinnen die volgen op hun inleiding :
- Mc 1,11
: kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er was een stem
uit de hemel .
- Mc 1,3
: fônè boôntos en tè(i) erèmô(i) = een
stem van een roepende in de woestijn .
Johannes de Doper wordt als wegbereider aangekondigd door een schriftcitaat
, Jezus wordt door een goddelijke openbaring geïnitieerd , waarbij een
stem de identiteit van Jezus verklaart .
Mc 1,11.7. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .
8. act. . ind. praes. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .
Mc 1,11.7.
- 8. su ei (jij bent, gij zijt) . Mc (5 / 9) : (1) Mc
1,11 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
8,29 . (4) Mc
14,61 . (5) Mc
15,2 .
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc
1,11) : su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht
op toehoorders , vandaar : houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het
Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal
: houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc
15,39 valt op de aanwezigheid van ho anthrôpos = deze mens en de verleden
tijd van het werkw. nl. èn = hij was .
Mc 1,11.9.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,11.10.
nom. mann. enk. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios
(zoon) . Taalgebruik in Mc : huios
(zoon) .Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils . Mc (19) . Mc (19) Mc
1,11 . (2) Mc
2,10 ** . (3) Mc
2,28 **. (4) Mc
3,11 * . (5) Mc
6,3 . (6) Mc
8,38 ** . (7) Mc
9,7 . (8) Mc
9,9 ** . (9) Mc
9,31 ** . (10) Mc
10,33 ** . (11) Mc
10,45 ** . (12) Mc
10,46 . (13) Mc
12,35 . (14) Mc
12,37 . (15) Mc
13,32 . (16) Mc
14,21 ** . (17) Mc
14,41 ** . (18) Mc
14,61 . (19) Mc
15,39 . Een vorm van huios
(zoon) in Mc in 33 verzen , Mc 1 (2) : (1) Mc
1,1 (gen. huiou) . (2) Mc
1,11 (nom. huios) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin
zal Jezus juist om deze bewering veroordelen . Bij het eerste optreden van Jezus
heeft reeds een confrontatie plaats . Jezus , vervuld van heilige geest , komt
in het aangezicht te staan van een onreine geest die hem zegt : wat is er tussen
ons en u , Jezus van Nazaret . Ik weet wie u bent , de heilige van God .
Mc 1,11.11. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc (34) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
Mc 1,11.9.
- 11. ho huios mou (mijn zoon) . Mc (2) : (1) Mc
1,11 . (2) Mc
9,7 .
Merk volgende gelijkenissen op :
- Mc 1,11
: su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon .
- Mc 3,11
: su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God .
- Mc 8,29
= Mc 14,61
: su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2
: su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden
.
Mc 1,11.14.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans.
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,11.15. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - zie ook Joh 1,19-34 -
Evangelielezing 1ste
(eerste zondag in de veertigdagentijd B : Mc 1,12-15
(Taalgebruik : Mc
1,12-15) .
In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij
in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij
verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Nadat Johannes
was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap.
Hij zei: "De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft
in de Blijde Boodschap."
In Mc
1,9-11 werd het hoofdpersonage (Jezus) geïntroduceerd . In Mc
1,12-13 wordt de tegenstander van God (de satan) geïntroduceerd .
Jezus wordt aan een test onderworpen . Die test houdt verband met zijn godservaring
. De plaats van de test is de woestijn , een plaats die herinneringen oproept
aan Mozes . In de woestijn verbleef Mozes en het volk van God gedurende veertig
jaar in de woestijn . De woestijn is ook de plaats waar Jezus alleen is .
Het is de plaats waar hij moet kiezen tussen God of satan . De woestijn is
de testplaats .
De elementen van de twee verhalen (zoonschap en beproeving : Mc
1,9-11 , Mc
1,12-13) lopen als een rode draad door het hele evangelie om te eindigen
in de veroordeling van Jezus omwille van zijn zoonschap van God en in de beproeving
van het kruis van waarop Jezus roept : “Mijn God , mijn God , waarom
hebt U mij verlaten .” Doopsel en verblijf in de woestijn geven de twee
aspecten van de relatie tot God aan : Godsverbondenheid en verlatenheid door
God .
| Mc 1,12 - Mc 1,12 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling : en de geest werpt hem buiten rechtstreeks / zonder
omwegen naar de woestijn .
Statenvertaling . 12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
King James Bible . And immediately the Spirit driveth him into the wilderness.
Luther-Bibel . Und alsbald trieb ihn der Geist in die Wüste;
| Mc 1,12 | Kai euthus to pneuma auton ekballei eis tèn erèmon |
| Mt 4,1 | tote ho Ièsous anèchthè eis tèn erèmon hupo tou pneumatos |
| Lc 4,1 | kai ègeneto en tô pneumati en tè erèmô |
Tekstuitleg van Mc 1,12 . Dit vers Mc 1,12 bestaat uit 9 woorden ( 2 - 4 - 3 ) en 16 lettergrepen ( 3 - 3 - 2 - 3 - 5 ) . De getalwaarde van Mc 1,12 is 3761 (priemgetal) . De achtste en de zestiende lettergreep eindigen op -on . Woordvolgorde van de zin : nevenschikkend voegwoord - bijwoord - onderwerp - lijdend voorwerp - werkwoord - plaatsbepaling . Bij ek-ballei (hij werpt buiten) zouden we een bepaling met ek- (uit, buiten) verwachten . Onmiddellijk na ekballei (hij werpt buiten) volgt de plaatsbepaling eis... (naar) .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and .
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage . In Mc 1,12-13 komt 4X het verbindingswoordje kai (en) voor ; 1X in Mc 1,12 en 3X in Mc 1,13 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
2. euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
4. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,26 . (4) Mc
3,29 . (5) Mc
3,30 . (6) Mc
5,8 . (7) Mc
7,25 . (8) Mc
9,17 . (9) Mc
9,20 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
13,11 . (12) Mc
14,38 .
3. - 4. to pneuma (de geest) . Taalgebruik : to pneuma (de geest) , zie Lc 4,1 . Zie ook : Mc 1,10 . Het komt bij Marcus in twaalf verzen voor . De band tussen de geest en Jezus wordt verbeeld in het verhaal van het doopsel (Mc 1,10) . In Mc 1,10 bestaat het gedeelte over de geest uit 8 woorden en 16 lettergrepen ; in Mc 1,12 bestaat het gedeelte over de geest uit 9 woorden en 16 lettergrepen . In Mc 1,10 wordt Jezus met de geest vervuld en ervaart hij de relatie van God tot hem als een relatie van een vader tot zijn zoon . Na deze diepe ervaring wordt Jezus aan een test onderworpen . Ons Nederlands woordgebruik helpt ons het woordgebruik van Marcus te begrijpen . Marcus zegt dat de geest hem uitwerpt naar ... om ; Marcus gebruikt het werkwoord uitwerpen (ekballô), wij gebruiken onderwerpen . Marcus (Mc 1,13) gebruikt èn ... peirazomenos (was onderzoekend , testend , beproevend = werd getest / beproefd) . Wij gebruiken woorden als testen , toetsen , proefwerken maken , tentamens / examens afleggen .
6. ekballei (hij gooit eruit ; hij werpt buiten) van het werkwoord ekballô
(buitenwerpen, buitengooien) . In negen verzen in de bijbel , slechts in het
N.T. . Deze vorm van het werkwoord ekballô (buitenwerpen) komt bij Marcus
slechts in twee verzen voor . Het komt nog voor in Mc
3,22 : hoti en archonti tôn daimoniôn ekballei ta daimonia
/ dat hij krachtens de vorst van de duivels werpt hij de duivels uit , waar
gezegd wordt dat Jezus in het bezit is van Beëlzebub en in zijn naam
de duivels uitdrijft . Meestal wordt dit werkwoord gebruikt om een duiveluitdrijving
te beschrijven . Jezus werpt een onzuivere geest uit .
De zin komt wat bevreemdend over . Wil de evangelist Marcus het onderscheid
tussen Johannes de Doper en Jezus beklemtonen door Jezus uit de kring van
Johannes de Doper te gooien ? Johannes doopt met water in de Jordaan . Jezus
wordt de woestijn ingestuurd waar hij getest wordt . Het werkwoord doet ook
denken aan het verhaal van Jona die na drie dagen door de vis werd uitgespuwd
. De koppeling van de rivier de Jordaan en de woestijn doet denken aan de
doortocht door de Rode Zee en de tocht door de woestijn door de Hebreeën
onder leiding van Mozes .
- ekballein (buitenwerpen, buitengooien) . Infinitief . In zes verzen in de
bijbel , slechts in het N.T. . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc
3,15 . (2) Mc
3,23 . (3) Mc
11,15 . In Mc
3,23 : pôs dunatai satanas satanan ekballein (hoe kan satan de satan
buitengooien) . In de zending van de twaalf (Mc
3,15) zegt Jezus : kai echein exousian ekballein ta daimonia (en macht
te hebben de duivels buiten te gooien) . In Mc
11,15 wordt ekballein (buitengooien, buitenwerpen) gebruikt bij de zuivering
van de tempel.
Bijbeldeskundigen spreken vaak over het gebruik van het praesens historicum door de synoptici . De evangelist Marcus zou een tegenwoordige tijd gebruiken waar wij normalerwijze een verleden tijd zouden gebruiken . Misschien is er meer te ontdekken . Misschien zit er een systematiek in het gebruik van het praesens . Daarom zullen we hier de zinnen met het praesens bij elkaar zetten . Zie het gebruik van het praesens wanneer Jezus en zijn leerlingen of soms Jezus zelf naar een bepaalde plaats gaan / gaat . Deze teksten vormen een geheel van teksten. Zie erchontai (zij gaan) in twaalf verzen bij Marcus , zie Mc 11,1 .
7. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In
13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
9. accusatief vrouwelijk enk. erèmon = woestijn , van het
zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc
1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
7. - 9. eis tèn erèmon : naar de woestijn) . Mc (1) : Mc 1,12 .
| Mc 1,13 - Mc 1,13 . Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling : en hij werd in de woestijn gedurende 40 dagen getest
door de satan en hij was met de wilde dieren, en de engelen dienden hem.
Statenvertaling . 13 En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht
van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.
King James Bible . And he was there in the wilderness forty days, tempted of
Satan; and was with the wild beasts; and the angels ministered unto him.
Luther-Bibel . und er war in der Wüste vierzig Tage und wurde versucht
von dem Satan und war bei den wilden Tieren, und die Engel dienten ihm.
Tekstanalyse van Mc 1,13 . Dit vers Mc 1,13 telt 22 (2 X 11) woorden , 106 (2 X 53) letters en 45 (3 X 3 X 5) lettergrepen . De getalwaarde van Mc 1,13 is 10566 (2 X 3 X 3 X 587) . Mc 1,13 bestaat uit drie nevenschikkende zinnen , telkens ingeleid door het nevenschikkend voegwoord kai (en) .
Mc 1,13.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,13.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,13.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
5. datief vrouwelijk enk. erèmô(i) = in de woestijn , van het
zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc
1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
3. - 5. en tèi erèmôi (in de woestijn) . Taalgebruik : erèmos (woestijn, eenzaam) , Mc 1,12 . Datief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
De sterke gelijkenis tussen enerzijds Marcus en anderzijds Exodus schetst het beeld van Mozes en de nieuwe Mozes . Zoals Mozes in de woestijn heeft verbleven , zo ook Jezus .
| Mc 1,13 | Ex 34,28 | Ex 24,18 |
| kai (en) èn (hij was) | wajëhi - kai (en) èn (hij was) | wajëhi Mosjèh - kai (en Mozes) èn (hij was) |
| en tèi erèmôi (in de woestijn) | sjâm `im adonaj - ekei (daar) Môusès (Mozes) enantion kuriou (tegenover de Heer) | ekei (daar) bâhâr - en tôi horei (op de berg) |
| tesserakonta hèmeras (veertig dagen) | ´arëbâ`îm jôm we´arëbâ`îm lâjëlâh - tessarakonta hèmeras kai tessarakonta nuktas (40 dagen en 40 nachten) | ´arëbâ`îm jôm we´arëbâ`îm lâjëlâh - tessarakonta hèmeras kai tessarakonta nuktas (40 dagen en 40 nachten) |
| 7 woorden - 15 lettergrepen | lèhèm lo´ ' âhal ûmaîm lo' sjâthâh - arton ouk efagen kai hudôr ouk epien (brood at hij niet en water dronk hij niet) | |
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | De nieuwe stenen platen : Ex 34,1-35 - | Het verbond : Ex 24,1-18 - |
7.
-- hèmeras tinas (bepaalde / enkele dagen) . Taalgebruik : hèmera
(dag) , zie Mc
1,13 . In vier verzen in het N.T. , enkel in Hnd : (1) Hnd
9,19 . (2) Hnd
10,48 . (3) Hnd
16,12 . (4) Hnd
24,24 .
- hèmera (dag) . Nominatief of datief (hèmerai)
enkelvoud .
| hèmera (dag) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) | 854 | 750 | 104 | 13 | 3 | 26 | 17 | 12 | 46 | 4 | 42 | 59 | ||
| gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras | 799 | 586 | 124 | 13 | 11 | 14 | 8 | 40 | 34 | 12 | 38 | 46 | ||
| acc. vr. enk. hèmeran | 266 | 210 | 56 | 4 | 2 | 7 | 3 | 19 | 20 | 1 | 13 | 16 | ||
| gen. vr. mv. hèmerôn | 206 | 184 | 22 | 3 | 2 | 4 | 1 | 8 | 3 | 1 | 9 | 10 | 2 | 1 |
| dat. vr. mv. hèmerais | 228 | 180 | 48 | 6 | 5 | 18 | 2 | 10 | 4 | 3 | 29 | 31 | ||
| totaal |
8. pass. part. praes. nom. man. enk. peirazomenos (bekoord) van het werkw.
peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het N.T. : peirazô
(beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô
(beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare
(proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh
.
Mc (1) : (1) Mc
1,13 . Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc :
(1) Mc
1,13 . (2) Mc
8,11 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
12,15 .
Mc 1,13.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. und . In acht verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,15 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,24 . (8) Mc 1,44
11. gen. mann. enk. satana (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) .
Taalgebruik in het N.T. : satanas
(satan) . Taalgebruik in Mc : satanas
(satan) .
Mc (1) : (1) Mc
1,13 . Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc
3,26 . (4) Mc
4,15 . (5) Mc
8,33 .
Mc 1,13.12.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,13.14.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc
1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc
1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc
1,29 (meta + gen. : met) .
Mc 1,13.15. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20
Mc 1,13.17.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
18. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,36 .
19. nom. mann. mv. aggeloi van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper)
. Taalgebruik in het N.T. : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (3) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
12,25 . (3) Mc
13,32 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
8,38 . (4) Mc
12,25 . (5) Mc
13,27 . (6) Mc
13,32 .
21. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 -
Herodias neemt het niet dat Herodes de levieten wordt gelezen door de profeet uit de woestijn , Johannes de Doper . Wellicht heeft zij erop aangedrongen om hem gevangen te zetten . Hij is een lastpost tussen hun liefdesavontuur ; zij en koning Herodes . Werd er een prijs beloofd aan wie hem zou uitleveren ? Wellicht iemand uit de intieme kring van Johannes speelt zijn meester in handen van Herodes . De groep leerlingen van Johannes de Doper vlucht verschrikt weg .
Jezus gaat naar Galilea terug nadat Johannes is overgeleverd en in handen van koning Herodes komt . De overlevering van Johannes kondigt reeds aan wat later met Jezus zal gebeuren . Jezus zal overgeleverd worden door iemand van zijn intieme kring , de twaalf ; hij levert Jezus over aan de hogepriesters en de oudsten , die hem vervolgens overleveren aan Pilatus , die hem tenslotte laat kruisigen . Meningsverschillen worden wellicht verabsoluteerd en leiden tot een extreme houding die ertoe leidt dat Johannes de Doper , en later Jezus , worden overgeleverd om uit de weg te worden geruimd . Een wettelijke weg wordt gezocht om tegenstanders te liquideren .
| Mc 1,14 - Mc 1,14 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea,
predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
King James Bible . Now after that John was put in prison, Jesus came into
Galilee, preaching the gospel of the kingdom of God,
Luther-Bibel . 14 Nachdem aber Johannes gefangen gesetzt war, kam Jesus nach
Galiläa und predigte das Evangelium Gottes
Tekstanalyse van Mc 1,14 . Dit vers Mc 1,14 telt 19 woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,14 is 9163 (7 X 7 X 11 X 17) .
Mc 1,14.1.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc
1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc
1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc
1,29 (meta + gen. : met) .
Mc 1,14.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte
tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin
aan te duiden .
In vijf verzen in Mc
1 : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 . In Mc
1,8 werden Johannes de Doper en Jezus met elkaar vergeleken , waarbij Jezus
de belangrijkste persoon is . Vanaf Mc
1,14 begint het optreden van Jezus .
Mc 1,14.1. - 2. meta de (na echter) . Mc (2) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 16,12 . Telkens met acc. . Na Johannes de Doper komt Jezus .
Mc 1,14.3.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,14.1.
- 3. meta de to . Mc (1) Mc
1,14 . meta to . Mc (2) : (1) Mc
14,28 . (2) Mc
16,19 . Vermits Mc 16,9-20 als een latere toevoeging wordt beschouwd , resten
nog Mc
1,14 en Mc
14,28 . Ze zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: meta de to paradothènai ton Iôannèn = na echter het overgeleverd
zijn van Johannes .
- Mc 14,28
: meta to egerthènai me = na het opgewekt zijn van mij .
De overlevering gebeurde in het verleden , de opwekking moet nog in de toekomst
plaatsvinden . Toch staat in beide verzen een pass. inf. aor. . Deze twee verzen
omvatten het hele openbaar leven van Jezus .
Mc 1,14.4.
passief infinitief aorist paradothènai (overgeleverd zijn) van het werkw.
paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in het N.T. : paradidômi
(overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi
(overleveren) .
Mc (1) Mc
1,14 . Dit thema speelt in het hele evangelie een belangrijke rol . Het
bevat twee aspecten . Enerzijds is er de overlevering die tot de dood leidt
. (Zo kan het niet langer blijven doorgaan.) Johannes de Doper wordt overgeleverd
. Jezus wordt overgeleverd en ook de leerlingen van Jezus worden overgeleverd
. De overlevering gebeurt door iemand uit de intieme kring : huisgenoten , familiekring
, leerlingengroep . Het is het gevolg van een onoverbrugbaar meningsverschil
. Innerlijke verscheurdheid , met gevolg : prooi voor de vijand , de Romeinen
. Verscheurdheid omtrent geweldloosheid of gewelddadig verzet . Anderzijds is
er de overlevering die tot leven leidt (de traditio) .
Mc 1,14.5.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,14.6.
acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (6) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
6,16 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,20 . (5) Mc
8,28 . (6) Mc
11,32 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
1. - 6. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: meta de to paradothènai ton iôannèn (nadat echter Johannes
werd overgeleverd) .
- Mc 14,28
: alla meta to egerthènai me (maar nadat ik werd opgewekt) .
Mc 1,14.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) . . Taalgebruik in het
N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 * . (3) Mc
1,39 * . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
5,33 . (6) Mc
7,31 * . (7) Mc
8,10 * .
(8) Mc
10,45 / Mc
10,46 *. (9) Mc
10,50 . (10) Mc
11,13 . (11) Mc
14,3 . (12) Mc
14,41 .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 .
In Mc 1,9
gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc
1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc
1,39 naar heel Galilea .
Mc 1,14.8.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,14.9.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,17 . (4) Mc
1,25 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
Mc 1,14.7.
- 9. Mc
1,9 en Mc
1,14 zijn aan elkaar gelinkt .
- Mc 1,9
: èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .
Mc 1,14.10.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . D. nach .
E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,14.11.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,14.12.
acc. vr. enk. Galilaian (Galilea) . Taalgebruik in N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) .
eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
Mc 1 : (1) Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
. (2) Mc
1,14 (acc. : eis tèn galilaian = naar Galilea) . (3) Mc
1,16 (gen. : para tèn thalassan tès Galilaias = langs het
meer van Galilea) . (4) Mc
1,28 (gen. : eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (5) Mc
1,39 (acc. : eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea)
.
(1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea) .
Verdere verzen in Mc 1 omsluiten verschillende verhalen : Mc
1,14 , Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) en Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea)
Jezus ging naar Galilea . In feite ging Jezus terug naar Galilea , want in
Mc 1,9
is er de eerste keer sprake over Jezus die van Nazaret in Galilea naar Judea
ging . Hoelang Jezus in Judea is gebleven , weten we niet . Wel kennen we de
aanleiding waarom Jezus naar Galilea ging , namelijk de uitlevering van Johannes
(de Doper) . Uit het vervolg van het evangelie weten we dat de gevangenneming
het signaal was om uit te wijken - voor dreigend gevaar . Wellicht moeten we
dit voortdurend voor ogen houden wanneer Jezus van de ene naar de andere plaats
ging : het gevaar dreigde . Mc
3,7 gebruikt het woord uitwijken wegens gevaar (Grieks : anachôreô)
, terwijl het bij Matteüs met deze betekenis veelvuldig voorkomt .
In Mc
14,28 kondigt Jezus bij zijn afscheid aan dat hij na zijn opwekking zijn
leerlingen zal voorgaan naar Galilea . Jezus haalt hierbij een schrifttekst
aan : 'Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid' . De aansporing
om naar Galilea te gaan in Mc
16,7 houdt in dat hij er de verstrooide leerlingen zal verzamelen .
Mc 1,14.10. - 12. eis tèn galilaian (naar Galilea) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking : eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39) .
Mc 1,14.13.
act. part. praes. nom. mann. enk. kèrussôn (verkondigend) van het
werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,39 . In Mc
1,4 en Mc
1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn
een object : Mc
1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc
1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc
1,14 en Mc
1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
Een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) in Mc 1 (6) : (1)
Mc 1,4
. (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,14 . (1) Mc
1,38 . (3) Mc
1,39 . (1) Mc
1,45 .
Mc 1,14.14.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) (2X) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,14.15.
accusatief onzijdig enkelvoud euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in het N.T.
: euaggelion
(evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion
(evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile
. D. Evangelium . E. gospel .
Mc (4) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
13,10 . (3) Mc
14,9 . (4) Mc
16,15 . De acc. onz. enk. euaggelion (evangelie) is telkens lijdend voorwerp
van een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) .
In Mc 1 een vorm van euaggelion (goede boodschap) in drie verzen : (1) Mc
1,1 (gen. euaggeliou) . (2) Mc
1,14 (acc. euaggelion) . (3) Mc
1,15 (dat. euaggeliô(i) .
In Mc 1,4
trad Johannes de doper verkondigend op . In Mc
1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian kèrussôn
(ging Jezus naar Galilea verkondigend) .
- Mc 1,39
: kai èlthen kèrussôn ... eis holèn tèn Galilaian
(en hij ging verkondigend ... naar heel Galilea) .
STAP VOOR STAP !
Mc 1,14.14.
- 15. to euaggelion (het evangelie) . Een vorm van euaggelion
(goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt
voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. (tou) , dat. tô(i) , acc.
to .
In twee complementaire zinnen in Mc
1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal
voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede
boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft
in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc
1,1 en Mc
1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord
euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor , nl. Mc
16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .
Mc 1,14.16.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. :the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In acht verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,10 . (3) Mc
1,13 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,15 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,24 . (8) Mc
1,44 .
In Mc
1,9 ging Jezus van Nazaret van Galilea naar Judea . Hij liet zich dopen,
ging in de leer bij Johannes en was wellicht een leerling van Johannes. Jezus
week uit naar Galilea bij de gevangenneming van Johannes. Jezus voelde zich
eveneens bedreigd. Hij heeft dus wellicht behoord tot de kring van Johannes.
Wanneer Jezus naar Galilea terugging, was hij een ander mens. Hij wilde de
blijde boodschap van God verder verkondigen, omdat Johannes de Doper het niet
meer kon. We treffen in Mc
14,28 dezelfde zinsconstructie als in Mc
1,14 aan. Bij Mc
14,28 hoort Mc
16,7 . Na de dood van Jezus gingen de leerlingen naar Galilea, zoals Jezus
het toendertijd gedaan heeft. Het is alsof de geschiedenis zich herhaalt.
Zo hebben we hier een samenhang tussen het begin en het einde van het evangelie.
Aan Mc
14,28 gaat een bijbelcitaat vooraf : "Ik zal de herder slaan en de
schapen zullen verstrooid worden." Het wordt duidelijk wat Jezus bedoelde
met de zin: "Nadat ik ben verrezen, zal ik je voorgaan naar Galilea."
Jezus zal er zijn verstrooide leerlingen verzamelen. Dat heeft Jezus wellicht
ook gedaan wanneer hij na de gevangenneming van Johannes naar Galilea ging.
Het is opvallend dat Jezus naar Galilea ging en leerlingen riep. Wellicht
is hij begonnen met de verstrooide leerlingen van Johannes de Doper te verzamelen,
te hergroeperen.
Het terugkeren van Jezus naar Galilea mag niet geïnterpreteerd worden als een gaan naar huis , als een terug opnemen van zijn vroegere taak . Jezus gaat ook niet naar Nazaret (volgens Marcus) . In Mc 1,9 zegt Marcus dat Jezus van Nazaret van Galilea kwam . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea en in Mc 1,21 naar Kafarnaüm . Er is een concentrische of een chiastische structuur: Nazaret - Galilea - Galilea - Kafarnaüm . Jezus ging terug en ging doen wat in het verlengde van Johannes de Doper lag . Jezus ging terug om leraar te zijn en verzamelde rond zich leerlingen . Het lijkt erop dat Jezus de plaats van Johannes ging innemen . Het eerste wat Jezus deed bij zijn terugkeer, was naar het meer van Galilea gaan om leerlingen rond zich te verzamelen . Dan ging hij naar Kafarnaüm , niet naar Nazaret, en ging er onderwijzen .
In het hele Marcusevangelie is er een zekere dubbelzinnigheid te bespeuren . Enerzijds wilde Jezus de blijde boodschap verkondigen en zieken genezen , en anderzijds (althans tot Mc 8,27 ) was hij op zijn hoede voor gevaar . Zelfs vanaf zijn eerste optreden in de synagoge van Kafarnaüm legde hij het zwijgen op aan de man met een onreine geest . Jezus vreesde de tegenstand en de mogelijkheid hetzelfde lot als Johannes de Doper te ondergaan . Het wijken hoeft niet persé negatief geïnterpreteerd te worden . Jezus kon ook vrezen dat een vroegtijdige gevangenis een einde kon stellen aan het werk van Johannes de Doper en van de voortzetting door Hem .
