- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website - Bespreking : Lc 24,1-12 . Lc 24,6 . Lc 24,13-35 .
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible | 11. Luther-Bibel |
Lc 24 behoort tot 2 (tweede cyclus) . Lc 24 telt drieënvijftig verzen . Het hoofdstuk kan in vier perikopen verdeeld worden.
351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 -Evangelielezing op Pasen
. Nachtwake C : Lc 24,1-12 (Lc
24,1-12) :
Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar
het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden
de steen weggerold van het graf, gingen er binnen maar vonden er het lichaam
van de Heer Jezus niet. Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken stonden
er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik
bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: "Waarom
zoekt ge de levende onder de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert
u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: De Mensenzoon moet overgeleverd
worden in zondige mensenhanden en Hij moet aan het kruis worden geslagen, maar
op de derde dag zal Hij verrijzen." Zij herinnerden zich zijn woorden en
keerden van het graf terug en ze brachten dit alles over aan de elf en aan al
de anderen. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus;
de andere vrouwen die met hen waren vertelden aan de apostelen hetzelfde. Maar
dat verhaal leek de apostelen beuzelpraat en zij geloofden hen niet. Toch liep
Petrus ijlings naar het graf; hij bukte zich voorover maar zag alleen de zwachtels.
Daarop ging hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.
ENKELE GEDACHTEN BIJ HET LEGE GRAFVERHAAL (Lc 24,1-12)
In het verhaal van het lege graf hebben de synoptici gebruik gemaakt van het
verhaal van Jakob bij de put (Gn 29,1-11) . Jakob is gevlucht voor zijn broer
Esau . Op zijn vlucht komt hij bij een waterput waar drie kudden schapen liggen
te wachten om water te krijgen . Daar ontmoet hij Rachel . Hij rolt de steen
weg van de waterput en geeft de schapen van Rachel te drinken . Deze waterput
betekent leven voor de schapen . Bij deze put ontstaat ook een nieuwe toekomst
, want Rachel zal later de vrouw van Jakob worden . In nog twee andere verhalen
gebeurt iets gelijkaardigs . In Gn 24 worden enkele dienaars van Abraham erop
uitgestuurd om een vrouw voor Isaak te zoeken . Bij een waterput ontmoeten zij
Rebekka , die de vrouw van Isaak zal worden . In het N.T. vinden we het verhaal
van Jezus in gesprek met de Samaritaanse vrouw bij de waterput (Joh 4) .In Ex
2,16-22 is Mozes op de vlucht voor de farao van Egypte . Hij ontmoet er bij
de waterput van de kudden de zeven dochters van de priesters Jethro . Met één
van hen zal Mozes later huwen .Het wegrollen van de steen betekent de mogelijkheid
scheppen om water te putten en de dieren te drinken te geven . Het is toegang
krijgen tot de bron van leven . De ontmoeting van Jakob en Rachel is de bron
van toekomst , van elkaar huwen en nageslacht . In vergelijking met de Oud-Testamentische
verhalen gaan de Nieuw-Testamentische verhalen een omgekeerde weg . In het N.T.
wordt de steen voor de deur van het gedenkteken gerold en daarna weggerold .
Het wegrollen van de steen bij het graf betekent de deur naar nieuw leven openen
. Want hoe tegenstrijdig het ook moge klinken , de plaats die beschouwd wordt
als een plaats van de dood is een plaats van leven . Zo zingt een lied : Midden
in de dood is het leven . Vanuit deze gedachten kan het doopsel gezien worden
als een afdalen naar de bron , om eruit op te stijgen als nieuw geborene .Ook
het verhaal van de lamme (Mc 2,1-12) krijgt een diepere betekenis . De vier
dragers van de lamme kunnen niet bij Jezus komen vanwege de menigte . Zij klimmen
op het dak , maken een opening en laten de lamme voor Jezus' voeten neerdalen
, de bron van leven . Na afgedaald te zijn tot de bron van het leven kan de
lamme opstaan . De evangelisten beklemtonen de verandering , het keerpunt .
Bij Marcus en Matteüs ligt de klemtoon van de verandering op het graf als
bron van leven voor het individuele en gemeenschappelijke leven. Lucas wil de
klemtoon van de verandering niet leggen op de situatie van de steen als afsluiting
of ontsluiting van leven . Bij de graflegging spreekt Lucas niet eens over de
steen en bij het lege grafverhaal is zijn vermelding uiterst beperkt (ze zagen
een weggerolde steen). Lucas’ klemtoon ligt op de persoon van Jezus (Hij
leeft ; dit is meer dan : Hij is bron van leven; het ene veronderstelt het andere)
. De verandering is aangekondigd in de lijdensvoorspellingen : op de derde dag
zal hij verrijzen . In drie zitten de drie elementen van verandering : ondergaan
– onder-zijn – op-gaan . De verandering betreft Jezus’ zelf
. Hiermee wijkt Lucas af van Marcus en Matteüs . Zij herinneren aan de
woorden van Jezus dat Hij de leerlingen zou voorgaan naar Galilea . Daar zou
Jezus hen verzamelen.
| Lc 24,1 - Lc 24,1 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond,
gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en
sommigen met haar.
King James Bible . Now upon the first day of the week, very early in the morning
they came unto the sepulchre, bringing the spices which they had prepared, and
certain others with them.
Luther-Bibel . 1 Aber am ersten Tag der Woche sehr früh kamen sie zum Grab
und trugen bei sich die wohlriechenden Öle, die sie bereitet hatten.
Tekstuitleg van Lc 24,1 . Dit vers Lc 24,1 telt 19 woorden en 89 letters . De getalwaarde van Lc 24,1 is 10069 .
Lc 24,1.1.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bep.lidw. ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11)
Lc 24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling . In vier verzen bij een
plaatsbepaling .
In drie verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 (tè(i) galilaia(i) : In Galilea) . (3) Lc
24,7 (tè(i) tritè(i) hèmerai : op de derde dag) . In
twee verzen voor een tijdsbepaling , in één vers voor een plaatsbepaling
. Het is wel opvallend dat het vers Lc
24,1 begint met een tijdsbepaling . In Lc
23,56b staat ook de tijdsbepaling vooraan . De vrouwen overspannen de tijd
van drie dagen (Lc 23,55-24,1) : ze zien waar ze Jezus hebben neergelegd en
bereidden kruiden . Ze rustten op sabbat . Op de eerste dag gingen ze naar het
aandenken .
Lc 24,1.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Wellicht hebben we met de constructie van men (Lc
23,56b) ... de (Lc
24,1) te maken ; enerzijds : op sabbat rustten ze ; anderzijds : op de eerste
dag van de week .
Lc 24,1.1. - 2. tè(i) de ... (1) Lc 1,57 . (2) Lc 24,1 . Bij het begin van het vers . Lc 23,56b : kai to men ... en de sabbat enerzijds .
Lc 24,1.3. nom. + dat. vr. enk. mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord heis , mia , hen (één) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 17,35 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 24,1 . Een vorm van het telwoord heis , mia , hen (één) in Lc in 42 verzen , in Lc 24 in 2 verzen : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,18 .
Lc 24,1.4.
bep.lidw. gen. mv. tôn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het)
. Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In zes verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,8 . (4) Lc
24,14 . (5) Lc
24,24 . (6) Lc
24,27 .
Lc 24,1.3. - 4. mia(i) tôn) (één van) . Lc (6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 20,1 . (6) Lc 24,1 .
Lc 24,1.5. gen. onz. mv. sabbatôn van het zelfst. naamw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het N.T. : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Lc : sabbaton (sabbat) . Lc (2) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 . Een vorm van sabbaton (sabbat) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 6,1 . (4) Lc 6,2 . (5) Lc 6,5 . (6) Lc 6,6 . (7) Lc 6,7 . (8) Lc 6,9 . (9) Lc 13,10 . (10) Lc 13,14 . (11) Lc 13,15 . (12) Lc 13,16 . (13) Lc 14,1 . (14) Lc 14,3 . (15) Lc 14,5 . (16) Lc 18,12 . (17) Lc 23,54 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,1 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en in 19 verzen .
Lc 24,1.2.
- 5. mia(i) tôn sabbatôn (op de eerste van de week / het wekenfeest)
. In vier verzen in het N.T. : (1) Lc
24,1 . (2)
Joh 20,1 . (3) Joh
20,19 . (4) Hnd
20,7 . Duidt de tijdsaanduiding bij het begin van het vers de eerste dag
van de week of de eerste dag van het Wekenfeest aan ? Ze duidt in ieder geval
een nieuw begin aan . Dat is de ervaring van de eerste volgelingen van Jezus
. Ze hebben met Jezus iets nieuws ervaren en hij staat aan het begin van een
nieuwe beweging . We zijn ook in de week van de ongedesemde broden , uitdrukking
van een nieuw begin . Met het krieken van de ochtend is de overgang - pathein
(lijden , ondergaan) - voorbij .
Lc 24,1.6.
gen. mann. enk. orthrou (des morgens = 's morgens) van het zelfst. naamw. orthros
(ochtendschemering, morgen) . Taalgebruik in het N.T. : orthros
(ochtendschemering, morgen) . Taalgebruik in Lc : orthros
(ochtendschemering, morgen) . Lc (1) Lc
24,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 24,1.7. bijwoord batheôs van het bijvoegl. naamw. bathus (diep, hoog) . Taalgebruik in het N.T. : bathus (diep, hoog) . Taalgebruik in Lc : bathus (diep, hoog) . Lc (1) Lc 24,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 24,1.8. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,47 .
Lc 24,1.9.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,1.8. - 9. epi to . Lc (10) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,27 . (4) Lc 10,34 . (5) Lc 15,4 . (6) Lc 17,35 . (7) Lc 24,1 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 .
Lc 24,1.10. nom. + acc. onz. enk. mnèma (aandenken) . Taalgebruik in het N.T. : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma (aandenken) . Lc (1) Lc 24,1 . Een vorm van mnèma (aandenken) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 8,27 . (2) Lc 23,53 . (3) Lc 24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen . De enkelv.-vorm in Lc 23,53 (en mnèmati = in een graf) en in Lc 24,1 (epi to mnèma = op / naar het graf) . Deze twee teksten verwijzen naar elkaar . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 24,1.8. - 10. epi to mnèma (op / naar het aandenken) . Hapax in Lc . epi to mnèmeion (op / naar het gedenkteken) . Lc (3) : (1) Lc 24,12 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,24 .
Lc 24,1.11.
ind. aor. 3de pers. mv. èlthon (zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan,
komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) .
Lc (11) : (1) Lc
1,59 . (2) Lc
2,44 . (3) Lc
3,12 . (4) Lc
4,42 . (5) Lc
5,7 . (6) Lc
6,18 . (7) Lc
8,35 . (8) Lc
12,49 . (9) Lc
23,33 . (10) Lc
24,1 . (11) Lc
24,23 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc in 98 verzen , in Lc 24
in 2 verzen : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,23 . In Lc : X vormen in 24 hoofdstukken en in 98 verzen .
Lc 24,1.8. - 11. epi to mnèma èlthon (naar het aandenken gingen zij) . Variante lezing : èlthon epi to mnèma (zij gingen naar het aandenken) . Parallelle lezing in Lc 23,56b : hèsuchasan kata tèn entolèn (zij rustten volgens het voorschrift) .
Lc 24,1.12. act. part. praes. nom. vr. mv. ferousai van het werkw. ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het N.T. : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Lc : ferô (voeren, dragen) . Lc (1) Lc 24,1 . Een vorm van ferô (voeren, dragen, brengen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 15,23 . (3) Lc 23,26 . (4) Lc 24,1 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 4 verzen .
Lc 24,1.13. nom. + acc. onz. mv. ha . Betrekk. voornaamw. hos , hè , ho (die, dat) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (9) : (1) Lc 6,46 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 7,32 . (4) Lc 10,23 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 12,12 . (7) Lc 12,20 . (8) Lc 21,6 . (9) Lc 24,1 .
Lc 24,1.14. act. ind. aor. 3de pers. mv. ètoimasan van het werkw. hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in het N.T. : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in Lc : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Lc (3) : (1) Lc 22,9 . (2) Lc 23,56 . (3) Lc 24,1 . Een vorm van hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 2,31 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 9,52 . (6) Lc 12,20 . (7) Lc 12,47 . (8) Lc 17,8 . (9) Lc 22,8 . (10) Lc 22,9 . (11) Lc 22,12 . (12) Lc 22,13 . (13) Lc 23,56 . (14) Lc 24,1 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en in 14 verzen .
Lc 24,1.15. nom. + acc. onz. mv. arômata van het zelfst. naamw. arôma (welriekend kruid , specerij) . Taalgebruik in het N.T. : arôma (welriekend kruid , specerij) . Taalgebruik in Lc : arôma (welriekend kruid , specerij) . Lc (2) : (1) Lc 23,56 . (2) Lc 24,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 24,1.14. - 15. hètoimasan arômata (zij bereidden welriekende kruiden) . Lc (2) : (1) Lc 23,56 . (2) Lc 24,1 . In Lc 23,56 bereidden de vrouwen de kruiden , in Lc 24,1 droegen ze de kruiden mee wanneer ze naar het aandenken gingen . De twee verzen volgen op elkaar en sluiten bij elkaar aan .
| Lc 24,2 - Lc 24,2 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf
King James Bible . [2] And they found the stone rolled away from the sepulchre.
Luther-Bibel . 2 Sie fanden aber den Stein weggewälzt von dem Grab
Tekstuitleg van Lc 24,2 . Het vers Lc 24,2 telt 8 (2³) woorden en 44 (2² X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,2 is 3818 (2 X 23 X 83) .
Lc 24,2.1. act. ind. aor. 1ste pers. enk. of 3de pers. mv. heuron (ik vond of zij vonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . In 14 verzen bij Lc : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen , . in Lc 24 in 5 verzen : 4 + Lc 24,23 . In Lc : 17 vormen in 18 hoofdstukken en 45 verzen .
Lc 24,2.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Hetzelfde onderwerp als in Lc
24,1 . De vrouwen hadden wellicht niet verwacht dat de steen zou weggerold
zijn . Er is dus een bepaalde tegenstelling , vandaar de (echter) .
Lc 24,2.3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bep. lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,46 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,53 .
Lc 24,2.4. acc. mann. enk. lithon van het zelfst. naamw. lithos (steen) . Taalgebruik in het N.T. : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) . Lc (5) : (1) Lc 4,11 . (2) Lc 19,44 . (3) Lc 20,17 . (4) Lc 20,18 . (5) Lc 24,2 . Een vorm van lithos (steen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 11,11 . (5) Lc 17,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 19,44 . (8) Lc 20,17 . (9) Lc 20,18 . (10) Lc 21,5 . (11) Lc 21,6 . (12) Lc 22,41 . (13) Lc 24,2 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en 13 verzen .
Lc 24,2.5. pass. part. perf. nom. mann. enk. apokekulismenon (weggerold) van het werkw. apokuliô (afrollen, wegrollen) . Taalgebruik in het N.T. : apokuliô (wegrollen) . Taalgebruik in Lc : apokuliô (wegrollen) . Hebr. gâlal . Ned. rollen . apo (af) en epi (op) . Lc (1) Lc 24,2 . Dit is de enigste vorm in Lc . apo- ... apo (afgerold af ... weggerold .. weg van) .
Lc 24,2.6. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,2.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bep. lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) . Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,3 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,9 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,35 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,49 .
Lc 24,2.8.
gen. onz. enk. mnèmeiou van het zelfst. naamw. mnèmeion (monument,
gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het N.T. : mnèmeion
(monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion
(monument, gedenkteken, graf) . Lc (2) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,9 . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc
in 8 verzen : (1) Lc
11,44 . (2) Lc
11,47 . (3) Lc
23,55 . (4) Lc
24,2 . (5) Lc
24,9 . (6) Lc
24,12 . (7) Lc
24,22 . (8) Lc
24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf)
in 3 hoofdstukken en in 8 verzen .
Een vorm van mnèma (aandenken) in Lc in 3 verzen : (1) Lc
8,27 . (2) Lc
23,53 . (3) Lc
24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 24,2.6. - 8. apo tou mnèmeiou (weg van het aandenken) . Lc (2) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 .
| Lc 24,3 - Lc 24,3 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . . 3 En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere
Jezus niet.
King James Bible . [3] And they entered in, and found not the body of the Lord
Jesus.
Luther-Bibel . 3 und gingen hinein und fanden den Leib des Herrn Jesus nicht.
Tekstuitleg van Lc 24,3 . Het vers Lc 24,3 telt 9 (3²) woorden en 42 (2 X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,3 is 6535 (5 X 1307) .
Lc 24,3.1. part. aor. nom. vr. mv. eiselthousai (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lat. intro-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen . Lc (1) Lc 24,3 . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 47 verzen , in Lc 24 in 3 verzen : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,26 . (3) Lc 24,29 . In Lc : 16 vormen in 17 hoofdstukken en in 47 verzen .
Lc 24,3.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Wellicht hebben we met de constructie van men (Lc
23,56b) ... de (Lc
24,1) te maken ; enerzijds : op sabbat rustten ze ; anderzijds : op de eerste
dag van de week . Hetzelfde onderwerp als in Lc
24,1 . De vrouwen hadden wellicht ook niet verwacht dat zij het lichaam
van Jezus niet zouden vinden . Er is dus een bepaalde tegenstelling , vandaar
de (echter) .
Lc 24,3.3. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,3.4. actief ind. aorist eerste persoon enkelvoud of derde persoon meervoud euron (ik vond of zij vonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . In veertien verzen bij Lc : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 47 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 5 verzen : 4 + Lc 24,23 . In Lc : 17 vormen in 18 hoofdstukken en 45 verzen .
Lc 24,3.3.
- 4. mè heurontes (niet gevonden) . (1) Lc
2,12 . (1) Lc
2,45 . (1) Lc
2,46 . mè heurousai (niet gevonden) : Lc
24,23 .
mè (niet) + een vorm van het werkw. heuriskô (vinden) . Lc (4)
: (1) Lc
2,45 . (2) Lc
5,19 . (3) Lc
11,24 . (4) Lc
24,23 . ouch (niet) + een vorm van het werkw. heuriskô (vinden) .
Lc (5) : (1) Lc
13,6 . (2) Lc
13,7 . (3) Lc
17,18 . (4) Lc
19,48 . (5) Lc
24,3 .
Lc 24,3.5.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,3.6. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het N.T. : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen .
Lc 24,3.4. - 6. Een vorm van hert werkw. heuriskô (vinden) en het zelfst. naamw. sôma (lichaam) in Lc (2) : (1) Lc 24,3 : ouch heuron to sôma tou kuriou ièsou (zij vonden niet het lichaam van de Heer Jezus) . (2) Lc 24,23 : mè heurousai to sôma autou (niet gevonden zijn lichaam) .
Lc 24,3.7.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,3.8. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het N.T. : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . Lc 24 (1) Lc 24,3 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 24 in 2 verzen : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,34 . In Lc : een vorm van kurios (heer) in het enkelv. in 5 vormen , in 20 hoofdstukken en in 99 verzen .
Lc 24,3.9. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . In Lc : 3 vormen in 19 hoofdstukken en in 87 verzen .
Lc 24,3.8. - 9. kuriou Ièsou (van de Heer Jezus) . Slechts in één vers in de evangelies : Lc 24,3 .
5. - 9. het lichaam van...
- Lc 23,52
: to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc
24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus
.
- Lc 23,55
en Lc 24,23
: to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52
is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc
23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd
, in Lc
24,3 en Lc
24,23 over het verheerlijkte lichaam .
| Lc 24,4 - Lc 24,4 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren,
zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen.
King James Bible . [4] And it came to pass, as they were much perplexed thereabout,
behold, two men stood by them in shining garments:
Luther-Bibel . 4 Und als sie darüber bekümmert waren, siehe, da traten
zu ihnen zwei Männer mit glänzenden Kleidern.
Tekstanalyse van Lc 24,4 . Het vers Lc 24,4 telt 17 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 24,4 is 10486 ( 2 X 7² X 107) .
Lc 24,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,4.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,4.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,4.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,30 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,47 . (6) Lc 24,51 . (7) Lc 24,53 .
Lc 24,4.1.
- 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9)
: (1) Lc
1,8 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
3,21 . (4) Lc
5,1 . (5) Lc
8,40 . (6) Lc
9,51 . (7) Lc
10,38 . (8) Lc
11,27 . (9) Lc
18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc
(14) : (1) Lc
5,12 . (2) Lc
8,1 . (3) Lc
9,18 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
11,1 . (7) Lc
14,1 . (8) Lc
17,11 . (9) Lc
17,14 . (10) Lc
19,15 . (11) Lc
24,4 . (12) Lc
24,15 . (13) Lc
24,30 . (14) Lc
24,51 .
De zinsconstructie van Lc
1,8 vinden we terug in Lc
24,4 . Deze zinsconstructie staat opnieuw bij het begin van de verandering
van begin- naar eindsituatie . Het staat dus aan een overgang . Opmerkelijk
in beide verhalen is wel dat er daarna sprake is van "hemelse figuren"
.
Lc 24,4.5. pass. inf. praes. aporeisthai van het werkw. aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn, in verlegenheid, in twijfel zijn) . Taalgebruik in het N.T. : aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) . Taalgebruik in Lc : aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) . Lc (1) Lc 24,4 .
Lc 24,4.6. pers. voornaamw. acc. vr. mv. autas (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 24,4 . (3) Lc 24,5 .