"Ik zal je voorgaan naar Galilea" zei Jezus vooraleer hij in Jeruzalem de kruisdood zou sterven . De leerlingen van Jezus wisten dat Johannes de Doper was gevangen genomen en hadden meegemaakt dat hij werd gedood . Maar het werk van Johannes de Doper was verder gegaan . Daartoe had Jezus het initiatief genomen . Hij was naar Galilea gegaan , leerlingen rond zich verzameld en het Rijk Gods verkondigd . De dood van Jezus hoefde niet het einde te zijn . Via de verhalen van Elia en Elisa verwoordden de evangelisten het heengaan van Jezus naar God en de zending van zijn geest over de apostelen . Het teruggaan van de leerlingen naar Galilea kan dus wijzen op een voortzetting van het werk van Jezus . Niet het optreden van Johannes de Doper en zijn boodschap stonden centraal , voortaan stonden het lijden en de dood van Jezus en zijn boodschap centraal .
| Mc 1,15 - Mc 1,15 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods
nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
King James Bible . And saying, The time is fulfilled, and the kingdom of God
is at hand: repent ye, and believe the gospel.
Luther-Bibel . 15 und sprach: Die Zeit ist erfüllt und das Reich Gottes
ist herbeigekommen. Tut Buße und glaubt an das Evangelium!
Tekstuitleg van Mc 1,15 . Dit vers Mc 1,15 telt 18 (2 X 3 X 3) en 91 letters . De getalwaarde van Mc 1,15 is 9389 (41 X 229) .
Mc 1,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en .
Mc 1,15.2.
act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het
werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
In Mc 1 in vijf verzen : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,24 . (4) Mc
1,25 . (5) Mc
1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord
legô (zeggen) gebruikt .
Mc 1,15.3. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .
1. - 2. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat . Slechts in Mc 1,40 . legôn hoti = zeggend dat : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,23 . (3) Mc 12,6 .
Mc 1,15.5.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,15.6. nom. mann. enk. kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in het N.T. : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Mc : kairos (gunstig moment) . Mc (3) (1) Mc 1,15 . (2) Mc 11,13 . (3) Mc 13,33 .
Mc 1,15.7.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc
1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen
we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met
Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze
verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van
een verhalende tekst : en ... en ... en .
Mc 1,15.8. act. ind. perf. 3de pers. enk. èggiken van het werkw. eggizô (naderen) . Taalgebruik in het N.T. : eggizô (naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô (naderen) . Mc (2) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 14,42 .
Mc 1,15.9. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .
Mc 1,15.10.
nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia
(koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia
(koninkrijk) .
Mc (7) : (1) Mc
1,15 (nom.) . (2) Mc
3,24 (nom.) . (3) Mc
4,26 (nom.) . (4) Mc
10,14 (nom.) . (5) Mc
11,10 (nom.) . (6) Mc
13,8 (nom.) . (7) Mc
14,25 (dat.) .
Mc 1,15.11.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,15.9. - 12. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 10,14 (nom.) .
Mc 1,15.16.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,15.17.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
Mc 1,15.18.
dat. onz. enk. euaggeliô(i) van het zelfst. naamw. euaggelion (goede boodschap)
. Taalgebruik in het N.T. : euaggelion
(evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion
(evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile
. D. Evangelium . E. gospel . Mc (1) : Mc
1,15 .
Mc 1,1
zegt : begin van de blijde boodschap van Jezus Christus , zoon van God . In
Mc 1,15
luidt de blijde boodschap : ... het koninkrijk van God is nabij .
Mc 1,15.17.
- 18. Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat.
(1) , acc. (4) . Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen.
(tou) , dat. tô(i) , acc. to .
In twee complementaire zinnen in Mc
1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal
voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede
boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft
in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc
1,1 en Mc
1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord
euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor , nl. Mc
16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .
23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20
- ABOGUNRIN, S.O. “The Three Variant Accounts of Peter’s Call: A Critical and Theological Examination of the Texts”, New Testament Studies: An International Journal of Studiorum Novi Testament Societas, Cambridge, University Press, Vol. 31, 1985, pp.587-602. Zie websites : http://www.uiartsfaculty.net/cv/showcv.php?id=196 . http://www.ui.edu.ng/SOKAbogunrin .
structuur van de pericope
De pericope bestaat uit vijf verzen . De pericope bestaat uit een dubbel - parallel - verhaal : Mc 1,16-18 en Mc 1,19-20 .
| 1. Jezus | 2. leerlingen | 3. Jezus | 4. de leerlingen |
| Mc 1,16 - Mc 1,17 | Mc 1,18 | Mc 1,19 - Mc 1,20 | Mc 1,19 - Mc 1,20 |
| Mc 1,16 - Mc 1,16 - 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas,
zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);
King James Bible . [16] Now as he walked by the sea of Galilee, he saw Simon
and Andrew his brother casting a net into the sea: for they were fishers.
Luther-Bibel . 16 Als er aber am Galiläischen Meer entlangging, sah er Simon
und Andreas, Simons Bruder, wie sie ihre Netze ins Meer warfen; denn sie waren
Fischer.
Hebr. tekst . mëphârëshîm (piel part. mv. phârash)
miphërashîm (zelfst. nw. mv. miphërash : netten) bajjâm
(bë - ha -jâm : in de zee) .
Terwijl hij langs het meer van Galilea wandelde = tijdens zijn wandeling langs
het meer van Galilea
Tekstanalyse van Mc
1,16 . Dit vers Mc
1,16 telt 22 (2 X 11) woorden en 120 (2 X 2 X 2 X 3 X 5) letters . De getalwaarde
van Mc
1,16 is 10325 (5 X 5 X 59) . De participiumzin : zeven woorden . Drie woorden
beginnen met t (th) ; drie woorden eindigen op n , twee op s ; vijf woorden
hebben een a in de eerste lettergreep . In de LXX worden uit het Hebreeuws twee
werkwoorden (imperfecta consecutiva : elkaar opvolgende werkwoorden) in dezelfde
tijd en voorafgegaan met het verbindingsteken waw (en) vertaald door een participiumzin
, gevolgd door een hoofdzin . De opbouw van Mc 1,16-18 en Mc 1,19-20 verloopt
sterk parallel . Het gaat telkens om de roeping van twee broers .
Mt 4,18
telt 29 woorden en 157 letters . 14 / 29 woorden zijn gemeenschappelijk met
Mc (14 / 22) .
Mc 1,16.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . In de pericope Mc 1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai (en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . In drie gevallen is er verandering van personage . kai (en) bij het begin van de pericope , kan in dit geval vermits er geen verandering van personage is . Men zou ook de (echter) kunnen gebruiken omdat hetzelfde personage zich tot andere personen richt .
Mc 1,16.2.
participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend,
langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik
in het N.T. : paragô
(langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô
(langsdrijven, langsgaan) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren
, ac-tie voeren , handelen . Mc (2) : (1) Mc
1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc
2,14 (roeping van Levi) . STAP VOOR STAP ! Een vorm van paragô (langsdrijven,
langsgaan) in Mc in 3 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
15,21 .
Het roepingsverhaal begint met het gaan van Jezus , weergegeven door een deelwoord(zin)
. In Mc
1,16 en Mc
2,14 is dat het tegenwoordig deelwoord paragôn (langsvoerend) , in
Mc 1,19
het verleden deelwoord probas
Mc 1,16.3.
para (langs) . Taalgebruik in Mc : para
(langs) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs) .
Mc (11) . (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
12,2 . (10) Mc
12,11 . (11) Mc
14,43 . In Mc
1,16 gaat het werkw. paragô (langsleiden) vooraf . We hebben hier
te maken met een samengesteld werkwoord , gevolgd door hetzelfde voorzetsel
.
- para + gen. (vanwege) : (1) Mc
10,27 . (2) Mc
12,2 . (3) Mc
12,11 . (4 Mc
14,43 .
- para + acc. + plaatsbepaling (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc
4,4 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
5,21 .
Mc 1,16.4.
bepaald lidwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud tèn . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. :
the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord
il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In twaalf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,16.5.
acc. vr. enk. thalassan van het zelfst. naamw. thalassa (zee, meer) . Taalgebruik
in het N.T. : thalassa
(zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa
(zee) .
Mc (9) (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,13 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
7,31 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
11,23 . In Mc 1 zijn er twee vormen van thalassa : (1) Mc
1,16 (dat. thalassh(i) . (2) Mc
1,16 (acc. thalassan) . Een vorm van thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen
(18X) : (1) Mc
1,16 (2 vormen) . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
4,2 . (6) Mc
4,39 . (7) Mc
4,41 . (8) Mc
5,1 . (9) Mc
5,13 (2 vormen) . (10) Mc
5,21 . (11) Mc
6,47 . (12) Mc
6,48 . (13) Mc
6,49 . (14) Mc
7,31 . (15) Mc
9,42 . (16) Mc
11,23 .
Mc 1,16.4. - 5. tèn thalassan (de zee) . Accusatief vr. enk bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord . Mc (9 / 9) .
Mc 1,16.3. - 5. para tèn thalassan (langs de zee) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 : palin (opnieuw) para tèn thalassan (langs het meer) . STAP VOOR STAP ! . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,13 .
Mc 1,16.6.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
Mc 1,16.7.
gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik
in het N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc
6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter
van Herodes) .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc
3,7 . Verder : Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
.
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc
9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc
15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc
1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van
Galilea) .
Mc 1,16.3. - 7. para tèn thalassan tès Galilaias (langs de zee van Galillea) . In drie verzen in het N.T. . Mt (2) : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 15,29 . Mc (1) : Mc 1,16
Mc 1,16.8.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 . Telkens is Jezus onderwerp . De werkwoordvorm eiden (hij zag) wordt
in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema . Een 5de maal komt het voor in Mc
6,34 (hij ziet de menigte zonder herder) . Een vorm van eiden (hij zag)
in Mc in 44 verzen , in Mc 1 (3) .
Mc 1,16.2.
8. paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) : (1) Mc
1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan
tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij
. (2) Mc
2,14 . STAP VOOR STAP !
verbindingswoord kai (en) + part. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij
zag) (5 / 5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 .
Mc 1,16.9.
acc. mann. enk. Simôna (Simon) van het zelfst. naamw. Simôn (Simon)
. Taalgebruik in het N.T. : Simôn
(Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn
(Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de
zeloot : Mc
3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc
14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mc
15,21 .
Een vorm van Simôn (Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc
1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc
1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc
1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc
1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc
1,36 (nom. Simon) . Een vorm van Simon Petrus in Mc in 6 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
1,29 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,36 . (5) Mc
3,16 . (6) Mc
14,37 .
Mc 1,16.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . In de pericope Mc 1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai (en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . Hier is kai (en) het verbindingswoord tussen twee bepalingen , tussen de naam Simon en de naam Andreas .
Mc 1,16.11.
acc. mann. enk. andrean (Andreas) . Taalgebruik in het N.T. : andreas
(Andreas) . Taalgebruik in Mc : andreas
(Andreas) .
Mc (1) : Mc
13,3 . Een vorm van andreas (Andreas) in 4 verzen in Mc . In het kwartet
van Mc
13,3 komt hij op de 4de plaats . Zo komt hij ook op de vierde plaats in
het verhaal van de roeping van de twaalf (Mc
3,18) . Dit is telkens het geval wanneer zijn broer Simon de naam Petrus
draagt . Hij heeft dus zijn plaats moeten afstaan aan Jakobus en Johannes .
In Mc
1,16 en Mc
1,29 wordt hij op de tweede plaats na zijn broer Simon vermeld .
Mc 1,16.12.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,16.13. acc. mann. enk. adelfon (broer) van het zelfst. naamw. adelfos (broer) . Taalgebruik in het N.T. : adelfos (broer) . Hebr. ´âch . L. frater . Fr. frère . Ned. broer . E. brother . D. Bruder . Mc (5) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,19 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 13,12 . Een vorm van adelfos in Mc in 16 verzen (19X) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,19 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,31 (2 vormen) . (5) Mc 3,32 . (6) Mc 3,33 . (7) Mc 3,34 . (8) Mc 3,35 . (9) Mc 5,37 . (2) Mc 6,3 . (10) Mc 6,17 . (11) Mc 6,18 . (12) Mc 10,29 . (13) Mc 10,30 . (14) Mc 12,19 (2 vormen) . (15) Mc 12,20 . (16) Mc 13,12 (2 vormen) .
Mc 1,16.14.
gen. mann. enk. Simônos van het zelfst. naamw. Simôn (Simon) . Taalgebruik
in het N.T. : Simôn
(Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn
(Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de
zeloot : Mc
3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc
14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mc
15,21 .
Een vorm van Simôn 'Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc
1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc
1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc
1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc
1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc
1,36 (nom. Simon) . Een vorm van Simon Petrus in Mc in 6 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
1,29 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,36 . (5) Mc
3,16 . (6) Mc
14,37 .
Mc 1,16.15.
participium praesens acc. mannelijk meervoud amfiballontas (netten uitwerpend)
. Hapax in het N.T. en in de bijbel . amfi-ballô : om iets heen werpen
(amfi : aan beide kanten , ballô : werpen , het net uit-werpen . amfiblèstèrion
= wat ergens omheen geworpen wordt , net . Fr. épervier : 1. sperwer
. 2. werpnet . Lat. rete , -is : net .
Hebr. tekst . mëphârëshîm (piel part. mv. phârash)
miphërashîm (zelfst. nw. mv. miphërash : netten) bajjâm
(bë - ha -jâm : in de zee) .
Hebr. phârash : spannen , uitspreiden , verstrooien . Gr. ekteinô
: uit-strekken . Lat. ex-spandere : op-spannen . Fr. déployer : ont-plooien
; ployer : plooien , buigen . Zie Js
19,8 : een net spannen over de oppervlakte (surface - super faciem) van
de zee) . Hos
5,1 : een net , gespannen over de Tabor .
Ez 27,8 : miphërash : datgene wat men ontplooit ; déployer
, ployer -> voile (Lat. velum) , sluier , zeil , net .
Mc 1,16.16.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,16.17.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,16.18. dat. vr. enk. thalassè(i) (zee, meer) . Taalgebruik in het N.T. : thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) . Datief vrouwelijk enkelvoud . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 5,13 . Parallel : Mt 8,26 // Mc 4,39 . In Mc 1 zijn er twee vormen van thalassa : (1) Mc 1,16 (dat. thalassh(i) . (2) Mc 1,16 (acc. thalassan) . Een vorm van thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X) : (1) Mc 1,16 (2 vormen) . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 4,2 . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 4,41 . (8) Mc 5,1 . (9) Mc 5,13 (2 vormen) . (10) Mc 5,21 . (11) Mc 6,47 . (12) Mc 6,48 . (13) Mc 6,49 . (14) Mc 7,31 . (15) Mc 9,42 . (16) Mc 11,23 .
Mc 1,16.17. - 18. tè(i) thalassè(i) (de zee, het meer) . Datief vr. enk . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 5,13 .
Mc 1,16.16. - 18. en tè(i) thalassè(i) (in de zee) . Mc (3 / 4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 5,13 ; niet in Mc 4,39 .
Mc 1,16.19.
ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (16) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
4,1 . (6) Mc
6,31 . (7) Mc
6,34 . (8) Mc
6,44 . (9) Mc
8,9 . (10) Mc
9,4 . (11) : Mc
10,32 . (12) Mc
12,20 . (13) (1) Mc
14,4 . (14) Mc
14,40 . (15) Mc
14,56 . (16) Mc
15,40 .
Mc 1,16.20. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want . Mc (63) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 1,38 . Mc 1,16 : geeft een verantwoording waarom de eerder genoemden netten in zee aan het werpen waren . Het geeft de indruk dat sommige lezers niet op de hoogte ervan waren .
Mc 1,16.19. - 20. èsan gar (want zij waren) . Mc (4 / 16) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,15 . (3) Mc 6,31 . (4) Mc 14,40 .
Mc 1,16.22. nominatief mannelijk meervoud haleeis of halieis (vissers) van het zelfst. naamw. halieus (visser) . Taalgebruik in het N.T. : halieus (visser) . Taalgebruik in Mc : halieus (visser) . Mc (2) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,17 . Dit is de enigste vorm in Mc .
| Mc 1,17 - Mc 1,17 - 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En Jezus zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken,
dat gij vissers der mensen zult worden.
King James Bible . [17] And Jesus said unto them, Come ye after me, and I will
make you to become fishers of men.
Luther-Bibel . 17 Und Jesus sprach zu ihnen: Folgt mir nach; ich will euch zu
Menschenfischern machen!
Tekstuileg van Mc 1,17 . Het vers Mc 1,17 telt 14 (2 X 7) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Mc 1,17 is 8773 (31 X 283) .
Mc 1,17.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . In de pericope Mc 1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai (en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . In drie gevallen is er verandering van personage . In dit vers is er geen verandering van personage en is er ook geen verandering van situatie .
Mc 1,17.2.
act. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56). Mc 1 (1) : Mc
1,17 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 11 verzen : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,24 . (4) Mc
1,25 . (5) Mc
1,27 . (6) Mc
1,30 . (7) Mc
1,37 . (8) Mc
1,38 . (9) Mc
1,40 . (10) Mc
1,41 . (11) Mc
1,44 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc in 2 verzen : (1) Mc
1,17 . (2) Mc
1,44 .
Mc 1,17.3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 1,31 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,44 .
Mc 1,17.4.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,17.5.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,17 . (4) Mc
1,25 .
Mc (57) . In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor
: (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
Mc 1,17.1. - 5. kai eipen autois ho Ièsous (en Jezus zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 2,19 . In Mc 1,17 riep Jezus zijn eerste leerlingen : Simon en Andreas . In Mc 2,19 geeft Jezus antwoord op de opmerking dat zijn leerlingen niet vasten .
Mc 1,17.6.
deute (welaan) . Taalgebruik in het N.T. : deute
(welaan) . Taalgebruik in Mc :: deute
(welaan) . Een soort imperatief 2de pers. mv. .
Mc (3) : (1) Mc
1,17 . (2) Mc
6,31 . (3) Mc
12,7 .
Mc 1,17.7.
opisô (achter) . Taalgebruik in het N.T. : opisô
(achter) . Taalgebruik in Mc : opisô
(achter) . Voorzetsel . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après
(ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned.
achter .
In zes verzen in Mc : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,17 . (3) Mc
1,20 . (4) Mc
8,33 . (5) Mc
8,34 . (6) Mc
13,16 .
Mc 1,17.8. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (34) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
Mc 1,17.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . In de pericope Mc
1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het
begin van een nevenschikkende zin .
Mc 1,17.11. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .
Mc 1,17.12. inf. aor. genesthai (worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (3) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 10,43 . (3) Mc 13,7 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32
Mc 1,17.13. nominatief mannelijk meervoud haleeis of halieis (vissers) van het zelfst. naamw. halieus (visser) . Taalgebruik in het N.T. : halieus (visser) . Taalgebruik in Mc : halieus (visser) . Mc (2) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,17 . Dit is de enigste vorm in Mc .
Mc 1,17.14. gen. mann. mv. anthrôpôn van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (11) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 3,28 . (3) Mc 7,7 . (4) Mc 7,8 . (5) Mc 7,21 .(6) Mc 8,33 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 11,2 . (9) Mc 11,30 . (10) Mc 11,32 . (11) Mc 12,14 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen , in Mc 1 in 2 verzen : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 1,23 .
| Mc 1,18 - Mc 1,18 - 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En zij, terstond hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd.
King James Bible . [18] And straightway they forsook their nets, and followed
him.
Luther-Bibel . 18 Sogleich verließen sie ihre Netze und folgten ihm nach.
Tekstuitleg van Mc 1,18 . Het vers Mc 1,18 telt 8 (2³) woorden en 45 (3² X 5) letters . De getalwaarde van Mc 1,18 is 7475 (5² X 13 X 23) .
Mc 1,18.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,18.2.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken)
.
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding
tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op
een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers
zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er
lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,18.4.
bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,18 . (2) Mc
1,19 . (3) Mc
1,34 . (4) Mc
1,39 .
Mc 1,18.6. ind. aor. 3de pers. mv. èkolouthèsan van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Mc (1) Mc 1,18 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,18 . (2) Mc 2,14 (2 vormen) . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 5,24 . (6) Mc 6,1 . (7) Mc 8,34 (2 vormen) . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,28 . (11) Mc 10,32 . (12) Mc 10,52 . (13) Mc 11,9 . (14) Mc 14,13 . (15) Mc 14,54 . (17) Mc 15,41 . (18) Mc 16,17 .
Mc 1,18.7.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (109) . Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
| Mc 1,19 - Mc 1,19 // Mt 4,21 - 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 |
|
Statenvertaling . 19 En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus,
den zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, en dezelven in het schip hun
netten vermakende.
King James Bible . [19] And when he had gone a little further thence, he saw
James the son of Zebedee, and John his brother, who also were in the ship mending
their nets.
Luther-Bibel . 19 Und als er ein wenig weiterging, sah er Jakobus, den Sohn
des Zebedäus, und Johannes, seinen Bruder, wie sie im Boot die Netze flickten.
Persoonlijke vertaling . En nadat hij een beetje was voortgegaan ,
Tekstuitleg van Mc 1,19 . Dit vers Mc 1,19 telt 22 (2 X 11) woorden , 43 lettergrepen en 115 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 1,19 is 12756 (2 X 2 X 3 X 1063) . Dit vers telt dus evenveel woorden als het parallelvers Mc 1,16 . In de LXX worden uit het Hebreeuws twee werkwoorden (imperfecta consecutiva : elkaar opvolgende werkwoorden) in dezelfde tijd en voorafgegaan met het verbindingsteken waw (en) vertaald door een participiumzin , gevolgd door een hoofdzin . De opbouw van Mc 1,16-18 en Mc 1,19-20 verloopt sterk parallel .
Mc 1,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . In de pericope Mc 1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai (en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . In drie gevallen is er verandering van personage . Hier is verandering van personage .
Mc 1,19.2.
act. participium aorist nom. mann. enk. probas (vooruitgebaand , voortgegaan)
van het werkw. probainô (vooruit banen, vooruitgaan) . Taalgebruik in
het N.T. : probainô
(vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in Mc : probainô
(vooruitbanen , vooruitgaan) .
Mc (1) : Mc
1,19 . De vorm (probas : voortgegaan) komt in de bijbel slechts in Mc
1,19 voor en in de paralleltekst Mt
4,21 voor . bainô : banen , gaan . pro-bainô : vooruitgaan .
Een vorm van het werkwoord probainô komt slechts in vijf verzen in het
N.T. voor . Bij Mc en Mt in de ruimtelijke betekenis , bij Lucas in temporele
(tijdelijke) betekenis : (1) Lc
1,7 . (2) Lc
1,18 . (3) Lc
2,36 . De roeping van Simon en Andreas begint met paragôn (langsvoerend)
, die van Jakobus en Johannes met probas (voortgegaan) . Parallel maar niet
identiek . Er zit dus vooruitgang in het geheel .
Mc 1,19.3. oligon (een weinig) . Taalgebruik in het N.T. : oligon (een weinig) . Taalgebruik in Mc : oligon (een weinig) . Het is meestal de vertaling van het Hebreuwse më`at (56) . In twee verzen in Mc : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 6,31 . Er zit een onrust in het verhaal van Marcus . Jezus was nog maar een weinig voortgegaan na de roeping van Simon en Andreas . In Mc 1,20 lezen we kai euthus (en direct , terstond) .
Mc 1,19.4.
ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 .
Mc 1,19.5. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos (Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 14,33 . 15 X in Mc .
Mc 1,19.6.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,19.7.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,19.8.
gen. mann. enk. zebedaiou (Zebedeüs) van het zelfst. naamw. zebedaios (Zebedeüs)
. Taalgebruik in het N.T. : zebedaios
(Zebedeüs) . Taalgebruik in Mc : zebedaios
(Zebedeüs) .
Mc (3) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
10,35 .
Mc 1,19.5.
- 8. iakôbon ton tou zebedaiou (Jakobus , die van Zebedeüs = Jakobus
, de zoon van Zebedeüs) . Mc (2) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . Ter onderscheiding van iakôbon ton tou alfaiou (Jakobus , die
van Alfeüs = Jakobus , de zoon van Alfeüs) : Mc
3,18 .
Een vorm van zebedaios (Zebedeüs) komt in Mc in 4 verzen voor . In Mc
1,20 is er sprake van ton patera autôn zebedaion (hun vader Zebedeüs)
die Jakobus en Johannes verlieten om Jezus achterna te gaan . In Mc
10,35 is er sprake van hoi huiou zebedaiou (de zonen van Zebedeüs)
.
Mc 1,19.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . In de pericope Mc
1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het
begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai
(en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . Hier is kai (en) het verbindingswoord
tussen twee bepalingen , tussen de naam Andreas en de naam Johannes .
10. acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Mc (5) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
5,37 . (4) Mc
9,2 . (5) Mc
14,33 .
Mc 1,19.12.
acc. mann. enk. adelfon (broer) van het zelfst. naamw. adelfos (broer) . Taalgebruik
in het N.T. : adelfos
(broer) . Taalgebruik in Mc : adelfos
(broer) . Hebr. ´âch . L. frater . Fr. frère . Ned. broer
. E. brother . D. Bruder .
Mc (5) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
1,19 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
5,37 . (5) Mc
13,12 .
Mc 1,19.13. Mc 1,19.13. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
Mc 1,19.11. - 12. ton adelfon (de broer) . Mc (4 / 5) . Mc 13,12 .
Mc 1,19.11. - 13. ton adelfon autou (zijn broer) . Mc (2) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,19 .
Mc 1,19.14.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . In de pericope Mc
1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het
begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai
(en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen .
Mc 1,19.15.
pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
1,22 .
Mc 1,19.16.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,19.17.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
Mc 1,19.18.
dat. onz. enk. ploiô(i) (in de boot) van het zelfst. naamw. ploion (boot)
. Taalgebruik in het N.T. : ploion
(boot) . Taalgebruik in Mc. : ploion
(boot) . N. vloot . L. navis . N. boot . E. ship . D. Boot .
Met een voorzetsel : 14 / 16 . Zonder voorzetsel : 2 / 16 . Met eis = naar (6
/ 7) , ek = uit (2 / 2) , en = in (6 / 6) .
Mc (6) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
4,36 . (4) Mc
5,21 . (5) Mc
6,32 . (6) Mc
8,14 .
De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen . De eerste groep
situeert zich rond de roeping van de eerste leerlingen (Mc 1,19-20) : (2) :
(1) Mc
1,19 . (2) Mc
1,20 .
20. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,18 . (2) Mc
1,19 . (3) Mc
1,34 . (4) Mc
1,39 .
Eénmaligheid
- act. participium aorist nom. mann. enk. probas (vooruitgebaand , voortgegaan) van het werkw. probainô (vooruit banen, vooruitgaan) . Mc (1) : Mc 1,19 . Dit is de enigste vorm in Mc .
Duality
- oligon (een weinig) . In twee verzen in Mc : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 6,31 .
| Mc 1,20 - Mc 1,20 - 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 En terstond riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedeüs
in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd.
King James Bible . [20] And straightway he called them: and they left their
father Zebedee in the ship with the hired servants, and went after him.
Luther-Bibel . 20 Und alsbald rief er sie und sie ließen ihren Vater Zebedäus
im Boot mit den Tagelöhnern und folgten ihm nach.
Tekstuitleg van Mc 1,20 . Het vers Mc 1,20 telt 19 woorden en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,20 is 15290 (2 X 5 X 11 X 139) .
Mc 1,20.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . In de pericope Mc
1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het
begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai
(en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . In drie gevallen is er
verandering van personage .
Mc 1,20.2.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken)
.