Lc 24,4.7. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
Lc 24,4.8. aanwijz. voornaamw. gen. mann. + onz. enk. toutou van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (7) : (1) Lc 2,17 . (2) Lc 9,45 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 16,8 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 22,51 . (7) Lc 22,4 .
Lc 24,4.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,4.10. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Taalgebruik in Hnd : idou (zie) . Lc (55) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 . Hnd (23) .
9. - 10. kai idou (en zie) . Lc (27 / 55) . Lc 24 (3 / 3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 .
Lc 24,4.11. nom. + voc. mann. mv. andres van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Lc : anèr (man) . Taalgebruik in Hnd : anèr (man) . Lc (8) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 7,20 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,30 . (5) Lc 11,32 . (6) Lc 17,12 . (7) Lc 22,63 . (8) Lc 24,4 . Een vorm van anèr (man) in Lc (26) , in Lc 24 (2) : (8) Lc 24,4 . (9) Lc 24,19 . In Lc : 7 vormen van anèr (man) in 15 hoofdstukken en in 26 verzen . In Hnd : 9 vormen van anèr (man) in 26 hoofdstukken en in 99 verzen .
Lc 24,4.12. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 .
Lc 24,4.9. - 12. kai idou andres (en zie mannen) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 24,4 : kai idou andres duo = en zie twee mannen . (4) Hnd 1,10 : kai idou andres duo = en zie twee mannen . (5) Hnd 10,17 : kai idou hoi andres (en zie de mannen) .
Lc 24,4.13. ind. aor. 3de p. mv. epestèsan (zij stonden bij) van het werkw. efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in het N.T. : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Lc : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Hnd : efistèmi (staan bij) . Lc (2) : (1) Lc 20,1 . (2) Lc 24,4 . Een vorm van efistèmi (staan bij) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 4,39 . (4) Lc 10,40 . (5) Lc 20,1 . (6) Lc 21,34 . (7) Lc 24,4 . In Lc : 5 vormen in 6 hoofdstukken en in 7 verzen . In Hnd : 6 vormen van efistèmi (staan bij) in 9 hoofdstukken en in 11 verzen .
Lc 24,4.11. - 13. - Lc 24,4 : duo andres epestèsan (twee mannen stonden bij) . - Hnd 11,11 : treis andres epestèsan (drie mannen stonden bij) .
14. autais
15. en
16. esthèti . esthès (kleed, kleding) . 2 M 11,8 : en leukèi esthèti (in wit licht) . Lc 24,4 : en esthèti astraptousèi (in een schitterend kleed) . Hnd 10,30 : en esthèto lamprai (in stralend kleed) . Jak 2,2 : en esthèto lamprai (in stralend kleed) . In vier verzen in het N.T.
17. astraptô (bliksemen, stralen)
. Verwijzing : astraptô
(bliksemen, stralen) , zie Lc
24,4 .
- astraptousèi . Participium praesens datief vrouwelijk enkelvoud . Slechts
in Lc 24,4
: en esthèti astraptousèi = in schitterend kleed . Omwille van
de beschrijving van hun kleding kunnen de twee mannen slechts hemelse figuren
zijn . In het werkwoord astraptô (stralen) zit het woord astèr
(ster) . Het is een hemellichaam dat flikkert, fonkelt, schittert, straalt (str
... stralen - ster ) . De twee mannen in het verhaal van de verheerlijking van
Jezus (Lc
9,28-36) zijn Mozes en Elia .
- astraptousa . Participium praesens nominatief vrouwelijk enkelvoud . Slechts
in Lc 17,24
. In dit vers vergelijkt Lucas de komst van de mensenzoon met een bliksem die
flitst en de hemel van de ene naar de andere kant verlicht . In Hnd
9,3 wordt gezegd dat een licht uit de hemel hem omstraalde . Hier wordt
het werkwoord peri-astraptô (rondom - stralen / bliksemen . Paulus wordt
'neer'gebliksemd .
- astrapè (bliksem, straal, licht) . In acht verzen in de bijbel . In
vier verzen in het O.T. : (1) Ez 1,13 . (2) Zach
9,14 . (3) Si 32,10 . (4) Ba 6,60 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt
24,27 // Lc
17,24 . (2) Mt
28,3 . (3) Lc
11,36 . (4) Lc
17,24 // Mt
24,27 .
| Lc 24,5 - Lc 24,5 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar
de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?
King James Bible . [5] And as they were afraid, and bowed down their faces to
the earth, they said unto them, Why seek ye the living among the dead?
Luther-Bibel . 5 Sie aber erschraken und neigten ihr Angesicht zur Erde. Da
sprachen die zu ihnen: Was sucht ihr den Lebenden bei den Toten?
Tekstuitleg van Lc 24,5 . Het vers Lc 24,5 telt 21 (3 X 7) woorden en 98 (2² X 2² X 3) letters . De getalwaarde van Lc 24,5 is 14826 (2 X 3 X 7 X 353) .
Lc 24,5.1. gen. mann. mv. emfobôn van het bijvoegl. naamw. emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het N.T. : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) . Lc (1) Lc 24,5 . Een vorm van emfobos (bevreesd) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,37 . In Lc : 2 vormen in 1 hoofdstuk en in 2 verzen .
Lc 24,5.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Wellicht hebben we met de constructie van men (Lc
23,56b) ... de (Lc
24,1) te maken ; enerzijds : op sabbat rustten ze ; anderzijds : op de eerste
dag van de week . De vrouwen reageren met vrees op de verschijning van de twee
mannen .
Lc 24,5.3. part. aor. gen. mv. genomenôn van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Lc (1) Lc 24,5 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 130 verzen .
Lc 24,5.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,5.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. nom. + acc. onz. mv. prosôpa van het zelfst. naamw. prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in Lc : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Lc (1) Lc 24,5 .
Lc 24,5.9. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
13. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
14. pers. voornaamw. acc. vr. mv. autas (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 24,4 . (3) Lc 24,5 .
Lc 24,5.15. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,38 . (3) Lc 24,41 .
Lc 24,5.16. act. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. zèteite van het werkw. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô (zoeken) . Taaalgebruik in Lc : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj . dârasj < midrasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Lc (4) : (1) Lc 11,9 . (2) Lc 12,29 . (3) Lc 12,31 . (4) Lc 24,5 . Een vorm van zèteô (zoeken) in Lc in 26 verzen . In Lc : 14 vormen van zèteô (zoeken) in 13 / 24 hoofdstukken en in 26 verzen . In Hnd : X vormen van zèteô (zoeken) in 7 / 28 hoofdstukken en in 10 verzen .
Lc 24,5.17.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,5.19. meta (met , na) . Afkorting : met' of meth' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . - Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) . - Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after . Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc (2 + 1 + 1 = 4) . meta (2) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,52 . met' (1) Lc 24,30 . meth' (1) Lc 24,29 .
Lc 24,5.20. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (119) . In zes verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,8 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,27 .
21. gen. mv. nekrôn van het bijvoegl. naamw. nekros (dode) . Taalgebruik in het N.T. : nekros (dode) . Taalgebruik in Lc : nekros (dode) . Taalgebruik in Hnd : nekros (dode) . Hebr. mth (67) . mwth (123) . L. mori : sterven ; mors , mortis : de dood ; mortuus : dode; cfr. mortuarium : dodenhuisje . Lc (7) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 16,30 . (3) Lc 16,31 . (4) Lc 20,35 . (5) Lc 20,38 . (6) Lc 24,5 . (7) Lc 24,46 . In Lc : 5 vormen van nekros (dode) in 6 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : X vormen van nekros (dode) in 12 hoofdstukken en in 17 verzen .
20. - 21. tôn nekrôn . N.T. (16) . Lc (1) Lc 24,5 .
19. - 21. meta tôn nekrôn (bij de doden) . In het N.T. slechts in Lc 24,5 .
| Lc 24,6 - Lc 24,6 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij
tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
King James Bible . [6] He is not here, but is risen: remember how he spake unto
you when he was yet in Galilee,
Luther-Bibel . 6 Er ist nicht hier, er ist auferstanden. Gedenkt daran, wie
er euch gesagt hat, als er noch in Galiläa war:
Tekstuitleg van Lc 24,6 . Het vers Lc 24,6 telt 14 (2 X 7) woorden en 61 letters . De getalwaarde van Lc 24,6 is 6141 (2 X 23 X 89) .
Bespreking van dit vers in Lc 24,6 . Het vers Lc 24,6 telt 14 (2 X 7) woorden en 61 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 24,6 is 6141 (2 X 23 X 89) .
Lc 24,6.1. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,6.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 .
Lc 24,6.3. hôde (hier) . Taalgebruik in het N.T. : hôde (hier) . Taalgebruik in Lc : hôde (hier) . Lc (15) : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 9,33 . (4) Lc 9,41 . (5) Lc 11,31 . (6) Lc 11,32 . (7) Lc 14,21 . (8) Lc 15,17 . (9) Lc 16,25 . (10) Lc 17,21 . (11) Lc 17,23 . (12) Lc 19,27 . (13) Lc 22,38 . (14) Lc 23,5 . (15) Lc 24,6 .
Lc 24,6.5.
pass. ind. aor. 3de pers. enk. ègerthè (hij werd opgewekt) van
het werkw. egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het N.T. : egeirô
(wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô
(wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat.
vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere
( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super
= op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen
. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr.
résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug
, snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven
.
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken . Lc (4) : (1) Lc
7,16 . (2) Lc
9,7 . (3) Lc
24,6 . (4) Lc
24,34 . Een vorm van egeirô (opwekken) in Lc in 18 verzen :
(1) Lc
1,69 . (2) Lc
3,8 . (3) Lc
5,23 . (4) Lc
5,24 . (5) Lc
6,8 . (6) Lc
7,14 . (7) Lc
7,16 . (8) Lc
7,22 . (9) Lc
8,54 . (10) Lc
9,7 . (11) Lc
9,22 . (12) Lc
11,8 . (13) Lc
11,31 . (14) Lc
13,25 . (15) Lc
20,37 . (16) Lc
21,10 . (17) Lc
24,6 . (18) Lc
24,34 . In Lc : 10 vormen in 12 hoofdstukken en in 18 verzen .
Lc 24,6.6. imperat. aor. 2de pers.mv. mnèsthète (herinner je) van het werkwoord mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het N.T. : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Hnd : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Lc (1) Lc 24,6 . Een vorm van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 2 vormen van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in 2 hoofdstukken en in 2 verzen . Hebr. eventueel act. qal. imperat. 2de pers. mv. zihkërû (herinnert jullie) , zie : Taalgebruik in Tenach : zâkhar (gedenken) .
Lc 24,6.7. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,32 . (3) Lc 24,35 .
Lc 24,6.8. actief indicatief aorist derde persoon enkelvoud elalèsen (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (5) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 . Hnd (8) . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .
11. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .
Lc 24,6.12.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,6.13.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
. In drie verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 (tèi galilaiai : In Galilea) . (3) Lc
24,7 (tèi tritèi hèmerai : op de derde dag) . In twee
verzen voor een tijdsbepaling , in één vers voor een plaatsbepaling
.
14. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .
| Lc 24,7 - Lc 24,7 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in
de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.
King James Bible . [7] Saying, The Son of man must be delivered into the hands
of sinful men, and be crucified, and the third day rise again.
Luther-Bibel . 7 Der Menschensohn muss überantwortet werden in die Hände
der Sünder und gekreuzigt werden und am dritten Tage auferstehen.
Tekstuitleg van Lc 24,7 . Het vers Lc 24,7 telt 19 woorden en 107 letters . De getalwaarde van Lc 24,7 is 13766 (2 X 6883) .
1. legôn (zeggend) . In zevenenveertig verzen in Lc . In één vers in Lc 24 (een eerder citaat van Jezus wordt aangehaald) .
2. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,46 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,53 .
4. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
6. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,7.7. act. ind. praes. 3de pers. enk. dei (hij / het moet) . Taalgebruik in het N.T. : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) . Lc (12) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 12,12 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 17,25 . (8) Lc 19,5 . (9) Lc 21,9 . (10) Lc 22,37 . (11) Lc 24,7 . (12) Lc 24,44 . Een vorm van dei (hij / het moet) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 13,14 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 13,33 . (9) Lc 15,32 . (10) Lc 17,25 . (11) (1) Lc 18,1 . (12) Lc 19,5 . (13) Lc 21,9 . (14) Lc 22,7 . (15) Lc 22,37 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,26 . (18) Lc 24,44 . In Lc : 3 vormen van dei (hij / het moet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 18 verzen . In Hnd : 4 vormen van dei (hij / het moet) in 18 / 28 hoofdstukken en in 24 verzen .
6. 7. dei (moet) . Verwijzing : deô
(moeten) , zie Mt
16,21 . In twaalf verzen bij Lucas :
(11) Lc
24,7 : legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat
de mensenzoon moet . (verschijning aan de vrouwen) .
- hoti dei (dat moet) . hoti leidt een voorwerpszin in . Het wordt voorafgegaan
door allerlei werkwoordvormen van verschillende werkwoorden met de betekenis
van zeggen . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt
16,21 (// Mc
8,31 // Lc
9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Mc
8,31 (// Mt
16,21 // Lc
9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Lc
9,22 ( // Mc
8,31 // Mt
16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc
24,7 . (5) Lc
24,44 . In vier van de acht teksten wordt de mensenzoon (ton huion tou anthrôpou)
uitdrukkelijk vermeld : (2) Mc
8,31 . (3) Lc
9,22 . (4) Lc
24,7 . (6) Joh
12,34 .
- De gelijkenis tussen Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) en Lc
24,7 (verschijning van Jezus aan de vrouwen) is groot :
--- Lc
9,22 : : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein
= zeggende dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling)
.
--- Lc 24,7
: legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat de mensenzoon
moet . (verschijning aan de vrouwen) .
In deze beide verzen volgt op het werkwoord dei drie nevenschikkende infinitiefzinnen
.
9. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
10. acc. vr. mv. cheiras van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) . Taalgebruik in Hnd : cheir (hand) . Hebr. jad (hand) . Taalgebruik in Tenach : jad (hand) . Ned. hand . D. Hand . E. hand . Lat. manus . Fr. main . Lc 11) : (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 20,19 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 23,46 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 . Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen , in Lc 24 (4) . In Lc : 8 vormen van cheir (hand) in 25 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van cheir (hand) in 45 verzen in 21 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,7.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
14. pass. inf. aor. staurôthènai van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (2) : (1) Lc 23,23 . (2) Lc 24,7 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
Lc 24,7.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,7.16.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
. In drie verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 (tèi galilaiai : In Galilea) . (3) Lc
24,7 (tèi tritèi hèmerai : op de derde dag) . In twee
verzen voor een tijdsbepaling , in één vers voor een plaatsbepaling
.
Lc 24,7.17. dat. vr. enk. tritè(i) ( - op de - derde) van het telwoord treis (drie) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Taalgebruik in Hnd : telwoorden . Lc (6) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 12,38 . (3) Lc 13,32 . (4) Lc 18,33 . (5) Lc 24,7 . (6) Lc 24,46 .
Lc 24,7.18. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Een vorm van hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) , in Lc (82) , in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,29 . (6) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Arabisch : dag (jaum) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) .
| hèmera (dag) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) | 854 | 750 | 104 | 13 | 3 | 27 | 17 | 12 | 28 | 4 | 43 | 60 |
Lc 24,7.16. - 18. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag . NT (10) . Mt (3) : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 17,23 . (3) Mt 20,19 . Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Hnd (1) Hnd 10,40 . Verder : 1 Kor 15,4 . tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) (op de dag , de derde) . NT (2) : (1) Lc 18,32 . (2) Joh 2,1 . Hebr. bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag) , zie Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lc 18,33 : tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) = op de derde dag .
Lc 24,7.19. inf. aor. anastènai van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc (29) , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,8 . (2) Lc 9,19 . (3) Lc 9,22 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
16. - 19. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag in
combinatie met een vorm van anistèmi (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc
9,22 (variante) . (2) Lc
24,7 . (3) Lc
24,46 . Hos 6,2 : bajjôm hasjsjëlîsjî jëqimenû
(op de derde dag zal hij ons doen opstaan) . jëqimenû : hifil imperfectum
3de pers. enk. ) + nû : suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv. LXX : en
tè èmera tè tritè anastèsometha (op de derde dag zullen wij 'opgewekt' worden)
. Lc 18,33
: tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) = op de derde dag
zal hij 'opgewekt' worden . De lezing van Lc
18,33 benadert de LXX van Hos 6,2 het sterkst .
- tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag in combinatie
met een vorm van egeirô (opwekken) . Lc (1) Lc
9,22 . Hnd (1) Hnd
10,40 .
| Lc 24,8 - Lc 24,8 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 En zij werden indachtig Zijner woorden.
King James Bible . [8] And they remembered his words,
Luther-Bibel . 8 Und sie gedachten an seine Worte.
Tekstuitleg van Lc 24,8 . Het vers Lc 24,8 telt 5 woorden en 28 (2² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,8 is 4222 (2 X 2111) .
Lc 24,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,8.2. ind. aor. 3de pers. mv. emnèsthèsan (zij herinnerden zich) van het werkw. mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in het N.T. : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Lc (1) Lc 24,8 . Een vorm van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . Dit is een verwijzing naar Lc 24,6 .
Lc 24,8.3. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (119) . In zes verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,8 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,27 .
Lc 24,8.4. gen. onz. mv. rèmatôn van het zelfst. naamw. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T. : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Lc : rèma (woord, uitspraak) . Lc (1) Lc 24,8 . Een vorm van rèma (woord, uitspraak) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,17 . (6) Lc 2,19 . (7) Lc 2,29 . (8) Lc 2,50 . (9) Lc 2,51 . (10) Lc 3,2 . (11) Lc 5,5 . (12) Lc 7,1 . (13) Lc 9,45 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 20,26 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,8 . (18) Lc 24,11 .
5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,8 . (2) Lc 24,23 . (3) Lc 24,26 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,50 . Hnd (118) .
| Lc 24,9 - Lc 24,9 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al
deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.
King James Bible . [9] And returned from the sepulchre, and told all these things
unto the eleven, and to all the rest.
Luther-Bibel . 9 Und sie gingen wieder weg vom Grab und verkündigten das
alles den elf Jüngern und den andern allen.
Tekstuitleg van Lc
24,9 . Het vers Lc
24,9 telt 14 (2 X 7) woorden en 77 (7 X 11) letters . De getalwaarde van
Lc 24,9
is 7304 (2³ X 11 X 83) .
Lc 24,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,9.2. act. part. aor. nom. vr. mv. hupostrepsasai (teruggekeerd) van het werkw. hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in het N.T. : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Lc (2) : (1) Lc 23,56 . (2) Lc 24,9 . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 . In Lc : 9 vormen in 12 hoofdstukken en 21 verzen .
Lc 24,9.3. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,9.4.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,9.5. gen. onz. enk. mnèmeiou van het zelfst. naamw. mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het N.T. : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Lc (2) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 24,9.3. - 5. apo tou mnèmeiou (weg van het graf) . Lc (2) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 .
Lc 24,9.6. act. ind. aor. 3de pers. mv.apèggeilan van het werkw. apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in het N.T. : apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in Lc : apaggellô (af-kondigen) . Lc (6) : (1) Lc 7,18 . (2) Lc 8,34 . (3) Lc 8,36 . (4) Lc 9,36 . (5) Lc 18,37 . (6) Lc 24,9 . Een vorm van apaggellô (af-kondigen) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 7,18 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 8,34 . (5) Lc 8,36 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 13,1 . (9) Lc 14,21 . (10) Lc 18,37 . (11) Lc 24,9 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en in 11 verzen .
Lc 24,9.7. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
9. dat onz. mv. tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc (2) : (1) Lc
24,9 . (2) Lc
24,44 .
Lc 24,9.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
13. dat onz. mv. tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc (2) : (1) Lc
24,9 . (2) Lc
24,44 .
| Lc 24,10 - Lc 24,10 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de
moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
King James Bible . [10] It was Mary Magdalene, and Joanna, and Mary the mother
of James, and other women that were with them, which told these things unto
the apostles.
Luther-Bibel . 10 Es waren aber Maria von Magdala und Johanna und Maria, des
Jakobus Mutter, und die andern mit ihnen; die sagten das den Aposteln.
Tekstuitleg van Lc 24,10 . Het vers Lc 24,10 telt 21 (3 X 7) woorden en 96 (2² X 2³ X 3) letters . De getalwaarde van Lc 24,10 is 8824 (2³ X 1103) .
Lc 24,10.1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
Lc 24,10.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Een opsomming van de vrouwen wordt gegeven .
6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
15. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
18. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
21. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
| Lc 24,11 - Lc 24,11 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en
zij geloofden haar niet.
King James Bible . [11] And their words seemed to them as idle tales, and they
believed them not.
Luther-Bibel . 11 Und es erschienen ihnen diese Worte, als wär's Geschwätz,
und sie glaubten ihnen nicht.
Tekstuitleg van Lc 24,11 . Het vers Lc 24,11 telt 12 (2² X 3) woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalwaarde van Lc 24,11 is 9248 (2² X 2³ X 17²) .
Lc 24,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,11.3. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het N.T. : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .
Lc 24,11.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,11.3. - 4. enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 5,18 . enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,43 .
Lc 24,11.8. nom. + acc. onz. rèmata van het zelfst. naamw. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T. : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Lc : rèma (woord, uitspraak) . Lc (5) : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 2,19 . (3) Lc 2,51 . (4) Lc 7,1 . (5) Lc 24,11 . Een vorm van rèma (woord, uitspraak) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,17 . (6) Lc 2,19 . (7) Lc 2,29 . (8) Lc 2,50 . (9) Lc 2,51 . (10) Lc 3,2 . (11) Lc 5,5 . (12) Lc 7,1 . (13) Lc 9,45 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 20,26 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,8 . (18) Lc 24,11 .
9. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
Lc 24,11.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
| Lc 24,12 - Lc 24,12 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukkende,
zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij
zichzelven van hetgeen geschied was.
King James Bible . [12] Then arose Peter, and ran unto the sepulchre; and stooping
down, he beheld the linen clothes laid by themselves, and departed, wondering
in himself at that which was come to pass.
Luther-Bibel .12 Petrus aber stand auf und lief zum Grab und bückte sich
hinein und sah nur die Leinentücher und ging davon und wunderte sich über
das, was geschehen war.
Tekstuitleg van Lc 24,12 . Het vers Lc 24,12 telt 22 (2 X 11) woorden en 109 letters . De getalwaarde van Lc 24,12 is 8518 (2 X 4259) .
Lc 24,12.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . De apostelen reageren met ongeloof op het bericht van de vrouwen
. Petrus echter gaat naar het graf kijken .
Lc 24,12.3.
nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik
in het N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
Lc 24,12.6.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,12 . (3) Lc
24,22 . (4) Lc
24,24 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,47 .
Lc 24,12.7.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
8. nom. of acc. onz. enk. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (21) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Ez 39,11 . (4) W 10,7 . (5) Mc 16,2 . (6) Mc 16,5 . (7) Lc 23,55 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 . (11) Joh 11,31 . (12) Joh 11,38 . (13) Joh 19,41 . (14) Joh 19,42 . (15) Joh 20,1 . (16) Joh 20,3 . (17) Joh 20,4 . (18) Joh 20,6 . (19) Joh 20,8 . (20) Joh 20,11 . (21) Hnd 13,29 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) , in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 8 verzen . Een laatste rustplaats kan op verschillende wijzen worden gemaakt , die als een zichtbaar teken aan de overledene doet denken . Een graf is de rustplaats van de overledene , het 'grafmonument' een gedenkteken voor de overlevenden . In het Grieks : ταφος = tafos (graf) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .
| 1. | 2. | 3. | |||
| mnèmeion | Lc 11 | Lc 23 | Lc 24 | ||
| 1. | nom. + acc. onz. enk. mnèmeion | 4 | (1) Lc 23,55 . | (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . | |
| 2. | gen. onz. enk. mnèmeiou | 2 | (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . | ||
| 3. | nom. + acc. onz. mv. mnèmeia | 2 | (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . | ||
| Totaal | 8 | 2 | 1 | 5 |
- Hebreeuws . NBS + UBS : הַקֻּבֻר = haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw. + קֻבֻר = qèbhèr (graf, begraafplaats) . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . Niet in Tenakh . Een vorm van q-b-r in Tenakh (22) .
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r .
- Latijn . monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (27) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex
13,9 . (3) Ex 17,14 . (4) Ex 30,16 . (5) Ex 39,7 . (6) Lv 5,12 . (7) Lv 6,8 . (8) Lv 24,7 . (9) Nu 31,54 . (10) Joz 4,7 . (11) 2 S 18,18 . (12) Mc 16,2 . (13) Lc
23,55 . (14) Lc 24,1 . (15) Lc 24,12 . (16) Lc
24,22 . (17) Lc
24,24 . (18) Joh
11,31 . (19) Joh
11,38 . (20) Joh
19,41 . (21) Joh
19,42 . (22) Joh
20,1 . (23) Joh
20,3 . (24) Joh
20,4 . (25) Joh
20,6 . (26) Joh
20,8 . (27) Joh
20,11 .
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνημειον = mnèmeion : m-n-m-n . In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt .
- Het Latijnse monumentum is soms de vertaling van het Hebreeuwse זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken,
zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar
(gedenken) . Tenakh (9) : (1) Ex 17,14 . (2) Ex 39,7 . (3) Lv 23,24 . (4) Nu 5,15 . (5) Nu 17,5 . (6) Nu 31,54 . (7) Mal 3,16 . (8) Pr 1,11 . (9) Pr 2,16 .
- Ned. graf (< graven) . D. Grab . Fr. tombeau (< Lat. tumba < tumulus : heuvel ; Gr. τυμβοσ = tumbos) . E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven) . Aramees : קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´ . Arabisch : قَبْر = qabr (graf) . Taalgebruik in de Qoran : qabr (graf) .
6. - 8. epi to mnèmeion (op / naar het graf) . Lc (3) : (1) Lc 24,12 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,24 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
16. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,25 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 24,12 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 . (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 . (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 . (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 . (17) Lc 22,4 . (18) Lc 22,13 . (19) Lc 23,33 . (20) Lc 24,12 . (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen .
17. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,12.20.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Evangelie van de 3de
(derde) paaszondag A : Lc
24,13-35 :
In die tijd waren er twee van de leerlingen van Jezus op weg naar een dorp dat
Emmaüs heette en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag. Zij spraken
met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het praten waren
en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en Hij liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Hij vroeg hun: "Wat is
dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?" Met een bedrukt
gezicht bleven ze staan. Een van hen, die Kléopas heette, nam het woord
en sprak tot Hem: "Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat
Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?" Hij vroeg hun: "Wat
dan?" Ze antwoordden Hem: "Dat met Jezus de Nazarener, een man die
profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en van heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om Hem ter
dood te laten veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij
leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. Wel
hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de
vroegte naar het graf geweest, maar hadden zijn lichaam niet gevonden, en kwamen
zeggen, dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden
dat Hij weer leefde. Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en
bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet." Nu
sprak Hij tot hen: "O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het
geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! Moest de Messias dat alles niet
lijden om in zijn glorie binnen te gaan?" Beginnend met Mozes verklaarde
Hij uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had. Zo kwamen
ze bij het dorp waar ze heengingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan: "Blijf bij ons, want het wordt al avond en de
dag loopt ten einde". Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. Terwijl
Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte
het hun toe. Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween
uit hun gezicht. Toen zeiden ze tot elkaar: "Brandde ons hart niet in ons,
zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?" Ze stonden
onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de
mensen van hun groep bijeen. Deze verklaarden: "De Heer is waarlijk verrezen,
Hij is aan Simon verschenen." En zij van hun kant vertelden wat er onderweg
gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.
| Lc 24,13 - Lc 24,13 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een
vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;
King James Bible . [13] And, behold, two of them went that same day to a village
called Emmaus, which was from Jerusalem about threescore furlongs.
Luther-Bibel . 13 Und siehe, zwei von ihnen gingen an demselben Tage in ein
Dorf, das war von Jerusalem etwa zwei Wegstunden entfernt; dessen Name ist Emmaus.
Tekstuitleg van Lc 24,13 . Het vers telt 21 (3 X 7) woorden en 108 (2² X 3³) letters . De getalwaarde van Lc 24,13 is 11279 .
Lc 24,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,13.2. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Taalgebruik in Hnd : idou (zie) . Lc (55) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 . Hnd (23) .
Lc 24,13.1. - 2. kai idou (en zie) . Lc (27 / 55) . Lc 24 (3 / 3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 .
Lc 24,13.3. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 .
Lc 24,13.1. - 3. kai idou duo (en zie twee) . Lc (2) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 .
Lc 24,13.5. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,13.6.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
7. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (43) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 .
Lc 24,13.8.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
Lc 24,13.10. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
Lc 24,13.11.
part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi (zich op weg begevende) van het werkw.
poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Hnd : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Hebr. hâlakh (gaan) < halacha
: http://nl.wikipedia.org/wiki/Halacha
. Taalgebruik in Tenach : hâlakh
(gaan) . Hebr. por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord
poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats
. Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord
behoort tot de groep van varen . Lc (3) : (1) Lc
1,6 . (2) Lc
8,14 . (3) Lc
24,13 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc
(48) , in Lc 24 (2) : (1) Lc
24,13 . (2) Lc
24,28 . In Lc : 19 vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg
gaan) in 18 / 24 hoofdstukken en in 48 verzen . In Hnd : X vormen van poreuomai
(zich op weg begeven , op weg gaan) in 21 / 28 hoofdstukken en in 39 verzen
. N.T. (150) .
Aan het èsan poreuomenoi (zij waren op weg naar) van Lc
24,13 correspondeert hupestrepsan (zij keerden terug) van Lc
24,33 .
Lc 24,13.12. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,13.17. apo (af, van-weg) . afkorting ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,13.18. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 2,41 . (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,45 . (6) Lc 4,9 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 6,17 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,51 . (11) Lc 9,53 . (12) Lc 10,30 . (13) Lc 13,4 . (14) Lc 13,33 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 17,11 . (17) Lc 18,31 . (18) Lc 19,11 . (19) Lc 21,20 . (20) Lc 21,24 . (21) Lc 23,28 . (22) Lc 24,13 . (23) Lc 24,18 . (24) Lc 24,33 . (25) Lc 24,47 . (26) Lc 24,52 . Een vorm van hierosoluma (Jeruzalem) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 23,7 .
Lc 24,13.17. - 18. apo hierousalèm (van Jeruzalem weg) . N.T. (5) . Lc (3) : (12) Lc 10,30 . (22) Lc 24,13 . (25) Lc 24,47 . Hnd (1) Hnd 8,26 .
Lc 24,13.21. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T. : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .
Lc 24,13.20.
- 21. betrekkelijk voornaamwoord datief enkelvoud + onoma (naam) in Lc (5) :
(1) Lc
1,26 (hè(i) onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc
1,27 (hô(i) onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (3)
Lc 2,25
(hô(i) onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (4) Lc
8,41 (hô(i) onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (5)
Lc 24,13
(hè(i) onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
Betrekk. voornaamw. datief vrouw. enk. in Lc in 2 verzen : (1) Lc
1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc
24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Het betreft
twee dorpen : Nazareth en Emmaüs , het eerste en het laatste dorp in Lc
. De andere drie verzen zijn samengesteld uit het betrekk. voornaamw. datief
mann. enk. + een persoonsnaam (Jozef , Simeon en Jaïrus) : (1) Lc
1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (2)
Lc 2,25
(hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (3) Lc
8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) .
| Lc 24,14 - Lc 24,14 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen,
die er gebeurd waren.
King James Bible . [14] And they talked together of all these things which had
happened.
Luther-Bibel . 14 Und sie redeten miteinander von allen diesen Geschichten.
Tekstuitleg van Lc 24,14 . Het vers Lc 24,14 telt 10 (2 X 5) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Lc 24,14 is 9874 (2 X 4937) .
Lc 24,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,14.2. nom. mann. mv. autoi (zij) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (19) : (1) Lc 2,50 . (2) Lc 6,11 . (3) Lc 9,36 . (4) Lc 11,4 . (5) Lc 11,19 . (6) Lc 11,46 . (7) Lc 11,48 . (8) Lc 11,52 . (9) Lc 13,4 . (10) Lc 14,1 . (11) Lc 14,12 . (12) Lc 16,28 . (13) Lc 17,13 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 22,23 . (16) Lc 22,71 . (17) Lc 24,14 . (18) Lc 24,35 . (19) Lc 24,52 .
Lc 24,14.3. act. ind. imperf. 3de pers. mv. hômiloun van het werkw. homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Taalgebruik in het N.T. : homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Taalgebruik in Lc : homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Taalgebruik in het N.T. : homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Lc (1) Lc 24,14 . Een vorm van homileô (omgaan, zich onderhouden met) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,14 . (2) Lc 24,15 . In Lc : 2 vormen van homileô (omgaan, zich onderhouden met) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van (omgaan, zich onderhouden met) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
Lc 24,14.4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,14.5. acc. mann. mv. allèlous van het voornaamw. allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het N.T. : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Lc : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Hnd : allèloi (elkander, elkaar) . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 12,1 . (6) Lc 20,14 . (7) Lc 24,14 . (8) Lc 24,17 . (9) Lc 24,32 . Een vorm van allèloi (elkander, elkaar) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 7,32 . (5) Lc 8,25 . (6) Lc 12,1 . (7) Lc 20,14 . (8) Lc 23,12 . (9) Lc 24,14 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,32 . In Lc : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 11 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
Lc 24,14.4. - 5. pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 .
Lc 24,14.6. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
Lc 24,14.7. gen. mv. pantôn van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (17) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 2,31 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,20 . (7) Lc 7,18 . (8) Lc 7,35 . (9) Lc 8,45 . (10) Lc 9,43 . (11) Lc 11,50 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 21,3 . (14) Lc 21,12 . (15) Lc 21,17 . (16) Lc 24,14 . (17) Lc 24,27 .
Lc 24,14.6. - 7. peri pantôn (over allen / alles) . N.T. (15) . Lc (3) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 7,18 . (3) Lc 24,14 . Hnd (4) .
Lc 24,14.8. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (119) . In zes verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,8 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,27 .
| Lc 24,15 - Lc 24,15 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander
ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.
King James Bible . [15] And it came to pass, that, while they communed together
and reasoned, Jesus himself drew near, and went with them.
Luther-Bibel . 15 Und es geschah, als sie so redeten und sich miteinander besprachen,
da nahte sich Jesus selbst und ging mit ihnen.
Tekstuitleg van Lc 24,15 . Het vers Lc 24,15 telt 15 (3 X 5) woorden en 79 letters . De getalwaarde van Lc 24,15 is 9279 (3² X 1031) .
Lc 24,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,15.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) .In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,15.3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,6 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,27 . (8) Lc 24,30 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,35 . (11) Lc 24,36 . (12) Lc 24,38 . (13) Lc 24,44 . (14) Lc 24,49 . (15) Lc 24,51 . (16) Lc 24,53 .
Lc 24,15.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,30 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,47 . (6) Lc 24,51 . (7) Lc 24,53 .
Lc 24,15.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 24,15.6. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,15.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,15.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
10. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
14. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
| Lc 24,16 - Lc 24,16 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
King James Bible . [16] But their eyes were holden that they should not know
him.
Luther-Bibel . 16 Aber ihre Augen wurden gehalten, dass sie ihn nicht erkannten.
Tekstuitleg van Lc 24,16 . Het vers Lc 24,16 telt 9 (3²) woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 24,16 is 6334 (2 X 3167) .
Lc 24,16.1. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,16.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
3. nom. mann. mv. ofthalmoi (ogen) van het zelfst. naamw. ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het N.T. : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Lc : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Hnd : ofthalmos (oog) . Hebr. ajin (oog, bron) . Taalgebruik in Tenach : ajin (oog, bron) . Lat. oculus . Fr. oeil (yeux) . E. eye . Ned. oog . D. Aug . Lc (5) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 4,20 . (3) Lc 10,23 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,31 . Hnd (-) . Een vorm van ofthalmos (oog) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 4,20 . (3) Lc 6,20 . (4) Lc 6,41 . (5) Lc 6,42 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,34 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 18,13 . (10) Lc 19,42 .(11) Lc 24,16 . (12) Lc 24,31 . In Lc : 6 vormen van ofthalmos (oog) in 12 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van ofthalmos (oog) in 6 verzen in 4 hoofdstukken .
Lc 24,16.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,16.6.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,16.7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) . Lc (123) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,23 .
Lc 24,16.9. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
| Lc 24,17 - Lc 24,17 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende,
onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?
King James Bible . [17] And he said unto them, What manner of communications
are these that ye have one to another, as ye walk, and are sad?
Luther-Bibel . 17 Er sprach aber zu ihnen: Was sind das für Dinge, die
ihr miteinander verhandelt unterwegs? Da blieben sie traurig stehen.
Tekstuitleg van Lc 24,17 . Het vers Lc 24,17 telt 16 (2² X 2²) woorden en 88 (2³ X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,17 is 10062 (2 X 3² X 13 X 43) .
Lc 24,17.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,17.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
Lc 24,17.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,17.1. - 3. eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . (17) Lc 24,44 .
Lc 24,17.4. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,17.1. - 4. eipen de pros autous (hij echter zei tot hen) . Lc (6) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 15,3 . (4) Lc 20,41 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,44 . Hnd (1) .
Lc 24,17.5. nom. mann. + vr. mv. tines van het voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Hnd : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een , iets . Hebr. mî (wie) . Taalgebruik in Tenach : mî (wie) . Ned. wie , wat , welke . E. who , what . D. Was . Fr. qui , quel . Lc (12) : (1) Lc 6,2 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 11,15 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 13,31 . (7) Lc 19,39 . (8) Lc 20,27 . (9) Lc 20,39 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,22 . (12) Lc 24,24 . Hnd (16) .
Lc 24,17.6. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,17.7. nom. mann. mv. logoi van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . Taalgebruik in Hnd. : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 21,33 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,44 . Een vorm van logos (woord) in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,44 . In Lc : 8 vormen van logos (woord) in 17 / 24 hoofdstukken en in 33 verzen . In Hnd : 8 vormen van logos (woord) in 20 / 28 hoofdstukken en in 65 verzen .
Lc 24,17.8. nom. mann. mv. houtoi van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (10) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 8,14 . (3) Lc 8,15 . (4) Lc 8,21 . (5) Lc 13,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 20,47 . (8) Lc 21,4 . (9) Lc 24,17 . (10) Lc 24,44 . Hnd (14) .
Lc 24,17.6. - 8. deze woorden . Lc 24,17 : hoi logoi houtoi . Lc 24,44 : houtoi hoi logoi .
Lc 24,17.11. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,17.12. acc. mann. mv. allèlous van het voornaamw. allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het N.T. : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Lc : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Hnd : allèloi (elkander, elkaar) . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 12,1 . (6) Lc 20,14 . (7) Lc 24,14 . (8) Lc 24,17 . (9) Lc 24,32 . Een vorm van allèloi (elkander, elkaar) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 7,32 . (5) Lc 8,25 . (6) Lc 12,1 . (7) Lc 20,14 . (8) Lc 23,12 . (9) Lc 24,14 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,32 . In Lc : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 11 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
Lc 24,17.11. - 12. pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 . pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 .
Lc 24,17.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
| Lc 24,18 - Lc 24,18 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zeide
tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen,
die deze dagen daarin geschied zijn?
King James Bible . [18] And the one of them, whose name was Cleopas, answering
said unto him, Art thou only a stranger in Jerusalem, and hast not known the
things which are come to pass therein these days?
Luther-Bibel . 18 Und der eine, mit Namen Kleopas, antwortete und sprach zu
ihm: Bist du der Einzige unter den Fremden in Jerusalem, der nicht weiß,
was in diesen Tagen dort geschehen ist?
Tekstuitleg van Lc 24,18 .
Lc 24,18.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . In twintig verzen in Lc 24 . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,21 . (6) Lc 24,24 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,37 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,42 . (12) Lc 24,44 . (13) Lc 24,49 . (14) Lc 24,50 .
Lc 24,18.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,18.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,18.7. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,18.8. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,18.12. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,52 .
Lc 24,18.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,18.14. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,18.18.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,18.19. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (43) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 .
Lc 24,18.20.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,18.21. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,18 . (2) Lc 24,27 .
Lc 24,18.22. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,29 . (6) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen .
Lc 24,18.23. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. tautais van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Taalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 23,7 . (4) Lc 24,18 . Hnd (3) : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 6,1 . (3) Hnd 11,27 .
Lc 24,18.20. - 23. en tais hèmerais tautais (in deze dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 24,18 . In bredere contekst . (1) Lc 1,39 : anastasa de mariam en tais hèmerais tautais eporeuthè eis tèn oreinèn (Maria echter opgestaan in deze dagen begaf zich op weg naar het gebergte) . (2) Lc 6,12 : egeneto de en tais hèmerais tautais exèlthen eis to horos (het gebeurde echter in deze dagen . Hnd (3) : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 6,1 (en de ....) . (3) Hnd 11,27 (en tautais de ...) . Hij ging uit naar de berg) . Hebr. bajjâmim hâ´ellèh (in deze dagen) : Zach 8,9 en Zach 8,15 . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) .
| Lc 24,19 - Lc 24,19 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De
dingen aangaande Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken
en woorden, voor God en al het volk.
King James Bible . [19] And he said unto them, What things? And they said unto
him, Concerning Jesus of Nazareth, which was a prophet mighty in deed and word
before God and all the people:
Luther-Bibel . 19 Und er sprach zu ihnen: Was denn? Sie aber sprachen zu ihm:
Das mit Jesus von Nazareth, der ein Prophet war, mächtig in Taten und Worten
vor Gott und allem Volk;
Tekstuitleg van Lc 24,19 . Het vers Lc 24,19 telt 29 woorden en 129 (3 X 43) letters . De getalwaarde van Lc 24,19 is 15399 (3² X 29 X 59) .
Lc 24,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,19.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
3. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
1. - 3. kai eipen autois (en hij zei hen) . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 .
5. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,19.6.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
Lc 24,19.10. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Hnd : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
9. - 10. ta peri (dat over) . Lc (2) : (1) Lc 24,19 : ta peri Ièsou tou Nazaraiou = dat over Jezus de Nazarener (Emmaüsverhaal) . (2) Lc 24,27 . Hnd (12) .
Lc 24,19.11. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . In Lc : 3 vormen in 19 hoofdstukken en in 87 verzen .
Lc 24,19.12.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,19.15. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) .In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,19.17. nom. mann. enk. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès (profeet) . Taalgebruik in Hnd : profètès (profeet) . Taalgebruik in Tenach : nâbhî´(profeet) . Hebr. nâbhî´(profeet) . Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) . Lc (7) : (1) Lc 1,76 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 7,16 . (4) Lc 7,39 . (5) Lc 9,8 . (6) Lc 9,19 . (7) Lc 24,19 . Hnd (4) . Een vorm van profètès (profeet) in Lc in 29 verzen , in Lc 24 (4) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,44 . In Lc : 7 vormen van profètès (profeet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : 6 vormen van profètès (profeet) in 12 / 28 hoofdstukken en in 30 verzen .