Mc (40) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding
tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op
een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers
zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er
lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,20.3. act. ind aor. 3de p. enk. ekalesen (hij riep) van het werkw. kaleô (roepen) . Taalgebruik in het N.T. : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Mc (1) : Mc 1,20 . Een vorm van kaleô (roepen) in Mc in 4 verzen . Dit is de enigste maal in een roepingsverhaal in Mc dat kaleô (roepen) gebruikt wordt .
Mc 1,20.4.
pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
1,22 .
Mc 1,20.5.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . In de pericope Mc
1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het
begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai
(en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . In drie gevallen is er
verandering van personage .
Mc 1,20.6.
part. aor. nom. mann. mv. afentes (achtergelaten) van het werkw. afièmi
(aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in het N.T. : afièmi
(aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in Mc : afièmi
(aflaten, achterlaten) . par-donner (pardon) : ver-geven . s'excuser (ex
-causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden)
.
Mc (6) : (1) Mc
1,18 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
4,36 . (4) Mc
7,8 . (5) Mc
12,12 . (6) Mc
14,50 . Een vorm van afièmi (aflaten, achterlaten) in Mc in 35 verzen
.
Mc 1,20.7.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,20.8.
acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) .
Taalgebruik in het N.T. : patèr
(vader) . Taalgebruik in Mc : patèr
(vader) .
Mc (8) . (1) Mc
1,20 . (2) Mc
5,40 . (3) Mc
7,10. (4) Mc
9,21 . (5) Mc
10,7 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .
Mc 1,20.9. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,23 . (4) Mc 1,39 .
Mc 1,20.10.
acc. mann. enk. zebedaion (Zebedeüs) van het zelfst. naamw. zebedaios (Zebedeüs)
. Taalgebruik in het N.T. : zebedaios
(Zebedeüs) . Taalgebruik in Mc : zebedaios
(Zebedeüs) .
Mc (1) : Mc
1,20 . Een vorm van zebedaios (Zebedeüs) komt in Mc in 4 verzen voor
. In Mc
1,20 is er sprake van ton patera autôn zebedaion (hun vader Zebedeüs)
die Jakobus en Johannes verlieten om Jezus achterna te gaan . In Mc
10,35 is er sprake van hoi huiou zebedaiou (de zonen van Zebedeüs)
. iakôbon ton tou zebedaiou (Jakobus , die van Zebedeüs = Jakobus
, de zoon van Zebedeüs) . Mc (2) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . Ter onderscheiding van iakôbon ton tou alfaiou (Jakobus , die
van Alfeüs = Jakobus , de zoon van Alfeüs) : Mc
3,18 .
Mc 1,20.11.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,20.12.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
Mc 1,20.14.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc
1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc
1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc
1,29 (meta + gen. : met) .
Mc 1,20.17. ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Mc (5) : (1) Mc 1,20 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 11,4 . (5) Mc 12,12 . Jakobus en Johannes verlaten hun vader en gaan weg achter Jezus .
Mc 1,20.18.
opisô (achter) . Taalgebruik in het N.T. : opisô
(achter) . Taalgebruik in Mc : opisô
(achter) . Voorzetsel . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après
(ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned.
achter .
In zes verzen in Mc : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,17 . (3) Mc
1,20 . (4) Mc
8,33 . (5) Mc
8,34 . (6) Mc
13,16 .
Mc 1,20.19. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -
| Mc 1,21 | Mc 1,22 | Mc 1,23 | Mc 1,24 | Mc 1,25 | Mc 1,26 | Mc 1,27 | Mc 1,28 | ||
| woorden | 13 | 18 | 13 | 18 | 11 | 14 | 24 | 13 | 124 (4 X 31) . Mc 1,21 + Mc 1,22 : 31 . Mt 1,23-28 : 93 (3 X 31) . |
In het Marcusevangelie kunnen we verschillende soorten teksten ontdekken . Enerzijds heb je teksten die beginnen met het verbindingswoordje kai (en) , anderzijds zinnen met het woordje de (echter) dat in de zin steeds op de tweede plaats staat . Deze twee woordjes hebben de versindeler beïnvloed .
In het Marcusevangelie wordt heel vaak een dubbel niveau gehanteerd : enerzijds het niveau van Jezus met zijn leerlingen , anderzijds het niveau van de leerlingen (en Jezus) na de verrijzenis van Jezus . Deze twee niveau 's lopen zeer vaak door elkaar . Zo is (de verrezen) Jezus en zijn leerlingen dikwijls op weg . Dat wordt vaak verwoord in de tegenwoordige tijd . Dat gebeurt vaak in verband met steden . Ze lijken op pleisterplaatsen , bedevaartplaatsen . Ook wordt het woord volgen dikwijls aangewend . Zo is Jezus dan de weg . Jezus is de te volgen weg . Wellicht moeten we hier denken aan het Hebreeuwse werkwoord halach (gaan) . Halacha betekent levenswandel en wordt beschreven in de commentaren op de Thora .
Het zal langzaam duidelijk worden dat Mc
1,14-15 en Mc
1,39 het geheel van Mc 1,16-38 omsluit . Mc 1,21-38 geeft het beeld van
Jezus van zijn verblijf van vierentwintig uur in Kafarnaüm .
Vooreerst zijn er de tijdsaanduidingen in
:
- Mc 1,21
: tois sabbasin (op sabbat) ,
- Mc 1,32
: opsias de genomenès , hote edusen ho hèlios (toen het echter
avond werd, toen de zon onderging = 's avonds bij zonsondergang)
en Mc
1,35 : prôi ennucha lian ('s morgens vroeg, diep in de nacht) .
Vervolgens geven de plaatsaanduidingen structuur
aan de tekst :
- Mc 1,21
: eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) ,
- Mc 1,23
: en tèi sunagôgèi (in de synagoge) ,
- Mc 1,29
: ek tès sunagôgès (uit de synagoge) .
Verdere plaatsaanduidingen zijn dan het huis (Mc
1,29) , aan de deur van het huis (Mc
1,32) en een eenzame plaats (Mc
1,35) . De riching van bestemming wordt met eis (naar) aangeduid , de richting
van vertrek met ek (uit) . De handeling , uitgedrukt door het werkwoord , versterkt
soms het gezichtspunt van vertrek of bestemming :
- Mc 1,21
: eiselthôn eis... (binnengegaan in) ,
- Mc 1,29
: ek... exelthontes (uit... uitgegaan) ,
- Mc 1,35
: exèlthen kai apèlthen eis (hij ging het huis uit en hij ging
weg naar...) . We hebben telkens te maken met een samengesteld werkwoord , dat
bestaat uit een voorvoegsel en een vorm van het werkwoord erchomai (gaan) .
| Mc 1,21 | Mc 1,23 | Mc 1,29 | Mc 1,29 | Mc 1,32 | Mc 1,35 | Mc 1,35 | |
| voegwoord en bijwoord euthus (terstond) | kai euthus (en terstond) | kai euthus (en terstond) | kai euthus (en terstond) | kai (en) | kai (en) | ||
| tijdsaanduiding | tois sabbasin (op sabbat) | opsias de genomenès, hote edusen ho hèlios ('s avonds bij zonsondergang) | prôi ennucha lian ( vroeg, diep in de nacht) | ||||
| werkwoord | eiselthôn (binnengegaan) | èn (was er) | èlthon (gingen zij) | 33. kai èn holè hè polis episunègmenè pros tèn thuran (en was de hele stad verzameld bij de deur) | apèlthen ( hij ging weg) | ||
| voorzetsel | eis (in) | en (in) | ek (uit) | eis (naar) | eis (naar) | ||
| bepaling van plaats | tèn sunagôgèn (de synagoge) | tèi sunagôgèi autôn (hun synagoge) | tès sunagôgès (hun synagoge) ekselthontes (buitengegaan) | tèn oikian Simônos... (het huis van Simon...) | anastas eksèlthen (na zijn opstaan ging hij het huis uit) | erèmon topon (een eenzame plaats) | |
| 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | 55. Uitdrijving van een demon : Mc
1,23-28 - Lc
4,33-37 - |
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc
1,29-31 - Mt
8,14-15 - Lc
4,38-39 - |
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 - | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - | 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm :Mc
1,35-38 - Lc
4,42-43 - |
60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - |
Mc 1,21-28 beschrijft de tweevoudige activiteit van Jezus : enerzijds zijn leeractiviteit , anderzijds zijn wonderdadig optreden .
Op verschillende wijzen kunnen we het begin van Jezus'optreden interpreteren . Gewoonlijk lezen we het vanuit onze eigen situatie : Jezus vangt zijn goddelijk plan aan , predikt de blijde boodschap , spoort aan tot 'evangelisch' leven en belooft een leven na de dood in volle vriendschap met God . Hierbij moet dan de strijd aangegaan worden met de duivel en het kwade .
We zullen het vele malen aantreffen . De activiteit van Jezus wordt onder een
tweevoudig aspect belicht : woord- en daadactiviteit . In Mc 1,21-38 is de woordactiviteit
niet uitgewerkt , wel de daadactiviteit die dan nog verder uitgewerkt wordt
onder zijn twee aspecten : genezen en duivels uitdrijven . We merken nu dat
de woordactiviteit bij het begin en op het einde van Mc 1,21-38 ter sprake komt
. Plaatsen we de teksten naast elkaar (Mc
1,21 en Mc
1,38) , dan zien we gelijkenissen.
Het werkwoord kèrussô (verkondigen) in Mc
1,38 komen we voor de tweede maal in het Marcusevangelie met betrekking
tot Jezus tegen . Dat herinnert ons aan Mc
1,14 waarin Jezus' optreden in Galilea begint . Zo kunnen we ook de zin
eis touto eksèlthon (daartoe ben ik uitgetrokken) beter begrijpen . Het
is Jezus'taak op vele plaatsen te verkondigen . Zo duidt Mc 1,21-38 het tweevoudig
aspect van de woordactiviteit van Jezus aan : enerzijds onderwijs (didaskô
: onderwijzen , leren ; Mc
1,21) en anderzijds verkondiging (kèrussô : verkondigen ; Mc
1,38 , Mc
1,14) . Zo omsluit Mc
1,21 en Mc
1,38 het geheel van Mc 1,21-38 . Mc
1,38 legt reeds een link naar Mc
1,14 en omsluit zo Mc 1,14-38 . Mc
1,39 zal dat eveneens doen maar tevens een link leggen naar wat komt .
| Mc 1,14 | Mc 1,21b | Mc 1,21a | Mc 1,38 | |
| voegwoord | kai (en) ... | kai (en)... | kai (en) | kai legei autois (en hij zegt aan hen) |
| werkwoord | èlthen ('Jezus' ging) | eiselthôn (binnengegaan) | eisporeuontai (zij begeven zich op weg) | agômen (laten wij gaan) |
| onderwerp | ho Ièsous (Jezus) | |||
| bepaling van plaats | eis tèn Galilaian (naar Galilea) | eis tèn sunagôgèn (in de synagoge) | eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) | allachou eis tas echomenas kômopoleis (naar elders naar de naburige dorpsstadjes) |
| kèrussôn (verkondigende) | edidasken (onderwees hij) | hina kai ekei kèruksô (opdat ik ook daar zal verkondigen) | ||
| eis touto gar eksèlthon (daartoe immers ben ik uitgegaan) | ||||
| Begin van Jezus' optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - | Jezus leert en geneest - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | Jezus leert en geneest - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - |
| Mc 1,21 - Mc 1,21 - 24. Jezus leert en geneest - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen;
en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
King James Bible . And they went into Capernaum; and straightway on the sabbath
day he entered into the synagogue, and taught.
Luther-Bibel . 21. Ils pénètrent à Capharnaüm. Et
aussitôt, le jour du sabbat, étant entré dans la synagogue,
il enseignait.
Persoonlijke vertaling : En zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm en direct
op sabbat naar de synagoge gegaan leraarde hij .
Tekstanalyse van Mc 1,21 . Dit vers Mc 1,21 telt 13 woorden en 81 (3 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 1,21 is 8256 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 43) . Vers 21 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen . De eerste zin bevat 4 woorden en 11 lettergepen , de tweede zin uit 9 woorden en 20 lettergrepen . Totaal : 13 woorden en 31 lettergrepen . Beide nevenschikkende zinnen beginnen met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . In beide zinnen staat een werkwoord met het voorvoegsel eis- en wordt het werkwoord gevolgd door het voorzetsel eis (naar) + plaatsbepaling . De tweede nevenschikkende zin bestaat uit 9 woorden ; drie ervan eindigen op -s en vijf op -n . Aldus is de zin : kai ( en ) , tweemaal -s , tweemaal -n , eenmaal -s , driemaal -n .
| Mc 1,21 | Kai (en) | eisporeuontai (zij begeven zich op weg) | eis (naar) | Kafarnaoum (Kafarnaüm) | kai... (en) | eiselthôn (binnengegaan) | eis (naar) | tèn sunagôgèn (de synagoge) |
| Mc 11,15 | Kai (en) | erchontai (zij gaan) | eis (naar) | Hierosoluma (Jeruzalem) | Kai (en) | eiselthôn (binnengegaan) | eis (naar) | to hieron (de tempel) |
Tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 bestaat een opmerkelijke overeenkomst . In beide gevallen wordt het gaan naar de stad vermeld en vervolgens het binnengaan in het plaatselijk heiligdom ; respectievelijk Kafarnaüm en Jeruzalem , synagoge en tempel . In Mc 1 gaat het om de eerste stad , in Mc 11 om de laatste stad waar Jezus verblijft .
Mc 1,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Het staat aan het begin van de pericope . Er heeft verandering van personage plaats . Vaak wordt dan het partikel de (echter) gebruikt , dat dan op de tweede plaats in de zin staat . Kai (en) verbindt als voegwoord de vorige pericope Mc 1,16-20 en de volgende . De geroepen leerlingen ( Mc 1,16-20 ) begeven zich samen met Jezus op weg naar Kafarnaüm . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Daardoor krijgt de tekst het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en..
Mc 1,21.2.
indicatief praesens 3de persoon meervoud van het werkw. eisporeuontai (zij trekken
naartoe, zij begeven zich op weg naar) van het werkw. eisporeuomai (zich op
weg begeven naar) . eis + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig
naamoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare
plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het
woord behoort tot de groep van varen . Met het meervoud zijn Jezus en zijn leerlingen
die Jezus in Mc
1,16-20 heeft geroepen , bedoeld .
Mc (1) Mc
1,21 . Een vorm van eisporeuomai (zich op weg begeven) in Mc in 8 verzen
: (1) Mc
1,21 *. (2) Mc
4,19 . (3) Mc
5,40 . (4) Mc
6,56 *. (5) Mc
7,15 *. (6) Mc
7,18 *. (7) Mc
7,19 *. (8) Mc
11,2 *.
Na het voegwoord staat het werkwoord in de tegenwoordige tijd .
In Mc
1,21 is het een werkwoord met het voorvoegsel eis- (naar) . Hierna
volgt het voorzetsel eis (naar) met de plaatsbepaling . De tegenwoordige tijd
van het werkwoord erchomai (gaan) + voorzetsel eis (naar + plaatsbepaling) legt
blijkbaar linken met andere pericopen en vormt een netwerk van plaatsen waarnaar
gegaan wordt . Dit vers hoort blijkbaar bij dit netwerk ofschoon het werkwoord
eisporeuomai (zich op weg begeven naar) gebruikt wordt . Het evangelie van Marcus
zouden we wel eens kunnen typeren als het evangelie van 'het op weg gaan' of
van de weg .
In Mc 11,1
zouden we erchontai (zij gaan) in plaats van het voor Mc hapaxvorm eggizousin
(zij naderen) verwachten . Dat is niet het geval . Zoals dat ook niet het geval
was in Mc
1,21 , waar we eisporeuontai (zij begeven zich op weg naar) lezen :
- Mc 1,21
: kai eisporeuontai eis Kafarnanaoum = en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm
.
- Mc 11,1
: kai hote eggizousin eis Hierosoluma = en dan naderen zij tot Jeruzalem .
Mc 1,21.3.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D.
nach .
Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc
1,21.4. kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het N.T. : kafarnaoum
(Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc : kafarnaoum
(Kafarnaüm) . Khofèr (losgeld, verzoengeld) komt in de Hebreeuwse
bijbel in 14 verzen voor . Mc (3) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
9,33 . De eerste stad waar Jezus tijdens zijn openbaar leven verblijft ,
is Kafarnaüm . De laatste stad is Jeruzalem . Bij een tweede vermelding
van de beide steden wordt een werkw. van eiserchomai (binnengaan) gebruikt :
- Mc 2,1
: kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum = en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm
.
- Mc 11,11
: kai eisèlthen eis Hierosoluma = en hij ging binnen in Jeruzalem .
STAP VOOR STAP !
Mc
1,21.3. - 4. eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . Mc (3) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
9,33 . In Mc
2,1 verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc
1,21 . Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met
het voorzetsel eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe
pericope . Aan het voorzetsel eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf
, in twee verzen een werkwoord met het voorvoegsel eis (naar) . De zinnen beginnen
telkens met het verbindend voegwoord kai (en) .
In Mc
1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea , in Mc
9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste
pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea .
- Mc 1,21
. Kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm)
.
- Mc 2,1
. Kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm)
.
- Mc 9,33
. Kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .
STAP VOOR STAP !
Mc 1,21.5.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Nevenschikkend voegwoord van de tweede
nevenschikkende zin van Mc
1,21 .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,21.6. euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Het is de 5de maal dat Marcus het gebruikt . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 .
Mc 1,21.7.
bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud tois van het bep. lidw. ho , hè
to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Slechts
in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
1,27 .
Mc 1,21.8.
dat. onz. mv. sabbasin (op sabbat) van het zelfst. naamw. sabbaton (sabbat)
. Taalgebruik in het N.T. : sabbaton
(sabbat) . Taalgebruik in Mc : sabbaton
(sabbat) . Mc (5) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
2,24 . (4) Mc
3,2 . (5) Mc
3,4 .
In elf verzen komt in Mc een vorm van sabbaton (sabbat) voor . In negen verzen
gaat een bepaald lidwoord aan een vorm van sabbaton (sabbat) vooraf ; niet in
Mc 6,2
. en Mc
16,9 . In tien verzen gaat hieraan (lidwoord + zelfstandig naarwoord) geen
voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf , behalve in Mc
2,23 .
Mc 1,21.9. part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Het hoofdwerkwoord edidasken (hij leerde) staat in het imperfectum . Er is dus een verschil in werkwoordtijd met de voorgaande nevenschikkende zin . Daarenboven is er ook een verschil in getal . Voorgaande nevenschikkende zin stond in het meervoud , Mc 1,21b in het enkelvoud .
Mc 1,21.10.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D.
nach.
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
9. - 10. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
7,24 . (5) Mc
11,15 .
(1) Mc
1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en
... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc
2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm)
.
(3) Mc
3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van
de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39
: eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc
7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc
11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .
Mc 1,21.11.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In 12 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,21.12.
sunagogèn (naar de synagoge) . Zelfstandig naamwoord acc. vr. enk. van
sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè
(synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè
(synagoge) . Mc (2) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
3,1 .
Een vorm van sunagôgè (synagoge) in Mc 1 (4) : (1) Mc
1,21 (acc. sunagôgèn) . (2) (1) Mc
1,23 (dat. sunagôgè(i) . (3) Mc
1,29 (gen. sunagôgès) . (1) Mc
1,39 (acc. sunagôgas) .
Mc 1,21.9. - 12. eiselthôn eis tèn sunagôgèn (de synagoge binnengegaan) (Mc 1,21) linkt aan ek tès sunagôgès exelthontes (de synagoge uitgegaan) (Mc 1,29) . Chiastische structuur . Mc 1,21b-28 speelt zich af in de synagoge . Eiselthôn (binnengegaan) in Mc 2,1 linkt aan kai exèlthen (en hij ging naar buiten) (Mc 2,13) . Het verhaal Mc 2,1-12 speelt zich in huis af .
.Mc 1,21.10-12.
een vorm van eiserchomai (ingaan in) + eis tèn sunagôgèn
(naar de synagoge) . Mc (2) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
3,1 .
- Mc 1,21
: kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan
in de synagoge) .
- Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
binnen opnieuw in de synagoge) .
STAP VOOR STAP !
In het eerste synogagogeverhaal drijft Jezus een onreine geest uit . In het tweede synagogeverhaal houden Farizeeën hem in het oog of hij op sabbat zou genezen . Na de genezing door Jezus gaan de Farizeeën naar buiten om samen met de Herodianen een besluit te geven om hem uit de weg te ruimen . Bij het derde bezoek aan de synagoge (Mc 6,1-6) geloven veel toehoorders niet .
Mc 1,21.13.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw.
didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,2 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
10,1 . (6) Mc
11,17 .
Palestina was een Romeinse provincie . Op religieus vlak konden de joden zich niet schikken naar de Romeinse bevelen . Ook op economisch gebied hadden de joden het moeilijk . De situatie riep de periode van de Maccabeeën in herinnering . De Maccabeeën hadden zich verzet tegen de overheersing van de Seleuciden en hadden de onafhankelijkheid verworven . Misschien kon het ook nu lukken . Het verzet tegen de vijand was gekaderd in een religieuze wereldbeschouwing . De God van de joden zou heersen en een einde stellen aan de heerschappij van de vijand . In dat kader komt de prediking van "het koninkrijk van God is nabij" . Het betekent zoveel als : het wachten is ten einde , het startschot van het verzet wordt gegeven , de opstand is begonnen . Zo'n leer moet wel huivering verwekken en vervullen met vrees . Het eerste wonderverhaal (uitdrijving van de onreine geest) maakt ook duidelijk dat de strijd tussen goed en kwaad is begonnen . Wie zich verzet , wordt als een onreine geest , een duivel aanzien , want niet akkoord gaan , zich verzetten , betekende zoveel als zich verzetten tegen God . Het initiatief van Jezus verspreidt zich als een lopend vuurtje , eerst in de stad Kafarnaüm , dan in de andere steden , dan op de eenzame plekken . Uiteindelijk stromen de mensen naar Jezus op eenzame plekken , de plaats waar het verzet en de opstand verder wordt voorbereid .
De overeenkomsten tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 zijn niet te ontkennen . Beide beginnen met een zelfstandige zin in de tegenwoordige tijd , die een plaatsbepaling aanduidt . Vervolgens wordt hij gevolgd door een tweede nevenschikkende zin die begint met een participiumzin ; in beide : eiselthôn eis (binnengegaan in) . Kafarnaüm was de eerste stad van Jezus' optreden , Jeruzalem de laatste . In Kafarnaüm ging hij naar de plaats van bijeenkomst , de synagoge , in Jeruzalem de tempel . In de synagoge leerde Jezus en dreef een boze geest uit . In de tempel wierp hij de kooplieden buiten en leerde hij . Begin en einde worden aan elkaar gehecht . Ook de reactie van het volk op de leer is gelijkaardig - Mc 1,22 - Mc 11,18-19 -.
| Mc 1,21 : kai euthus eisporeuontai eis Kafarnaoum (en onmiddellijk begeven ze zich op weg naar Kafarnaüm) | Mc 1,21 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn (binnengegaan in de synagoge) |
| Mc 11,15a : kai erchontai eis Hierosoluma (en zij gaan naar Jeruzalem) - Mc 11,15-17 | Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) - Mc 11,15-17 | Mc 11,19 ... exeporeuonto exô tès pôleôs (trokken zij weg uit de stad) - Mc 11,18-19 - |
54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -
| Mc 1,22 - Mc 1,22 : 54. Slot van de bergrede : - Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] And they were astonished at his doctrine: for he taught
them as one that had authority, and not as the scribes.
Luther-Bibel . 22 Und sie entsetzten sich über seine Lehre; denn er lehrte
mit Vollmacht und nicht wie die Schriftgelehrten.
Tekstuitleg van Mc 1,22 . Dit vers Mc 1,22 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Mc 1,22 is 12084 (2 X 2 X 3 X 19 X 53) .
Mc 1,22.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und. Mc (555 / 678) . Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . .
Mc 1,22.2.
pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf)
van het werkw. ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing
, vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het N.T. : ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in Mc : ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Mc (4) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
6,2 . (3) Mc
7,37 . (4) Mc
10,26 .
pass. imperf. 3de pers. enk. exeplèsseto . Mc (1) : Mc
11,18 . Dus : een vorm van ekplèssomai (buiten zichzelf raken van
angst , verbazing , vreugde , bewondering) in Mc in 5 verzen .
De toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm waren buiten zichzelf van verbazing
over de leer van Jezus . Omdat hij leerde op (eigen) gezag en niet zoals de
schriftgeleerden (op gezag van de schrift) . In Mc
11,18 wordt deze verbazing een reden voor de hogepriesters en de schriftgeleerden
om het volk te vrezen .
In Mc 6,2
treedt Jezus op in de synagoge zoals dat ook het geval was in Mc
1,22 . In Mc
1,22 wordt het gezag van de leer van Jezus volmondig erkend . In Mc
6,2 zijn velen verwonderd , maar zij stellen zich toch vragen . Vanwaar
komt hem dat toe ? In Mc
10,26 lopen de leerlingen over van ongeloof : en wie kan er gered worden
? Na de tempelreiniging nemen in Mc
11,18 de hogepriesters en de schriftgeleerden om Jezus uit de weg te ruimen
het besluit over van de Farizeeën en de Herodianen die dat advies uitbrachten
na het conflict tijdens het synagogebezoek (Mc
3,6) .
Mc 1,22.3.
epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc (51 + 14 + 6 = 71) , in Mc 1 (1 + 1 = 2) : epi in Mc
1,22 en ep' in Mc
1,45 .
Mc 1,22.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,22.5.
nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw.
didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in het N.T. : didachè
(lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè
(lering, onderrichting) .
Mc (5) : (1) Mc
1,22 (dat.) . (2) Mc
1,27 (nom.) . (3) Mc
4,2 (dat.) . (4) Mc
11,18 (dat.) . (5) Mc
12,38 (dat.) .
dat. vr. enk. didachè(i) in Mc (4) .
- en tè(i) didachè(i) autou (in zijn leer / onderrichting) . Mc
(2) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
12,38 .
- epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
11,18 .
Mc 1,22.6.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos .
Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (13) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc
1,7 . (5) Mc
1,19 . (6) Mc
1,20 . (7) Mc
1,22 . (8) Mc
1,25 . (9) Mc
1,26 . (10) Mc
1,28 . (11) Mc
1,36 . (12) Mc
1,41 . (13) Mc
1,42 .
Mc 1,22.3.
- 6. exeplèsseto) (Mc
1,22) exeplèssonto (Mc
11,18) epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2)
: (1) Mc
1,22 (dat.) . (2) Mc
11,18 (dat.) .
Verdere vergelijking :
Mc 1,22.7.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,22.8.
gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
1,22 . (3) Mc
1,38 .
Mc 1,22.9.
act. part. praes. nom. mann. enk. didaskôn (lerend) van het werkw. didaskô
(leren, onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr
docent , documentatie .
Mc (4) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
6,6 . (3) Mc
12,35 . (4) Mc
14,49 . Een vorm van didaskô (leren) in Mc (17) .
Mc 1,22.7. 9. èn ... didaskôn (hij was onderrichtende) . Omschrijvende constructie .
Mc 1,22.10.
pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
1,22 .
Mc 1,22.11.
hôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : hôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs
(zoals) . Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) .
Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,22 .
Mc 1,22.12. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .
Mc 1,22.13. part. pr. nom. mann. enk. echôn van het werkwoord echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc (3) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 10,22 .
Mc 1,22.14.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,22.15.
betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos (die)
. Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc
1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc
1,22 .
Mc 1,22.16.
hôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : hôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs
(zoals) . Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) .
Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,22 .
17. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,36 .
Mc 1,22.18. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .
Voor Mc 1,21-45 zie : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/marcusc 1,21TEM45.htm .
55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
| 1. (een man) | 2. (Jezus) | 3. (de onreine geest) | 4. (allen) | 5. (het gerucht) | |
| Mc 1,23 - Mc 1,24 | Mc 1,25 | Mc 1,26 | Mc 1,28 | ||
| nevenschikkend voegwoord | kai (en) .... | kai (en) | kai (en) | kai (en) .... | kai (en) |
| werkwoord | èn (was) .... | epetimèsen autôi (hij droeg op - beval hem) | sparaxan auton (hem latende stuiptrekken) | ethambèthèsan (werden met verbazing geslagen) | exèlthen (ging uit) |
| onderwerp | anthrôpos (een mens) | ho Ièsous (Jezus) | to pneuma to akatharton (de onreine geest) | hapantes (allen) | hè akoè autou (het gerucht over hem) |
| aantal woorden (92 = 4 X 23) | 13 + 18 (14 + 17) = 31 | 11 (van 32 tot 42) | 14 (van 43 tot 56) | 23 (van 57 tot 79) | 13 (van 80 tot 92) |
| aantal lettergrepen | 28 + 33 (30 + 31 ) = 61 | 24 (van 62 tot 85) | 29 (van 86 tot 114) | 56 (van 115 tot 170) | 28 (van 171 tot 198) |
Toen de tekst werd geconstrueerd , was er nog geen nummering van hoofdstukken en verzen . Er moeten evenwel aanwijzingen in de tekst zijn die hem leesbaar maken . De indeling in verzen is wellicht bepaald door de verandering van personage (vijf personages) : Mc 1,23 - Mc 1,24 : een man met een onreine geest ; Mc 1,25 : Jezus ; Mc 1,26 : de onreine geest ; Mc 1,27 : allen ; Mc 1,28 : het gerucht . Uit het tellen van de woorden en lettergrepen komen voorlopig geen bijzonderheden naar boven . Of toch? Mc 1,23-26 (het eigenlijke wonderverhaal) telt 56 woorden en 114 of (56 X 2) + 2 lettergrepen . V.27 telt 56 lettergrepen en v.28 telt 28 (of 56 : 2 = 28 ) lettergrepen .
Het voegwoord kai (en) wordt veelvuldig gebruikt . Wat Mc
1,23-28 betreft :
- Bij het begin van de zinnen met verandering van personage staat telkens het
nevenschikkend voegwoord (vijfmaal) .
- Binnen het onderdeel van een personage komen ook nevenschikkende zinnen voor
: v. 23 : kai anekraxen (en hij schreeuwde het uit) ; v.25 : kai exelthe (en
ga uit) ; v.27 : kai ... epitassei kai hupakousin (en ... hij legt op en zij
gehoorzamen) (viermaal) .
- Ook treffen we het voegwoord aan als verbinding tussen twee participia (v.26)
: sparaxan... kai fônèsan (stuipgetrokken en geroepen)(eenmaal)
.
In totaal komt kai (en) elfmaal voor in deze pericope .
Op het nevenschikkend voegwoord kai (en) volgt dan de werkwoordvorm , die meestal in de aorist (verleden tijd) staat . Dan volgt het onderwerp .
Elke directe rede (driemaal) wordt voorafgegaan door het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord legô : zeggen .
| Mc 1,23 - Mc 1,24 | Mc 1,25 | Mc 1,27 |
| 23b. kai (en) | kai (en) | hôste (zodat) |
| anekraxen | epetimèsen (hij droeg op / hij beval) | suzètein (overlegden) |
| autôi (aan hem) | ||
| ho Ièsous (Jezus) | autous (zij) | |
| 24. legôn (zeggende) | legôn (zeggende) | legontas (zeggende) |
Het wonderverhaal op zich is kort . Er is een man die bezeten is en het uitschreeuwt
naar Jezus (situatie) . Jezus gebiedt de onreine geest te zwijgen en uit hem
weg te gaan (bevel) . De onreine geest schreeuwt met luide stem en gaat uit
hem weg (uitwerking - genezing) .
We zien dat er een chiastische (kruisvormige) opbouw is.
| Mc 1,23 | Mc 1,25 | Mc 1,26 |
| anthrôpos en pneumati akathartôi (een mens met een onzuivere geest | ||
| kai anekraxen (en hij schreeuwde het uit) | fimôthèti (zwijg) | kai fônèsan fônèi megalèi (- de onreine geest - geroepen met luide stem ) |
| kai exelthe ex autou (en ga uit hem uit) | exèlthen ex autou (ging uit hem uit) |
Ik heb hoofdpijn , buikpijn . Ik heb het aan mijn maag , lever enz . Ziek-zijn
en pijn drukken we veelal uit met hebben . We hebben dan iets
dat we beter niet zouden hebben en we willen dat soort hebben zo vlug mogelijk
kwijt zijn . Dat soort hebben legt beslag op ons , heeft ons in zijn greep .
Het lijkt dan alsof een bepaalde persoon macht over ons heeft . In de bijbel
lijkt het dan dat een andere persoon soms macht heeft over ons en dat de machtiger
persoon door een woord of een handeling de lagere , ziekmakende macht kan gebieden
weg te gaan , uit te drijven enz . In Mc
1,40-45 is er sprake van iemand die een onreine geest heeft . Jezus heeft
echter macht over die onreine geest en is in staat die onreine geest uit te
drijven .
Het eerste wonderverhaal is dat van de uitdrijving van een onreine geest . In
het verhaal is duidelijk dat de komst van Jezus een confrontatie inhoudt tussen
Jezus , die met heilige geest vervuld is , en de onreine geest . Deze laatste
weet dat zijn macht ten einde loopt met de komst van Jezus . Voor de genezen
man begint een nieuw leven . Er heeft dus een omkering , verandering plaats
gehad .
Een nieuwtestamentisch wonderhaal lijkt iets weg te hebben van een hokus pokus
. Wanneer je over de gepaste genezingsformule beschikt , kan je een ander genezen
. Eén woord of handeling blijken te volstaan om iemand te genezen .
Na het onderricht van Jezus heeft reeds onmiddellijk een confrontatie plaats tussen Jezus en een man met een onreine geest , die in de synagoge aanwezig is . Het verhaal roept het doopverhaal op (Mc 1,9-11 ) , waarin Jezus heilige geest ontving en waarin een stem tot hem zei : gij zijt mijn zoon . Dat de man met de onreine geest Jezus op deze wijze herkent , zou kunnen betekenen dat hij Jezus heeft gekend toen Jezus een leerling van Johannes de Doper was . De twee geesten (de reine en de onreine) staan tegenover elkaar . Jezus staat in dienst van God en wordt zoon van God genoemd , de onreine geest staat niet in dienst van ???. Met welke bedoelingen kwam hij naar de synagoge ? Jezus heeft als leerling van Johannes leren weerstaan aan onzuivere geest . Hij is hen machtig . Hij kan een mens met een onreine geest de baas ; hij kan die mens ervan verlossen . Jezus wil niet dat een mens met een onreine geest hem zou bekend maken , want die mens heeft slechte bedoelingen . Jezus is naar Galilea gekomen om het werk van Johannes de Doper verder te zetten . Die taak kan door de kwade bedoelingen van een man met een onreine geest in gevaar komen .
Wat is er tussen jou en mij? Hoe kan je kwaad , oorlog overwinnen , de wapens tot zwijgen brengen , vrede stichten , de tweeheid tot eenheid brengen ?
Bij het verschijnen van een goddelijk wezen of bij een wonderdadig gebeuren , waarin het goddelijke tot uiting komt , reageren de aanwezigen vaak met verwondering , angst , vrees . Dat is het geval bij engelverschijningen , de verrijzenis , de gedaanteverandering en bij vele wonderen .
| Mc 1,23 - Mc 1,23 - 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] And there was in their synagogue a man with an unclean
spirit; and he cried out,
Luther-Bibel . 23 Und alsbald war in ihrer Synagoge ein Mensch, besessen von
einem unreinen Geist ; der schrie:
Tekstuitleg van Mc 1,23 . Dit vers Mc 1,23 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 1,23 is 7254 (2 X 2 X 3 X 13 X 31)
Mc 1,23.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,23.2.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken)
.
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding
tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op
een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers
zeer gelijkaardig opgebouwd .
Mc 1,23.3.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,23.4.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,23.5.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,23.6.
dat. vr. enk. sunagôgè(i) (in de synagoge) van het zelfst. naamw.
sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè
(synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè
(synagoge) . Mc (2) : (1) Mc
1,23 . (2) Mc
6,2 .
Een vorm van sunagôgè (synagoge) in Mc 1 (4) : (1) Mc
1,21 (acc. sunagôgèn) . (2) (1) Mc
1,23 (dat. sunagôgè(i) . (3) Mc
1,29 (gen. sunagôgès) . (1) Mc
1,39 (acc. sunagôgas) .
Mc 1,23.4. - 6. en tè(i) sunagôgè(i) = in de synagoge . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 6,2 .
Mc 1,23.1.
- 6. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,23
: kai euthus èn en tè(i) sunagôgè(i) (er onmiddellijk
was er in de synagoge) .
- Mc 3,1
: kai èn ekei (en er was daar) .
Zie ook : Mc
1,13 : kai èn en tè(i) erèmô(i) (en hij was in
de woestijn) .
en : Mc
5,11 : èn de ekei pros tô(i) horei (er was echter bij de berg)
.
Mc 1,23.7. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,23 . (4) Mc 1,39 .
Mc 1,23.8.
nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos
(mens) .
Mc (14) : (1) Mc
1,23 . (2) Mc
2,27 . (3) Mc
3,1 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
5,2 . (6) Mc
7,11 . (7) Mc
8,37 . (8) Mc
10,7 . (9) Mc
10,9 . (10) Mc
12,1 . (11) Mc
13,34 . (12) Mc
14,13 . (13) Mc
14,21 . (14) Mc
15,39 .
Mc 1,23.9.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,23.10.
dat. onz. enk. pneumati van het zelfst. naamw. pneuma (geest) . Taalgebruik
in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (7) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,23 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
5,2 . (5) Mc
8,12 . (6) Mc
9,25 . (7) Mc
12,36 .
Mc 1,23.11.
dat. mann. enk. akatharô(i) : (met een) onzuivere (geest) . a- katharos
: on-zuiver . Taalgebruik in het N.T. : akatharos
(onzuiver) . Taalgebruik in Mc : akatharos
(onzuiver) .
Mc (3) : (1) Mc
1,23 . (2) Mc
5,2 . (3) Mc
9,25 .
In het N.T. komt een vorm van akatharos (onzuiver) het meest bij Mc voor . Bij
Mc is het telkens verbonden met 'onzuivere geest' . In het Nederlands gaat het
bijvoeglijk naamwoord vooraf aan het zelfstandig naamwoord , in het Grieks bij
Mc in deze verzen volgt het bijvoeglijk naamwoord akatharos (onzuiver) het zelfstandig
naamwoord pneuma (geest) . (1) Mc
1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi
= een mens met een onzuivere geest) . (2) Mc
1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere
geest) . (3) Mc
1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan
de onzuivere geesten) .
Mc 1,23.8. - 11. anthrôpos en pneumati akatharthô(i) = een mens met een onzuivere geest . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .
Mc 1,23.12.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,23.13. act. ind. aor. 3de pers. enk. anekraxen (hij schreeuwde het uit) van het werkw. anakrazô (uitschreeuwen, oproepen) . Taalgebruik in het N.T. : anakrazô (uitschreeuwen) . Taalgebruik in Mc : anakrazô (uitschreeuwen) . Mc (1) : Mc 1,23 .
Mc 1,23.12.
-13. kai anekraxen (en hij schreeuwde het uit) . Mc
1,24 : legôn ti hèmin kai soi Ièsou (wat is er tussen
ons en jou , Jezus) .
Mc 5,7
: kai kraxas fônè(i) megalè(i) legei ti emoi kai soi Ièsou
(en geschreeuwd met luide stem zegt hij : wat is er tussen mij en jou , Jezus)
.
Samengevat Mc
1,23 . Mc
1,23.legt een band met de andere optredens van Jezus in de synagoge (Mc
3,1 en Mc
6,2) . Ook linkt Mc
1,23 met Mc
5,1-20 want in beide verhalen gaat het om een ontmoeting van Jezus met een
onzuivere geest . In Mc
1,23 bevindt de onzuivere geest zich in de synagoge , in Mc
5,5 komt de onzuivere geest uit de graven .
De onzuivere geest hoort niet thuis in de synagoge , zoals de kopers en verkopers
niet thuis horen in de tempel . Heidens gebied en graven worden als onrein beschouwd
. De komst van Jezus in dat gebied kan een kwelling voor dat gebied betekenen
.
| Mc 1,24 - Mc 1,24 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] Saying, Let us alone; what have we to do with thee,
thou Jesus of Nazareth? art thou come to destroy us? I know thee who thou art,
the Holy One of God.
Luther-Bibel . 24 Was willst du von uns, Jesus von Nazareth? Du bist gekommen,
uns zu vernichten. Ich weiß, wer du bist: der Heilige Gottes!
Tekstuitleg van Mc 1,24 . Dit vers Mc 1,24 telt 19 woorden en 73 letters . De getalwaarde van Mc 1,24 is 5854 (2 X 2927) .
Mc 1,24.1. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .In Mc 1 in vijf verzen : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt .
3. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis
. Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc
1,24 . (2) Mc
9,22 . (3) Mc
9,38 . (4) Mc
10,35 . (5) Mc
10,37 . (6) Mc
12,19 . (7) Mc
13,4 . (8) Mc
14,15 . (9) Mc
16,3 .
Mc 1,24.4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und. Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,24.5. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .
Mc 1,24.6. voc. mann. enk. ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . In Mc 1 komt in zes verzen de naam Jezus voor . In vier verzen in de nominatief : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . In één vers in de vocatief : Mc 1,24 . In één vers in de genitief : Mc 1,1 . De vocatief Ièsou komt in drie verzen in Mc voor : (1) Mc 1,24 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 10,47 .
Mc 1,24.9.
Infinitief aorist apolesai (verderven, verdoemen) . Taalgebruik in het N.T.
: apollumi
( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in Mc : apollumi
( ten gronde richten , doden , verliezen ) .< ap- + ollumi < ol-numi
. Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr.
perdition . Ned. verderf , verdoemenis . Mc (1) : Mc
1,24 . Een vorm van apollumi : Mc (9 verzen , 10X) .
De confrontatie en de strijd tussen Jezus , vol van heilige geest , en de onreine
geest (ook demonen of duivels genoemd) is begonnen . De onreine geest weet dat
Jezus hen wil vernietigen . De confrontatie en strijd wordt wederzijds wanneer
in Mc 3,6
de farizeeën en de Herodianen besluiten om Jezus te vernietigen . In :
Mc 4,38
.richten de leerlingen zich tot Jezus met de vraag 'Raakt het je niet dat wij
vergaan' . En in Mc
11,18 zoeken de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus kunnen
vernietigen .
De levensbedreiding van Jezus begint reeds in Mc
1,14 , wanneer Johannes de Doper wordt overgeleverd . Jezus wijkt uit naar
Galilea , naar Kafarnaüm , aan het meer van Galilea , waar uitwijkmogelijkheden
zijn . Maar zelfs in de synagoge van Kafarnaüm is er tegenstand en is hij
niet volledig veilig .
Mc 1,24.15.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,24.16. hagios (heilig) . Heilig wordt in Mc in verband gebracht met Johannes de Doper ( Mc 6,20 ) , Jezus (Mc 1,24) , (de) geest ( 4 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 3,29 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 13,11 ) , engelen (Mc 13,11) . In de vier teksten met 'heilige geest' volgt het bijvoeglijk naamwoord hagios (heilig) op het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) .
| hagios (heilig) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. m. enk. hagios | 64 | 53 | 11 | 1 | 1 | 1 | 3 | 5 | 2 | 3 | ||
| Totaal | 892 | 684 | 208 | 8 | 7 | 19 | 4 | 50 | 100 | 20 | 34 | 37 |
| hagios (heilig) | Mt | Mc | Lc | syn. |
| nom. m. enk. hagios | 1 : Mc 1,24 . | 1 : Lc 4,34 . | 2 : (1) Mc 1,24 // Lc 4,34 . |
Mc 1,24.17.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,24.15. - 18. ho hagios tou theou (de heilige van God) . In twee verzen in het N.T. : Mc 1,24 // Lc 4,34 . De benaming werd gegeven aan de hogepriester Aäron (zie Ps 106,16) .
| Mc 1,25 - Mc 1,25 - 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] And Jesus rebuked him, saying, Hold thy peace, and
come out of him.
Luther-Bibel . 25 Und Jesus bedrohte ihn und sprach: Verstumme und fahre aus
von ihm!
Tekstuitleg van Mc 1,25 . Het vers Mc 1,25 telt 11 woorden en 54 (2 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 1,25 is 7149 (3 X 2383) .
Mc 1,25.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,25.2.
act. ind. aor. 3de pers. enk. epetimèsen (hij droeg op, hij beval) van
het werkw. epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen)
. Taalgebruik in het N.T. : epitimaô
(opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Mc. : epitimaô
(opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel epi (aan , bij,
op) wat het werkwoord versterkt . Wellicht omwille van het voorvoegsel volgt
op het werkwoord steeds een datief .
Mc (5) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
4,39 . (3) Mc
8,30 . (4) Mc
8,33 . (5) Mc
9,25 .
Mc 1,25.3.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
Mc 1,25.4.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,25.5.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,17 . (4) Mc
1,25 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
Mc 1,25.6. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .In Mc 1 in vijf verzen : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt .
Mc 1,25.7. passief imperat. 3de pers. enk. fimôthèti (dat hij de mond gensoerd worde) van het werkwoord fimoô (muilkorven, mond snoeren) . N.T. (2) : (1) Mc 1,25 . (2) Lc 4,35 .
Mc 1,25.8.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
9. imperat. aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Mc (3) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
5,8 . (3) Mc
9,25 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,29 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 . .
Mc 1,25.11. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
| Mc 1,26 - Mc 1,26 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 26 En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een
grote stem, ging uit van hem.
King James Bible . [26] And when the unclean spirit had torn him, and cried
with a loud voice, he came out of him.
Luther-Bibel . 26 Und der unreine Geist riss ihn und schrie laut und fuhr aus
von ihm.
Tekstuitleg van Mc 1,26 . Het vers Mc 1,26 telt 7 woorden en 28 (2 X 2 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 1,26 is 6344 (2 X 2 X 2 X 13 X 61) .
Mc 1,26.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,26.2.
sparassô
: door elkaar schudden, stuiptrekken , zie Mc
1,26 .
--- sparassei . Indicatief praesens derde persoon nominatief onzijdig enkelvoud
.
--- eparaxen (hij schudde dooreen) . Indicatief aorist derde persoon enkelvoud
. Da 8,7 .
Mc 1,26.4.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,26.5.
nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,26 . (4) Mc
3,29 . (5) Mc
3,30 . (6) Mc
5,8 . (7) Mc
7,25 . (8) Mc
9,17 . (9) Mc
9,20 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
13,11 . (12) Mc
14,38 .
Geest (zonder de bepaling heilig of onzuiver) : (1) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) . (2) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (3) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (4) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (5) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) .(6) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (7) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (8) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .
Mc 1,26.8.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,26.10.
fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè
(stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè
(Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari
. Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô
= schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè
of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc
1,3 (nom.) . (2) Mc
1,11 (nom.) . (3) Mc
1,26 (dat.) . (4) Mc
5,7 (dat.) . (5) Mc
9,7 (nom.) . (6) Mc
15,34 (dat.) .
Mc 1,26.12.
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw.
exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,29 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,26.14. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
| Mc 1,27 - Mc 1,27 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] And they were all amazed, insomuch that they questioned
among themselves, saying, What thing is this? what new doctrine is this? for
with authority commandeth he even the unclean spirits, and they do obey him.
Luther-Bibel . 27 Und sie entsetzten sich alle, sodass sie sich untereinander
befragten und sprachen: Was ist das? Eine neue Lehre in Vollmacht! Er gebietet
auch den unreinen Geistern und sie gehorchen ihm!
Tekstuitleg van Mc 1,27 . Dit vers Mc 1,27 telt 29 woorden en 152 (2 X 2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,27 is 17921 (priemgetal) .
Mc 1,27.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,27.2. pass. ind. aor. 3de pers. mv. ethambèthèsan van het werkw. thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Taalgebruik in het N.T. : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Taalgebruik in Mc : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Mc (1) Mc 1,27 . Een vorm van thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,32 . Dit werkw. werd niet door de andere evangelisten gebruikt . In 4 verzen gebruikt Mc het werkw. ekthambeomai (ontzet zijn) : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 14,33 . (3) Mc 16,5 . (4) Mc 16,6 .
3. nom. mann. mv. hapantes van het bijvoegl. naamw. hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in het N.T. : hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in Mc : hapas (ieder, allen, alles) . Mc (2) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 11,32 . Een vorm van hapas (ieder, allen, alles) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 8,25 . (3) Mc 11,32 . (4) Mc 16,15 .
5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
Voor het eerst in het Marcusevangelie komen we een reactie van de aanwezigen
op het optreden van Jezus tegen.
epitassô : opdragen, bevelen
| Mc 1,27 // Lc 4,36 | Lc 4,36 // Mc 1,27 | Mc 4,41 // Mt 8,27 // Lc 8,25 | Lc 8,25 // Mc 4,41 // Mt 8,27 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | |
| ethambijthijsan (waren verbaasd) | egeneto thambos (er was verbazing) | efobijthijsan fobon megan (zij werden door een grote vrees bevangen) | fobijthentes de ethaumasan (bevreesd echter waren zij verwonderd) |
| hapantes (allen) | epi pantas (over allen) | ||
| 27. hooste (zodat) | kai (en) | 41. kai (en) | |
| suzijtein | sunelaloun (spraken samen) | elegon (zeiden) | 25. legontes (zeggende) |
| autous (zij) | pros allijlous (tot elkaar) | pros allijlous (tot elkaar) | pros allijlous (tot elkaar) |
| legontas (zeggende) | legontes (zeggende) | ||
| ti (wat) | tis (wat) | tis (wie) | tis (wie) |
| estin (is) | |||
| touto (dit) | ho logos houtos (is dit woord - gebeuren | ara houtos estin (derhalve deze is) | ara houtos estin (derhalve deze is) |
| hoti en eksousiai en dunamei (omdat in macht en kracht | |||
| kai tois pneumasi tois akathartous (en aan de onreine geesten) | epitassei tois akathartois pneumasin (hij beveelt aan de onreine geesten) | hoti kai ho anemos kai hij thalassei | |
| epitassei (draagt hij op) | |||
| kai (en) | kai (en) | ||
| hupakousin (zij gehoorzamen) | ekserchontai (zij gaan uit) | hupakouei (gehoorzaamt) | |
| autooi (hem) | autooi (hem) | ||
| 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37 | 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37 | 142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // (Mt 8,23-27) // Lc 8,22-25 | 142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // (Mt 8,23-27) // Lc 8,22-25 |
hôste(zodat) + indicatief : om een feitelijk gevolg aan te duiden. Taalgebruik : hôste (zodat), zie Mc 1,27 .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. | 9. |
| Mc 1,27 | Mc 1,45 | Mc 2,2 | Mc 2,12 | Mc 2,28 | Mc 3,10 | Mc 4,1 | Mc 4,32 | Mc 4,37 |
| hôste (zodat) | hôste (zodat) | hôste (zodat) | hôste (zodat) | hôste (zodat) | hôste (zodat) | hôste (zodat) | ||
| mèketi (niet meer) | mèketi (niet meer) | |||||||
| auton dunasthai hij kon) | chôrein (komen) | mè dunasthai autous (zij niet konden) | ||||||
| fanerôs (openlijk) | mède ta pros tèn thuran (zelfs niet bij de deur) | mède arton fagein (zelfs geen brood eten) | ||||||
| suzètein pros heautous (zij redetwistten onder elkaar) | eis polin eiselthein (in de stad binnengaan) | |||||||
vergelijking van Mc 1,27 en Mc 4,41 met Lc 4,36
thambeô : verbaasd, ontsteld zijn. 3X in het marcusevangelie ; verder
niet in het N.T. . thambos : verstomming, verbazing, ontzetting, vrees ( Lc
4,36)
suzèteô = sunzèteô : samen zoeken
, overleggen, discussiëren
hôste(zodat) + indicatief
: om een feitelijk gevolg aan te duiden. Taalgebruik : hôste
(zodat), zie Mc
1,27 . In een gelijkaardige context gebruikt Mc 4,41 twee nevenschikkende
zinnen. Dat doet Lucas hier reeds. Lucas maakt van de ondergeschikte zin van
eventueel gevolg een nevenschikkende zin : kai (en) . In de infinitiefzin
van Marcus staat het onderwerp (autous = zij) in de accusatief; legontas
(zeggende) is een bijstelling bij autous (zij) en staat dus eveneens in de accusatief;
legontas = zeggende : leidt de directe vraag in. Lucas heeft
het werkwoord in het imperfectum staan. Het autous = zij (Marcus) , het onderwerp
van de infinitiefzin, kan bij Lucas wegvallen. Lucas gebruikt een werkwoord
eveneens samengesteld met sun : nl. sunlaleô : samen-praten . Legontes
= zeggende, bijstelling bij het onderwerp, leidt de directe vraag in.