Lc 24,19.19.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,19.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,19.23. enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het N.T. : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 . enanti (tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) . Lc (1) Lc 1,8 .
Lc 24,19.25. gen. mann. enk. theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 24 (1) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (115) , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,53 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen .
Lc 24,19.23. - 25. enantion tou theou (tegenover God) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 24,19 . enanti tou theou (tegenover God) . Lc (1) Lc 1,8 .
Lc 24,19.26. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,19.27. gen. mann. + onz. enk. pantos van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (4) : (1) Lc 8,47 . (2) Lc 20,45 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,53 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 24 (9) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,27 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,47 . (9) Lc 24,53 .
| Lc 24,20 - Lc 24,20 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd
hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.
King James Bible . [20] And how the chief priests and our rulers delivered him
to be condemned to death, and have crucified him.
Luther-Bibel . 20 wie ihn unsre Hohenpriester und Oberen zur Todesstrafe überantwortet
und gekreuzigt haben.
Tekstuitleg van Lc 24,20 .
Lc 24,20.3. De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .
Lc 24,20.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
5. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,20.6. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
Lc 24,20.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,20.11. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,20.13. gen. mann. enk. thanatou van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het N.T. : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) . Hebr. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenach : mâwèth / mâwëthâh (dood) . Lc (5) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 23,15 . (4) Lc 23,22 . (5) Lc 24,20 . Een vorm van thanatos (dood) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 22,33 . (5) Lc 23,15 . (6) Lc 23,22 . (7) Lc 24,20 . In Lc : 2 vormen van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken .
Lc 24,20.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,20.15.
act. ind. aor. 3de pers. mv. estaurôsan van het werkw. stauroô (kruisigen)
. Taalgebruik in het N.T. : stauroô
(kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô
(kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô
(kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen
(k-r-) . Lc (2) : (1) Lc
23,33 . (2) Lc
24,20 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc
23,21 . (2) Lc
23,23 . (3) Lc
23,33 . (4) Lc
24,7 . (5) Lc
24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2
/ 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen
in 2 / 24 hoofdstukken .
In Lc : 2 vormen van anaireô (opnemen, doden, vernietigen) in 2 verzen
in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van anaireô (opnemen, doden,
vernietigen) in 18 verzen in 12 / 28 hoofdstukken .
In Lc : 9 vormen van apokteinô (doden) in 12 verzen in 6 / 24 hoofdstukken
. In Hnd : 5 vormen van apokteinô (doden) in 6 verzen in 5 / 28 hoofdstukken
.
In Lc : 16 vormen van apollumi (verderven, verdoemen) in 25 verzen in 12 / 24
hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van apollumi (verderven, verdoemen) in 2 verzen
in 2 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,20.16. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,20.15. - 16. hon humeis estaurôsate (die jullie kruisigden) . Hnd (2) : (1) Hnd 2,36 . (2) Hnd 4,10 . estaurôsan auton (zij kruisigden hem) . Lc (2) : (1) Lc 23,33 . (2) Lc 24,20 en in Mc 15,25 .
- paredôkan (zij leverden over) . Verwijzing : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .
- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = overleveraar) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .
| paradidômi (overleveren) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken | 82 | 65 | 17 | 3 | 2 | 1 | 2 | 2 | 7 | 6 | 8 | 6 | 1 | |
| act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan | 8 | 2 | 6 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 4 | 5 | 1 |
| sanhedrin | sanhedrin | sanhedrin | Judas | Pilatus | Pilatus | Pilatus |
| Mc 15,1 | Mt 27,2 | Mt 27,18 | Mc 3,19 | Mc 15,15 | Mt 27,26 | Lc 23,25 |
| kai (en) | kai (en) | hoti (dat) | kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) | kai (en) | ton de Ièsoun Jezus echter) | |
| paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) | paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) | dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) | hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) | paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus) | paredôken (leverde hij over) | ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over) |
| hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | tôi thelèmati autôn (aan hun wil) | |||
| 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - | 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1- | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 |
| Lc 24,21 - Lc 24,21 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 21 En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen
zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen
geschied zijn.
King James Bible . [21] But we trusted that it had been he which should have
redeemed Israel: and beside all this, to day is the third day since these things
were done.
Luther-Bibel . 21 Wir aber hofften, er sei es, der Israel erlösen werde.
Und über das alles ist heute der dritte Tag, dass dies geschehen ist.
Tekstuitleg van Lc 24,21 . Het vers Lc 24,21 telt 25 (5²) woorden en 120 (2³ X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Lc 24,21 is 13097 (7 X 1871) .
Lc 24,21.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,21.5. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
Lc 24,21.6. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 .
Lc 24,21.10.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,21.11.
israèl (Israël) . Taalgebruik in het N.T. : Israèl
(Israël) . Taalgebruik in Lc : Israèl
(Israël) .
Lc (12) : (1) Lc
1,16 . (2) Lc
1,54 . (3) Lc
1,68 . (4) Lc
1,80 . (5) Lc
2,25 . (6) Lc
2,32 . (7) Lc
2,34 . (8)Lc
4,25 . (9) Lc
4,27 . (10) Lc
7,9 . (11) Lc
22,30 . (12) Lc
24,21 .
Lc 24,21.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
15. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
Lc 24,21.22. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,21.23. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,21.25. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) .In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
| Lc 24,22 - Lc 24,22 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld,
die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;
King James Bible . [22] Yea, and certain women also of our company made us astonished,
which were early at the sepulchre;
Luther-Bibel . 22 Auch haben uns erschreckt einige Frauen aus unserer Mitte,
die sind früh bei dem Grab gewesen,
Tekstuitleg van Lc 24,22 . Het vers Lc 24,22 telt 13 woorden en 68 (4 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 24,22 is 4660 (2² X 5 X 233) .
Lc 24,22.2. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,22.3. nom. + voc. vr. mv. gunaikes van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (5) : (1) Lc 8,2 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 37 (38) verzen , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,22 . (2) Lc 24,24 . In Lc : in 7 vormen van gunè (vrouw) in 17 hoofdstukken in 37 (38) verzen .
4. nom. mann. + vr. mv. tines van het voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Hnd : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een , iets . Hebr. mî (wie) . Taalgebruik in Tenach : mî (wie) . Ned. wie , wat , welke . E. who , what . D. Was . Fr. qui , quel . Lc (12) : (1) Lc 6,2 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 11,15 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 13,31 . (7) Lc 19,39 . (8) Lc 20,27 . (9) Lc 20,39 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,22 . (12) Lc 24,24 . Hnd (16) .
Lc 24,22.11. επι = epi (op, bij) . Taalgebruik in het NT : epi
(op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi
(op, bij) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,12 . (3) Lc
24,22 . (4) Lc
24,24 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,47 .
- Lat. ad . Fr. à . E. at . Ned. op , naar, bij . D. bei .
| epi (op, bij) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 |
| ep' | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 |
| ef' | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 |
| Totaal | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
Lc 24,22.12.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,22.13. nom. of acc. onz. enk. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (21) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Ez 39,11 . (4) W 10,7 . (5) Mc 16,2 . (6) Mc 16,5 . (7) Lc 23,55 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 . (11) Joh 11,31 . (12) Joh 11,38 . (13) Joh 19,41 . (14) Joh 19,42 . (15) Joh 20,1 . (16) Joh 20,3 . (17) Joh 20,4 . (18) Joh 20,6 . (19) Joh 20,8 . (20) Joh 20,11 . (21) Hnd 13,29 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) , in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 8 verzen . Een laatste rustplaats kan op verschillende wijzen worden gemaakt , die als een zichtbaar teken aan de overledene doet denken . Een graf is de rustplaats van de overledene , het 'grafmonument' een gedenkteken voor de overlevenden . In het Grieks : ταφος = tafos (graf) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .
| 1. | 2. | 3. | |||
| mnèmeion | Lc 11 | Lc 23 | Lc 24 | ||
| 1. | nom. + acc. onz. enk. mnèmeion | 4 | (1) Lc 23,55 . | (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . | |
| 2. | gen. onz. enk. mnèmeiou | 2 | (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . | ||
| 3. | nom. + acc. onz. mv. mnèmeia | 2 | (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . | ||
| Totaal | 8 | 2 | 1 | 5 |
- Hebreeuws . NBS : הַקֻּבֻר = haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw. + קֻבֻר = qèbhèr (graf, begraafplaats) . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . Niet in Tenakh . Een vorm van q-b-r in Tenakh (22) .
- UBS : בַקֻּבֻר = baqqèbhèr (in het graf) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. + zelfst. naamw. . b-q-b-r : Tenakh (11) : (1) Nu 19,16 . (2) Nu 19,18 . (3) Re 8,32 . (4) Re 16,31 . (5) 2 S 2,32 . (6) 2 S 4,12 . (7) 2 S 17,23 . (8) 2 S 21,14 . (9) 1 K 13,31 . (10) 2 K 13,21 . (11) Ps 88,12 .
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r .
- Latijn . monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (27) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex
13,9 . (3) Ex 17,14 . (4) Ex 30,16 . (5) Ex 39,7 . (6) Lv 5,12 . (7) Lv 6,8 . (8) Lv 24,7 . (9) Nu 31,54 . (10) Joz 4,7 . (11) 2 S 18,18 . (12) Mc 16,2 . (13) Lc
23,55 . (14) Lc 24,1 . (15) Lc 24,12 . (16) Lc
24,22 . (17) Lc
24,24 . (18) Joh
11,31 . (19) Joh
11,38 . (20) Joh
19,41 . (21) Joh
19,42 . (22) Joh
20,1 . (23) Joh
20,3 . (24) Joh
20,4 . (25) Joh
20,6 . (26) Joh
20,8 . (27) Joh
20,11 .
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνημειον = mnèmeion : m-n-m-n . In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt .
- Het Latijnse monumentum is soms de vertaling van het Hebreeuwse זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken,
zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar
(gedenken) . Tenakh (9) : (1) Ex 17,14 . (2) Ex 39,7 . (3) Lv 23,24 . (4) Nu 5,15 . (5) Nu 17,5 . (6) Nu 31,54 . (7) Mal 3,16 . (8) Pr 1,11 . (9) Pr 2,16 .
- Ned. graf (< graven) . D. Grab . Fr. tombeau (< Lat. tumba < tumulus : heuvel ; Gr. τυμβοσ = tumbos) . E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven) . Aramees : קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´ . Arabisch : قَبْر = qabr (graf) . Taalgebruik in de Qoran : qabr (graf) .
Lc 24,22.11. - 13. epi to mnèmeion (op / naar het graf) . Lc (3) : (1) Lc 24,12 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,24 .
| Lc 24,23 - Lc 24,23 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 23 En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat
zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.
King James Bible . [23] And when they found not his body, they came, saying,
that they had also seen a vision of angels, which said that he was alive.
Luther-Bibel . 23 haben seinen Leib nicht gefunden, kommen und sagen, sie haben
eine Erscheinung von Engeln gesehen, die sagen, er lebe.
Tekstuitleg van Lc 24,23 . Het vers Lc 24,23 telt 16 (2² X 2²) woorden en 83 letters . De getalwaarde van 9104 (2² X 2² X 569) .
Lc 24,23.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,23.2. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) . Lc (123) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,23 .
Lc 24,23.3. act. part. aor. nom. vr. mv. heurousai (gevonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . Lc (1) Lc 24,23 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen , . in Lc 24 in 5 verzen : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,3 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,24 . (5) Lc 24,33 . In Lc : 17 vormen in 18 hoofdstukken en 45 verzen . Verwijzing naar Lc 24,3 : de vrouwen vonden het verheerlijkte lichaam van Jezus niet .
Lc 24,23.2.
- 3. mè heurontes (niet gevonden) . (1) Lc
2,12 . (1) Lc
2,45 . (1) Lc
2,46 . mè heurousai (niet gevonden) : Lc
24,23 .
mè (niet) + een vorm van het werkw. heuriskô (vinden) . Lc (4)
: (1) Lc
2,45 . (2) Lc
5,19 . (3) Lc
11,24 . (4) Lc
24,23 . ouch (niet) + een vorm van het werkw. heuriskô (vinden) .
Lc (5) : (1) Lc
13,6 . (2) Lc
13,7 . (3) Lc
17,18 . (4) Lc
19,48 . (5) Lc
24,3 .
Lc 24,23.4.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,23.5. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het N.T. : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen .
6. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,8 . (2) Lc 24,23 . (3) Lc 24,26 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,50 . Hnd (118) .
Lc 24,23.4.
- 6. het lichaam van...
- Lc 23,52
: to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc
24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus
.
- Lc 23,55
en Lc 24,23
: to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52
is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc
23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd
, in Lc
24,3 en Lc
24,23 over het verheerlijkte lichaam .
Lc 24,23.3. - 6. Een vorm van hert werkw. heuriskô (vinden) en het zelfst. naamw. sôma (lichaam) in Lc (2) : (1) Lc 24,3 : ouch heuron to sôma tou kuriou ièsou (zij vonden niet het lichaam van de Heer Jezus) . (2) Lc 24,23 : mè heurousai to sôma autou (niet gevonden zijn lichaam) .
Lc 24,23.7.
ind. aor. 3de pers. mv. èlthon (zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan,
komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) .
Lc (11) : (1) Lc
1,59 . (2) Lc
2,44 . (3) Lc
3,12 . (4) Lc
4,42 . (5) Lc
5,7 . (6) Lc
6,18 . (7) Lc
8,35 . (8) Lc
12,49 . (9) Lc
23,33 . (10) Lc
24,1 . (11) Lc
24,23 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc 24 in 2 verzen : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,23 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 98 verzen .
Lc 24,23.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
13. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,23.15. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
| Lc 24,24 - Lc 24,24 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 24 En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot
het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem
zagen zij niet.
King James Bible . [24] And certain of them which were with us went to the sepulchre,
and found it even so as the women had said: but him they saw not.
Luther-Bibel . 24 Und einige von uns gingen hin zum Grab und fanden's so, wie
die Frauen sagten; aber ihn sahen sie nicht.
Tekstuitleg van Lc 24,24 . Het vers Lc 24,24 telt 21 (3 X 7) letters en 88 (2³ X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,24 is 9151 .
Lc 24,24.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,24.2. ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (4) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 10,30 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,24 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 . (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 . (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 . (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 . (17) Lc 22,4 . (18) Lc 22,13 . (19) Lc 23,33 . (20) Lc 24,12 . (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen .
3. nom. mann. + vr. mv. tines van het voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Hnd : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een , iets . Hebr. mî (wie) . Taalgebruik in Tenach : mî (wie) . Ned. wie , wat , welke . E. who , what . D. Was . Fr. qui , quel . Lc (12) : (1) Lc 6,2 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 11,15 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 13,31 . (7) Lc 19,39 . (8) Lc 20,27 . (9) Lc 20,39 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,22 . (12) Lc 24,24 . Hnd (16) .
Lc 24,24.4.
bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord
ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In zes verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,8 . (4) Lc
24,14 . (5) Lc
24,24 . (6) Lc
24,27 .
5. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
Lc 24,24.7.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,12 . (3) Lc
24,22 . (4) Lc
24,24 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,47 .
Lc 24,24.8.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,24.9. nom. of acc. onz. enk. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (21) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Ez 39,11 . (4) W 10,7 . (5) Mc 16,2 . (6) Mc 16,5 . (7) Lc 23,55 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 . (11) Joh 11,31 . (12) Joh 11,38 . (13) Joh 19,41 . (14) Joh 19,42 . (15) Joh 20,1 . (16) Joh 20,3 . (17) Joh 20,4 . (18) Joh 20,6 . (19) Joh 20,8 . (20) Joh 20,11 . (21) Hnd 13,29 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) , in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 8 verzen . Een laatste rustplaats kan op verschillende wijzen worden gemaakt , die als een zichtbaar teken aan de overledene doet denken . Een graf is de rustplaats van de overledene , het 'grafmonument' een gedenkteken voor de overlevenden . In het Grieks : ταφος = tafos (graf) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .
| 1. | 2. | 3. | |||
| mnèmeion | Lc 11 | Lc 23 | Lc 24 | ||
| 1. | nom. + acc. onz. enk. mnèmeion | 4 | (1) Lc 23,55 . | (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . | |
| 2. | gen. onz. enk. mnèmeiou | 2 | (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . | ||
| 3. | nom. + acc. onz. mv. mnèmeia | 2 | (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . | ||
| Totaal | 8 | 2 | 1 | 5 |
- Hebreeuws . NBS + UBS : הַקֻּבֻר = haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw. + קֻבֻר = qèbhèr (graf, begraafplaats) . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . Niet in Tenakh . Een vorm van q-b-r in Tenakh (22) .
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r .
- Latijn . monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (27) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex
13,9 . (3) Ex 17,14 . (4) Ex 30,16 . (5) Ex 39,7 . (6) Lv 5,12 . (7) Lv 6,8 . (8) Lv 24,7 . (9) Nu 31,54 . (10) Joz 4,7 . (11) 2 S 18,18 . (12) Mc 16,2 . (13) Lc
23,55 . (14) Lc 24,1 . (15) Lc 24,12 . (16) Lc
24,22 . (17) Lc
24,24 . (18) Joh
11,31 . (19) Joh
11,38 . (20) Joh
19,41 . (21) Joh
19,42 . (22) Joh
20,1 . (23) Joh
20,3 . (24) Joh
20,4 . (25) Joh
20,6 . (26) Joh
20,8 . (27) Joh
20,11 .
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνημειον = mnèmeion : m-n-m-n . In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt .
- Het Latijnse monumentum is soms de vertaling van het Hebreeuwse זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken,
zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar
(gedenken) . Tenakh (9) : (1) Ex 17,14 . (2) Ex 39,7 . (3) Lv 23,24 . (4) Nu 5,15 . (5) Nu 17,5 . (6) Nu 31,54 . (7) Mal 3,16 . (8) Pr 1,11 . (9) Pr 2,16 .
- Ned. graf (< graven) . D. Grab . Fr. tombeau (< Lat. tumba < tumulus : heuvel ; Gr. τυμβοσ = tumbos) . E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven) . Aramees : קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´ . Arabisch : قَبْر = qabr (graf) . Taalgebruik in de Qoran : qabr (graf) .
Lc 24,24.7. - 9. epi to mnèmeion (op / naar het graf) . Lc (3) : (1) Lc 24,12 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,24 .
Lc 24,24.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,24.11. actief ind. aorist eerste persoon enkelvoud of derde persoon meervoud euron (ik vond of zij vonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . In veertien verzen bij Lc : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 5 verzen : 4 + Lc 24,23 .
Lc 24,24.13.
kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs
(zoals) .
Lc (17) : (1) Lc
1,2 . (2) Lc
1,55 . (3) Lc
1,70 . (4) Lc
2,20 . (5) Lc
2,23 . (6) Lc
5,14 . (7) Lc
6,31 . (8) Lc
6,36 . (9) Lc
11,1 . (10) Lc
11,30 . (11) Lc
17,26 . (12) Lc
17,28 . (13) Lc
19,32 . (14) Lc
22,13 . (15) Lc
22,29 . (16) Lc
24,24 . (17) Lc
24,39 .
Lc 24,24.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,24.16. nom. + voc. vr. mv. gunaikes van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (5) : (1) Lc 8,2 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 37 (38) verzen , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,22 . (2) Lc 24,24 . In Lc : in 7 vormen van gunè (vrouw) in 17 hoofdstukken in 37 (38) verzen .
Lc 24,24.18. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,24.19.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
Lc 24,24.20. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
| Lc 24,25 - Lc 24,25 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 25 En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart,
om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
King James Bible . [25] Then he said unto them, O fools, and slow of heart to
believe all that the prophets have spoken:
Luther-Bibel . 25 Und er sprach zu ihnen: O ihr Toren, zu trägen Herzens,
all dem zu glauben, was die Propheten geredet haben!
Tekstuitleg van Lc 24,25 . Het vers Lc 24,25 telt 19 woorden en 91 (7 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 24,25 is 9069 (3 X 3023) .
Lc 24,25.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,25.2. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
Lc 24,25.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,25.5. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,25.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,25.10.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
Lc 24,25.12.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,25.14.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,12 . (3) Lc
24,22 . (4) Lc
24,24 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,47 .
Lc 24,25.17. act. ind. aor. 3de pers. mv. elalèsan (zij spraken) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (1) Lc 24,25 . Hnd (3) . Deze vorm slechts hier in Lc 24,25 in het N.T. . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .
18. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
19. nom. mv. profètai van het zelfst. naamw. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès (profeet) . Taalgebruik in Hnd : profètès (profeet) . Taalgebruik in Tenach : nâbhî´(profeet) . Hebr. nâbhî´(profeet) . Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken) . Lc (3) : (1) Lc 10,24 . (2) Lc 16,16 . (3) Lc 24,25 . Hnd (6) . Een vorm van profètès (profeet) in Lc (29) , in Lc 24 (4) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,44 . In Lc : 7 vormen van profètès (profeet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : 6 vormen van profètès (profeet) in 12 / 28 hoofdstukken en in 30 verzen .
| Lc 24,26 - Lc 24,26 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 26 Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in
Zijn heerlijkheid ingaan?
King James Bible . [26] Ought not Christ to have suffered these things, and
to enter into his glory?
Luther-Bibel . 26 Musste nicht Christus dies erleiden und in seine Herrlichkeit
eingehen?