Onder invloed van Jon 1,10 bestaat de reactie uit een geweldige vrees : efobèthèsan
fobon megan ( en zij werden bevreesd met een grote vrees).
| Mc 1,27 | Lc 4,36 | Mc 4,41 | |||
| kai (en) | kai (en) | eerste van de twee nevenschikkende zinnen, ingeleid door kai = en | kai (en) | ||
| ethambèthèsan (waren verbaasd) | egeneto thambos (er was verbazing) | efobèthèsan fobon megan (zij werden door een grote vrees bevangen) | |||
| hapantes (allen) | epi pantas (over allen) | ||||
| hôste + infinitief om het mogelijk gevolg aan te duiden | 27. hôste (zodat) | kai (en) | tweede van de twee nevenschikkende zinnen, ingeleid door kai = en | 41. kai (en) | |
| suzèteô = sun-zèteô | suzètein (zij samen zochten) | een werkwoord met de samenstelling met sun- samen | sunelaloun (spraken samen) | werkwoord, in de imperfectumvorm (O.V.T.) | elegon (zeiden) |
| onderwerp van de infinitiefzin in de accusatief | autous (zij) | pros allèlous (tot elkaar) | nadere bepaling bij het werkwoord (voorzetsel pros= tot + accusatief) | pros allèlous (tot elkaar) | |
| legontas (zeggende) | bijstelling bij het onderwerp; het leidt de directe vraagzin in. | legontes (zeggende) | |||
| 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 | 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 | 142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25 |
| Mc 1,27 // Lc 4,36 | Lc 4,36 // Mc 1,27 | Mc 4,41 // Mt 8,27 // Lc 8,25 | Lc 8,25 // Mc 4,41 // Mt 8,27 | ||
| hoofdzin; -vragend voornaamwoord | ti (wat) | tis (wat) | tis (wie) | de hoofdzin is overgenomen van Marcus; vragend voornaamwoord | tis (wie) |
| estin (is) | |||||
| touto (dit) | ho logos houtos (is dit woord - gebeuren | ara houtos estin (derhalve deze is) | vragende zin | ara houtos estin (derhalve deze is) | |
| ondergeschikte zin: tweevouding ; eerste zinvan reden | hoti en eksousiai en dunamei (omdat in macht en kracht | de ondergeschikte zin van reden komt in woordkeuze als woordvolgorde overeen met Mc 1,27 | hoti (omdat) | ||
| kai tois pneumasi tois akathartois (en aan de onreine geesten) | epitassei tois akathartois pneumasin (hij beveelt aan de onreine geesten) | hoti kai ho anemos kai hè thalassa | kai tois anemois (en aan de winden) | ||
| werkwoord in de O.T.T. | epitassei (draagt hij op) | epitassei kai tôi hudati (draagt hij op) | |||
| tweede zin; nevenschikkend, van de ondergeschikte zin van reden | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||
| werkwoord in de O.T.T. | hupakousin (zij gehoorzamen) | ekserchontai (zij gaan uit) | hupakouei (gehoorzaamt) | hupakousin (zij gehoorzamen) | |
| autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | |||
| 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37 | 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37 | 142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // (Mt 8,23-27) // Lc 8,22-25 | 142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // (Mt 8,23-27) // Lc 8,22-25 |
Mc 1,27.15. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .
Mc 1,27.16.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,27.17. tois . Bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud . Taalgebruik : bepaald lidwoord . Slechts in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,27 (2X) .
| lidw. mv. | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. |
| dat. m. + onz. mv. tois | 2715 | 2179 | 536 | 96 | 47 | 65 | 36 | 82 | 193 | 17 | 208 | 244 |
| bep. lidw. tois dat mann. + onz. mv. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 47 | 2 | 5 | 4 | 3 | 2 | 6 | 2 | 2 | 1 | 4 | 3 | 2 | 2 | 3 | 6 |
Mc 1,27.19. tois . Bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud . Taalgebruik : bepaald lidwoord . Slechts in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,27 .
| lidw. mv. | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. |
| dat. m. + onz. mv. tois | 2715 | 2179 | 536 | 96 | 47 | 65 | 36 | 82 | 193 | 17 | 208 | 244 |
| bep. lidw. tois dat mann. + onz. mv. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 47 | 2 | 5 | 4 | 3 | 2 | 6 | 2 | 2 | 1 | 4 | 3 | 2 | 2 | 3 | 6 |
Mc 1,27.22.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,27.24.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
| Mc 1,28 - Mc 1,28 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 28 En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende
land van Galilea.
King James Bible . [28] And immediately his fame spread abroad throughout all
the region round about Galilee.
Luther-Bibel . 28 Und die Kunde von ihm erscholl alsbald überall im ganzen
galiläischen Land.
Tekstuitleg van Mc
1,28 . Na de reactie van het volk op het optreden van Jezus volgt dat Jezus
meer bekend wordt doordat de mensen verder vertellen wat ze hebben meegemaakt
. Soms vraagt Jezus om te zwijgen . Reeds na het eerste optreden van Jezus in
de synagoge (Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23-28) is er sprake van de faam van Jezus : En het gerucht verspreidde
zich over heel de omgeving van Galilea (Mc
1,28) . Dit vers bereidt reeds Mc
1,32 voor waarin verteld wordt dat na de sabbat alle zieken naar Jezus worden
gebracht . Mensen hebben het dus doorverteld .
Mc 1,28
bestaat uit dertien woorden en achtentwintig lettergrepen . Volgorde van de
zinsdelen : nevenschikkend voegwoord , werkwoord in de aoristvorm , onderwerp
, bijwoord van tijd , bijwoord van plaats , plaatsbepaling .
| Mc 1,28 | kai exèlthen hè akoè autou euthus pantachou eis holèn tèn perichôron tès Galilaias (en 'nieuws' over hem ging terstond overal uit naar de omstreek van Galilea) . |
| Mt 4,24 | kai apèlthen hè akoè autou eis olèn tèn surian (en het 'nieuws' over hem ging weg naar heel Syrië) . |
| Mt 9,26 | kai exèlthen hè fèmè autè eis holèn tèn gèn ekeinèn (en deze faam ging uit naar heel dat land) . |
| Lc 4,14 | kai fèmè exèlthen kath olès tès perichôrou peri autou (en faam ging uit over heel de omstreek / om-geving rond hem) . |
| Lc 4,37 | kai exeporeueto èchos peri autou eis panta topon tès perichôrou (en weerklank over hem trok uit naar elke plaats van de omstreek / om-geving) . |
| Mc 1,28 // Lc 4,37 | Lc 4,37 // Mc 1,28 | Mc 1,45 // Lc 5,15 | Mt 9,31 | Lc 5,15 // Mc 1,45 | Lc 7,17 | Lc 7,17 (b) | Lc 4,14 | Mt 4,24 | Mt 28,11 |
| kai (en) | kai (en) | ho de ekselthoon ijrksato ... (hij echter zich verwijderd hebbende van hem begon hij...) | hoi de ekselthontes (zij echter zich verwijderd hebbende van hem) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |||
| eksijlthen (ging uit) | ekseporeueto (ging uit) | diafiujmizein (bekend maken) | diefijmijsan (maakten bekend) | diijrcheto de mallon (verspreidde zich echter meer) | eksijlthen (ging uit) | fijmij eksijlthen (faam ging uit) | apijlthen (verspreidde zich) | ||
| hij | auton (hem) | ho (het) | ho (het) | hij | |||||
| akoij (het gehoor - gerucht) | ijchos (weerklank) | ton logon (het gebeuren) | logos (woord) | logos houtos (dit woord - gebeuren) | akoij (het gehoor - gerucht) | ||||
| autou (over hem) | peri autou (over hem) | peri autou (over hem) | peri autou (over hem) | autou (over hem) | |||||
| euthus (onmiddellijk) | kai (en) | ||||||||
| pantachou (overal) | |||||||||
| eis (naar) | eis (naar | en (in) | en (in) | kath' (over) | eis (naar) | ||||
| holijn (geheel) | panta topon (elke plaats) | holiji (geheel) | holiji (geheel) | pasiji (geheel) | holijs (geheel) | holijn (geheel) | |||
| tijn perichooron (de omgeving) | tijs perichoorou (van de omgeving) | tiji giji ekeiniji (dat land) | tiji Ioudaiai (Judea) | tiji perichoorooi (de omgeving) | tijs perichoorou (de omgeving) | tijn Surian (Syrië) | |||
| tijs Galilaias (van Galilea) | |||||||||
| peri autou (over hem) | |||||||||
| 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37 | 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37 | 63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 // (Mt 8,2-4) // Lc 5,12-16 | 72. Genezing van twee blinden : Mt 9,27-31 // (Mc 10,46-52 // (Mt 20,29-34) // (Lc 18,35-43) | 63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 // (Mt 8,2-4) // Lc 5,12-16 | 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 | 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 | 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15 | 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 // Mt 4,23-25; 5,1-2 // Lc 4,31 |
ekselthoon (letterlijk: uitgegaan zijnde) : er is geen sprake van een plaats
waarbinnen hij is gegaan . Hij is dus niet uitgegaan ; hij heeft zich van Jezus
verwijderd .
diafijmizoo : bekend maken (zie fijmij : woord, mededeling, roem, faam)
Mc 1,28.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,28.2.
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,29 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,28.3. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc (76) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .
Mc 1,28.4.
nom. vr. enk. akoè (gerucht, gehoor) . Taalgebruik in het N.T. : akoè
(gerucht, gehoor) . Taalgebruik in Mc : akoè
(gerucht, gehoor) .
Mc (1) Mc
1,28 . Een vorm van akoè (gerucht, gehoor) in Mc in 3 verzen : (1)
Mc 1,28
. (2) Mc
7,35 . (3) Mc
13,7 .
Mc 1,28.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
Mc 1,28.6. euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,28.8. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,28.12.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder . Mc 1,29-31 - Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 -
| Jezus en de leerlingen | de schoonmoeder van Simon | de leerlingen | Jezus | de koorts | de schoonmoeder van Simon |
| Mc 1,29 | Mc 1,30 | Mc 1,30 | Mc 1,31 | Mc 1,31 | Mc 1,31 |
| kai (en) : begin van de zin en van het vers + 2X kai (en) bij zinsdelen | de (echter) : tweede woord in de zin | kai (en) bij het begin van de zin | kai (en) bij het begin van de zin en van het vers | kai (en) bij het begin van de zin | kai (en) bij het begin van de zin |
Zes nevenschikkende zinnen , waarvan vijf beginnen met kai (en) en één met de (echter) ; zes scènes , vierenveertig woorden , zesennegentig lettergrepen .
Na het verhaal van het handelen van Jezus in woord en daad in de synagoge , volgt een verhaal van een genezing door Jezus buiten de synagoge . In de synagoge wordt een man van een onreine geest bevrijd , in het huis van de schoonmoeder van Simon wordt een vrouw van koorts bevrijd .
Een wonderverhaal kent een bepaald schema . Eerst wordt de zieke in beeld gebracht . Dan doet de zieke of de omgeving van de zieke een beroep op hulp . De hulpverlener (genezer) stelt soms bepaalde voorwaarden . De hulpverlener spreekt bepaalde woorden uit of stelt bepaalde handelingen . De zieke wordt genezen . Vaak volgt hierop een reactie van de omstaanders .
| Mc 1,29 - Mc 1,29 - 58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 -- Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 -- Mt 8,14 -- Lc 4,38 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 29 En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen
zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.
King James Bible . And forthwith, when they were come out of the synagogue,
they entered into the house of Simon and Andrew, with James and John.
Luther-Bibel . 29 Und alsbald gingen sie aus der Synagoge und kamen in das Haus
des Simon und Andreas mit Jakobus und Johannes.
Tekstuiitleg van Mc
1,29 . Dit vers Mc
1,29 telt 17 woorden , 36 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) lettergrepen en 88 (2 X 2
X 2 X 11) letters . De getalwaarde van Mc
1,29 is 10375 (5 X 5 X 5 X 83) .
Onze tekst begint met het koppelwoordje "en" (Grieks : kai) . In verhaalvorm
wordt - ook bij ons - het koppelwoordje "en" gebruikt : en... en... en... Dit
woordje breit dan het verhaal aan elkaar . Dat zien we bijvoorbeeld in Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23-28 . Daar wordt dat woordje wel meer dan tienmaal gebruikt in het verhaal
.
Dit koppelwoordje zou niet zoveel betekenis hebben indien het niet gevolgd was
door een ander woordje nl. "terstond , onmiddellijk , direct , rechtstreeks"
(Grieks : euthus) . Zoals we in de tabel zien , combineert Marcus wel meer het
koppelwoordje "en" en de versterking ervan . Deze woordencombinatie kan een
koppeling geven tussen een voorgaande en een volgende zin of tussen het ene
verhaal en het volgende verhaal . Door zo'n koppeling horen de zinnen of de
verhalen dan bij elkaar .
In ons geval staat "en terstond" aan het begin van het verhaal .
Het komt wel vaker bij Marcus voor dat "en terstond" deel uitmaakt van een deelzin
en dat het deelwoord volgt op "en terstond" . In de tabel kan je dat bekijken
.
Nu kunnen we er niet meer onderuit om ons vers in relatie te brengen tot het
vorige verhaal (Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23-28) en tot het begin van dat verhaal (Mc
1,21) . Beide verhalen sluiten op elkaar aan . Het verhaal van Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23-28 speelt zich af in de synagoge , het volgende verhaal buiten de synagoge
(Mc 1,29
en volgende) .
In Mc
1,21 lezen we : "en terstond op sabbat binnengegaan in de synagoge" .
in Mc
1,29 lezen we : "en terstond uit de synagoge uitgegaan" .
Dat in Mc
1,21 het deelwoord in het enkelvoud en in Mc
1,29 in het meervoud staat , heeft te maken met het hoofdwerkwoord
.
Mc 1,29.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,29.2.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) .
Mc (40) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . Voor de 8ste maal gebruikt Marcus euthus . Het is de 4de maal dat
het bij een participium aorist staat .
In Mc 1 komt in elf verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere
hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het een onmiddellijke
reactie aan . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig
opgebouwd .
In Mc 1 staat in negen verzen kai euthus (niet in : (7) Mc
1,28 . (11) Mc
1,43) . In deze negen verzen staat kai euthus (en...) bij het begin van
de zin en soms bij het begin van een pericope . In zeven verzen volgt onmiddellijk
een werkwoordvorm (participium of hoofdwerkwoord) ; niet in : (2) Mc
1,12 . (5) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 .
Mc 1,29.3.
ek (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek
(uit) . Taalgebruik in Mc : ek
(uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,11 . (3) Mc
1,29 .
ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 .
Mc 1,29.4.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
Mc 1,29.5.
gen. vr. enk. sunagôgès (uit de synagoge) van het zelfst. naamw.
sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè
(synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè
(synagoge) . Mc (1) : Mc
1,29 .
Een vorm van sunagôgè (synagoge) in Mc 1 (4) : (1) Mc
1,21 (acc. sunagôgèn) . (2) (1) Mc
1,23 (dat. sunagôgè(i) . (3) Mc
1,29 (gen. sunagôgès) . (1) Mc
1,39 (acc. sunagôgas) .
Mc 1,29.3.
- 5.
- Mc 1,21
: eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) .
- Mc 1,23
: en tè(i) sunagôgè(i) (in de synagoge) .
- Mc 1,29
: ek tès sunagôgès (uit de synagoge) .
Mc 1,29.6.
part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Mc (5) : (1) Mc
1,29 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
6,12 . (4) Mc
9,30 . (5) Mc
16,20 . In Mc
1,29 gaan Jezus en zijn leerlingen uit de synagoge . Ze gaan naar het huis
van de schoonmoeder van Simon die ziek is . Jezus geneest haar . In Mc
3,6 gaan de Farizeeën uit de synagoge en geven ze met de Herodianen
het raadsbesluit om Jezus om te brengen .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,29 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
exelthontes ekèruxan (uitgegaan verkondigden zij) . Mc (2) : (1) Mc
6,12 . (2) Mc
16,20 . In beide gevallen gaat het om de uitvoering van de zendingsopdracht
van Jezus aan zijn leerlingen . Jezus zelf had die opdracht : Mc
1,38 : opdat ik daar zou verkondigen , want daarvoor ben ik uitgegaan .
De eerste die doet wat Jezus doet , is de genezen melaatse in Mc
1,45 : hij echter uitgegaan begon te verkondigen .
eiselthôn eis tèn sunagôgèn (de synagoge binnengegaan)
(Mc 1,21)
linkt aan ek tès sunagôgès exelthontes (de synagoge uitgegaan)
(Mc 1,29)
. Chiastische structuur. Mc 1,21b-28 speelt zich af in de synagoge .
Mc 1,29.7.
ind. aor. 1ste pers. enk. of 3de pers. mv. èlthon (ik ging of zij gingen)
van het werkw. erchomai (gaan) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc
2,17) , in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud .
In 9 verzen bij Marcus : (1) Mc
1,29 . (2) Mc
5,1 . (3) Mc
6,53 . (4) Mc
9,33 . (5) Mc
14,16 . ('6') Mc
2,17 ; ('7') Mc
3,8 . ('8') Mc
5,14 . ('9') Mc
6,29 .
Wie is onderwerp van het hoofdwerkwoord in Mc
1,29 ? Vanuit Mc
1,21 zouden we de indruk kunnen hebben dat alleen Jezus naar de synagoge
ging , omdat daar de deelzin (en terstond op sabbat binnengegaan in de synagoge
onderwees hij... ) in het enkelvoud staat . Maar vanuit Mc
1,29 wordt verondersteld dat ook Simon , Andreas , Jakobus en Johannes in
de synagoge aanwezig waren . Deze vier en Jezus vormen een groep van vijf personen
. Deze groep kwam als groep naar voren in Mc
1,21 (en zij gaan naar Kafarnaüm) nadat Jezus vier personen bij het
meer van Galilea had geroepen (Mc
1,16-20) .
Deze groep van vijf personen verlieten de synagoge . Ze gingen naar het huis
van Simon en Andreas , samen met Jakobus en Johannes . Zoals in Mc
1,16-20 duiken hier opnieuw de twee paren broers op : het eerste paar is
Simon en Andreas . Het tweede paar is Jakobus en Johannes .
Het gemeenschappelijk kenmerk van deze groep van vijf personen is dat ze zich
verplaatsen ; in Mc
1,21 gaan ze naar Kafarnaüm , in Mc
1,29 verlaten ze de synagoge en gaan ze naar het huis van... Het zijn plaatsveranderingen
.
Mc 1,29.8.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D.
nach .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,29.7.
- 8. In 5 verzen gaan Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats : èlthon
(zij gingen) + eis (naar : voorzetsel van plaats) + plaatsbepaling .
(1) Mc
1,29 (èlthon eis tèn oikian... = zij gingen naar het huis
van de schoonmoeder van Simon) .
(2) Mc
5,1 (kai èlthon eis to peran tès thalassès = zij gingen
naar de overzijde van het meer) .
(3) Mc
6,53 (èlthon eis Gennèsaret = zij gingen naar Gennesaret)
.
(4) Mc
9,33 (kai èlthon eis Kafarnaoum = zij gingen naar Kafarnaüm)
.
(5) Mc
14,16 (kai èlthon eis tèn polin = zij gingen naar de stad)
.
Mc 1,29.9.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,29.10.
acc. vr. enk. oikian (huis) van het zelfst. naamw. oikian (huis) . Taalgebruik
in het N.T. : oikia
(huis) . Taalgebruik in Mc : oikia
(huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere
: blijven , verblijven ) .
Een vorm van oikia (huis) en oikos (huis) in Mc 1 (1) : Mc
1,29 (acc. eis tèn oikian = in het huis) .
Mc 1,29.8. - 10. - eis tèn oikian (naar het huis...) . Oikian (huis). Accusatief enkelvoud. Het komt in 7 verzen nij Marcus voor. eis tèn oikian (naar het huis)komt 3X voor : (1) Mc 1,29 . (naar het huis gaan) (2) Mc 3,27 (binnengegaan in het huis) . (3) Mc 10,10 . eis oikian (naar een huis) komt 2X voor: (4) Mc 6,10 (indien je in een huis zoudt binnengaan). (5) Mc 7,24 (binnengegaan in een huis) .
Mc 1,29.11.
gen. mann. enk. Simônos van het zelfst. naamw. Simôn (Simon) . Taalgebruik
in het N.T. : Simôn
(Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn
(Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de
zeloot : Mc
3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc
14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mc
15,21 .
Een vorm van Simôn 'Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc
1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc
1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc
1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc
1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc
1,36 (nom. Simon) .
Mc 1,29.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
13. acc. mann. enk. andrean (Andreas) . Taalgebruik in het N.T. : andreas
(Andreas) . Taalgebruik in Mc : andreas
(Andreas) .
Mc (1) : Mc
13,3 . Een vorm van andreas (Andreas) in 4 verzen in Mc . In het kwartet
van Mc
13,3 komt hij op de 4de plaats . Zo komt hij ook op de vierde plaats in
het verhaal van de roeping van de twaalf (Mc
3,18) . Dit is telkens het geval wanneer zijn broer Simon de naam Petrus
draagt . Hij heeft dus zijn plaats moeten afstaan aan Jakobus en Johannes .
In Mc
1,16 en Mc
1,29 wordt hij op de tweede plaats na zijn broer Simon vermeld.
Mc 1,29.14.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc
1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc
1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc
1,29 (meta + gen. : met) .
15.
Mc 1,29.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . .
17. gen. mann. enk. iôannou (Johannes) van de eigennaam Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Mc (2) : (1) Mc
1,29 . (2) Mc
10,41 .
| Mc 1,30 - Mc 1,30 - 58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 -- Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 -- Mt 8,14 -- Lc 4,38 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond
zeiden zij Hem van haar.
King James Bible . But Simon's wife's mother lay sick of a fever, and anon they
tell him of her.
Luther-Bibel . 30 Und die Schwiegermutter Simons lag darnieder und hatte das
Fieber; und alsbald sagten sie ihm von ihr.
Tekstuitleg van Mc 1,30 . Dit vers Mc 1,30 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 67 letters . De getalwaarde van Mc 1,30 is 8857 (17 X 521) .
Mc 1,30.1.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,30 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,42 .
Mc 1,30.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie
in de zin aan te duiden .
In vijf verzen in Mc
1 : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 .
Mc 1,30.1. - 2. hè de . In drieënvijftig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Marcus :
Mc 1,30.3.
penthera (schoonmoeder) . penthera (schoonmoeder)
. Taalgebruik : penthera
(schoonmoeder) , zie Mc
1,30 . Nominatief vrouwelijk enkelvoud . Het komt in zeven verzen in de
bijbel voor (in vier verzen in het boek Ruth) . In vier verzen in het O.T. .
In drie verzen in het N.T. : (1) Mc
1,30 . (2) Lc
4,38 . (3) Lc
12,53
--- pentheran. In 7 verzen in de bijbel; in 5 verzen in het O.T., in 2 verzen
in het N.T. : (1) Mt
8,14 . (2) Lc
12,53 .
--- pentheras : genitief enkelvoud of accusatief meervoud. In 4 verzen in de
bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 1 vers in het N.T. nl. Mt
10,35 .
Mc 1,30.4.
gen. mann. enk. Simônos van het zelfst. naamw. Simôn (Simon) . Taalgebruik
in het N.T. : Simôn
(Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn
(Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de
zeloot : Mc
3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc
14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mc
15,21 .
Een vorm van Simôn (Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc
1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc
1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc
1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc
1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc
1,36 (nom. Simon) .
Mc 1,30.5.
ind. imperf. 3de pers. mann. + vr. enk. katekeito (hij / zij lag neer) van het
werkw. katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het N.T. : katakeimai
(neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai
(neerliggen) .
Mc (2) : (1) Mc
1,30 . (2) Mc
2,4 . In Mc
1,30 ligt de schoonmoeder van Simon met koorts te bed . Het is tijdelijk
, omdat ze koorts heeft . In Mc
2,4 ligt een lamme op het bed . Deze situatie van op het bedneerliggen is
permament omdat hij lam is . Beide genezingsverhalen hebben plaats in een huis
in Kafarnaüm .
STAP VOOR STAP ! Een vorm van katakeimai (neerliggen) in Mc (4) : (1) Mc
1,30 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
14,3 .
Mc 1,30.6. act. part. praes. nom. vr. enk. puressousa van het werkw. puressô (koorts hebben) . pur (vuur) . Taalgebruik in het N.T. : puressô (koorts hebben) . Taalgebruik in Mc : puressô (koorts hebben) . Mc (1) : Mc 1,30 .
Mc 1,30.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,30.8.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken)
.
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding
tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op
een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers
zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er
lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,30.10.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
12. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .
| Mc 1,31 - Mc 1,31 - 58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 -- Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 31 En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte ze
op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
King James Bible . And he came and took her by the hand, and lifted her up;
and immediately the fever left her, and she ministered unto them.
Luther-Bibel . 31 Da trat er zu ihr, fasste sie bei der Hand und richtete sie
auf; und das Fieber verließ sie und sie diente ihnen.
Tekstanalyse van Mc 1,31 . Dit vers Mc 1,31 telt 17 woorden en 91 letters . De getalwaarde van Mc 1,31 is 10754 (2 X 19 X 253) .
Mc 1,31.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,31.2.
part. aor. nom. mann. enk. proselthôn (naderbijgekomen) van het werkw.
proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in het N.T. : proserchomai
(naderbijkomen) . Taalgebruik in Mc : proserchomai
(naderbijkomen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
12,28 . (3) Mc
14,45 .
Mc 1,31.3.
actief imperfectum derde persoon enkelvoud ègeiren (hij wekte op) . Taalgebruik
in het N.T. : egeirô
(wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô
(wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat.
vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere
( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super
= op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen
. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr.
résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug
, snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven
.
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken .
In twee verzen bij Marcus : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
9,27 .
Mc 1,31.4.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (14) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
4,30 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,26 . (5) Mc
6,28 . (6) Mc
8,35 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,11 . (9) Mc
10,15 . (10) Mc
11,2 . (11) Mc
11,13 . (12) Mc
12,21 . (13) Mc
12,23 . (14) Mc
14,6 .
Mc 1,31.5. kratèsas (vastgenomen) . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud van het werkw. krateô (vastnemen, bemachtigen) + genitief . Taalgebruik in het N.T. : krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in Mc : krateô (vastnemen, bemachtigen) . Hebr. châzaq (sterk, vast zijn , overweldigen vasthouden) . Gr. krateô -> kratos (kracht , sterkte , macht) . Lat. tenere (houden , vasthouden) . Fr. arrêter (arresteren) < ad - re- stare : bij - blijven , bij - terug - staan . Mc (3) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 . In deze drie verzen is kratèsas (vastgenomen) gecombineerd met tès cheiras (de hand) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 .
Mc 1,31.6.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
Mc 1,31.7.
gen. vr. enk. cheiros van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het
N.T. : cheir
(hand) . Taalgebruik in Mc : cheir
(hand) .
Mc (4) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
5,41 . (3) Mc
8,23 . (4) Mc
9,27 .
Mc 1,31.5. - 7. kratèsas tès cheiros (vastgenomen zijn hand) in Mc (3) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 .
Mc 1,31.1.
- 7.
- Mc 1,31
: kai proselthôn ègeiren autèn kratèsas tès
cheiros (en naderbijgekomen wekte hij haar op , nadat hij de hand had vastgenomen)
.
- Mc 9,27
: ho de ièsous kratèsas tès cheiros autou ègeiren
auton (Jezus echter , zijn hand vastgenomen , wekte hem op) .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,31.11.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,31.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . In Mc 1,29-31 komt 7X kai (en) en 1X de (echter) voor . De versindeler heeft de perikope in 3 verzen ingedeeld . Er zijn evenwel 6 hoofdzinnen , waarvan 5 met kai (en) beginnen en 1 de (echter) bevat . Kai (en) koppelt de leerlingen twee aan twee (Simon en Adreas , Jakobus en Johannes) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,31.15.
voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,17 . (2) Mc
1,31 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,44 .
- puretos (koorts). Taalgebruik : - puretos (koorts), zie Mc 1,31 . Het komt slechts in 3 verzen in de bijbel voor : (1) Mt 8,15 . (2) Mc 1,31 . (3) Joh 4,52 .
59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 -Bij de bespreking van Mc 1,21 hebben we het geheel van Mc 1,14-39 bekeken . Ik raad je aan de tekst aldaar te lezen en zo een zicht op dit geheel te krijgen .