Tekstuitleg van Lc 24,26 . Het vers Lc 24,26 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 57 letters . De getalwaarde van Lc 24,26 is 6295 (5 X 1259) .
Lc 24,26.1. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 . Ook : Lc 24,26 .
Lc 24,26.2. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Taalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
Lc 24,26.3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edei (hij / het moest) . dei (hij / het moet) . Taalgebruik in het N.T. : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) . Lc (5) : (1) Lc 11,42 . (2) Lc 13,16 . (3) Lc 15,32 . (4) Lc 22,7 . (5) Lc 24,26 . Een vorm van dei (hij / het moet) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 13,14 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 13,33 . (9) Lc 15,32 . (10) Lc 17,25 . (11) (1) Lc 18,1 . (12) Lc 19,5 . (13) Lc 21,9 . (14) Lc 22,7 . (15) Lc 22,37 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,26 . (18) Lc 24,44 . In Lc : 3 vormen van dei (hij / het moet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 18 verzen . In Hnd : 4 vormen van dei (hij / het moet) in 18 / 28 hoofdstukken en in 24 verzen . N.T. (102) .
Lc 24,26.4.
act. inf. aor. pathein van het werkw. paschô (lijden) . Taalgebruik in
het N.T. : paschô
(lijden) . Taalgebruik in Lc : paschô
(lijden) . Taalgebruik in Hnd : paschô
(lijden) . Hebr. `ânâh (bedrukt, terneergebogen zijn, bitter
leiden) . Taalgebruik in Tenach : `ânâh
(bedrukt, terneergebogen zijn, bitter leiden) . Gr. pathos . Lat. pati -
passio . Ned. pathos - passie . Zie http://www.xs4all.nl/~adcs/woordenweb/p/pathos.htm
. Lc (5) : (1) Lc
9,22 . (2) Lc
17,25 . (3) Lc
22,15 . (4) Lc
24,26 . (5) Lc
24,46 . Hnd (4) . Een vorm van paschô (lijden) in Lc in 6 verzen :
(1) Lc
9,22 . (2) Lc
13,2 . (3) Lc
17,25 . (4) Lc
22,15 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,46 . In Lc : 2 vormen van paschô (lijden) in 6 verzen in 5 hoofdstukken
. In Hnd : 2 vormen van paschô (lijden) in 5 verzen in 5 hoofdstukken
. N.T. (41) .
Lc (5) : (1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Lc
17,25 (de dag van de mensenzoon) . (3) Lc
22,15 (het laatste avondmaal) . (4) Lc
24,26 (verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers) . (5) Lc
24,46 (verschijning van Jezus aan de elf en hun metgezellen) .
De teksten van Lc
22,15 (het laatste avondmaal) : pro tou me pathein (voor mijn lijden) en
van Hnd
1,3 (inleiding van Handelingen) : meta to pathein auton (na zijn lijden)
omsluiten het lijden . Het lijden omvat de doorgang door de dood ; het is de
overgang : leven - dood - leven . In Lc
22,15 wordt de relatie gelegd tussen paschô (pasen) en pathein (lijden)
. Pasen of Pesach is de viering van de uittocht uit Egypte , de doortocht door
de Rietzee en het komen in de woestijn . De overgang heeft drie elementen die
over drie dagen worden gespreid .
Lc 24,26.3. - 4. edei pathein (hij moest lijden) . In drie verzen in het N.T. . Lc (2 / 5) : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} Hnd (1 / 4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) . dei pathein (hij moet lijden) . Lc (2 / 5) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 17,25 . Hnd (1 / 4) Hnd 9,16 .
Lc 24,26.5.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,26.6. acc. mann. enk. christon van het zelfst. naamw. christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het N.T. : christos (Christus) . Taalgebruik in Lc : christos (Christus) . Taalgebruik in Hnd : christos (Christus) . Hebr. mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks christos (Christus) . Zie het werkw. mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenach : mâsjach (zalven) . Lc (7) : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . Hnd (10) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 2,26 (+) . (3) Lc 3,15 (+) . (4) Lc 4,41 (+) . (5) Lc 9,20 (+) . (6) Lc 20,41 (+) . (7) Lc 22,67 (+) . (8) Lc 23,2 (-) . (9) Lc 23,35 (+) . (10) Lc 23,39 (+) . (11) Lc 24,26 (+) . (12) Lc 24,46 (+) . In Lc : 2 vormen van christos (gezalfde, Christus) in 12 verzen in 8 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen in 28 verzen in 16 hoofdstukken . N.T. (517) .
Lc 24,26.4. - 6. pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .
Lc 24,26.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Hnd : eiserchomai (binnengaan) . Hebr. bâw´ (gaan, komen) OF hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenach : hâlakh (gaan) . . Taalgebruik in Tenach : bâw´ (gaan, komen) . Lat. intro-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen . Lc (11) : (1) Lc 6,6 . (2) Lc 8,32 . (3) Lc 8,41 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,34 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,23 . (8) Lc 15,28 . (9) Lc 18,25 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 24,26 . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 45 verzen , in Lc 24 in 3 verzen : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,26 . (3) Lc 24,29 . In Lc : 16 vormen in 17 hoofdstukken en in 47 verzen .
Lc 24,26.9. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,8 . (2) Lc 24,23 . (3) Lc 24,26 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,50 . Hnd (118) .
| Lc 24,27 - Lc 24,27 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 27 En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten,
legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
King James Bible . [27] And beginning at Moses and all the prophets, he expounded
unto them in all the scriptures the things concerning himself.
Luther-Bibel . 27 Und er fing an bei Mose und allen Propheten und legte ihnen
aus, was in der ganzen Schrift von ihm gesagt war.
Tekstuitleg van Lc 24,27 . Het vers Lc 24,27 telt 21 (3 X 7) woorden en 92 (2² X 23) letters . De getalwaarde van Lc 24,27 is 12481 (7 X 1783) .
Lc 24,27.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,27.3. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,27.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,27.6. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,27.8.
bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord
ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In zes verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,8 . (4) Lc
24,14 . (5) Lc
24,24 . (6) Lc
24,27 .
Lc 24,27.9. gen. mann. mv. profètôn van het zelfst. naamw. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès (profeet) . Taalgebruik in Hnd : profètès (profeet) . Taalgebruik in Tenach : nâbhî´(profeet) . Hebr. nâbhî´(profeet) . Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) . Lc (6) : (1) Lc 1,70 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 16,31 . (5) Lc 18,31 . (6) Lc 24,27 . Hnd (4) . Een vorm van profètès (profeet) in Lc in 29 verzen , in Lc 24 (4) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,44 . In Lc : 7 vormen van profètès (profeet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : 6 vormen van profètès (profeet) in 12 / 28 hoofdstukken en in 30 verzen .
Lc 24,27.10. act. ind. aor. 3de pers. enk. dièrmèneusen (hij zette uiteen) van het werkw. diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in het N.T. : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in Lc : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Taalgebruik in Hnd : diermèneuô (uitleggen, vertalen) . Lc (1) Lc 24,27 . Hapax in de ev. . Een vorm van diermèneuô (uitleggen, vertalen) in Hnd in 1 vers .
Lc 24,27.11. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,27.12.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,27.13. dat. vr. mv. pasais van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Hnd : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kl (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 24,27 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc (149) , in Lc 24 (9) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,27 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,47 . (9) Lc 24,53 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 149 verzen .
Lc 24,27.14. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,18 . (2) Lc 24,27 .
Lc 24,27.15. dat. onz. mv. grafais van het zelfst. naamw. grafè (schrift) . Taalgebruik in het N.T. : grafè (schrift) . Taalgebruik in Lc : grafè (schrift) . Taalgebruik in Hnd : grafè (schrift) . Zie verder : grafô (schrijven) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenach : sjâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc 24 (1) Lc 24,27 . Een vorm van grafè (schrift) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 24,27 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van grafè (schrift) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 5 vormen van grafè (schrift) in 7 verzen in 4 hoofdstukken .
Lc 24,27.17. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Hnd : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
Lc 24,27.16. - 17. ta peri (dat over) . Lc (2) : (1) Lc 24,19 : ta peri Ièsou tou Nazaraiou = dat over Jezus de Nazarener (Emmaüsverhaal) . (2) Lc 24,27 . Hnd (12) .
| Lc 24,28 - Lc 24,28 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 28 En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen;
en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou.
King James Bible . [28] And they drew nigh unto the village, whither they went:
and he made as though he would have gone further.
Luther-Bibel . 28 Und sie kamen nahe an das Dorf, wo sie hingingen. Und er stellte
sich, als wollte er weitergehen.
Tekstuitleg van Lc 24,28 . Het vers Lc 24,28 telt 12 (2² X 3) woorden en 73 letters . De getalwaarde van Lc 24,28 is 8704 (2³ X 2³ X 2³ X 17) .
Lc 24,28.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,28.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,28.6. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,28.7. ind. imperf. 3de pers. mv. eporeuonto (zij begaven zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Hnd : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Hebr. hâlakh (gaan) < halacha : http://nl.wikipedia.org/wiki/Halacha . Taalgebruik in Tenach : hâlakh (gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (3) : (1) Lc 2,3 . (2) Lc 2,41 . (3) Lc 24,28 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,28 . In Lc : 19 vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 18 / 24 hoofdstukken en in 48 verzen . In Hnd : X vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 21 / 28 hoofdstukken en in 39 verzen . N.T. (150) .
Lc 24,28.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,28.9. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
Lc 24,28.12. inf. praes. poreuesthai van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Hnd : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Hebr. hâlakh (gaan) < halacha : http://nl.wikipedia.org/wiki/Halacha . Taalgebruik in Tenach : hâlakh (gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 13,33 . (5) Lc 17,11 . (6) Lc 22,33 . (7) Lc 24,28 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,28 . In Lc : 19 vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 18 / 24 hoofdstukken en in 48 verzen . In Hnd : X vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 21 / 28 hoofdstukken en in 39 verzen . N.T. (150) .
| Lc 24,29 - Lc 24,29 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 29 En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het
is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
King James Bible . [29] But they constrained him, saying, Abide with us: for
it is toward evening, and the day is far spent. And he went in to tarry with
them.
Luther-Bibel . 29 Und sie nötigten ihn und sprachen: Bleibe bei uns; denn
es will Abend werden und der Tag hat sich geneigt. Und er ging hinein, bei ihnen
zu bleiben.
Tekstuitleg van Lc 24,29 .
Lc 24,29.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,29.3. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,29.6.
meta (met , na) . Afkorting : met' of meth' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . - Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta
= met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc 24 (2 + 1 + 1 = 4) . meta (2) : (1) Lc
24,5 . (2) Lc
24,52 . met' (1) Lc
24,30 . meth' (1) Lc
24,29 .
8. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,29.9. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,29.11. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 .
Lc 24,29.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,29.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,29.18. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 45 verzen , in Lc 24 in 3 verzen : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,26 . (3) Lc 24,29 .
Lc 24,29.19. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,3 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,9 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,35 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,49 .
parabiazomai (dwingen, dringen) .
- parebiasanto .Aorist derde persoon meervoud . In één vers in
het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Lc
24,29 .
- parebiasato .Aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in
het O.T. . In één vers in het N.T. nl. Hnd
16,15 .
Er zijn enkele overeenkomsten tussen het Emmaüsverhaal en het verhaal over
Lydia :
- Lc 24,29
: kai parebiasanto auton legontes meinon meth èmôn ... kai eisèlthen tou meinai
sun autois = en zij drongen bij hem aan zeggende : blijf bij ons ... en
hij ging binnen om met hen te blijven .
- Hnd 16,15
: eiselthontes eis ton oikon mou menete: kai parebiasato èmas = binnengegaan
in het huis blijf bij mij en zij drong bij ons aan .
De zin beantwoordt aan een aanbeveling van Jezus tijdens de zendingsrede . Lc
9,4 : kai eis hèn an oikian eiselthète , ekei menete = en
in het huis waarin je binnengaat , blijf daar .
21. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
22. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
| Lc 24,30 - Lc 24,30 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 30 En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het
brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.
King James Bible . [30] And it came to pass, as he sat at meat with them, he
took bread, and blessed it, and brake, and gave to them.
Luther-Bibel . 30 Und es geschah, als er mit ihnen zu Tisch saß, nahm
er das Brot, dankte, brach's und gab's ihnen.
Tekstuitleg van Lc 24,30 . Het vers Lc 24,30 telt 16 (2² X 2²) woorden en 84 (2² X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,30 is 9398 (2 X 37 X 127) .
Lc 24,30.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,30.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) .In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,30.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,30.4.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,15 . (3) Lc
24,30 . (4) Lc
24,44 . (5) Lc
24,47 . (6) Lc
24,51 . (7) Lc
24,53 .
Lc 24,30.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 24,30.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,30.7.
meta (met , na) . Afkorting : met' of meth' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc (2 + 1 + 1 = 4) . meta (2) : (1) Lc
24,5 . (2) Lc
24,52 . met' (1) Lc
24,30 . meth' (1) Lc
24,29 .
Lc 24,30.8. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,30.9. act. part. aor. nom. mann. enk. labôn van het werkw. lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : lambanô (nemen) . Hebr. nâthan (nemen) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (nemen) . Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) . Fr. prendre . N. nemen . D. nehmen . E. take . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . LXX (40) . N.T. (46) . In Lc : X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van lambanô (nemen) in het N.T. (258) , in de LXX (1335) .
Lc 24,30.10.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,30.11. acc. mann. enk. arton van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het N.T. : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Bijbel (133) . LXX (96) . N.T. (37) . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . Een vorm van artos (brood) , in het N.T. (97) , in de LXX (307) .
Lc 24,30.12. act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen (hij zegende) van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) . Taalgebruik in het N.T. : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Taalgebruik in Tenach : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . eulogeô = Lat. benedicere (benedijen) . Fr. bénir . Ned. zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan . E. to bless . Lc (5) : (1) Lc 2,28 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 24,30 . (5) Lc 24,50 . Bijbel (69) . LXX (60) . N.T. (9) . Hebr. waw consec. + piel imperf. 3de pers. mann. enk. wajëbhârèkh (en hij zegende) . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : 2 vormen van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in 2 verzen in 1 / 28 hoofdstukken . In Lc : 5 verzen in de kindsheidsverhalen , 4 verzen in de verschijningsverhalen , in de verhalen van de vlakterede en de broodvermenigvuldiging , in een citaat (Ps 118,26) in Lc 13,35 dat ook bij de intrede van Jezus in Jeruzalem wordt aangehaald . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) in de LXX (516) , in het N.T. (42) .
Lc 24,30.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
16. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
| Lc 24,31 - Lc 24,31 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 31 En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij
kwam weg uit hun gezicht.
King James Bible . [31] And their eyes were opened, and they knew him; and he
vanished out of their sight.
Luther-Bibel . 31 Da wurden ihre Augen geöffnet und sie erkannten ihn.
Und er verschwand vor ihnen.
Tekstuitleg van Lc 24,31 . Het vers Lc 24,31 telt 14 (2 X 7) woorden en 75 (3 X 5²) letters . De getalwaarde van Lc 24,31 is 9630 (2 X 3² X 5 X 107) .
Lc 24,31.1. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,31.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
3. pass. ind. aor. 3de pers. mv. diènoichthèsan (zij werden geopend) van het werkw. dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in het N.T. : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Lc : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Hnd : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Hebr. pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . Ned. openen . D. offnen . E. to open . Lc (1) Lc 24,31 . Een vorm van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 24,31 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in 3 verzen in 3 hoofdstukken .
4. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
5. nom. mann. mv. ofthalmoi (ogen) van het zelfst. naamw. ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het N.T. : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Lc : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Hnd : ofthalmos (oog) . Hebr. ajin (oog, bron) . Taalgebruik in Tenach : ajin (oog, bron) . Lat. oculus . Fr. oeil (yeux) . E. eye . Ned. oog . D. Aug . Lc (5) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 4,20 . (3) Lc 10,23 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,31 . Hnd (-) . Een vorm van ofthalmos (oog) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 4,20 . (3) Lc 6,20 . (4) Lc 6,41 . (5) Lc 6,42 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,34 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 18,13 . (10) Lc 19,42 .(11) Lc 24,16 . (12) Lc 24,31 . In Lc : 6 vormen van ofthalmos (oog) in 12 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van ofthalmos (oog) in 6 verzen in 4 hoofdstukken .
Lc 24,31.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,31.8. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,31.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,31.10. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
Lc 24,31.13. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
| Lc 24,32 - Lc 24,32 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende
in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?
King James Bible . [32] And they said one to another, Did not our heart burn
within us, while he talked with us by the way, and while he opened to us the
scriptures?
Luther-Bibel . 32 Und sie sprachen untereinander: Brannte nicht unser Herz in
uns, als er mit uns redete auf dem Wege und uns die Schrift öffnete?
Tekstuitleg van Lc 24,32 . Het vers Lc 24,32 telt 24 (2³ X 3) woorden en 99 (3² X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,32 is 9113 (13 X 701) .
Lc 24,32.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,32.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,32.4. acc. mann. mv. allèlous van het voornaamw. allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het N.T. : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Lc : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Hnd : allèloi (elkander, elkaar) . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 12,1 . (6) Lc 20,14 . (7) Lc 24,14 . (8) Lc 24,17 . (9) Lc 24,32 . Een vorm van allèloi (elkander, elkaar) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 7,32 . (5) Lc 8,25 . (6) Lc 12,1 . (7) Lc 20,14 . (8) Lc 23,12 . (9) Lc 24,14 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,32 . In Lc : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 11 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
Lc 24,32.3. - 4. pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 .
Lc 24,32.11.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,32.13. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,32 . (3) Lc 24,35 .
Lc 24,32.14. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elalei (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (4) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 9,11 . (4) Lc 24,32 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .
Lc 24,32.16.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,32.17.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
20. act. ind. imperf. aor. 3de pers. enk. diènoigen (hij opende) van het werkw. dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in het N.T. : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Lc : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Hnd : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Hebr. pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . Ned. openen . D. offnen . E. to open . Lc (1) Lc 24,32 . Een vorm van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 24,31 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in 3 verzen in 3 hoofdstukken .
22. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,32 . (2) Lc 24,39 . (3) Lc 24,40 . (4) Lc 24,45 . (5) Lc 24,50 .
23. acc. vr. mv. grafas van het zelfst. naamw. grafè (schrift) . Taalgebruik in het N.T. : grafè (schrift) . Taalgebruik in Lc : grafè (schrift) . Taalgebruik in Hnd : grafè (schrift) . Zie verder : grafô (schrijven) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenach : sjâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc 24 (1) Lc 24,45 . Een vorm van grafè (schrift) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 24,27 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van grafè (schrift) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 5 vormen van grafè (schrift) in 7 verzen in 4 hoofdstukken .
20. 22 - 23. Een vorm van het werkw. dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) + tas grafas (de schriften openen) . Lc (2) : (1) Lc 24,32 . (2) Lc 24,45 .
| Lc 24,33 - Lc 24,33 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 33 En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar
Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;
King James Bible . [33] And they rose up the same hour, and returned to Jerusalem,
and found the eleven gathered together, and them that were with them,
Luther-Bibel . 33 Und sie standen auf zu derselben Stunde, kehrten zurück
nach Jerusalem und fanden die Elf versammelt und die bei ihnen waren;
Tekstuitleg van Lc 24,33 . Het vers Lc 24,33 telt 17 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 24,33 is 12162 (2 X 3 X 2027) .
Lc 24,33.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,33.2. part. aor. nom. mann. mv. anastantes (opgestaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc 4,29 . (2) Lc 22,46 . (3) Lc 24,33 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc in 29 verzen , in Lc 24 (4) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,33 . (4) Lc 24,46 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
Lc 24,33.3. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (43) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 .
Lc 24,33.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
Lc 24,33.5. nom. + dat. vr. enk. hôra(i) van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het N.T. : hôra (uur) . Taalgebruik in Lc : hôra (uur) . Taalgebruik in Hnd : hôra (uur) . Lc (15) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 7,21 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 12,39 . (7) Lc 12,40 . (8) Lc 12,46 . (9) Lc 13,31 . (10) Lc 14,17 . (11) Lc 20,19 . (12) Lc 22,14 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 23,44 . (15) Lc 24,33 . Een vorm van hôra (uur) in 16 verzen : voorgaande + Lc 22,59 en Lc 23,44 (tweede vorm) . In Lc : 2 vormen in 16 verzen in 11 hoofdstukken . In Hnd : X vormen in 12 verzen in 9 hoofdstukken .
Lc 24,33.3. - 5. hautè(i) tè(i) hôra(i) (op hetzelfde uur) . Lc (5) : (1) Lc 2,38 . (2) Lc 7,21 . (3) Lc 10,21 . (4) Lc 12,12 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 24,33 . Hnd (2) : (1) Hnd 16,18 . (2) Hnd 22,13 .
Lc 24,33.6.
act. ind. aor. 3de pers. mv. hupestrepsan (zij keerden terug) van het werkw.
hupostrefô (omdraaien, terugkeren) . Taalgebruik in het N.T. : hupostrefô
(omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô
(omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Hnd : hupostrefô
(omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : hupostrefô
(omkeren, terugkeren) . hupo-strefô : onderste boven draaien , omdraaien
. Lat. (tornare = draaien) revertere . Fr. retourner . E. return . D. zurück
kehren . Hebr. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenach : sjûbh
(terugkeren) . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc
2,20 (de herders) . (2) Lc
2,45 (de ouders - eis Hierousalèm) . (3) Lc
10,17 (de tweeënzeventig) . (4) Lc
24,33 (de Emmaüsgangers - eis Hierousalèm) . (5) Lc
24,52 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . Een vorm van hupostrefô
(omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc
1,56 . (2) Lc
2,20 . (3) Lc
2,43 . (4) Lc
2,45 . (5) Lc
4,1 . (6) Lc
4,14 . (7) Lc
7,10 . (8) Lc
8,37 . (9) Lc
8,39 . (10) Lc
8,40 . (11) Lc
9,10 . (12) Lc
10,17 . (13) Lc
11,24 . (14) Lc
17,15 . (15) Lc
17,18 . (16) Lc
19,12 . (17) Lc
23,48 . (18) Lc
23,56 . (19) Lc
24,9 . (20) Lc
24,33 . (21) Lc
24,52 . In Lc : 9 vormen hupostrefô (omdraaien, terugkeren) in 12
/ 24 hoofdstukken en 21 verzen . In Hnd : X vormen van hupostrefô (omdraaien,
terugkeren) in 12 verzen in 10 / 28 hoofdstukken .
Aan het èsan poreuomenoi (zij waren op weg naar) van Lc
24,13 correspondeert hupestrepsan (zij keerden terug) van Lc
24,33 .
Lc 24,33.7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,33.6. - 7. een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc (8 / 21) . In Hnd (10 / 12) .
Lc 24,33.8. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Hnd : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 2,41 . (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,45 . (6) Lc 4,9 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 6,17 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,51 . (11) Lc 9,53 . (12) Lc 10,30 . (13) Lc 13,4 . (14) Lc 13,33 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 17,11 . (17) Lc 18,31 . (18) Lc 19,11 . (19) Lc 21,20 . (20) Lc 21,24 . (21) Lc 23,28 . (22) Lc 24,13 . (23) Lc 24,18 . (24) Lc 24,33 . (25) Lc 24,47 . (26) Lc 24,52 . Een vorm van hierosoluma (Jeruzalem) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 23,7 .
Lc 24,33.7. - 8. eis hierousalèm (naar Jeruzalem) . Lc (9) : (1) Lc 2,41 . (2) Lc 2,45 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 9,51 . (5) Lc 9,53 . (6) Lc 17,11 . (7) Lc 18,31 . (8) Lc 24,33 . eis hierosoluma (naar Jeruzalem) . Lc (3) : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 .
Lc 24,33.6. - 8. hupestrepsan eis hierousalèm (zij keerden naar Jeruzalem terug, zij draaiden zich om naar Jeruzalem) . Lc (3) : (5) Lc 2,45 . (24) Lc 24,33 . (26) Lc 24,52 . Hnd (2) : (1) Hnd 1,12 . (2) Hnd 8,25 .
Lc 24,33.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,33.10. actief ind. aorist eerste persoon enkelvoud of derde persoon meervoud euron (ik vond of zij vonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . Hebr. mâtsâ´ (vinden) . Taalgebruik in Tenach : mâtsâ´ (vinden) . In veertien verzen bij Lc : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 5 verzen : 4 + Lc 24,23 . In Lc : 17 vormen in 18 / 24 hoofdstukken en 45 verzen . In Hnd : X vormen in 17 hoofdstukken en 33 verzen .
Lc 24,33.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
16. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
17. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
| Lc 24,34 - Lc 24,34 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 34 Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van
Simon gezien.
King James Bible . [34] Saying, The Lord is risen indeed, and hath appeared
to Simon.
Luther-Bibel . 34 die sprachen: Der Herr ist wahrhaftig auferstanden und Simon
erschienen.
Tekstuitleg van Lc 24,34 . Het vers Lc 24,34 telt 9 (3²) woorden en 42 (2 X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,34 is 5920 (2² X 2³ X 5 X 37) .
2. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,34.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,34.8. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè (hij liet zich zien , hij verscheen) van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het N.T. : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 22,43 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van horaô (zien) in Lc in 14 verzen : .
Lc 24,34.9. dat. mann. enk. simôni van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 . Lc (3) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .
Evangelie op de 3de (derde) paaszondag B : Lc 24,35-48 . Verwijzing : Lc 24,35-48 .
In die tijd vertelden de twee leerlingen wat er onderweg gebeurd was en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood. Terwijl ze daarover spraken stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei: "Vrede zij u." In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien. Maar Hij sprak tot hen: "Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen zoals ge ziet dat Ik heb." En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn handen en voeten. Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven zei Hij tot hen: "Hebt ge hier iets te eten?" Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan; Hij nam het en at het voor hun ogen op. Hij sprak tot hen: "Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was: Alles moet vervuld worden wat over Mij staat in de Wet van Mozes, in de profeten en in de psalmen." Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Hij zei hun: "Zo spreken de Schriften over het lijden en sterven van de Messias en over zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag, over de verkondiging onder alle volkeren, van de bekering en de vergiffenis der zonden in zijn Naam. Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen."
| Lc 24,35 - Lc 24,35 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 35 En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en
hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.
King James Bible . [35] And they told what things were done in the way, and
how he was known of them in breaking of bread.
Luther-Bibel . 35 Und sie erzählten ihnen, was auf dem Wege geschehen war
und wie er von ihnen erkannt wurde, als er das Brot brach.
- 3de
(derde) paaszondag B . In die tijd vertelden de twee leerlingen wat er onderweg
gebeurd was en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood.
Tekstuitleg van Lc 24,35 . Het vers Lc 24,35 telt 16 (2² X 2²) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 24,35 is 6703 (3² X 967) .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,35.2. nom. mann. mv. autoi (zij) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (19) : (1) Lc 2,50 . (2) Lc 6,11 . (3) Lc 9,36 . (4) Lc 11,4 . (5) Lc 11,19 . (6) Lc 11,46 . (7) Lc 11,48 . (8) Lc 11,52 . (9) Lc 13,4 . (10) Lc 14,1 . (11) Lc 14,12 . (12) Lc 16,28 . (13) Lc 17,13 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 22,23 . (16) Lc 22,71 . (17) Lc 24,14 . (18) Lc 24,35 . (19) Lc 24,52 .
Lc 24,35.5.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,35.6.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
9. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,32 . (3) Lc 24,35 .
11. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,35.12.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
15. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 - Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 -
| Lc 24,36 - Lc 24,36 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 36 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in
het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
King James Bible . [36] And as they thus spake, Jesus himself stood in the midst
of them, and saith unto them, Peace be unto you.
Luther-Bibel . 36 Als sie aber davon redeten, trat er selbst, Jesus, mitten
unter sie und sprach zu ihnen: Friede sei mit euch!
- 3de
(derde) paaszondag B . Terwijl ze daarover spraken stond Hijzelf plotseling
in hun midden en zei: "Vrede zij u."
Tekstanalyse van Lc 24,36 . Aantal woorden : 14 / 16 (2² X 2²) . Het vers Lc 24,36 telt 73 letters . De getalwaarde van Lc 24,36 is 11142 (2 X 3² X 619) . Aantal lettergrepen : 27 . Jezus is onderwerp van de zin .
Lc 24,36.1. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Taalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 . Hnd (28) . Het legt hier een link met het voorgaande verhaal van de twee Emmaüsgangers .
Lc 24,36.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Taalgebruik in Hnd : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc 24 (20) . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,21 . (6) Lc 24,24 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,37 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,42 . (12) Lc 24,44 . (13) Lc 24,49 . (14) Lc 24,50 .
Lc 24,36.1.
- 2. tauta de (die dingen echter . Lc (2) : (1) Lc
9,34 . (2) Lc
24,36 .
- Lc 9,34
: tauta de autou legontos = terwijl hij echter die dingen zegt .
- Lc 24,36
: tauta de autôn lalountôn = terwijl zij echter die dingen spraken
.
de auta (echter die dingen) : Lc (5) : (1) Lc
7,9 . (2) Lc
10,1 . (3) Lc
16,14 . (4) Lc
18,4 . (5) Lc
18,22 . akousas de tauta (die dingen echter gehoord) : Lc (2) : (1) Lc
7,9 . (2) Lc
18,22 . èkouon de tauta (zij hoorden echter die dingen) : Lc (1)
Lc 16,14
. meta de tauta (na die dingen echter) . Lc (2) : (1) Lc
10,1 . (2) Lc
18,4 .
Lc 24,36.3. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 . Hnd (87) .
Lc 24,36.4. act. part. praes. gen. mv. lalountôn van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (1) Lc 24,36 . Hnd (4) . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .
Lc 24,36.3. - 4. autôn lalountôn (terwijl zij aan het praten waren , naar hen die aan het praten waren) . Losse genitief of nadere bepaling bij het werkwoord akouô ( luisteren naar hen sprekende = hen horen spreken) . Persoonlijk voornaamwoord genitief mannelijk meervoud + participium praesens genitief mannelijk meervoud . In veertien verzen in de bijbel ; in negen verzen in het O.T. . In één vers bij Lucas nl. Lc 24,36 en in vier verzen in Hnd : (1) Hnd 2,6 (lalountôn autôn) . (2) Hnd 2,11 (lalountôn autôn) . (3) Hnd 4,1 (lalountôn de autôn - losse genitief) . (4) Hnd 10,46 (autôn lalountôn) .
Lc 24,36.5. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 . Hnd (17) .
Lc 24,36.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. estè van het werkw. histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in het N.T. : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Lc : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Hnd : histèmi (doen staan, staan) . Lc (4) : (1) Lc 6,8 . (2) Lc 6,17 . (3) Lc 8,44 . (4) Lc 24,36 (estè en mesôi autôn = hij stond in het midden van hen) . Hnd (2) . Een vorm van histèmi (doen staan, staan) in Lc (25) , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,36 . In Lc : X vormen van histèmi (doen staan, staan) in 25 verzen in 15 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van histèmi (doen staan, staan) in 36 verzen in 20 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,36.7. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,6 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,27 . (8) Lc 24,30 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,35 . (11) Lc 24,36 . (12) Lc 24,38 . (13) Lc 24,44 . (14) Lc 24,49 . (15) Lc 24,51 . (16) Lc 24,53 .
Lc 24,36.8. dat. mann. + onz. enk. mesô(i) van het bijvoegl. naamw. mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het N.T. : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Mc : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Lc : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Hnd : mesos (zich in het midden bevindend) . Hebr. thâwèkh (stat. constr. thôhk) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenach : thâwèkh (stat. constr. thôhk) : het midden, het inwendige . Lat. medius . Ned. midden . D. mitten . E. midst . Fr. milieu . Lc (7) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 8,7 . (3) Lc 10,3 . (4) Lc 21,21 . (5) Lc 22,27 . (6) Lc 22,55 . (7) Lc 24,36 (estè en mesôi autôn = hij stond in het midden van hen) . Een vorm van mesos (zich in het midden bevindend) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 4,30 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 6,8 . (6) Lc 8,7 . (7) Lc 10,3 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 22,27 . (11) Lc 22,55 . (12) Lc 23,45 . (13) Lc 24,36 . In Lc : 3 vormen van mesos (zich in het midden bevindend) in 13 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van mesos (zich in het midden bevindend) in 13 verzen in 11 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,36.9. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 . Hnd (87) .
Lc 24,36.6. - 9. Inclusio van Lc 24,36 : estè en mesô(i) autôn (hij stond in hun midden) met Lc 24,51 : diestè ap'autôn (hij verwijderde zich van hen) . ver-wijder-en , ook afstand nemen .
Lc 24,36.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,36.12. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
| Lc 24,37 - Lc 24,37 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden,
dat zij een geest zagen.
King James Bible . [37] But they were terrified and affrighted, and supposed
that they had seen a spirit.
Luther-Bibel . 37 Sie erschraken aber und fürchteten sich und meinten,
sie sähen einen Geist.
- 3de
(derde) paaszondag B . In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest
te zien.
Tekstuitleg van Lc 24,37 . Lc 24,37 telt 8 woorden en 21 lettergrepen.
1. ptoèthentes (door elkaar geschud) komt slechts in Lc 24,37 in de bijbel voor .
2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . In twintig verzen in Lc 24 . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,21 . (6) Lc 24,24 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,37 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,42 . (12) Lc 24,44 . (13) Lc 24,49 . (14) Lc 24,50 .
4. emfoboi . In 2 verzen in de bijbel, in 1 vers bij Lucas en in 1 vers in Hnd. (1) Lc 24,37 (emfoboi genomenoi = bevreesd geworden) . (2) Ap 11,13 (kai hoi loipoi emfoboi egenonto = de overigen werden bevreesd). fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden), zie Mc 1,27 .
| Lc 24,38 - Lc 24,38 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 38 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom
klimmen zulke overleggingen in uw harten?
King James Bible . [38] And he said unto them, Why are ye troubled? and why
do thoughts arise in your hearts?
Luther-Bibel . 38 Und er sprach zu ihnen: Was seid ihr so erschrocken, und warum
kommen solche Gedanken in euer Herz?
- 3de
(derde) paaszondag B . Maar Hij sprak tot hen: "Waarom zijt ge ontsteld
en waarom komt er twijfel op in uw hart?
Tekstuitleg van Lc 24,38 . Het vers Lc 24,38 telt 14 (2 X 7) woorden en 81 (3² X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 24,38 is 6718 (2 X 3359) .
tetaragmenoi: slechts in Gn 40,6 en Lc 24,38
Lc 24,38.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,38.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,38.3. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,38.1. - 3. kai eipen autois (en hij zei hen) . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 . N.T. (30) , slechts in de evangelies .
Lc 24,38.4. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,38 . (3) Lc 24,41 .
5. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,38.8. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .
Lc 24,38.9. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,38 . (3) Lc 24,41 .
Lc 24,38.11. act. ind. pr. 3de pers. mv. anabainousin van het werkw. anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô (beklimmen) . Lc (1) Lc 24,38 . Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 18,31 . (7) Lc 19,4 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 24,38 .
Lc 24,38.12.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,38.13.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
| Lc 24,39 - Lc 24,39 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 39 Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf;
tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij
ziet, dat Ik heb.
King James Bible . [39] Behold my hands and my feet, that it is I myself: handle
me, and see; for a spirit hath not flesh and bones, as ye see me have.
Luther-Bibel . 39 Seht meine Hände und meine Füße, ich bin's
selber. Fasst mich an und seht; denn ein Geist hat nicht Fleisch und Knochen,
wie ihr seht, dass ich sie habe.
- 3de
(derde) paaszondag B . Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf.
Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen zoals ge ziet dat
Ik heb."
Tekstuileg van Lc 24,39 . Het vers Lc 24,39 telt 27 (3³) woorden en 118 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Lc 24,39 is 14829 (3 X 4943) .
2. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,32 . (2) Lc 24,39 . (3) Lc 24,40 . (4) Lc 24,45 . (5) Lc 24,50 .
3. acc. vr. mv. cheiras van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) . Taalgebruik in Hnd : cheir (hand) . Hebr. jad (hand) . Taalgebruik in Tenach : jad (hand) . Ned. hand . D. Hand . E. hand . Lat. manus . Fr. main . Lc 11) : (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 20,19 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 23,46 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 . Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen , in Lc 24 (4) . In Lc : 8 vormen van cheir (hand) in 25 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van cheir (hand) in 45 verzen in 21 / 28 hoofdstukken .
9. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
12. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
17. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
22. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,39.24.
kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs
(zoals) .
Lc (17) : (1) Lc
1,2 . (2) Lc
1,55 . (3) Lc
1,70 . (4) Lc
2,20 . (5) Lc
2,23 . (6) Lc
5,14 . (7) Lc
6,31 . (8) Lc
6,36 . (9) Lc
11,1 . (10) Lc
11,30 . (11) Lc
17,26 . (12) Lc
17,28 . (13) Lc
19,32 . (14) Lc
22,13 . (15) Lc
22,29 . (16) Lc
24,24 . (17) Lc
24,39 .
25. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. eme (mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (7) : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 9,48 . (4) Lc 10,16 . (5) Lc 22,53 . (6) Lc 23,28 . (7) Lc 24,39 .
psèlafèsthe : hapax in de bijbel.
| Lc 24,40 - Lc 24,40 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 40 En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
King James Bible . [40] And when he had thus spoken, he shewed them his hands
and his feet.
Luther-Bibel . 40 Und als er das gesagt hatte, zeigte er ihnen die Hände
und Füße.
- 3de
(derde) paaszondag B . En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn
handen en voeten.
Tekstuitleg van Lc 24,40 . Het vers Lc 24,40 telt 10 (2 X 5) woorden en 49 (7²) letters . De getalwaarde van Lc 24,40 is 6094 (2 X 11 X 277) .
Lc 24,40.3.
act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc
19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem
.
(3) Lc 22,8
. Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid
wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc
23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus
.
(5) Lc
24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn
handen en zijn voeten .
Lc 24,40.1.
- 3. - Lc
23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) .
(5) Lc
24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn
handen en zijn voeten .
Lc 24,40.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. edeixen (hij toonde) van het werkw. deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in het N.T. : deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in Lc : deiknumi (tonen, aanwijzen) . Lc (2) : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 24,40 . Een vorm van deiknumi (tonen, aanwijzen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 20,24 . (4) Lc 22,12 . (5) Lc 24,40 .
5. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
6. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,32 . (2) Lc 24,39 . (3) Lc 24,40 . (4) Lc 24,45 . (5) Lc 24,50 .
7. acc. vr. mv. cheiras van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) . Taalgebruik in Hnd : cheir (hand) . Hebr. jad (hand) . Taalgebruik in Tenach : jad (hand) . Ned. hand . D. Hand . E. hand . Lat. manus . Fr. main . Lc 11) : (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 20,19 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 23,46 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 . Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen , in Lc 24 (4) . In Lc : 8 vormen van cheir (hand) in 25 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van cheir (hand) in 45 verzen in 21 / 28 hoofdstukken .
| Lc 24,41 - Lc 24,41 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en
zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?
King James Bible . [41] And while they yet believed not for joy, and wondered,
he said unto them, Have ye here any meat?
Luther-Bibel . 41 Als sie aber noch nicht glaubten vor Freude und sich verwunderten,
sprach er zu ihnen: Habt ihr hier etwas zu essen?
- 3de
(derde) paaszondag B . Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden
geloven zei Hij tot hen: "Hebt ge hier iets te eten?"
Tekstuitleg van Lc 24,41 . Het vers Lc 24,41 telt 15 (3 X 5) woorden en 78 (2 X 39) letters . De getalwaarde van Lc 24,41 is 11158 (2 X 7 X 787) .
2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
5. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,41.7. gen. vr. enk. charas van het zelfst. naamw. chara (vreugde) . Taalgebruik in het N.T. : chara (vreugde) . Taalgebruik in Lc . : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , Fr. joie , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . Lc (4) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,41 . (4) Lc 24,52 . Een vorm van chara (vreugde) .in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 10,17 . (5) Lc 15,7 . (6) Lc 15,10 . (7) Lc 24,41 . (8) Lc 24,52 .
10. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
11. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,41.13. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,38 . (3) Lc 24,41 .
| Lc 24,42 - Lc 24,42 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 42 En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van
honigraten.
King James Bible . [42] And they gave him a piece of a broiled fish, and of
an honeycomb.
Luther-Bibel . 42 Und sie legten ihm ein Stück gebratenen Fisch vor.
- 3de
(derde) paaszondag B . Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan;
Tekstuitleg van Lc 24,42 .
1. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
| Lc 24,43 - Lc 24,43 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 43 En Hij nam het, en at het voor hun ogen.
King James Bible . [43] And he took it, and did eat before them.
Luther-Bibel . 43 Und er nahm's und aß vor ihnen.
- 3de
(derde) paaszondag B . Hij nam het en at het voor hun ogen op.
Tekstuitleg van Lc 24,43 . Het vers Lc 24,43 telt 5 woorden en 26 (2 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 24,43 is 4094 (2 X 23 X 89) .
2. act. part. aor. nom. mann. enk. labôn van het werkw. lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : lambanô (nemen) . Hebr. nâthan (nemen) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (nemen) . Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) . Fr. prendre . N. nemen . D. nehmen . E. take . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . LXX (40) . N.T. (46) . In Lc : X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van lambanô (nemen) in het N.T. (258) , in de LXX (1335) .
Lc 24,43.3. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het N.T. : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .
Lc 24,43.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,43.3. - 4. enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 5,18 . enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,43 .
| Lc 24,44 - Lc 24,44 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 44 En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot
u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden,
wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
King James Bible . [44] And he said unto them, These are the words which I spake
unto you, while I was yet with you, that all things must be fulfilled, which
were written in the law of Moses, and in the prophets, and in the psalms, concerning
me.
Luther-Bibel . 44 Er sprach aber zu ihnen: Das sind meine Worte, die ich zu
euch gesagt habe, als ich noch bei euch war: Es muss alles erfüllt werden,
was von mir geschrieben steht im Gesetz des Mose, in den Propheten und in den
Psalmen.
- 3de
(derde) paaszondag B . Hij sprak tot hen: "Dit zijn mijn woorden, die Ik
sprak toen Ik nog bij u was: Alles moet vervuld worden wat over Mij staat in
de Wet van Mozes, in de profeten en in de psalmen."
Tekstuitleg van Lc 24,44 . Het vers Lc 24,44 telt 30 (2 X 3 X 5) woorden en 133 letters . De getalwaarde van Lc 24,44 is 16302 (2 X 3 X 11 X 13 X 19) .
Lc 24,44.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Hnd (75) . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,44.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
Lc 24,44.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,44.1. - 3. eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . (17) Lc 24,44 .
Lc 24,44.4. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,44.1. - 4. eipen de pros autous (hij echter zei tot hen) . Lc (6) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 15,3 . (4) Lc 20,41 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,44 . Hnd (1) .