Een tekst heeft een bepaald ritme . Uit een zekere nieuwsgierigheid tellen we het aantal woorden en lettergrepen en laten de resultaten op ons afkomen . Aantal woorden . Mc 1,32 : 7 + 7 + 3 = 17 . Mc 1,33 : 9 . Mc 1,34 : 7 + 4 + 9 = 20 . Totaal : 17 + 9 + 20 = 46 . Aantal lettergrepen . Mc 1,32 : 17 + 14 + 8 = 39 . Mc 1,33 : 17. Mc 1,34 : 18 + 11 + 19 = 48 . Totaal : 39 + 17 + 48 = 106 .
Wat kan de versindeling van Mc 1,32-34 bepaald hebben ? Wellicht de verandering van personage . In Mc 1,32 zijn het de bewoners van Kafarnaüm , in Mc 1,33 de hele stad , in Mc 1,34 Jezus . In Mc 1,32 staat het partikel de (echter) , in Mc 1,33 en Mc 1,34 begint de zin met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Mc 1,34 bestaat uit 3 nevenschikkende zinnen , die elk met het nevenschikkend voegwoord kai (en) beginnen , en in deze zinnen is het onderwerp telkens hij (Jezus) .
Vanuit de kontekst van Mc 1,32-34 moet heel wat nader bepaald worden in vers 32 . Zo wordt het onderwerp van eferon (zij droegen) verondersteld ; uit de context vullen we dan in dat het bewoners van Kafarnaüm zijn . Bij auton (hem) van de bepaling pros auton (naar hem) wordt verondersteld dat het Jezus is . Het lijdend voorwerp bestaat uit een dubbele groep : degenen die er slecht aan toe waren en de duivelbezetenen ; deze dubbele groep wordt voorafgegaan door pantas (alle) en slaat op beide groepen .
Voor het eerst in het Marcusevangelie worden zieken naar Jezus gebracht . Het is begrijpelijk dat het niet gebeurt op sabbat . Tot nu toe heeft het optreden van Jezus zich beperkt tot de sabbat . Maar de sabbat heeft niet de verhoopte genezing en bevrijding gebracht . Daarom gingen de mensen met hun zieken en bezetenen naar Jezus die hen genas en de duivels uitdreef .
Deze pericope ligt dus in het verlengde van Mc
1,23-28 en Mc
1,29-31 . Mc
1,32-34 is een summarium (samenvatting) . De korte pericope bestaat uit
drie delen :
Mc 1,32
: het aanbrengen van de dubbelvoudige soort zieken ;
Mc 1,33
: het samenstromen van de stad bij de deur ;
Mc 1,34
: de dubbele genezingsactiviteit van Jezus .
| Mc 1,32 - Mc 1,32 - 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . And at even, when the sun did set, they brought unto him
all that were diseased, and them that were possessed with devils.
Luther-Bibel . 32 Am Abend aber, als die Sonne untergegangen war, brachten sie
zu ihm alle Kranken und Besessenen.
Tekstanalyse van Mc 1,32 . Dit vers Mc 1,32 telt 17 woorden en 87 letters . De getalwaarde van Mc 1,32 is 10491 (3 X 13 X 269) . Losse genitief van tijd , bijzin van tijd , hoofdzin (hoofdwerkwoord , voorzetsel pros /naar + accusatief , lijdend voorwerp) .
1. opsias ('s avonds) . Taalgebruik in het N.T. : opsia
(avond) . Taalgebruik in Mc : opsia
(avond) . D. Abend . E. evening . Lat. ad vesperas . Gr. hespera . Lat.
serus (serenade) . Fr. soir . Bij de joden begint de nieuwe dag met het vallen
van de avond , na zonsondergang .
Mc (6) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,35 . (3) Mc
6,47 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
14,17 . (6) Mc
15,42 . De eerste zonsondergang heeft plaats na de sabbat , bij het begin
van de eerste dag . De laatste zonsondergang heeft plaats op het einde van de
zesde dag . De avond van Mc
14,17 is misschien het einde van de vijfde dag of het begin van de zesde
dag .
Pas na zonsondergang (opsias de genomenès , hote edusen ho hèlios
: toen het echter avond was geworden , toen was ondergegaan de zon) of korter
en krachtiger ('s avonds , na zonsondergang) kwamen de bewoners van Kafarnaüm
met hun zieken en duivelbezetenen naar Jezus . Het is alsof ze gewacht hebben
tot zonsondergang om tot deze actie over te gaan . Het suggereert dat het een
ongeoorloofde activiteit tijdens de sabbat zou geweest zijn en dat wie het zou
gedaan hebben , de voorschriften van de sabbat zou hebben overtreden . Tijdens
de sabbat waren er mensen ziek en bezeten . Pas op de eerste dag van de week
kunnen ze genezen en bevrijd worden door Jezus .
2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie
in de zin aan te duiden .
Mc 1 (5) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 .
Mc 1,32.3.
participium aorist gen. vr. enk. genomenès (geworden) van het werkw.
ginomai (gebeuren, worden) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) . Losse genitief . participium aorist gen. vr. enk.
Mc (9) : 5 : opsias... genomenès (nadat het avond was geworden) (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,35 . (3) Mc
6,47 . (4) Mc
14,17 . (5) Mc
15,42 . + 4 : (1) Mc
4,17 . (2) Mc
6,21 . (3) Mc
6,35 . (4) Mc
15,33 .
Mc 1,32.1.
- 2. kai opsias (en 's avonds) . In twee verzen in de bijbel en in het N.T.
: (1) Mc
6,47 . (2) Mc
14,17 .
- opsias de ('s avonds echter) . Mc (1) : Mc
1,32 .
1. - 3. tijdsaanduiding in Mc .
| 1. | 3. | 6.. | ||||||
| Mc 1,21 | Mc 6,2 | Mc 16,2 | Mc 1,32 | Mc 6,35 | Mc 6,47 | Mc 15,42 | Mc 1,35 | Mc 16,2 |
| kai genomenou (en) | kai diagenomenou (en) | opsias ('s avonds) | kai èdè hôras pollès (en al laat) | kai opsias (en 's avonds) | kai èdè opsias (en al 's avonds) | kai prôi ennucha lian (en vroeg, diep in de na cht) | kai lian prôi (en zeer vroeg) | |
| tois sabbasin (op sabbatdagen) | sabbatou (op sabbat) | tou sabbatou (na de sabbat) | de genomenès (echter), | genomenès | genomenès | genomenès | en tèi miai tôn sabbatôn (op de eerste van de weken) | |
| hote edusen ho hèlios (na zonsondergang) | anateilantos tou hèliou (na zonsopgang) | |||||||
| 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 . | 145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 . | 151. Eerste broodvermenigvuldiging : Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a | 152. Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 | 349. Begrafenis van Jezus - Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - | 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 |
Tijdens de sabbat waren er mensen ziek en bezeten . Pas op de eerste dag van
de week kunnen ze genezen en bevrijd worden door Jezus .
Mc 16,1
vertoont gelijkenis met Mc
1,32 vermits het in beide gevallen gaat om het einde van de sabbat . In
Mc 16,1
gaan vrouwen welruikende oliën kopen om het lichaam van Jezus te balsemen
. Ze willen hem behouden voor bederf en de gevolgen ervan . In Mc
1,32-34 worden zieken aangebracht om genezen te worden .
Mc 1,32.4. hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 . hote edusen ho hèlios : nadat de zonneschijn was gedoofd (hetzelfde aantal lettergrepen als de Griekse tekst) = toen de zon was ondergegaan = na zonsondergang .
Mc 1,32.6.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,32.7.
nom. mann. enk. hèlios (zon) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios
(zon) . Taalgebruik in Lc : hèlios
(zon) .
Mc (3) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,6 . (3) Mc
13,24 . Een vorm van hèlios (zon) in Mc in 4 verzen : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,6 . (3) Mc
13,24 . (4) Mc
16,2 .
(1) Mc
1,32 : hote edusen ho hèlios (toen de zon was ondergegaan) . Na zonsondergang
na de eerste sabbatdag van Jezus'optreden .
(2) Mc 4,6
: kai hote aneteilen ho hèlios : en toen de zon was opgegaan = na zonsopgang
. Deze zin komt voor in de parabel van de zaaier .
(3) Mc
13,24 : ho hèlios skotisthèsetai (de zon zal verduisterd worden)
.
(4) Mc
16,2 : anateilantos tou hèliou (nadat de zon was opgegaan) .
12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,32 .
Mc 1,32.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .
ferô (dragen, brengen)
. Taalgebruik : ferô
(dragen, brengen) , zie Mc
1,32 .
--- eferon pros auton (zij brachten naar hem) imperfectum (onvoltooid
verleden tijd) van het werkwoord ferô : dragen, brengen. In 17 verzen
in de bijbel; in 13 verzen in het O.T., in 4 verzen in het N.T. In de evangelies
slechts in Mc
1,32 .
--- ferontes (dragende). In 12 verzen in de bijbel; in 8 verzen
in het O.T., in 4 verzen in het N.T. In deze vorm is het slechts hier dat we
het in het marcusevangelie tegenkomen.
--- ferousin (zij brengen) indicatief presens (tegenwoordige
tijd) . In 9 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 6 verzen in het
N.T. Het komt bij Marcus in 4 verzen voor. In Mc
7,31 is er eerst een overgangsvers en dan brengen ze een doofstomme bij
Jezus (kai ferousin autôi : en zij brengen naar hem) (Mc
7,32 ). In Mc
8,22 heeft een plaatsverandering plaats en dan volgt dat ze een blinde naar
Jezus brengen (kai ferousin autôi : zij brengen naar hem). Mc
11,7 : kai ferousin ton pôlon pros ton Ièsoun (en zij brengen
de ezel bij Jezus) . Mc
15,22 : kai ferousin auton epi ton Golgothan topon (en zij brengen hem naar
de Golgothaplaats).
Een gelijkaardige situatie als Mc
1,32 treffen we aan in Mc 2,1-3. Jezus is in een huis in Kafarnaüm.
Er stroomt zoveel volk samen dat men niet meer bij de deur kan. Opnieuw zijn
er mensen die een zieke aanbrengen nl. een lamme. Vermits Jezus de zieken in
Mc 1,32-34 heeft genezen mogen we verwachten dat hij ook in Mc 2,1-12 de lamme
zal genezen.
ferô (dragen, brengen)
. Taalgebruik : ferô
(dragen, brengen) , zie Mc
1,32 .
--- eferon pros auton (zij brachten naar hem) imperfectum (onvoltooid
verleden tijd) van het werkwoord ferô : dragen, brengen. In 17 verzen
in de bijbel; in 13 verzen in het O.T., in 4 verzen in het N.T. In de evangelies
slechts in Mc
1,32 .
--- ferontes (dragende). In 12 verzen in de bijbel; in 8 verzen
in het O.T., in 4 verzen in het N.T. In deze vorm is het slechts hier dat we
het in het marcusevangelie tegenkomen.
--- ferousin (zij brengen) indicatief presens (tegenwoordige
tijd) . In 9 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 6 verzen in het
N.T. Het komt bij Marcus in 4 verzen voor. In Mc
7,31 is er eerst een overgangsvers en dan brengen ze een doofstomme bij
Jezus (kai ferousin autôi : en zij brengen naar hem) (Mc
7,32 ). In Mc
8,22 heeft een plaatsverandering plaats en dan volgt dat ze een blinde naar
Jezus brengen (kai ferousin autôi : zij brengen naar hem). Mc
11,7 : kai ferousin ton pôlon pros ton Ièsoun (en zij brengen
de ezel bij Jezus) . Mc
15,22 : kai ferousin auton epi ton Golgothan topon (en zij brengen hem naar
de Golgothaplaats).
Een gelijkaardige situatie als Mc
1,32 treffen we aan in Mc 2,1-3. Jezus is in een huis in Kafarnaüm.
Er stroomt zoveel volk samen dat men niet meer bij de deur kan. Opnieuw zijn
er mensen die een zieke aanbrengen nl. een lamme. Vermits Jezus de zieken in
Mc 1,32-34 heeft genezen mogen we verwachten dat hij ook in Mc 2,1-12 de lamme
zal genezen.
Mc 1,32.9. - 10. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
| - Mc 1,33 - Mc 1,33 -- 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] And all the city was gathered together at the door.
Luther-Bibel . 33 Und die ganze Stadt war versammelt vor der Tür.
Tekstuitleg van Mc 1,33 . Dit vers Mc 1,33 telt 9 (3 X 3) woorden, 17 lettergrepen en 38 (2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,33 is 2822 (2 X 17 X 83) . De hele stad stroomt samen .
Mc 1,33.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,33.2.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,33.3. nom. vr. enk. holè (heel) . Taalgebruik in het N.T. : holos (heel) . Taalgebruik in Mc : holos (heel) . Deze vorm in het N.T. slechts in Mc 1,33 . Een vorm van holos (heel) in Mc 1 (3) : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 1,33 . (3) Mc 1,39 .
Mc 1,33.4. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .
Mc 1,33.6.
nom. vr. enk. polis (stad) . Taalgebruik in het N.T. : polis
(stad) . Taalgebruik in Mc : polis
(stad) .
In Mc slechts in Mc
1,33 . Een vorm van polis (stad) in Mc in 8 verzen : (1) Mc
1,33 . (2) Mc
1,45 . (3) Mc
5,14 . (4) Mc
6,33 . (5) Mc
6,56 . (6) Mc
11,19 . (7) Mc
14,13 . (8) Mc
14,16 .
Mc 1,33.4. - 6. holè hè polis (de hele stad) : (1) Mc 1,33 . Tot nu toe had Jezus de synagoge bezocht en was hij in het huis van de schoonmoeder van Simon . Nu stroomt de hele stad samen bij de deur van het huis van Simon . De kring verbreedt zich .
Mc 1,33.9. acc. vr. enk. thuran . Taalgebruik in het N.T. : thura (deur) . Taalgebruik in Mc : thura (deur) . Lat. ianua (de god Janus had twee gezichten : vooraan , achteraan , zie de maand januari) . Fr. porte < Lat. pota cfr. fores ( buiten ) . Mc (4) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 15,46 . (1) Mc 1,33 (episunègmenè pros tèn thuran = zich bijeenverzameld bij de deur) . (2) Mc 2,2 (pros tèn thuran = zelfs niet bij de deur konden komen). (3) Mc 11,4 (gebonden bij de deur) . (4) Mc 15,46 (prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mnèmeiou (hij rolde de steen naartoe naar de deur van het gedenkteken) . Het is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd . Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn bij een graf . Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten .
Mc 1,33.7.
- 9. pros tèn thuran (bij de deur) . Mc (3) : (1) Mc
1,33 . (2) Mc
2,2 . (3) Mc
11,4 .
Er zijn plotseling verbanden die voorheen niet werden gezien . Om water te putten
moet Jakob de steen wegrollen . Om water te putten , moet hij een 'emmer' naar
beneden laten om water te putten . In Mt
28,2 is de gelijkenis met Gn 29,10 overduidelijk . Als we de twee verhalen
naast elkaar leggen , dan zou het kunnen dat de deur van het gedenkteken niet
aan de zijkant , maar bovenaan is en dat de steen boven het graf wordt bij-
en weggerold . Dan gaat men ook niet langszij het graf binnen , maar van boven
via b.v. trapjes naar beneden . In het verhaal van de lamme laten vier mannen
de draagberrie met de man naar beneden zakken voor de voeten van Jezus . Het
roept het beeld op van een begrafenis , waarbij vier mannen de doodskist in
de kuil van de aarde (uitgegraven) neerlaten . In het verhaal van de schoonmoeder
van Petrus lag de schoonmoeder met koorts te bed . Het geeft een beeld van een
dode die ligt . Jezus wekt haar op . Het huis waarin eerst ziekte en dood was
, wordt een huis van leven . De mensen brengen al hun zieken naar het huis van
de levende . Het is zoals het lied verwoordt : Midden in de dood zijn wij in
het leven .
Mc 1,34 - Mc 1,34 -- 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - |
||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] And he healed many that were sick of divers diseases,
and cast out many devils; and suffered not the devils to speak, because they
knew him.
Luther-Bibel . 34 Und er half vielen Kranken, die mit mancherlei Gebrechen beladen
waren, und trieb viele böse Geister aus und ließ die Geister nicht reden; denn
sie kannten ihn.
Tekstuitleg van Mc 1,34 . Dit vers Mc 1,34 telt 20 woorden . Het vers bestaat uit 4 nevenschikkende zinnen . Drie ervan beginnen met kai (en) , één met het redegevend voegwoord hoti (omdat) . In dit vers wordt de dubbele daadactiviteit van Jezus gegeven : zieken genezen en duivels uitwerpen .
1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,34a : de daadactiviteit van Jezus
Waardoor kan de volgorde van de beide groepen bepaald zijn? De groep zieken
sluit aan bij het verhaal van de genezing van de schoonmoeder van Petrus ( Mc
1,29-31) en de groep duivelbezetenen sluit dan aan bij het verhaal van de uitdrijving
van de onreine geest (Mc 1,23-28). Zo krijgen we dan een abb'a' structuur (een
chiastische of kruisvormige). De vermelding van de duivelbezetenen als tweede
groep zou kunnen te maken hebben met de verdere uitwerking van deze groep bij
de daadactiviteit van Jezus in Mc 1,34.
In Mc 1,23-28 was er wel sprake van een onreine geest, die uitgedreven werd,
maar hier is voor het eerst sprake van een duivelbezetene. In Mc 1,12-13 maakte
Jezus kennis met de satan, toen hij door hem op de proef werd gesteld tijdens
zijn verblijf van veertig dagen in de woestijn. Samengevat komt de tegenstander
van Jezus onder verschillende benamingen voor : pneuma akatharton (een onreine
geest), ho satanas (de satan), daimonizomenos (een duivelbezetene) waarin het
woordje daimonion (duivel) zit.
In Mc 1,34 beschrijft Marcus de tweevoudige daadactiviteit van Jezus:
zieken genezen en duivels uitdrijven. Marcus geeft dat weer in een chiastische
(kruisvormige) zinstructuur: een werkwoord vooraan en een werkwoord achteraan
en tussenin de lijdende voorwerpen. Het woordje 'veel' (pollous in het eerste
deel, polla in het tweede deel) staat het dichtst bij het werkwoord. Bij velen
van al degenen die aangebracht worden, is de daadactiviteit van Jezus effectief.
In Mc 1,34 zijn de woordjes pollous (vele) en polla (vele)
opmerkelijk, vergeleken met het pantas (allen) van Mc 1,32.
De termen om de daadactiviteit van Jezus aan te duiden, zoals therapeuô
(genezen) en daimonia ekballô (duivels uitdrijven) komen we hier voor
het eerst in het Marcusevangelie tegen, alhoewel in Mc 1,23-28 een onreine geest
werd uitgedreven en in Mc 1,29-31 de schoonmoeder van Petrus werd 'genezen'.
Is de toevoeging poikiliois vosois (door allerlei ziekten) reeds een onrechtstreekse
Taalgebruik naar de Jesajatekst Jes 53,4.11 die door Matteüs in Mt 8,17
uitdrukkelijk wordt geciteerd? Volgens Matteüs is de daadactiviteit de
vervulling van wat de profeten reeds hadden aangekondigd.
| Mc 1,32 - Lc 4,40-41 | Mc 1,32 | Mc 1,34 | Mc 1,34 | Mt 8,16 | Mt 8,17 | ||||||
| eferon (zij droegen) | prosènegkan (zij brachten) | ||||||||||
| pros auton (bij hem) | autooi (hem) | ||||||||||
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||||||||
| etherapeusen (hij genas) | 1. | 3. | daimonia (duivels) | exebalen (hij wierp buiten) | 1 | ||||||
| pantas (allen) | pollous (velen) | 2. | 2. | polla (vele) | pantas (allen) | 2 | |||||
| tous kakôs echontas (die er slecht aan toe waren) | kai daimonidzomenous (en duivelbezetenen) | kakoos echontas (die er slecht aan toe waren) | 3. | 1. | exebalen (wierp hij buiten) | daimonidzomenous pollous (vele duivelbezetenen) | ta pneumata logooi (de geesten met het woord) | tous kakôs echontas (die er slecht aan toe waren) | 3 | 3 | |
| poikilais nosois (door allerlei ziekten) | etherapeusen (genas) | 1 | autos tas astheneias hijmôn elaben kai tas nosous ebastasen (hij zelf heeft onze zwakheden opgenomen en de ziekten gedrzagen | ||||||||
| 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41- Mc 1,32-34 - - Mt 8,16-17 - - Lc 4,40-41 - | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 | 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 |
poikilos : bont, gevarieerd, verschillend
nosos : ziekte
astheneia : krachteloosheid, zwakte
bastadzoo : dragen (van leed)
malakia : zwakheid, ziekelijkheid
8. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
9. nom + acc. onz. mv. daimonia (demonen) van het zelfst. naamw. daimonion (demon) . Taalgebruik in het N.T. : daimonion (demon) . Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Een vorm van daimonion (demon) in Mc (11 verzen , 13X) : (1) Mc 1,34 (2X). (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 (2X) . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,29 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 9,38 . (10) Mc 16,9 . (11) Mc 16,17 .
11. act. ind. aor. 3de pers. enk. exebalen (hij wierp uit) van het werkw. ekballô (uitwerpen, uitgooien) . Taalgebruik in het N.T. : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,39 . (4) Mc 1,43 .
9. 11. Een vorm van daimonion (demon) (9 / 13) met een vorm van ekballô (uitwerpen) in (9 / 18) verzen : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 16,9 . (9) Mc 16,17 . Met ekerchomai (uitgaan) in 2 : (1) Mc 7,29 . (2) Mc 7,30 . Andere context : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 3,22 .
12. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
16. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,18 . (2) Mc
1,19 . (3) Mc
1,34 . (4) Mc
1,39 .
17. nom. + acc. onz. mv. daimonia (demonen) van het zelfst. naamw. daimonion (demon) . Taalgebruik in het N.T. : daimonion (demon) . Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Mc (8) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . Een vorm van daimonion (demon) in Mc (11 verzen , 13X) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 (2X) . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,29 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 9,38 . (10) Mc 16,9 . (11) Mc 16,17 .
18. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .
60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm .
- Mc 1,35-38 -
- Mc
1,35-38 - Lc
4,42-43 -
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 1 -
Mc 1,35
- Mc 1,36
- Mc 1,37
- Mc 1,38
-
Dit verhaal behoort nog tot de vierentwintiguren van het optreden van Jezus . Hiervoor moet ik verwijzen naar Mc 1,21 waar de verhalencyclus van Mc 1,21-38 werd besproken en waar de samenhang van de verschillende pericopen via tijds- en plaatsbepalingen duidelijk wordt .
| 1. Jezus | 2. Simon en de zijnen | 3. Jezus | ||
| Mc 1,35 | Mc 1,36 | Mc 1,37 | Mc 1,37 | Mc 1,38 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| exèlthen kai apèlthen (hij ging het huis en de stad uit) | katediôxen (liep achterna) | heuron (zij vonden) | legousin (zij zeiden) | legei (hij zei) |
| eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) | auton (hem) | auton (hem) | autôi (hem) | autois (hen) |
| Simôn kai hoi met'autou (Simon en degenen met hem) |
| Mc 1,35 - Mc 1,35 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [35] And in the morning, rising up a great while before
day, he went out, and departed into a solitary place, and there prayed.
Luther-Bibel . 35 Und am Morgen, noch vor Tage, stand er auf und ging hinaus.
Und er ging an eine einsame Stätte und betete dort.
Tekstanalyse van Mc 1,35 . Het vers Mc 1,35 telt 13 woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 1,35 is 6368 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 199) .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
2. prôi ('s morgens) . Taalgebruik in het N.T. : prôï
(vroeg) . Taalgebruik in Mc : prôï
(vroeg) .
Mc (6) : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
11,20 . (3) Mc
13,35 . (4) Mc
15,1 . (5) Mc
16,2 . (6) Mc
16,9 . De eerste maal is het in Mc
1,35 , de 5de maal in Mc
16,2 . In drie gevallen staat het nogal vooraan in de zin en de pericope
. Mc 1,35
: kai prôï ennucha lian (en zeer vroeg , (nog) 's nachts) anastas
(opgestaan) . De sabbatdag is voorbij (Mc 1,21-34) . Mc
16,2 : kai lian prôï (en zeer vroeg) tèi mia(i) tôn
sabbatôn (op de eerste dag van het wekenfeest / de week). Mc
16,9 : anastas de prôi prôtèi sabbatou (vroeg opgestaan
echter) op de eerste dag van de week .
1. - 2. kai prôi (en 's morgens) . Mc (2) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 11,20 .
3. ennucha (in de nacht = des nachts = 's nachts) . Een hapaxlegomenon (slechts éénmaal gebruikt) in de bijbel : Mc 1,35 .
4. lian
(zeer) , zie Mc
1,35 .
Zowel in Mc
1,35 als in Mc
16,2 staat lian (zeer) in de omgeving van de tijdsbepaling
(enkel in deze twee van de vier malen wordt het bij een tijdsbepaling gebruikt)
. Lian (zeer) wordt in zesentwintig verzen in de bijbel gebruikt . In veertien
verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het N.T. . Het is vaak de vertaling
van het Hebreeuwse me´od (dat in 274 verzen in de Tenach voorkomt en meestal
door het Griekse sfodra vertaald wordt ) . In vier verzen bij Matteüs :
(1) Mt
2,16 (een zin die zeer sterke gelijkenis vertoont met Lc
23,8 ) . (2) Mt
4,8 . (3) Mt
8,28 . (4) Mt
27,14 . In vier verzen bij Marcus : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
6,51 . (3) Mc
9,3 . (4) Mc
16,2 . Slechts in één vers bij Lucas : Lc
23,8 .
5. act. part. aor. nom. mann. enk. anastas (opgestaan) van het werkw. anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi
(opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm
(opstaan) . Mc (6) : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
7,24 . (4) Mc
10,1 . (5) Mc
14,60 . (6) Mc
16,9 .
6. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw.
exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals
een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt
om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 . Het is de derde maal dat deze vorm gebruikt wordt . De eerste maal
was het bij het uitgaan van de onreine geest (Mc
1,26) , de tweede maal bij de verspreiding van de weerklank over Jezus (Mc
1,28) . Nu gaat Jezus voor de eerste maal het huis uit , nadat hij en zijn
leerlingen naar het huis van Petrus en zijn metgezellen was gegaan (Mc
1,29) . Jezus heeft dus na het bezoek aan de synagoge (Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23-28) de sabbatdag , de avond en de nacht verder doorgebracht in het
huis .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 1 (6) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,29 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
7. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet
in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
8. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai
(weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai
(weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai
(weggaan) .
Mc (9) : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
1,42 . (3) Mc
5,20 . (4) Mc
5,24 . (5) Mc
6,46 . (6) Mc
7,24 . (7) Mc
8,13 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
14,10 . Vaak heeft weg-gaan ook de betekenis van afstand nemen van
, en wordt er een keuze gemaakt .
9. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In
13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
10. accusatief vrouwelijk enk. erèmon = woestijn , van
het zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
13. ind. imp. 3de p. enk. prosèucheto van het werkw. proseuchomai (bidden)
. Taalgebruik in het N.T. : proseuchomai
(bidden) . Taalgebruik in Mc : proseuchomai
(bidden) .
Mc (2) : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
14,35 .