Lc 24,44.5. nom. mann. mv. houtoi van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (10) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 8,14 . (3) Lc 8,15 . (4) Lc 8,21 . (5) Lc 13,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 20,47 . (8) Lc 21,4 . (9) Lc 24,17 . (10) Lc 24,44 . Hnd (14) .
Lc 24,44.6. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,44.7. nom. mann. mv. logoi van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . Taalgebruik in Hnd. : logos (woord) . Zie Hebr. dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenach : dâbhar (spreken) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 21,33 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,44 . Hnd (1) . Een vorm van logos (woord) in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,44 . In Lc : 8 vormen van logos (woord) in 17 / 24 hoofdstukken en in 33 verzen . In Hnd : 8 vormen van logos (woord) in 20 / 28 hoofdstukken en in 65 verzen .
5. - 7. deze woorden . Lc 24,17 : hoi logoi houtoi . Lc 24,44 : houtoi hoi logoi .
Lc 24,44.10. act. ind. aor. 1ste pers. enk. elalèsa (ik sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (1) Lc 24,44 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .
14. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .
15. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
15. - 16. sun humin (met jullie) . In de ev. slechts in dit vers Lc 24,44 . In Br. (3) . sun autois (met hen) . N.T. (13) . Lc (3) : (1) Lc 7,6 . (2) Lc 24,29 . (3) Lc 24,33 . Hnd (7) . sun autais (met hen) . Slechts in dit vers Lc 24,10 . sun hèmin (met ons . N.T. (6) . Lc (1) Lc 24,24 . Hnd (5) .
17. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,44.18. act. ind. praes. 3de pers. enk. dei (hij / het moet) . Taalgebruik in het N.T. : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) . Lc (12) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 12,12 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 17,25 . (8) Lc 19,5 . (9) Lc 21,9 . (10) Lc 22,37 . (11) Lc 24,7 . (12) Lc 24,44 . Een vorm van dei (hij / het moet) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 13,14 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 13,33 . (9) Lc 15,32 . (10) Lc 17,25 . (11) (1) Lc 18,1 . (12) Lc 19,5 . (13) Lc 21,9 . (14) Lc 22,7 . (15) Lc 22,37 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,26 . (18) Lc 24,44 . In Lc : 3 vormen van dei (hij / het moet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 18 verzen . In Hnd : 4 vormen van dei (hij / het moet) in 18 / 28 hoofdstukken en in 24 verzen .
22. pass. part. perf. nom.. + acc. onz. mv. gegrammena van het werkw. grafô (schrijven) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenach : sjâphar (schrijven) . cijfer . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc (3) : (1) Lc 18,31 . (2) Lc 21,22 . (3) Lc 24,44 . Hnd (1) . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .
Lc 24,44.20.
- 22. panta ta gegrammena (al het geschrevene) . In drie verzen bij Lucas :
(1) Lc
18,31 : telesthèsetai ... : al het geschrevene zal voltooid worden
(derde lijdensvoorspelling) . (2) Lc
21,22 : tou plèsthènai ... : opdat al het geschrevene zou
vervuld worden (eschatologische rede) . (3) Lc
24,44 : hoti dei plèrôthènai ... : dat al het geschrevene
moet vervuld worden (verschijning aan de elf en hun metgezellen) . Door deze
drie teksten is de derde lijdensvoorspelling , de eschatologische rede en een
verschijningsverhaal met elkaar verbonden . In Hnd (1) : Hnd
13,29 : hôs de etelesan panta ta peri autou gegrammena (zodra ze echter
al het geschrevene over hem tot voleinding brachten) .
In zijn verwijzing naar de schrift in Lc
4,21 wijst Jezus op de vervulling ervan . peplèrôtai : (is
vervuld geworden, is in vervulling gegaan) . Passief indicatief perfectum derde
persoon enkelvoud van het werkwoord plèroô (vervullen) . Op twee
andere opmerkelijke plaatsen wordt de passief infinitief perfectum gebruikt
: (1) Lc
24,44 . (2) Hnd
1,16 . In deze beide gevallen is er eveneens verwijzing naar vervulling
van de schrift(en) . In Lc
24,44 geeft Lucas de voorlaatste woorden van Jezus bij zijn verschijnen
aan de elf en hun metgezellen . In Hnd
1,16 spreekt Petrus voor het eerst de verzamelde gemeenschap toe .
| Lc 4,21 | peplèrôtai | hè grafè autè | |
| Lc 24,44 | dei | plèrôthènai | panta ta gegrammena |
| Hnd 1,16 | edei | plèrôthènai | tèn grafèn |
23. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
24. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord
ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,15 . (3) Lc
24,30 . (4) Lc
24,44 . (5) Lc
24,47 . (6) Lc
24,51 . (7) Lc
24,53 .
28. dat onz. mv. tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc (2) : (1) Lc
24,9 . (2) Lc
24,44 .
29. dat. mv. profètais van het zelfst. naamw. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès (profeet) . Taalgebruik in Hnd : profètès (profeet) . Taalgebruik in Tenach : nâbhî´(profeet) . Hebr. nâbhî´(profeet) . Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) . Lc (2) : (1) Lc 6,23 . (2) Lc 24,44 . Hnd (3) . Een vorm van profètès (profeet) in Lc (29) , in Lc 24 (4) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,44 . In Lc : 7 vormen van profètès (profeet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : 6 vormen van profètès (profeet) in 12 / 28 hoofdstukken en in 30 verzen .
32. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Hnd : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
| Lc 24,45 - Lc 24,45 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 45 Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
King James Bible . [45] Then opened he their understanding, that they might
understand the scriptures,
Luther-Bibel . 45 Da öffnete er ihnen das Verständnis, sodass sie
die Schrift verstanden,
- 3de
(derde) paaszondag B . Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen
van de Schriften.
Tekstuitleg van Lc 24,45 . Het vers Lc 24,45 telt 9 (3²) woorden en 45 (3² X 5) letters . De getalwaarde van Lc 24,45 is 6285 (3 X 5 X 419) .
Lc 24,45.1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Lc : tote (dan) . Lc (15) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 6,42 . (3) Lc 11,24 . (4) Lc 11,26 . (5) Lc 13,26. (6) Lc 14,9 . (7) Lc 14,10 . (8) Lc 14,21 . (9) Lc 16,16 . (10) Lc 21,10 . (11) Lc 21,20. (12) Lc 21,21 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 23,30 . (15) Lc 24,45 . Hnd (21) .
Lc 24,45.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. diènoixen (hij opende) van het werkw. dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in het N.T. : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Lc : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Taalgebruik in Hnd : dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) . Hebr. pâthach (openen) . Taalgebruik in Tenach : pâthach (openen) . Lat. aperire . Fr. ouvrir . Ned. openen . D. offnen . E. to open . Lc (1) Lc 24,45 . Een vorm van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 24,31 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van dianoignumi / dianoigô (doen wijken, openen) in 3 verzen in 3 hoofdstukken .
Lc 24,45.3. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,45.4.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,45.6. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,3 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,9 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,35 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,49
Lc 24,45.7. act. inf. praes. sunienai van het werkw. sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in het N.T. : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in Mc : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Hebr. bîn (begrijpen, bemerken) . Taalgebruik in Tenach : bîn (begrijpen, bemerken) . Lat. intelligere . Fr. intelligence . Ned. begrip , verstand (verstaan) . D. Verständnis . E. understanding (understand) . Lc (1) Lc 24,45 . Een vorm van sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,50 . (2) Lc 8,10 . (3) Lc 18,34 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 4 vormen van (samenvatten, begrijpen, verstaan) in 4 verzen in 4 hoofdstukken . In Hnd : 4 vormen van (samenvatten, begrijpen, verstaan) in 4 verzen in 3 hoofdstukken .
Lc 24,45.8. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,32 . (2) Lc 24,39 . (3) Lc 24,40 . (4) Lc 24,45 . (5) Lc 24,50 .
Lc 24,45.9. acc. vr. mv. grafas van het zelfst. naamw. grafè (schrift) . Taalgebruik in het N.T. : grafè (schrift) . Taalgebruik in Lc : grafè (schrift) . Taalgebruik in Hnd : grafè (schrift) . Zie verder : grafô (schrijven) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenach : sjâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc 24 (1) Lc 24,45 . Een vorm van grafè (schrift) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 24,27 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,45 . In Lc : 3 vormen van grafè (schrift) in 4 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 5 vormen van grafè (schrift) in 7 verzen in 4 hoofdstukken .
Evangelielezing van Hemelvaart
ABC : Lc 24,46-53 (Lc
24,46-53) :
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Zó spreken de Schriften
over het lijden en het sterven van de Messias en over zijn verrijzenis uit de
doden op de derde dag, over de verkondiging onder alle volkeren, van de bekering
en de vergiffenis der zonden in zijn Naam. Te beginnen met Jeruzalem moet gij
van dit alles getuigen. Daarom zend Ik tot u wat door mijn Vader beloofd is;
blijft dus in de stad totdat gij uit den hoge met kracht zult zijn toegerust."
Nu leidde Hij hen naar buiten tot bij Betanië; Hij hief de handen omhoog
en zegende hen. En terwijl Hij hen zegende verwijderde Hij zich van hen en Hij
werd ten hemel opgenomen. Zij aanbaden Hem en keerden met grote blijdschap naar
Jeruzalem terug. Zij hielden zich voortdurend op in de tempel en zij verheerlijkten
God.
| Lc 24,46 - Lc 24,46 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Synopsis . 46 En hij zei hun: Zo staat geschreven dat de christus moet lijden
en opstaan uit de doden op de derde dag,
Statenvertaling . 46 En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest
de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.
King James Bible . [46] And said unto them, Thus it is written, and thus it
behoved Christ to suffer, and to rise from the dead the third day:
Luther-Bibel . 46 und sprach zu ihnen: So steht's geschrieben, dass Christus
leiden wird und auferstehen von den Toten am dritten Tage;
- 3de
(derde) paaszondag B . Hij zei hun: "Zo spreken de Schriften over het lijden
en sterven van de Messias en over zijn verrijzenis uit de doden op de derde
dag,
Tekstuitleg van Lc 24,46 . Het vers Lc 24,46 telt 19 woorden en 93 letters . De getalwaarde van Lc 24,46 is 10257 (3 X 13 X 263) .
Lc 24,46.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,46.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Hnd (75) . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,46.3. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,46.1. - 3. kai eipen autois (en hij zei hen) . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 . N.T. (30) , slechts in de evangelies .
Lc 24,46.4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,46.6. pass. ind. perf. 3de pers. enk. gegraptai van het werkw. grafô (schrijven) .Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sâphar (tellen) . Taalgebruik in Tenach : sâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Hnd (5) . In negen verzen in Lc : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .
Lc 24,46.7.
act. inf. aor. pathein van het werkw. paschô (lijden) . Taalgebruik in
het N.T. : paschô
(lijden) . Taalgebruik in Lc : paschô
(lijden) . Taalgebruik in Hnd : paschô
(lijden) . Hebr. `ânâh (bedrukt, terneergebogen zijn, bitter
leiden) . Taalgebruik in Tenach : `ânâh
(bedrukt, terneergebogen zijn, bitter leiden) . Gr. pathos . Lat. pati -
passio . Ned. pathos - passie . Zie http://www.xs4all.nl/~adcs/woordenweb/p/pathos.htm
. Lc (5) : (1) Lc
9,22 . (2) Lc
17,25 . (3) Lc
22,15 . (4) Lc
24,26 . (5) Lc
24,46 . Hnd (4) . Een vorm van paschô (lijden) in Lc in 6 verzen :
(1) Lc
9,22 . (2) Lc
13,2 . (3) Lc
17,25 . (4) Lc
22,15 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,46 . In Lc : 2 vormen van paschô (lijden) in 6 verzen in 5 hoofdstukken
. In Hnd : 2 vormen van paschô (lijden) in 5 verzen in 5 hoofdstukken
. N.T. (41) .
Lc (5) : (1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Lc
17,25 (de dag van de mensenzoon) . (3) Lc
22,15 (het laatste avondmaal) . (4) Lc
24,26 (verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers) . (5) Lc
24,46 (verschijning van Jezus aan de elf en hun metgezellen) .
De teksten van Lc
22,15 (het laatste avondmaal) : pro tou me pathein (voor mijn lijden) en
van Hnd
1,3 (inleiding van Handelingen) : meta to pathein auton (na zijn lijden)
omsluiten het lijden . Het lijden omvat de doorgang door de dood ; het is de
overgang : leven - dood - leven . In Lc
22,15 wordt de relatie gelegd tussen paschô (pasen) en pathein (lijden)
. Pasen of Pesach is de viering van de uittocht uit Egypte , de doortocht door
de Rietzee en het komen in de woestijn . De overgang heeft drie elementen die
over drie dagen worden gespreid .
Lc 24,46.8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,46 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,53 .
Lc 24,46.9. acc. mann. enk. christon van het zelfst. naamw. christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het N.T. : christos (Christus) . Taalgebruik in Lc : christos (Christus) . Taalgebruik in Hnd : christos (Christus) . Hebr. mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks christos (Christus) . Zie het werkw. mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenach : mâsjach (zalven) . Lc (7) : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . Hnd (10) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 2,26 (+) . (3) Lc 3,15 (+) . (4) Lc 4,41 (+) . (5) Lc 9,20 (+) . (6) Lc 20,41 (+) . (7) Lc 22,67 (+) . (8) Lc 23,2 (-) . (9) Lc 23,35 (+) . (10) Lc 23,39 (+) . (11) Lc 24,26 (+) . (12) Lc 24,46 (+) . In Lc : 2 vormen van christos (gezalfde, Christus) in 12 verzen in 8 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen in 28 verzen in 16 hoofdstukken . N.T. (517) .
Lc 24,46.7. - 9. pathein ton Christon (dat Christus - moest - lijden) . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 24,26 : edei pathein ton Christon = dat Christus moest lijden . {(2) Lc 24,46 : ' edei ' pathein ton Christon = dat Christus moest lijden.} (3) Hnd 3,18 : pathein ton Christon = dat Christus (moest) lijden .(4) Hnd 17,3 (hoti ton Christon. edei pathein = dat Christus moest lijden) .
Lc 24,46.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,46.11. inf. aor. anastènai van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc (29) , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,8 . (2) Lc 9,19 . (3) Lc 9,22 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
Opstanding is een steeds weerkerend thema in het evangelie en in Hnd :
- Hnd 1,22
: martura anastaseôs autou = getuige van zijn opstanding .
- Hnd 2,32
: touton ton Ièsoun anestèsen ho theos , hou pantes hèmeis
esmen martures = die Jezus heeft God doen opstaan , van wie wij allen getuigen
zijn .
- Hnd 3,15
: hon ho theos ègeiren ek nekrôn , hou hèmeis martures esmen
= die God heeft opgewekt uit de doden , van wie wij getuigen zijn .
Lc 24,46.12. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) . Taalgebruik in Hnd : ek (uit) . min (uit) . Taalgebruik in Tenach : min (uit) . Lc (46 + 37 = 83) . Lc 24 (1 + 3 = 4) . ek . Lc 24 (1) Lc 24,46 . ex . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,49 .
Lc 24,46.13. gen. mv. nekrôn van het bijvoegl. naamw. nekros (dode) . Taalgebruik in het N.T. : nekros (dode) . Taalgebruik in Lc : nekros (dode) . Taalgebruik in Hnd : nekros (dode) . Hebr. mth (67) . mwth (123) . L. mori : sterven ; mors , mortis : de dood ; mortuus : dode; cfr. mortuarium : dodenhuisje . Lc (7) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 16,30 . (3) Lc 16,31 . (4) Lc 20,35 . (5) Lc 20,38 . (6) Lc 24,5 . (7) Lc 24,46 . In Lc : 5 vormen van nekros (dode) in 6 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : X vormen van nekros (dode) in 12 hoofdstukken en in 17 verzen .
Lc 24,46.14.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
Lc 24,46.15. dat. vr. enk. tritè(i) ( - op de - derde) van het telwoord treis (drie) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Taalgebruik in Hnd : telwoorden . Lc (6) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 12,38 . (3) Lc 13,32 . (4) Lc 18,33 . (5) Lc 24,7 . (6) Lc 24,46 .
Lc 24,46.16. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lc (27) . Lc 9 (3) : (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 9,37 .Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,29 . (6) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen .
Lc 24,46.14. - 16. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Hnd (1) Hnd 10,40 . Hebr. bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag) , zie Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) .
Lc 24,46.11.
+ 14. - 16. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag
in combinatie met een vorm van anistèmi (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc
9,22 (variante) . (2) Lc
24,7 . (3) Lc
24,46 . Hos 6,2 : bajjôm hasjsjëlîsjî jëqimenû
(op de derde dag zal hij ons doen opstaan) . jëqimenû : hifil imperfectum
3de pers. enk. ) + nû : suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv. LXX : en
tè èmera tè tritè anastèsometha (op de derde dag zullen wij 'opgewekt' worden)
. Lc 18,33
: tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) = op de derde dag
zal hij 'opgewekt' worden . De lezing van Lc
18,33 benadert de LXX van Hos 6,2 het sterkst .
- tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag in combinatie
met een vorm van egeirô (opwekken) . Lc (1) Lc
9,22 . Hnd (1) Hnd
10,40 .
| Lc 24,47 - Lc 24,47 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Synopsis . 47 en dat in zijn naam aan alle volken verkondigd moet worden bekering
tot vergiffents van zonden. Beginnend vanaf Jeruzalem
Statenvertaling . 47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving
der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
King James Bible . [47] And that repentance and remission of sins should be
preached in his name among all nations, beginning at Jerusalem.
Luther-Bibel . 47 und dass gepredigt wird in seinem Namen Buße zur Vergebung
der Sünden unter allen Völkern. Fangt an in Jerusalem
- 3de
(derde) paaszondag B . over de verkondiging onder alle volkeren, van de
bekering en de vergiffenis der zonden in zijn Naam. Te beginnen met Jeruzalem
Tekstuitleg van Lc 24,47 . Het vers Lc 24,47 telt 17 woorden en 93 (3 X 31) letters . De getalwaarde van Lc 24,47 is 9192 (2³ X 3 X 383) .
Lc 24,47.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,47.2. pass. inf. aor. kèruchthènai van het werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Lc : kèrussô (verkondigen) . Lat. praedicare . Fr. proclamer . Ned. verkondigen . prediken . E. to preach . D. predigen . Lc (1) Lc 24,47 . Een vorm van kèrussô (verkondigen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,19 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 8,1 . (6) Lc 8,39 . (7) Lc 9,2 . (8) Lc 12,3 . (9) Lc 24,47 . In Lc :5 vormen van kèrussô (verkondigen) in 9 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 6 vormen van kèrussô (verkondigen) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
Lc 24,47.3.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,12 . (3) Lc
24,22 . (4) Lc
24,24 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,47 .
Lc 24,47.4.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,15 . (3) Lc
24,30 . (4) Lc
24,44 . (5) Lc
24,47 . (6) Lc
24,51 . (7) Lc
24,53 .
Lc 24,47.6. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,8 . (2) Lc 24,23 . (3) Lc 24,26 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,50 . Hnd (118) .
Lc 24,47.8. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,47.9. acc. vr. enk. afesin (vergeving) van het zelfst. naamw. afesis (aflating, vergeving) . Taalgebruik in het N.T. : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Lc : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Hnd : afesis (vergeving) . par-donner (pardon) : ver-geven , door : over -geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) . Lc (3) : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 24,47 . Hnd (4) . Een vorm van afesis (aflating, vergeving) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 4,18 (2 vormen) . (4) Lc 24,47 . In Lc : 4 vormen van afesis (aflating, vergeving) in 4 verzen in 4 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van afesis (aflating, vergeving) in 5 verzen in 5 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,47.10. hamartiôn (van de zonden) . Verwijzing: hamartia (zonde) , zie Lc 11,4 . Genitief meervoud van het zelfstandig naamwoord hamartia (zonde) . In vijfentachtig verzen in de bijbel . In tweeënvijftig verzen in het O.T. . In tweeëndertig verzen in het N.T. (1) Mt 1,21 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 1,4 . (4) Lc 1,77 . (5) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . (7) Hnd 2,38 . (8) Hnd 5,31 . (9) Hnd 10,43 . (10) Hnd 13,38 . (11) Hnd 26,18 . In eenentwintig verzen in de andere boeken van het N.T. .
Lc 24,47.11. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,47.12. nom. + acc. onz. mv. panta van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Hnd : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kl (al) . Taalgebruik in Tenach : kl (al) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (34) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,44 . (3) Lc 24,47 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 24 (9) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,27 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,47 . (9) Lc 24,53 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 149 verzen .
Lc 24,47.16. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,47.17. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,52 .
| Lc 24,48 - Lc 24,48 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Synopsis . 48 zul je getuigen zijn van deze dingen.
Statenvertaling . 48 En gij zijt getuigen van deze dingen.
King James Bible . [48] And ye are witnesses of these things.
Luther-Bibel . 48 und seid dafür Zeugen.
- 3de
(derde) paaszondag B . moet gij van dit alles getuigen."