- Mc 1,35
: kai apèlthen eis erèmon topon kakei prosèucheto (en hij
ging weg naar een eenzame plaats en daar bad hij) .
- Mc 6,46
: apèlthen eis to oros proseuxasthai (ging hij weg naar de berg om te bidden)
.
STAP VOOR STAP !
| Mc 1,36 - Mc 1,36 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling .
King James Bible . [36] And Simon and they that were with him followed after
him.
Luther-Bibel . 36 Simon aber und die bei ihm waren, eilten ihm nach.
Tekstuitleg van Mc 1,36 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
4. nom. mann. enk. Simôn (Simon) van het zelfst. naamw. Simôn (Simon)
. Taalgebruik in het N.T. : Simôn
(Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn
(Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de
zeloot : Mc
3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc
14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mc
15,21 .
Een vorm van Simôn (Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc
1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc
1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc
1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc
1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc
1,36 (nom. Simon) .
katadiôkô : vervolgen, achterna lopen,
Zoals de meeste pericopen van Mc 1,1-45 begint ook deze pericope met het koppelwoord kai (en) en wordt de vertelling verder gezet door en... en... en...
Dan volgt de tijdsaanduiding. In Mc 1,21 gaan heel wat woorden vooraf aan de tijdsaanduiding tois sabbasin (op sabbat). Aan het hoofd staat de zin : kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij gaan naar Kafarnaüm). Hieronder valt Mc 1,21-34. Mc 1,35-38 heeft niet meer in de stad plaats, maar op een eenzame plaats. Eksijlthen (hij ging naar buiten) kunnen we interpreteren als : "hij ging het huis uit" , tegengesteld aan Mc 1,29 : ijlthon eis tijn oikon (zij gingen naar het huis), als "hij ging de stad uit", tegengesteld aan hogergenoemd Mc 1,21. Kai euthus (en terstond) staat aan het begin van de pericopen Mc 1,23-28 en Mc 1,29-31 en in Mc 1,21b, waar het telkens in onmiddellijk verband met de plaatsbepaling synagoge staat. Zo staat tois sabbasin (op sabbat) in feite vooraan de zin. Ook in de pericope Mc 1,32-34 staat de tijdsbepaling vooraan: opsias de genomenijs, hote edusen ho hijlios ('maar' toen het late avond was geworden, toen was ondergegaan de zon). De tijdsbepaling prooi ('s morgens vroeg) van Mc 1,35 staat tegenover opsias (de late avond) van Mc 1,32.
5. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,36 .
8. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
| Mc 1,37 - Mc 1,37 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling .
King James Bible . [37] And when they had found him, they said unto him, All
men seek for thee.
Luther-Bibel . 37 Und als sie ihn fanden, sprachen sie zu ihm: Jedermann sucht
dich.
Tekstuitleg van Mc 1,37 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet
in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
- kai (en) voegwoord. 555 bij Marcus -
- heuriskô (vinden) .
--- heuron (ik vond, zij vonden). Actief aorist 1ste persoon enkelvous of 3de
persoon meervoud. In 92 verzen in de bijbel; in 60 verzen in het O.T., in 32
verzen in het N.T. In 4 verzen bij Matteüs, in 3 verzen bij Marcus, in
14 verzen bij Lucas, niet bij Johannes, in 11 verzen in Hnd.
4. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 .
Van de 45 verzen in Mc 1 niet
in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 ..
6. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
7. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,15 . (2) Mc
1,34 . (3) Mc
1,37 . (4) Mc
1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .
| Mc 1,38 - Mc 1,38 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [38] And he said unto them, Let us go into the next towns,
that I may preach there also: for therefore came I forth.
Luther-Bibel . 38 Und er sprach zu ihnen: Lasst uns anderswohin gehen, in die
nächsten Städte, dass ich auch dort predige; denn dazu bin ich gekommen.
Tekstuitleg van Mc 1,38 .
Mc 1,38.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Er is verandering van personage .
Mc 1,38.2.
act. ind. praes. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,38 . (2) Mc
1,41 . (3) Mc
1,44 .
Mc 1,38.3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 1,31 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,44 .
Mc 1,38.6. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,38.7.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,39 .
hina (opdat). In 59 verzen bij Marcus, zie Mc 1,38 : Mc 1,35-38 -
Mc 1,38.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,38.12. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .
16. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
1,22 . (3) Mc
1,38 .
61. Prediking in de synagogen . Mc 1,39 - Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -
Er is een duidelijke link tussen Mc 1,39 en Mc 1,14 . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea . In Mc 1,39 ging hij naar geheel Galilea . Zowel in Mc 1,14 als in Mc 1,39 wordt het onderwerp van de hoofdzin nader bepaald door een ondergeschikte bijzin . Waarom plaatste Marcus 'kèrussôn ' (verkondigende) in Mc 1,39 onmiddellijk na het werkwoord èlthen (hij kwam) . Wellicht heeft Marcus hier een chiastische (kruisvormige) structuur gebruikt : het ene werkwoord (kèrussôn : verkondigende) vooraan en het andere werkwoord (ekballôn : uitwerpende) achteraan. Marcus wil de totale activiteit van Jezus aanduiden. Die bestaat in verkondiging (woord) en in het uitdrijven van duivels (daad). Onder de woordactiviteit hadden we bij de bepaling eis tas sunagôgas autôn (in hun synagogen) het werkwoord didaskôn (onderwijzende) verwacht . Onder de daadactiviteit of het handelen van Jezus hadden we ook nog het genezen van zieken verwacht . In Mc 1,34 wordt de daadactiviteit van Jezus onder de twee aspecten aangegeven . Ook in Mc 1,34 vinden we een chiastische (kruisvormige) structuur .
De tweevoudige activiteit van Jezus (woord en daad) treffen we aan in Mc 1,21-28 . Daar is sprake van onderwijs en uitdrijving van een onreine geest . Tot nu toe heeft Jezus enkel de synagoge van Kafarnaüm bezocht . In Mc 1,39 ging Jezus ook naar andere synagogen in Galilea . Zo omsluit Mc 1,39 een geheel van Mc 1,14-38 en bereidt het het volgende voor . Het is een overgangsvers in de ware betekenis van het woord .
Er is enige dissonantie te bespeuren . De plaatsbepalingen horen bij èlthen (hij ging) maar dan komt kai daimonia ekballôn (en duivels uitdrijvende) achternahinken. De plaatsbepalingen horen bij kèrussôn (verkondigende) maar dan hadden we bij eis tas sunagôgas autôn (in hun synagogen) eerder didaskôn (onderwijzende) verwacht .
We weten wel dat Mc 1,14 linken heeft met Mc 1,9 en Mc 1,4 . In Mc 1,9 ging Jezus van Nazaret van Galilea en liet hij zich door Johannes de Doper dopen . Het is de eerste vermelding van Jezus'optreden in het Marcusevangelie . In Mc 1,4 vinden we de eerste vermelding van het optreden van Johannes de Doper . Zo ziet de keten eruit : het optreden van Johannes de Doper (Mc 1,4) - Jezus ging naar Johannes in de Jordaan (Mc 1,9) - Jezus ging naar Galilea (Mc 1,14) - Jezus trekt in Galilea rond (Mc 1,39) .
We stellen echter ook een concentrische cirkel vast : in de binnenste kern de drie wonderverhalen : de uitdrijving van de onreine geest (Mc 1,23-28) , de genezing van Jezus'schoonmoeder (Mc 1,29-31) en genezing van vele zieken en exorcismen (Mc 1,32-34) . Tussen de binnenste en de buitenste kring, nl. de middelste kring, staan de twee verhalen over onderwijs (Mc 1,21-22) en verkondiging (Mc 1,34-38). De buitenste kring wordt bepaald door de teksten Mc 1,14-15 en Mc 1,39.
| Mc 1,39 - Mc 1,39 : 61. Prediking in de synagogen - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [39] And he preached in their synagogues throughout all
Galilee, and cast out devils.
Luther-Bibel . 39 Und er kam und predigte in ihren Synagogen in ganz Galiläa
und trieb die bösen Geister aus.
Persoonlijke vertaling . Hij ging verkondigen naar hun synagogen naar heel Galilea
en de duivels uitwerpen .
Tekstuitleg van Mc 1,39 . Het vers Mc 1,39 telt 15 (3 X 5) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Mc 1,39 is 7975 (5 X 5 X 11 X 29) . De komst van Jezus omvat een dubbele activiteit . In Mc 1,39 wordt de woord- en daadactiviteit van Jezus gegeven . De particpia kèrussôn (verkondigend) en ekballôn (uitgooiend) omvatten het hele vers . De woordactiviteit van Jezus bestaat uit onderrichten en verkondigen . Hier is enkel sprake van verkondigen , wellicht omwille van de parallel met Mc 1,14 : èlthen ho ièsous eis tèn galilaian kèrussôn (Jezus ging naar Galilea verkondigen) . De daadactiviteit van Jezus bestaat uit zieken genezen en onreine geesten uitdrijven . In Mc 1,39 is er enkel sprake van duivels uitgooien , wellicht in aansluiting bij Mc 1,23-28 .
Mc 1,39.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,39.2.
act. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) . . Taalgebruik in het
N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 * . (3) Mc
1,39 * . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
5,33 . (6) Mc
7,31 * . (7) Mc
8,10 * .
(8) Mc
10,45 / Mc
10,46 *. (9) Mc
10,50 . (10) Mc
11,13 . (11) Mc
14,3 . (12) Mc
14,41 .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 .
In Mc 1,9
gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc
1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc
1,39 naar heel Galilea .
Mc 1,39.3.
act. part. praes. nom. mann. enk. kèrussôn (verkondigend) van het
werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,39 . In Mc
1,4 en Mc
1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn
een object : Mc
1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc
1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc
1,14 en Mc
1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
Een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) in Mc (14) : (1)
Mc 1,4
. (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,38 . (5) Mc
1,39 . (6) Mc
1,45 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
5,20 . (9) Mc
6,12 . (10) Mc
7,36 . (11) Mc
13,10 . (12) Mc
14,9 . (13) Mc
16,15 . (14) Mc
16,20 .
In Mc 1,4
trad Johannes de Doper verkondigend op . In Mc
1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian kèrussôn
(ging Jezus naar Galilea verkondigend) .
- Mc 1,39
: kai èlthen kèrussôn ... eis holèn tèn galilaian
(en hij ging verkondigend ... naar heel Galilea) .
STAP VOOR STAP !
Mc 1,39.2. - 3. èlthen kèrussôn ... kai ... ekballôn (hij kwam verkondigend ... en ... uitgooiend) . Wij zouden vertalen : hij kwam verkondigen ... en uitgooien) .
Mc 1,39.4.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D.
nach.
Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,39.5.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,39 .
Mc 1,39.6.
acc. vr. mv. sunagôgas van het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge)
. Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè
(synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè
(synagoge) . Mc (2) : (1) Mc
1,39 . (2) Mc
13,9 .
Een vorm van sunagôgè (synagoge) in Mc in 8 verzen : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
1,23 . (3) Mc
1,29 . (4) Mc
1,39 . (5) Mc
3,1 . (6) Mc
6,2 . (7) Mc
12,39 . (8) Mc
13,9 . In Mc 1 (4) : (1) Mc
1,21 (acc. sunagôgèn) . (2) (1) Mc
1,23 (dat. sunagôgè(i) . (3) Mc
1,29 (gen. sunagôgès) . (1) Mc
1,39 (acc. sunagôgas) .
Mc 1,39.4. - 6. Mc 1,39 verruimt het optreden van Jezus . eis tas sunagôgas (naar de synagogen) sluit aan bij eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Kafarnaum in Mc 1,21 .
Mc 1,39.7. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,23 . (4) Mc 1,39 .
Mc 1,39.6. - 7. Een vorm van sunagôgè (synagoge) in Mc + autôn (van hen) in Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 1,39 .
Mc 1,39.8.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers . Ned. naar . E. for
.
Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,39.11.
acc. vr. enk. Galilaian (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik
in het N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc
6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter
van Herodias) .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc
3,7 . Verder : Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
.
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc
9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc
15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc
1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van
Galilea) .
Mc 1,39.8. - 11. eis holèn tèn galilaian (naar Galilea) . Mc (1) : Mc 1,39 . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea . In Mc 1,39 gaat Jezus naar heel Galilea . Er is verruiming . Jezus wil zich niet beperken tot Kafarnaüm .
Mc 1,39.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc
1,39.13. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord
ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,18 . (2) Mc
1,19 . (3) Mc
1,34 . (4) Mc
1,39 .
Mc 1,39.14. nom. + acc. onz. mv. daimonia (demonen) van het zelfst. naamw. daimonion (demon) . Taalgebruik in het N.T. : daimonion (demon) . Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Mc (8) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . Een vorm van daimonion (demon) in Mc (11 verzen , 13X) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 (2X) . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,29 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 9,38 . (10) Mc 16,9 . (11) Mc 16,17 .
Mc
1,39.15. act. part. pr. nom. mann. enk. ekballôn (uitwerpend) van
het werkw. ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in het N.T. :
ekballô
(uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) .
Mc (1) Mc
1,39 . Een vorm van ekballô (uitwerpen, uitvallen) in Mc in 18 verzen
, in Mc 1 in 4 verzen : (1) Mc
1,12 . (2) Mc
1,34 . (3) Mc
1,39 . (4) Mc
1,43
Mc 1,39.14. - 15. Een vorm van daimonion (demon) (9 / 13) met een vorm van ekballô (uitwerpen) in (9 / 18) verzen : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 16,9 . (9) Mc 16,17 . Met ekerchomai (uitgaan) in 2 : (1) Mc 7,29 . (2) Mc 7,30 . Andere context : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 3,22 .
63. Genezing van een melaatse .
- Mc 1,40-45 -
- Mc
1,40-45 - Mt
8,1-4 - Lc
5,12-16 -
- bijbeloverzicht
-- Mc (Marcus)
-- Mc 1 -
- Mc 1,40
- Mc 1,41
- Mc 1,42
- Mc 1,43
- Mc 1,44
- Mc 1,45
-
Evangelie op de 6de (zesde) zondag door het b-jaar : Mc 1,40-45 .
In die tijd kwam er eens een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: "Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen." Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem: "Ik wil, word rein." Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd. Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem: "Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren." Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.
Het eerste deel van het Marcusevangelie bestaat uit drie secties :
eerste sectie : Mc 1,14-3,19 (verhaalstof) ,
tweede sectie : Mc 3,23-29 en Mc 4,1-34 (redevoering) ,
derde sectie : Mc 4,35-6,34 (verhaalstof) .
De eerste sectie bestaat uit twee samenvattende paragraafjes over Jezus en zijn
leerlingen (Mc 1,14-20 en Mc 3,7-19) . Mc 1,21-39 schetst de eerste dag van
Jezus’optreden . Mc
1,40-45 is een intermezzo , een overgangsverhaal .
In het artikel “Een lepralijder wordt gereinigd” in Catechetische
Informatie (jg. 20 , 1992 , nr.5 , p.27-36) geeft Wilfried Rossel een overzicht
van de vijfentwintig evangelische genezingsverhalen en nog vijf andere wonderverhalen
; negen genezingen in eigenlijke zin ; drie dodenopwekkingen , zeven legitimatiewonderen
, zeven duiveluitdrijvingen .
Er zijn achtenveertig verhalen en vijftien andere; in totaal : drieënzestig
. Matteüs : 14 + 4 = achttien . Marcus : 13 + 4 = zeventien . Lucas : 17
+ 3 = twintig . Johannes : 4 + 4 = acht .
Een wonderverhaal heeft een bepaalde structuur :
a. De toestand van een zieke .
b. Het beroep van de zieke op de genezer .
c. Het woord en / of het gebaar van de genezer .
d. De genezing en de reactie van de genezene .
e. Reactie van de omstaanders .
Mc
1,40-45 - Mt
8,2-4 - Lc
5,12-16 is een genezingsverhaal . Bij de genezing krijgen we de indruk met
een uitdrijving van een onreine geest te maken te hebben.
In de evangelies komen zes duiveluitdrijvingen voor (of dertien verhalen).
1. De bezetenen van Gerasa / Gadara : Mt
8,28-34 - Mc
5,1-20 - Lc
8,26-39
2. Het epileptisch kind : Mc
9,14-29 - Mt
17,14-21 - Lc
9,37-43a
3. Een blinde en spraakgestoorde bezetene : Mt 12,22-37 // Lc 11,14-23
4. De dochter van de Kananese : Mc
7,24-30 - Mt
15,21-28
5. De bezetene van Kafarnaüm : Mc
1,23-28 - Lc
4,33-37
6. Een spraakgestoorde bezetene : Mt
9,32-34 - Mt
12,22-23 - Mc
3,22-27 - Lc
11,14
In Mc 1,40-45 wordt Jezus geen enkele keer genoemd .
In Mc 1,35-38 is er voor het eerst sprake dat Jezus in Galilea naar een eenzame plek gaat om te bidden . Naar eenzame plekken zijn ook de melaatsen verwezen . Een melaatse gaat daar naar Jezus toe die hem geneest (Mc 1,40-45) . Het 'werkveld' van Jezus verbreedt zich voortdurend . Eerst in de synagoge in Kafarnaüm (Mc 1,21-28) , dan in de synagogen over geheel Galilea (Mc 1,39) , nu ook op de eenzame plekken , buiten steden en dorpen . Dat een melaatse naar Jezus toegaat , maakt duidelijk dat het nieuws over Jezus zich tot op de eenzame plekken verspreid heeft .
Het is wel opmerkelijk dat in dit verhaal geen enkele maal de naam Jezus wordt genoemd .
De Marcustekst bevat elfmaal het verbindingswoordje kai (en) en eenmaal het partikel de (echter) . Mc 1,40-45 telt zes verzen . Van de zes verzen beginnen vijf verzen met kai (en) en één vers met de (echter) op de tweede plaats , zie de vertaling van Denaux-Vervenne . Andere vertalingen laten meestal het “en” bij het begin van een vers weg . Het is nochtans eigen aan het mondeling vertellen : en… en… en…
Wanneer iemand geciteerd wordt , wordt dat citaat meestal ingeleid door een vorm van het werkwoord zeggen (legô) . Enkele inleidingen op de directe rede in Mc 1,40-45 , staan in de onvoltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord legô (zeggen) .
| Mc 1,40 : de melaatse | Mc 1,41 : 'Jezus' | Mc 1,44 : 'Jezus' | Mc 1,45 de melaatse |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | ho de... (hij echter) |
| erchetai (hij gaat) ... | |||
| legôn (zeggende) | legei (hij zegt) | legei (hij zegt) | èrxato kèrussein... (begon te verkondigen) |
| autôi aan hem) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) | |
| + directe rede (toch ingeleid door hoti : dat) | + directe rede | + directe rede | |
| 63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - |
In Mc 1,40-45 worden verschillende werkwoordtijden door elkaar gebruikt : tegenwoordige tijd , onvoltooid verleden tijd , voltooid verleden tijd . De vertalingen geven een onvoltooid verleden tijd .
In Mc 1,40-45 staan zeven deelwoorden ; twee tegenwoordig , vijf verleden deelwoord . Het zijn ondergeschikte deelwoordzinnen bij het onderwerp van de hoofdzin . De vertaling Denaux-Vervenne vertaalt de ene keer met deelwoorden , andere keren met nevenschikkende zinnen . De NBV gebruikt geen deelwoordzinnen .
Betekenis van Mc 1,40-45
Omwille van de besmettelijkheid van de melaatsheid moesten de melaatsen buiten de stad wonen en moesten zij hun nabijheid aankondigen zodat gezonde mensen zich in veiligheid konden brengen . In het verhaal van Mc 1,40-45 komt een melaatse naar Jezus toe . Jezus raakte hem aan . Normalerwijze mag je verwachten dat het aanraken van een melaatse de besmettelijkheid aan de gezonde zou doorgeven . In dit verhaal is het omgekeerd . De gezonde Jezus wordt niet besmet ; integendeel , hij geneest de melaatse . Het effect ervan is dat de melaatse er zodanig over vertelt in de stad dat Jezus niet meer openbaar in de stad kan komen . Jezus verkiest op eenzame plaatsen te verblijven - wellicht ook plaatsen waar de melaatsen verblijven . Van overal komen ze dan naar Jezus toe .
| Mc 1,40 - Mc 1,40 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 40 En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende
voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
King James Bible . [40] And there came a leper to him, beseeching him, and kneeling
down to him, and saying unto him, If thou wilt, thou canst make me clean.
Luther-Bibel . 40 Und es kam zu ihm ein Aussätziger, der bat ihn, kniete
nieder und sprach zu ihm: Willst du, so kannst du mich reinigen.
- 6de
(zesde) zondag door het b-jaar . In die tijd kwam er eens een melaatse bij
Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: "Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen."
Tekstuitleg van Mc 1,40 . Dit vers Mc 1,40 telt 19 woorden , 39 (3 X 13) lettergrepen en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,40 is 11513 (29 X 397) . 2 hoofdzinnen , 4 ondergeschikte zinnen , waarvan 3 participiazinnen (nevengeschikt) . Het is opvallend dat het hoofdwerkwoord vooraan de zin staat en gevolgd wordt door drie particpia . Parakalôn (ter hulp roepend) en gonupetôn (knievallend - kniebuigend) komen in deze participiumvorm slechts hier in het Marcusevangelie voor .
Het is de eerste maal in dit evangelie dat een zieke zelf naar Jezus gaat en dan nog wel een melaatse . Het verhaal eindigt dat zij (wellicht de melaatsen , zieken enz.) van overal naar hem komen . Wellicht bevindt de melaatse zich op een eenzame plaats . In Mc 1,45 wordt gezegd dat Jezus op eenzame plekken was en dat ze van overal naar hem gingen . Er heeft dus een verruiming plaats .
Mc 1,40
.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,40
.2. indicatief praes. 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van
het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) .
Mc (16) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,40 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
4,21 . (7) Mc
5,22 . (8) Mc
6,1 . (9) Mc
6,48 . (10) Mc
10,1 . (11) Mc
13,35 . (12) Mc
14,17 . (13) Mc
14,37 . (14) Mc
14,41 . (15) Mc
14,66 . (16 ) Mc
15,36 .
In Mc
1,40 komt een zieke naar Jezus . In Mc
5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar .
Mc 1,40
.1. - 2. kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) . Taalgebruik in het N.T. :
erchomai
(gaan, komen) .
Mc (6) . Bij het begin van het vers (6) : (1) Mc
1,40 . (2) Mc
3,20 . (3) Mc
3,31 . (4) Mc
5,22 . (5) Mc
14,37 . (6) Mc
14,41 .
Mc 1,40
.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) . Meestal bij personen .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,27 . (3) Mc
1,32 . (4) Mc
1,33 . (5) Mc
1,40 . (6) Mc
1,45 . Hier wordt het voor de vijfde maal gebruikt . Voor het eerst wordt
erchetai in combinatie met pros auton (hij gaat naar hem) gebruikt .
Mc 1,40 .2. - 3. erchetai pros (hij gaat naar) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,48 .
Mc 1,40 .1. - 3. kai erchetai pros (en hij gaat naar) . Mc (1) : Mc 1,40 .
Mc 1,40
.4. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,10 . (3) Mc
1,12 . (4) Mc
1,26 . (5) Mc
1,32 . (6) Mc
1,34 . (7) Mc
1,36 . (8) Mc
1,37 . (9) Mc
1,40 . (10) Mc
1,43 . (11) Mc
1,45 .
Mc 1,40 .3. - 4. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
Mc 1,40 .1. - 4. Mc 1,40 : kai erchetai pros auton (en hij gaat naar hem) vormt een inclusio met het slot van deze pericope in Mc 1,45 : kai èrchonto (imperf. 3de pers. mv.) pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .
Mc 1,40
.5. nom. mann. enk. lepros (melaatse) . Taalgebruik in het N.T. : lepros
(melaatse) . Taalgebruik in Mc . : lepros
(melaatse) .
Mc (1) : Mc
1,40 . Een andere vorm in Mc : Mc
14,3
Mc 1,40
.6. act. part. pr. nom. m. + vr. enk. parakalôn (ter hulp roepend)
van het werkw. parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan
, aanbevelen, aandringen) . Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands :
aansporen , oproepen . Taalgebruik in het N.T. : parakaleô
- ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in Mc : parakaleô
- ad-vocare (bij-roepen) .
Mc (1) : Mc
1,40 . Een vorm van parakaleô (ter hulp roepen, aandringen) in Mc
(9) wordt telkens gevolgd door auton (hem) waarmee Jezus is bedoeld .
Mc 1,40
.8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 .
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,40
.9. act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn (knievallend) van het
werkw. gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in het N.T. : gonupeteô
(op zijn knie vallen) . Taalgebruik in Mc : gonupeteô
(op zijn knie vallen) .
Mc (1) : Mc
1,40 . Een andere vorm in Mc : act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn
(op de knie gevallen) : Mc
10,17 .
Mc 1,40
.10. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 .
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,40
.11. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,24 . (4) Mc
1,25 . (5) Mc
1,40 . (6) Mc
5,23 . (7) Mc
8,15 . (8) Mc
8,26 . (9) Mc
8,27 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
12,6 . (12) Mc
12,26 . (13) Mc
14,44 . (14) Mc
14,60 . (15) Mc
14,68 . (16) Mc
15,4 . (17) Mc
15,9 . (18) Mc
15,36 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 1 in 10 verzen , van eipon
(ik zei) in 1 vers .
Mc 1,40
.12. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (109) . Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 . In Mc 1 in 5 verzen met een vorm van legô . 1. legousin autô(i)
= zij zeggen hem : (1) Mc
1,30 . (2) Mc
1,37 . 2. legôn autô(i) = zeggend zegt hem : (1) Mc
1,40 . 3. legei autô(i) = hij zegt hem : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
1,44 .
Mc 1,40.11. - 12. legôn autô(i) = zeggend hem . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 9,25 . In Mc 1,40 leidt het de smeekbede van de melaatse in , in Mc 9,25 de uitdrijvingswoorden van de onreine geest door Jezus . legôn autois = zeggend hen : Mc 8,27 .
Mc 1,40
.13. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,15 . (2) Mc
1,34 . (3) Mc
1,37 . (4) Mc
1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in . Dan volgt het citaat in de directe
rede .
Mc 1,40.11. - 13. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat . Slechts in Mc 1,40 . legôn hoti = zeggend dat : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,23 . (3) Mc 12,6 .
Mc 1,40
.10. - 13. een vorm van parakaleô , gevolgd door een vorm van legô
(zeggen) + hoti (dat) + directe rede .
- Mc 1,40
: parakalôn auton (hem ter hulp roepend) ... kai legôn autô(i)
(en hem zeggend dat) + directe rede ..
- Mc 5,12
: kai parekalesan auton legontes (en zij drongen bij hem erop aan zeggende)
+ directe rede .
- Mc 5,23
: kai parakalei auton (en hij roept hem ter hulp) ... legôn hoti (zeggende
dat) + directe rede .
In Mc
1,40 en Mc
5,23 gaat het om een verzoek aan Jezus om genezing . In Mc
5,12 gaat het om een verzoek van de onzuivere geest legioen om in de varkens
te mogen gaan .
Mc 1,40
.14. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T. : ean
(indien) . Taalgebruik in Mc : ean
(indien) .
Mc (32) . Mc 1 (1) : Mc
1,40 .
Mc 1,40
.15. act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s (jij wil) van het
werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô
(willen) . Taalgebruik in Mc : thelô
(willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (2) : (1) Mc
1,40 . (2) Mc
6,22 . Een vorm van thelô (willen) in 23 verzen .
Mc 1,40 .14. - 15. ean thelè(i)s (indien je wil) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,22 .
18. katharizô (reinigen) . Taalgebruik
: katharizô
(reinigen) , zie Mc
1,40 .
--- katharisthèti (wees gereinigd) . Passief aorist imperatief tweede
persoon enkelvoud van het werkwoord katharizô (reinigen) . In drie verzen
in de bijbel : (1) 2 K 5,13 (in het verhaal van de genezing van Naäman
door de profeet Elisa) . (2) Mt
8,3 // (3) Mc
1,41 // (4) Lc
5,13 .
--- katharisai (reinigen) . Actief infinitief aorist . In vijftien verzen in
de bijbel . In twaalf verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. : (1)
We stellen een opmerkelijke overeenkomst vast tussen Mc
1,40 en Mc
5,22 .
Mc 1,40
kai (en) erchetai (komt) pros auton (bij hem) lepros (een melaatse) parakalôn
(vragend) kai (en) gonupetôn (knielend) legôn (zeggende)
autôi (hem)
Mc 5,22
kai (en)erchetai (komt) heis tôn archisunagôgôn, onomati
Iairos (iemand van de synagogeoversten, met de naam Jaïrus) kai idôn
auton (en hem gezien piptei pros tous podas autou (valt hij bij zijn
voeten) kai parakalei auton polla (en roept hem dringend te hulp) legôn (zeggende)
.
Eenmaligheid
- nom. mann. enk. lepros (melaatse) . Mc (1) : Mc
1,40 .
- act. part. pr. nom. m. + vr. enk. parakalôn (ter hulp roepend)
van het werkw. parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan
, aanbevelen, aandringen) . Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands :
aansporen , oproepen . Mc (1) : Mc
1,40 .
- act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn (knievallend) van het werkw.
gonupeteô (op zijn knie vallen) . Mc (1) : Mc
1,40 .
Duality
- erchetai pros (hij gaat naar) . Mc (2) : (1) Mc
1,40 . (2) Mc
6,48 .
- act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s (jij wil) van het werkw.
thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . Mc (2) : (1)
Mc 1,40
. (2) Mc
6,22 .
- ean thelè(i)s (indien je wil) . Mc (2) : (1) Mc
1,40 . (2) Mc
6,22 .
| Mc 1,41 - Mc 1,41 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 41 En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde,
strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!
King James Bible . [41] And Jesus, moved with compassion, put forth his hand,
and touched him, and saith unto him, I will; be thou clean.
Luther-Bibel . 41 Und es jammerte ihn und er streckte die Hand aus, rührte
ihn an und sprach zu ihm: Ich will's tun; sei rein!
- 6de
(zesde) zondag door het b-jaar . Door medelijden bewogen stak Hij de hand
uit, raakte hem aan en sprak tot hem: "Ik wil, word rein."
Tekstuitleg van Mc 1,41 . Dit vers Mc 1,41 telt 14 (2 X 7) woorden , X lettergrepen en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,41 is 9387 (3 X 3 X 7 X 149) .
Mc 1,41.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
OF : bep. lidw. nom. + onz. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. :
bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
- de (echter) . Afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 1 (5) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 .
- nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (57) . In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor
: (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 1 (6)
: (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,9 (nom.) . (3) Mc
1,14 (nom.) . (4) Mc
1,17 (nom.) . (5) Mc
1,24 . (6) Mc
1,25 (nom.) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc 1,41.2.
ind. aor. nom. mann. enk. splagchnistheis (zich ontfermd) van het werkw. splagchnizomai
(zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in het N.T. : splagchnizomai
(zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in Mc : splagchnizomai
(zich ontfermen, medelijden hebben) .
Mc (2) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
9,22 . Een vorm van splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) in
Mc (4) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
6,34 . (3) Mc
8,2 . (4) Mc
9,22 .
Mc 1,41.3.
act. part. aor. nom. mann. enk. ekteinas van het werkw. ekteinô (uitstrekken)
. Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension
: lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik
in het N.T. : exteinô
(uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô
(uitstrekken) .
In Mc slechts in Mc
1,41 . De hand uitstrekken komt voor in : (1) Mc
1,41 (ekteinas tèn cheira autou = zijn hand uitgestrekt) . (2) Mc
3,5 (ekteinon tèn cheira = strek de hand uit) . Zie ook Mc
3,5 (exeteinen = hij strekte uit) .
Mc 1,41.4.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,41.5.
cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik
in het N.T. : cheir
(hand) . Taalgebruik in Mc : cheir
(hand) .
Mc (5) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 . (5) Mc
7,32 .
Mc 1,41.4.
- 5. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw.
acc. vr. enk. : tèn cheira (de hand) . Mc (5) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 . (5) Mc
7,32 . In Mc
1,41 en Mc
7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander
genezend tegemoet treden (Mc
1,41) .
In Mc
1,41 (zijn hand uitstrekken) en in Mc
7,32 (de hand opleggen) wordt de genezende kracht van de hand van Jezus
uitgedrukt .
In Mc
1,41 en Mc
3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô
= uitstrekken) .
Mc 1,41.6. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
Mc 1,41.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. hèpsato (hij raakte aan) . Taalgebruik
in het N.T. : haptô
(vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in Mc : haptô
(vastgrijpen, aanraken) . Lat. tangere , tango , tetigi , tactum : aanraken
, belasten , grenzen aan . Gn
20,4 : Hebr. qârab . qërâbh (oorlog, strijd, zie Ps
144,1) . s' avancer < ab ante : vooruit komen , naderen . -> carabine
: karabijn ; cabarinière : gendarme , soldaat . Fr. approcher > ad
prope : benaderen .
Mc (5) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
5,27 . (3) Mc
5,30 . (4) Mc
5,31 . (5) Mc
7,33 . Een vorm van haptô (aanraken) in Mc (11) .
Er heeft iets eigenaardigs plaats . Normaal maakt het aanraken van een onreine
onrein . Bij Jezus vindt iets anders plaats . Door zijn aanraken wordt de onreine
rein , genezen .
Mc 1,41.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,41.9.
act. ind. praes. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,38 . (2) Mc
1,41 . (3) Mc
1,44 .
Mc 1,41.10.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
Mc 1,41.9. - 10. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .
Mc 1,41.8. - 10. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .
Mc 1,41.11.
act. ind. praes. 1ste pers. enk. thelô (ik wil) van het werkw. thelô
(willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô
(willen) . Taalgebruik in Mc : thelô
(willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (2) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
6,25 . Een vorm van thelô (willen) in 23 verzen in Mc . Tegenover
de genezende wil van Jezus (Mc
1,41) staat de doodswil van de dochter van Herodias die het hoofd van Johannes
de Doper vraagt .
Duality
- ind. aor. nom. mann. enk. splagchnistheis (zich ontfermd) van het werkw.
splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Mc (2) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
9,22 .
- act. ind. praes. 1ste pers. enk. thelô (ik wil) van het werkw.
thelô (willen) . Mc (2) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
6,25 .
| Mc 1,42 - Mc 1,42 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 42 En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond
van hem, en hij werd gereinigd.
King James Bible . [42] And as soon as he had spoken, immediately the leprosy
departed from him, and he was cleansed.
Luther-Bibel . 42 Und sogleich wich der Aussatz von ihm und er wurde rein.
- 6de
(zesde) zondag door het b-jaar . Terstond verdween de melaatsheid en was
hij gereinigd.
Tekstuitleg van Mc 1,42 .
Mc 1,42.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,42.2. euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,42.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
Mc 1,42.6. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .
Mc 1,42.7. nom. vr. enk. lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in het N.T. : lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in Mc : lepra (melaatsheid) . Mc (1) : Mc 1,42 .
Mc 1,42.9. act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajjitëhâr (en hij werd rein) van het werkw. tâhâr (rein zijn, rein worden) . Taalgebruik in Tenach : tâhâr (rein zijn, rein worden) . Getalwaarde : tet = 9 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 214 (2 X 107) . Tenach (2) : (1) 2 K 5,14 . (2) 2 Kr 34,5 . In 2 K 5,14 heeft het betrekking op de reiniging van melaatsheid , in 2 Kr 34,5 op de reiniging van het volk . Gr. pass. ind. aor. 3de pers. enk. ekatharisthè (hij werd gereinigd) van het werkw. katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in het N.T. : katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in de LXX : katharizô (schoon maken, reinigen) . LXX (3) : (1) Nu 12,15 (een vorm van ´âsaph = verzamelen, terugtrekken) . (2) 2 K 5,14 . (3) Jdt 16,18 (reiniging van het volk) . N.T. (3) : (1) Mt 8,3 . (2) Mc 1,42 . (3) Lc 4,27 . In de 3 verzen van het N.T. heeft het betrekking op de reiniging van melaatsheid . In Lc 4,27 is er sprake van de genezing van Naäman door de profeet Elisja . De meervoudsvorm ekatharisthèsan (zij werden gereinigd) komt in de bijbel 4X voor : (1) Ezr 6,20 . (2) Neh 12,30. (3) Lc 17,14 . (4) Lc 17,17 . ; met betrekking tot de reiniging van melaatsen 2X : (1) Lc 17,14 . (4) Lc 17,17 . Een vorm van katharizô (schoon maken, reinigen) in de LXX in 125 verzen , in het N.T. in 31 verzen . Ned. katharsis (proces van zuivering) . Katharen < katharoi (zuiveren) .
| Mc 1,43 - Mc 1,43 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 43 En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem
terstond van Zich gaan;
King James Bible . [43] And he straitly charged him, and forthwith sent him
away;
Luther-Bibel . 43 Und Jesus drohte ihm und trieb ihn als bald von sich
- 6de
(zesde) zondag door het b-jaar . Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij
hem met klem:
Tekstuitleg van Mc 1,43 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
3. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
Mc 1,44 - Mc 1,44 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 - |
||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 44 En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar
ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen
Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
King James Bible . [44] And saith unto him, See thou say nothing to any man:
but go thy way, shew thyself to the priest, and offer for thy cleansing those
things which Moses commanded, for a testimony unto them.
Luther-Bibel . 44 und sprach zu ihm: Sieh zu, dass du niemandem etwas sagst;
sondern geh hin und zeige dich dem Priester und opfere für deine Reinigung,
was Mose geboten hat, ihnen zum Zeugnis.
- 6de
(zesde) zondag door het b-jaar . "Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt,
maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft
voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren."
Tekstuitleg van Mc 1,44 . Het vers Mc 1,44 telt 25 (5 X 5) woorden en 128 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Mc 1,44 is 12710 (2 X 5 X 31 X 41) .
Mc 1,44.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,44.2.
act. ind. praes. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc
1,38 . (2) Mc
1,41 . (3) Mc
1,44 .
Mc 1,44.3.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
Mc 1,44.2. - 3. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .
Mc 1,44.1. - 3. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .
Mc 1,44.5.
onbepaald voornaamw. mèdeni (aan niemand) van het onbepaald voornaamw.
mèdeis (niemand) . Taalgebruik in N.T. : mèdeis
(niemand) . Taalgebruik in Mc : mèdeis
(niemand) . mè-d-eis : niet één , niet iemand .
Mc (4) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
7,36 . (3) Mc
8,30 . (4) Mc
9,9 .
Mc 1,44.1.
- 7.
- Mc 1,44
: kai legei autô(i) hora mèdeni mèden eipè(i)s (en
hij zegt hem , zie , dat gij aan niemand niets zegt) . Zwijggebod na de negezing
van de lamme op een eenzame plaats .
- Mc 7,36
: kai diesteilato autois hina mèdeni legôsin (en hij beval hen dat zij aan niemand
zouden zeggen) . Het zwijggegbod na de genezing van een doofstomme .
- Mc 8,30
: kai epetimèsen autois hina mèdeni legôsin (en hij droeg hen op dat zij aan
niemand zouden zeggen) . Het zwijggebod na de genezing van een blinde .
- Mc 9,9
: diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai
(en hij beval hen dat zij aan niemand zouden verhalen wat zij hadden gezien)
. Het zwijggebod na de verheerlijking op de berg .
Mc 1,44.9.
act. imperat. praes. 2de pers. enk. hupage (ga weg, vertrek) van het werkw.
hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : hupagô
(onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô
(onder iets brengen, weggaan) .
Mc (8) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
2,11 . (3) Mc
5,19 . (4) Mc
5,34 . (5) Mc
7,29 . (6) Mc
8,33 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,52 .
Mc 1,44.12.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
Mc 1,44.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .
Mc 1,44.17.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,44.22.
nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès
(Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès
(Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
7,10 . (3) Mc
10,3 . (4) Mc
10,4 . (5) Mc
12,19 .
Mc 1,44.23. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,44.25.
voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,17 . (2) Mc
1,31 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,44 .
Betekenis van Mc 1,44
Het is de eerste maal in het Marcusevangelie dat Jezus vraagt om het aan niemand te zeggen . In dit verband spreekt men van het 'Messiasgeheim' . Jezus wil niet dat ze hem als messias belijden ofschoon hij weet dat hij het is en dat sommigen beseffen dat hij het is . Ik vermoed dat Jezus beducht is voor het gevaar dat hij bij bekendwording kan lopen . Hij is immers bij de gevangenneming van Johannes naar Galilea uitgeweken . Hij beseft dat het verkondigen van de boodschap het gevaar inhoudt om gevangen te worden genomen . Omtrent dit thema vind je meer informatie bij Mc 1,14 . In Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 zien we dat het gebod tot stilzwijgen gelinkt is aan het uitwijken van Jezus wegens levensgevaar .
| Mc 1,45 - Mc 1,45 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 45 Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen,
en dat woord te verbreiden, alzo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen,
maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.
King James Bible . [45] But he went out, and began to publish it much, and to
blaze abroad the matter, insomuch that Jesus could no more openly enter into
the city, but was without in desert places: and they came to him from every
quarter.
Luther-Bibel . 45 Er aber ging fort und fing an, viel davon zu reden und die
Geschichte bekannt zu machen, sodass Jesus hinfort nicht mehr öffentlich
in eine Stadt gehen konnte; sondern er war draußen an einsamen Orten;
doch sie kamen zu ihm von allen Enden.
- 6de
(zesde) zondag door het b-jaar . Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal
overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met
het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op
eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.
Tekstuitleg van Mc 1,45 . Dit vers Mc 1,45 telt 29 woorden en 151 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Mc 1,45 is 15587 (11 X 13 X 109) .
Bibliografie : Website : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=12057963 .
Mc 1,45.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,45.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie
in de zin aan te duiden .
In vijf verzen in Mc
1 : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 .
In Mc
1,44 legde Jezus aan de genezen melaatse een spreekverbod op . Maar die
begon veelvuldig te verkondigen .
Mc 1,45.1. - 2. ho de (hij echter) . In één vers in Mc 1 : Mc 1,45 .
Mc 1,45.3.
actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud exelthôn (uitgegaan)
van het werkwoord exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) .
Bij Marcus : (1) Mc
1,45 . (2) Mc
6,34 . (3) Mc
7,31 . Jezus bevrijdt mensen van hun bezetenheid . Ze zijn niet langer meer
bezet , maar kunnen in vrijheid hun persoonlijke verantwoordelijkheid opnemen
.
exelthôn (letterlijk: uitgegaan) . In Mc
1,45 is er geen sprake van een plaats waarbinnen hij is gegaan . Hij is
dus niet uitgegaan ; hij heeft zich van Jezus verwijderd . Of je zou het zo
kunnen interpreteren . De woestijn is de plaats waarbinnen de melaatse zich
bevindt . Door de genezing van Jezus kan de genezen melaatse die woestijnplaats
uitgaan en kan hij de stad binnengaan . Statenvertaling : uitgegaan zijnde .
KJB : he went out . Andere vertalingen hebben de betekenis van weggaan , vertrekken
.
In Mc 1,45
is het de genezen melaatse , in de andere twee verzen is het Jezus . In Mc
6,34 stapt Jezus uit de boot , in Mc
7,31 verlaat Jezus het huis en de bergen van Tyrus .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,29 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,45.1.
- 3. of 2. - 3. (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc
1,45 in het N.T. .
kai exelthôn (en uitgegaan) . In één
vers bij Mc : (1) Mc
6,34 . In Mc
7,31 : kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . palin van Mc
7,31 (Mc
7,31-37) verwijst naar exelthôn (uitgegaan) van Mc
6,34 (Mc
6,30-34) .
| Mc 1,38 | Mc 1,45 | Mc 6,12 | Mc 16,20 |
| c. eis touto gar exèlthon (want daarvoor ben ik uitgegaan) | ho de exelthôn (hij echter uitgegaan) | kai exelthontes (en uitgegaan) | ekeinoi de (deze echter) exelthontes (uitgegaan) |
| b. hina kai ekei kèruxô (opdat ik ook daar zou verkondigen) | èrxato kèrussein (begon te verkondigen) | ekèruxan (verkondigden zij) | ekèruxan (verkondigden) |
| polla (vele dingen) | hina metanoôsin (opdat zij zouden omkeren) | pantachou (overal) | |
| 61. Prediking in de synagogen : Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44 | 63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 | 147. Zending van de twaalf : Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 | 357. Het langere Marcusslot : Mc 16,9-20 |
Mc 1,45.4.
ind. aor. 3de pers. enk. èrxato (hij begon) van het werkw. archomai (beginnen)
. Taalgebruik in het N.T. : archomai
(beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai
(beginnen, aanvangen, heersen) .
Mc (18) : (1) Mc
1,45 . (2) Mc
4,1 . (3) Mc
5,20 . (4) Mc
6,2 . (5) Mc
6,7 . (6) Mc
6,34 . (7) Mc
8,31 . (8) Mc
8,32 . (9) Mc
10,28 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,47 . (12) Mc
11,15 . (13) Mc
12,1 . (14) Mc
13,5 . (15) Mc
14,33 . (16) Mc
14,69 . (17) Mc
14,71 . 18) Mc
15,8 .
In Mc 1,45 is het de eerste keer dat Marcus èrxato (hij begon) gebruikt . Het gebruik ervan in het laatste vers van dit hoofdstuk roept de idee van een inclusio (omarming, omsluiting) met het archè (begin) van vers 1 op . Dit eerste hoofdstuk zou dus een begin / aanvang van de boodschap van Jezus geven . In Mc 1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik zullen we vinden in Mc 5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen heiden . Zo krijgen we twee getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus .
Mc 1,45.5.
act. inf. praes. kèrussein (verkondigen) van het werkw. kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,45 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
5,20 .
Waarin bestaat het getuigenis . In Mc 1,14 is er sprake van het verkondigen van het evangelie van God en in Mc 1,1 : begin van het evangelie : Jezus is de Messias (Christus) . Het getuigenis of de verkondiging van de genezene zou kunnen zijn : Jezus is de Messias (Christus) . Zo omsluit Mc 1,45 nog mooier Mc 1 . In het evangelie is het getuigenis van Jezus als de Messias (Christus) voorbehouden voor Petrus .
Mc 1,45.4.
- 5. èrxato kèrussein (hij begon te verkondigen) . Mc (2) : (1)
Mc 1,45
. (3) Mc
5,20 . STAP VOOR STAP !
In Mc
1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik
vinden we in Mc
5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen niet-jood . Zo krijgen we twee
getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus
.
Mc 1,45.7.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,45.9.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
12. mèketi (niet meer) . Taalgebruik in het N.T. : mèketi
(niet meer) . niet nog . F. ne ... plus .
Mc (4) : (1) Mc
1,45 . (2) Mc
2,2 . (3) Mc
9,25 . (4) Mc
11,14 .
13. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik
in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned.
binnengaan . D. eingehen .
Mc (6) : 1 : Mc
1,45 *. (1) Mc
9,43 *. (2) Mc
9,45 *. (3) Mc
9,47 * . (1) Mc
10,24 *. (2) Mc
10,25 *.
Mc 1,45.16.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
18. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen . Mc (6) : 1 : Mc 1,45 *. (1) Mc 9,43 *. (2) Mc 9,45 *. (3) Mc 9,47 * . (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.
Mc 1,45.21.
ep' (op, bij) , afkoring van epi . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Het voorzetsel epi in Mc
1,22 en ep' in Mc
1,45 .
Mc 1,45.22.
datief vrouwelijk mv. erèmois = eenzaam , van het zelfst. naamw. erèmos
(woestijn , eenzaam) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
erèmois (op eenzame plaatsen) . Wat een evolutie in Mc 1,21-45 ! Op sabbat . Mc 1,21-28 speelt zich af in de synagoge van Kafarnaüm , Mc 1,29-31 in het huis van de schoonmoeder van Petrus . ’s Avonds na de sabbat . Mc 1,32-34 aan de deur van het huis van de schoonmoeder van Petrus . ’s Anderendaags ’s morgens na de sabbat . In Mc 1,35-38 is Jezus naar een eenzame plek gegaan om te bidden . De leerlingen zoeken hem op , maar Jezus zegt hen dat hij naar elders naar de steden en dorpen moet gaan . In Mc 1,39 gaat hij dan naar de synagogen in heel Galilea . In Mc 1,45 komen de mensen zelf van overal naar hem toe en wel op een eenzame plaats . En wellicht was de melaatse de eerste persoon die op Jezus toekwam op een eenzame plaats .
Mc 1,45.24.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,45.25.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc
1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,45.26.
ind. imperf. 3de pers. mv. èrchonto (zij gingen) van het werkw. erchomai
(gaan) . Deze vorm komt in Mc slechts hier in Mc
1,45 voor . De ind. imperf. 3de pers. enk. komt in Mc slechts in Mc
2,13 voor . Vergelijk :
- Mc 1,45
: kai èrchonto pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal)
.
- Mc 2,13
: kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem)
.
STAP VOOR STAP !
Mc 1,45.27.
pros (naar) + accusatief , meestal bij personen . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) ..
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 * . (2) Mc
1,27 . (3) Mc
1,32 * . (4) Mc
1,33 . (5) Mc
1,40 * . (6) Mc
1,45 * .
Mc 1,45.28. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .
Mc 1,45.27.
- 28. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus .
Mc (14) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
1,40 . (3) Mc
1,45 . (4) Mc
2,3 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
3,8 . (7) Mc
3,13 . (8) Mc
3,31 . (9) Mc
4,1 . (10) Mc
7,1 . (11) Mc
9,20 . (12) Mc
10,1 . (13) Mc
12,13 . (14) Mc
12,18 .
Mc 1,45.29.
pantothen (van overal) . Taalgebruik in het N.T. : pantothen
(van overal) . Taalgebruik in Mc : pantothen
(van overal) . Mc (1) Mc
1,45 . In Mc 1 wordt beklemtoond hoe het optreden van Jezus naar allen gaat
en hoe het allen in beweging brengt . Pasas (allen die er slecht aan toe waren)
: (1) Mc
1,32 . Pantothen (van overal) in Mc
1,45 . Holè (de hele stad) in Mc
1,33 . Holèn (heel Galilea) in Mc
1,39 .
Mc 1 wil alomvattend zijn : man en vrouw , in de synagoge en erbuiten , in steden
en dorpen , in geheel Galilea , in en buiten de stad . Impliciet is er reeds
een verwijzing naar jood en heiden .
Johannes is :
- een afgezant vanwege God (Mc 1,2) .
- een boodschapper , aankondiger (Mc 1,2 . Mc 1,4 . Mc 1,7-8 .
- een voorloper
-
| Mc 1,31 | Mc 1,32 | Mc 1,33 | Mc 1,34 | Mc 1,35 | Mc 1,36 | Mc 1,37 | Mc 1,38 | Mc 1,39 | Mc 1,40 | Mc 1,41 | Mc 1,42 | Mc 1,43 | Mc 1,44 | Mc 1,45 | |||||||||||||||||
Johannes was priester . Zijn plaats behoorde in Jeruzalem en de tempel te zijn
en niet in de woestijn en de Jordaan . Maar wellicht behoorde hij tot de priesters
die zich van de tempel hadden afgekeerd omdat het hogepriesterschap er onrechtmatig
werd uitgeoefend . In de tempel werden zondeoffers gebracht en het ritueel van
de zondebok - een bok die met de zonden van de mensen beladen de woestijn werd
ingestuurd - voltrokken , tot vergeving van de zonden . In de woestijn werd
een nieuw ritueel tot bekering van zonden ontwikkeld : door onderdompeling in
het stromend water van de Jordaan , dat onreinheid meevoert .
Door de eerste christenen werd de rol van Johannes en zijn leerlingen ondergeschikt
gemaakt aan die van Jezus en zijn leerlingen . Tegelijkertijd werd Jezus tot
een 'heilige' verheven . Johannes zou een voorloper , wegbereider , profeet
, doper met water zijn terwijl Jezus de komende , zoon van God , doper met heilige
geest zou zijn .
De roeping van de eerste leerlingen plaatst Marcus onmiddellijk
na Jezus' terugkeer naar Galilea . Jezus verzamelt de verstrooide en zich in
veiligheid brengende leerlingen van Johannes de Doper . De eerste leerling is
Petrus . Hij is de eerste van de twaalf en hij wordt ook beschouwd als degene
die na Jezus de herderzorg op zich zal nemen . Daarenboven zal zijn geloofsgetuigenis
centraal staan - Mc
8,27-30 - . Zo wordt in een vroeg stadium van de christelijke gemeenschap
reeds waar wat de twintigste eeuwse Mechelse catechismus leerde: "wat de
kerk ons voorhoudt te geloven" . De christelijke gemeenschap is georganiseerd
en de leiding ervan zet de bakens van de leer uit . Het geloof berust niet op
een persoonlijke ervaring , maar op het getuigenis .
Jezus ervaarde God op een bijzondere wijze . Die ervaring werd beschouwd als
een unieke ervaring door zijn zoon van God zijn . Deze ervaring was geworteld
in zijn bestaan : God uit God , Licht uit Licht , eniggeboren zoon van God .
Geen enkel mens kon en kan deze ervaring evenaren . Meer nog , zij kunnen zich
slechts laven aan deze ervaring van die mens . De kennis van God door ervaring
kan niet buiten Jezus om .
Jezus volgen kan dus niet bestaan in het ervaren van God zoals Jezus . Hij is
"geboren , niet geschapen , één in wezen met de Vader , door
wie alles geschapen is" . Jezus volgen is getuigen hoe Jezus God ervaarde
. Daardoor is Jezus volgen zo persoonsgericht . Jezus volgen is zowel de weg
van Jezus gaan als getuige zijn van de relatie van Jezus met God .
Er is ook een andere benadering . Zoals elke profeet brengt Jezus iets nieuws en ervaart hij God op een eigen persoonlijke unieke wijze . Leerling worden betekent dan het ingewijd worden in en het oefenen van de wijze waarop een dergelijke ervaring tot stand kan komen . De nadruk ligt dan op de persoonlijke ervaring van de mens met God . Een leerling wordt dan stilaan 'vol-leerd' om dan zelf leraar te worden . Het leerling zijn en het volgen is slechts tijdelijk .