Tekstuitleg van Lc 24,48
2. martures (getuigen) . Verwijzing : martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 . Nominatief meervoud mannelijk .
| martus (getuige) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | Lc | Hnd |
| nom. enk. martus | 39 | 31 | 8 | 1 | 4 | 3 | (1) Hnd 22,15 . | |||||
| gen. enk. marturos | 1 | 1 | 1 | (1) Hnd 22,20 . | ||||||||
| dat. enk. marturi | 2 | 2 | ||||||||||
| acc. enk. martura | 4 | 1 | 3 | 2 | 1 | (1) Hnd 1,22 . (2) Hnd 26,16 . | ||||||
| nom. mv. martures | 20 | 10 | 10 | 2 | 7 | 1 | (1) Lc 11,48 . (2) Lc 24,48 . | (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 5,32 . (5) Hnd 7,58 . (6) Hnd 10,39 . (7) Hnd 13,31 . | ||||
| gen. mv. marturôn | 16 | 3 | 13 | 2 | 1 | 3 | 5 | 2 | ||||
| dat. mv. martusin | 4 | 1 | 3 | 1 | 1 | 1 | (1) Hnd 10,41 . | |||||
| acc. mv. marturas | 6 | 5 | 1 | 1 | (1) Hnd 6,13 . | |||||||
| Totaal | 92 | 53 | 39 | 2 | 1 | 2 | 3 | 13 | 12 | 6 |
Het getuigenis van de apostelen is één van de elementen die
Lc 24,48
- Lc 24,49
en Hnd 1,4
/ Hnd 1,8
gemeenschappelijk hebben :
- Lc 24,48
: humeis martures toutôn = jullie zijn getuigen van deze 'dingen' .
- Hnd 1,8
: esesthe mou martures = jullie zullen mijn getuigen zijn .
Getuigen zijn wijst op opvolging maar ook op de aard van de opvolging . Na het
heengaan van Elia werd de leerling Elisa leraar . Op deze wijze gebeurt het
niet met de leerlingen van Jezus . Zij blijven leerlingen . Ze zijn en blijven
getuigen . In de meeste teksten van Hnd kan dat getuigenis onder verschillende
aspecten bekeken worden : tijd , plaats en inhoud . Naar tijd : vanaf het doopsel
van Johannes tot ... Naar plaats : te beginnen vanaf Jeruzalem ... Naar inhoud
: het leven van Jezus , zijn lijden , dood , opstanding , geestesgave enz....
| Lc 24,49 - Lc 24,49 -- Lc 24,36-49 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,36 - Lc 24,37 - Lc 24,38 - Lc 24,39 - Lc 24,40 - Lc 24,41 - Lc 24,42 - Lc 24,43 - Lc 24,44 - Lc 24,45 - Lc 24,46 - Lc 24,47 - Lc 24,48 - Lc 24,49 - | ||||||||||||||
|
Synopsis . En (zie) ik zend de belofte van mijn Vader over jullie ; maar jullie
, blijf in de stad tot de tijd dat je uit de hoge met kracht bekleed zult worden
. "
Statenvertaling . 49 En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft
gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.
King James Bible . [49] And, behold, I send the promise of my Father upon you:
but tarry ye in the city of Jerusalem, until ye be endued with power from on
high.
Luther-Bibel . 49 Und siehe, ich will auf euch herabsenden, was mein Vater verheißen
hat. Ihr aber sollt in der Stadt bleiben, bis ihr ausgerüstet werdet mit
Kraft aus der Höhe.
Tekstuitleg van Lc 24,49 . Dit vers Lc 24,49 telt 24 (2³ X 3) woorden en 113 letters . De getalwaarde van Lc 24,49 is 13950 (2 X 3² X 5² X 31) .
Lc 24,49.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,49.2. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Taalgebruik in Hnd : idou (zie) . Lc (55) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 . Hnd (23) .
Lc 24,49.1. - 2. kai idou (en zie) . Lc (27 / 55) . Lc 24 (3 / 3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 .
3. egô
4. act. ind. praes. 1ste pers. enk. apostellô (ik zend) van het werkw. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Mc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Lc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden . Taalgebruik in Hnd : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Hebr. sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenach : sjâlach (zenden) . Lat. mittere . Fr. envoyer < enveier < Lat. inviare (doorlopen) -> doen doorlopen, zenden (op weg sturen) . Lc (3) : (1) Lc 7,27 . (2) Lc 10,3 . (3) Lc 24,49 . Hnd (1) . Een vorm van apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in Lc in 24 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,26 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,43 . (5) Lc 7,3 . (6) Lc 7,20 . (7) Lc 7,27 . (8) Lc 9,2 . (9) Lc 9,48 . (10) Lc 9,52 . (11) Lc 10,1 . (12) Lc 10,3 . (13) Lc 10,16 . (14) Lc 11,49 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 14,17 . (17) Lc 14,32 . (18) Lc 19,14 . (19) Lc 19,29 . (20) Lc 19,32 . (21) Lc 20,10 . (22) Lc 20,20 . (23) Lc 22,8 . (24) Lc 24,49 . In Lc : 13 vormen in 12 hoofdstukken en in 24 verzen . In Hnd : X vormen van apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in 26 verzen in 15 hoofdstukken .
5. tèn epaggelian
6. epaggelian (belofte , bij-engelschap , engelbewaarderschap) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord epaggelia . In achttien verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In zestien verzen in het N.T. : (1) Lc 24,49 . (2) Hnd 1,4 . (3) Hnd 2,33 . (4) Hnd 13,23 . (5) Hnd 13,32 . (6) Hnd 23,21 .
7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
8. patros
9. mou
1. - 8. Het einde van dit evangelie volgens Lucas en het begin van de Hnd
toont grote gelijkenis met het begin van het evangelie volgens Marcus en volgens
Matteus . In beide gevallen gaat het om het zenden van een 'engel' .
- Lc 24,49
: kai idou egô apostellô tèn epaggelian tou patros mou ef humas = en zie ik
zend het engelbewaarschap van mijn vader over jullie .
- Mc 1,2
// Mt 3,1
// Lc 3,27
(= Mal 3,1 - Ex 23,20) : idou egô apostello ton aggelon mou pro prosôpou
sou = zie ik zend mijn engel voor je aangezicht uit .
- Hnd 1,4
: alla perimenein tèn epaggelian tou patros , hèn èkousate mou = maar het engelbewaarderschap
van de vader af te wachten , dat jullie van mij gehoord hebben .
10. ef
11. humas
12. humeis
13. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
14. kathisate
15. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
16. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho
, hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
17. polei
18. eôs
19. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
18. 19. heôs hou (totdat) . Verwijzing : heôs hou (totdat) , zie Lc 24,49 . In negentien verzen in het N.T. :
20. endusèsthe (jullie zouden bekleden) . Aorist conjunctief tweede
persoon meervoud . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt
6,25 . (2) Mc
6,9 . (3) Lc
12,12 . (4) Lc
24,49 .
- enduô (aantrekken, bekleden)
. Verwijzing : enduô
(aantrekken, bekleden) , zie Lc
24,49 .
Het ontvangen van de kracht van de geest is een ander element dat Lc
24,49 en Hnd
1,4 / Hnd
1,8 gemeenschappelijk hebben : zie kader .
21. ex
22. hupsous
21. 22. eks hupsous (vanuit de hoge) . Verwijzing : hupsistos (hoogste) , zie Lc 2,14 . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,78 . (2) Lc 24,49 .
23. acc. mann. enk. dunamin (kracht) van het zelfst. naamw. dunamis (macht,
kracht) . Taalgebruik in het N.T. : dunamis
(macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis
(macht, kracht) . Taalgebruik in Hnd : dunamis
(macht, kracht) . Hebr. chaîl (kracht, sterkte) . Taalgebruik in Tenach
: chaîl
(kracht, sterkte) . Lat. vir-tus . Fr. puissance + E. power < Lat. potentia
(mogelijkheid) zie Lat. posse (kunnen) . Ned. kracht . D. Kraft . Lc (4) : (1)
Lc 8,46
. (2) Lc
9,1 . (3) Lc
10,19 . (4) Lc
24,49 . Hnd (1) . Een vorm van dunamis (macht, kracht) in Lc in 12 verzen
: (1) Lc
1,17 . (2) Lc
1,35 . (3) Lc
4,14 . (4) Lc
4,36 . (5) Lc
5,17 . (6) Lc
6,19 . (7) Lc
8,46 . (8) Lc
9,1 . (9) Lc
10,19 . (10) Lc
21,27 . (11) Lc
22,69 . (12) Lc
24,49 . In Lc : 6 vormen van dunamis (macht, kracht) in 15 verzen in 11
hoofdstukken . In Hnd : 6 vormen van dunamis (macht, kracht) in 10 verzen in
7 hoofdstukken .
In Hnd 1,5
zullen de leerlingen gedoopt worden met heilige geest . In Lc
24,49 zullen de leerlingen bekleed worden met kracht . Zoals in Hnd
1,8 nog sterker blijkt , komen de woordcombinatie pneuma (geest) en dunamis
(kracht, macht) vaak voor . De overeenkomst tussen Lc
24,49 en Hnd
1,8 is groot . Lc
24,49 : je zult bekleed worden met kracht . Hnd
1,8 : je zult kracht ontvangen . In beide verzen is dunamin (kracht, macht)
lijdend voorwerp .
| Lc 1,35 a | Lc 1,35 b | Hnd 1,8 | Lc 24,49 | Lc 1,17 | Lc 3,22 | Lc 4,14a | Lc 4,18 |
| kai (en) | kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) | heôs hou endusèsthe (totdat jullie | kai (en) katabènai (neerdalen) | ||||
| pneuma hagion (heilige geest) | dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste) | dunamin (kracht) | eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) | en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia) | to pneuma to hagion (de heilige geest) ... | en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) | pneuma kuriou (de geest van de Heer) |
| epeleusetai (zal komen) epi se (over u) | episkiasei (zal overschaduwen) soi (u) | epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest) ef'humas (over u) | ep'auton (over hem) | ep'eme (op mij) | |||
| 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 | 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 | Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart | 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 | 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 | 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 | 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 | 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 |
356. Afscheid en hemelvaart : Lc 24,50-53 - Lc 24,50-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24 -- Lc 24,50 - Lc 24,51 - Lc 24,52 - Lc 24,53 -
Bespreking : Lc 24,50-53 .
Inleiding
Het verhaal van de hemelvaart van Jezus wordt door Lucas in het lucasevangelie (Lc 24,50-53) en in de Handelingen (Hnd 1,4-11) verteld . Het verhaal van de hemelvaart van Elia (2 K 2,1-18) stond model voor dat van de hemelvaart van Jezus . In het verhaal van de hemelvaart van Elia werd de opvolging van Elia geregeld . Elia wierp Elisa de profetenmantel toe . Elisa kreeg het dubbele van de geest van Elia en Elisa verrichtte daden zoals Elia had verricht .
Tekstanalyse van Lc 24,50-53 .
Lc
24,50-53 telt vier verzen en achtenveertig woorden . Lc
24,50 bevat dertien woorden , Lc
24,51 vijftien woorden , Lc
24,52 - Lc
24,53 telkens tien woorden .
In Lc
24,50 - Lc
24,51 is Jezus onderwerp . Lc
24,50 heeft de (echter) , Lc
24,51 begint met kai (en) . Er is in Lc
24,51 geen verandering van personage . In Lc
24,52 - Lc
24,53 zijn de leerlingen onderwerp . Ondanks de verandering van personage
gebruikt Lucas bij het begin van Lc
24,52 het voegwoord kai (en) . Zo wordt het voegwoord kai (en) vijfmaal
gebruikt en het partikel de (echter) éénmaal .
Er zijn zeven nevenschikkende
zinnen . In drie zinnen wordt een participiumzin bij het onderwerp aangewend
; er is één infinitiefzin . Hoofd- en bijzinnen zijn er elf in
totaal .
Noch Jezus noch de leerlingen worden uitdrukkelijk genoemd . Zo wemelt Lc
24,50 - Lc
24,51 - Lc
24,52 van persoonlijke voornaamwoorden ; acht in totaal ; drie verwijzen
naar Jezus (autou , auton) en vijf naar de leerlingen (autous , autôn
, autoi) .
Zoals het wel vaker gebeurt , duidt het gebruik van egeneto (het gebeurde) op
een situatie (begin- of eindsituatie) of op een verandering van de ene naar
de andere situatie . In Lc
24,51 wijst egeneto (het gebeurde) op de verandering van situatie . In Lc
24,50 zijn Jezus en de leerlingen bij elkaar . In Lc
24,51 heeft de scheiding tussen Jezus en de leerlingen plaats . In Lc
24,52 - Lc
24,53 zijn de leerlingen zonder Jezus .
Eerst is er de hemelvaart van Jezus (Lc
24,50 - Lc
24,51) , vervolgens de terugkeer van de leerlingen naar Jeruzalem (Lc
24,52) en tenslotte het gebed in de tempel (Lc
24,53) . Dit schema vinden we terug in Hnd
1 : hemelvaart (Hnd 1,6-11) , terugkeer (Hnd
1,12 - Hnd
1,13a) , gebed (Hnd
1,14) .
| Lc 24,50 - Lc 24,50 : 356. Afscheid en hemelvaart - Lc 24,50-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24 -- Lc 24,50 - Lc 24,51 - Lc 24,52 - Lc 24,53 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 50 En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn
handen opheffende, zegende Hij hen.
King James Bible . [50] And he led them out as far as to Bethany, and he lifted
up his hands, and blessed them.
Luther-Bibel . 50 Er führte sie aber hinaus bis nach Betanien und hob die
Hände auf und segnete sie.
Tekstanalyse van Lc 24,50 . Dit vers Lc 24,50 telt 14 (2 X 7) woorden en 70 (7 X 10 of 2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,50 is 8829 (3 X 3 X 3 X 3 X 109) . Lc 24,50 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen en een participiumzin bij het onderwerp . In Lc 24,50 is Jezus onderwerp , de leerlingen lijdend voorwerp .
Lc 24,50.1.
act. ind. aor. 3de pers. enk. exègagen (hij leidde uit) van het werkw.
exagô (uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in het N.T. : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Lc : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in Hnd : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) . Taalgebruik in de LXX : exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) . Hebr. jâtsâ´ (uitgaan,
uittrekken) . Taalgebruik in Tenach : jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken) . < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Lc
(1) Lc
24,50 . Dit is de enigste vorm in Lc . Hnd (4) . In Hnd : 4 vormen van exagô
(uitleiden, naar buiten leiden) in 8 verzen in 7 / 28 hoofdstukken . In de Nederlandse
taal zeggen we ook wel : iemand uitgeleide doen , in de betekenis van : met
iemand meegaan tot op een plaats waar afscheid van iemand genomen wordt . Hier
is wel iets merkwaardigs . Niet de leerlingen , maar Jezus doet de leerlingen
uitgeleide . Niet de leerlingen , maar Jezus neemt afscheid van zijn leerlingen
. Dit herinnert aan het verhaal van de Emmaüsgangers waarin duidelijk werd
dat Jezus tegelijkertijd af- en aanwezig is . De vorm waarin Jezus bij zijn
leerlingen aanwezig is , is anders . Maar hij blijft bij zijn leerlingen aanwezig
.
exègagen (bijbel : 67) is vaak de vertaling van het Hebreeuwse wajjôtse´(en
hij deed uitgaan) : waw consecutivum + werkw.vorm act. hifil imperf. 3de pers.enk..
van het werkw. jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik
in Tenach : jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken) . Tenach (15) .
Een vorm van exagô (uitleiden, naar buiten leiden) in het N.T. (12) .
Syn. (2) . Ev. (3) . LXX (221) . Vaak wordt het werkw. gebruikt om de uittocht
uit Egypte aan te duiden .
Lc 24,50.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . In twintig verzen in Lc 24 . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,21 . (6) Lc 24,24 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,37 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,42 . (12) Lc 24,44 . (13) Lc 24,49 . (14) Lc 24,50 . In Lc 24,50-53 komt slechts éénmaal het partikel de (echter) voor : Lc 24,50 .
Lc 24,50.3. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 . Hnd (95) .
Lc 24,50.3bis. exô (buiten) . Taalgebruik in het N.T. : exô (buiten) . Taalgebruik in Lc : exô (buiten) . Taalgebruik in Hnd : exô (buiten) . Taalgebruik in Hnd : exô (buiten) . Taalgebruik in de Septuaginta : exô (buiten) . N.T. (62) . Syn. (28) . Ev. (41) . Lc (10) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 13,25 . (5) Lc 13,28 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 20,15 . (9) Lc 22,62 . (10) Lc 24,50 . Hnd (10) . Hebr. chûts (straat, buiten) . Taalgebruik in Tenach : chûts (straat, buiten) . hachûtsâh (naar buiten) . Tenach (16) . LXX (109) .
1. - 3. Lc
24,50 roept reminiscenties op aan Ex
19,17 : MT : wajjôtse´ mosjèh ´èth hâ`âm
(en Mozes deed het volk uitgaan) . LXX : kai exègagen Môusès
ton laon ... : 'Toen leidde Mozes het volk uit het kamp, God tegemoet . Aan
de voet van de berg bleven zij staan ." wajjôtse´ mosjèh
(en Mozes deed uitgaan) . Slechts in Ex
19,17 . Mozes leidde het volk naar de voet van de berg . Daarna ging Mozes
de berg op waar God het verbond met het volk van Israël sloot .
Lc 24,50
: exègagen de autous exô (Hij echter leidde hen uit naar buiten)
benadert het sterkst Gn
15,5 , LXX : exègagen de auton exô (Hij echter leidde hem uit
naar buiten) . Hebr. wajjôtse´(en hij deed uitgaan) ´othô
(hem) hachûtsâh (naar buiten) . In Gn
15,18 sloot JHWH een verbond met Abram .
Zowel in de tekst van Gn als in die van Ex volgt het sluiten van een verbond
door God met Abram / Mozes . Voor de tekst van Gn pleit het tijdstip van de
verbondssluiting . Gn
15,17 : 'Toen de zon was ondergegaan en het helemaal donker was geworden.'
Volgens Lc 24 hebben alle verhalen op één dag , de derde dag ,
plaats . Voor de tekst van Ex pleit de inhoud van het verbond . Mozes ontvangt
de twee stenen tafelen met de tien geboden erop . Jezus wordt ten hemel opgenomen
en zal de geest zenden .
Lc 24,50.4. heôs (tot, totdat) . Taalgebruik in het N.T. : heôs (tot , totdat) . Taalgebruik in Lc : heôs (tot , totdat) . Taalgebruik in Hnd : heôs (tot , totdat) . Lc (27) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,49 . (2) Lc 24,50 . Hnd (22) . N.T. (145) . LXX (1565) . Hebr. `ad (tot) . Taalgebruik in Tenach : `ad (tot) . Tenach (1012) .
Lc 24,50.5. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Hnd : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 . Hnd (122) .
Lc 24,50.6. acc. vr. enk. Bèthanian (Bethanië) van de eigennaam bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in het N.T. : Bèthania (Bethanië) . Taalgebruik in Lc : Bèthania (Bethanië) . In zes verzen in de bijbel : (1) Mt 21,17 . (2) Mc 11,1 . (3) Mc 11,11 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 24,50 . (6) Joh 12,1 . Stadje op de oostelijke helling van de Olijfberg , aan de weg van Jeruzalem naar Jericho . Vooral bekend als de woonplaats van Lazarus , Maria en Marta . In dit stadje zou een vrouw Jezus gezalfd hebben . Bethanië omsluit de gebeurtenissen van Jezus . In Lc 19,29 naderen Jezus en zijn leerlingen Bethanië . In Lc 24,50 neemt Jezus er afscheid van zijn leerlingen .
Lc 24,50.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,50.8.
act. part. aor. nom. mann. enk. eparas (opgeheven) van het werkw. epairô
(opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô
(opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Lc : epairô
(opheffen, verheffen) . Taalgebruik in Hnd : epairô
(opheffen, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : epairô
(opheffen, verheffen) . Hebr. nâshâ´(dragen, opnemen,
verheffen) . Taalgebruik in Tenach : nâshâ´
(dragen, opnemen, verheffen) . Lat. levare (elevare) . Fr. lever . E. to
lift up . D. aufheben . Lc (3) : (1) Lc
6,20 . (2) Lc
16,23 . (3) Lc
24,50 . Bijbel (9) . N.T. (5) . LXX (4) . Een vorm van epairô (opheffen,
verheffen) in Lc in 6 verzen : (1) Lc
6,20 . (2) Lc
11,27 . (3) Lc
16,23 . (4) Lc
18,13 . (5) Lc
21,28 . (6) Lc
24,50 . In Lc : 4 vormen van epairô (opheffen, verheffen) in 6 verzen
in 6 hoofdstukken . In Hnd : 4 vormen van epairô (opheffen, verheffen)
in 5 verzen in 5 hoofdstukken . Een vorm van epairô (opheffen, verheffen)
in het N.T. (19) , de LXX (83) .
De vorm act. part. aor. nom. mann. enk.exaras (uitgeheven, uitgestrekt) komt slechts in het OT (4) voor : (1) Gn 29,1 . (2) Gn 49,33 . (3) Lv 9,22 . (4) Nu 24,2 .
Een vorm van het werkw. exairô in de LXX (236) , in het NT (1) . Zie
Lc 24,50.9. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,32 . (2) Lc 24,39 . (3) Lc 24,40 . (4) Lc 24,45 . (5) Lc 24,50 .
Lc 24,50.10 . acc. vr. mv. cheiras van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) . Taalgebruik in Hnd : cheir (hand) . Taalgebruik in de Septuaginta : cheir (hand) . Hebr. jad (hand) . Taalgebruik in Tenach : jad (hand) . Ned. hand . D. Hand . E. hand . Lat. manus . Fr. main . Lc 11) : (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 20,19 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 23,46 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 . Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen , in Lc 24 (4) . In Lc : 8 vormen van cheir (hand) in 25 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van cheir (hand) in 45 verzen in 21 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,50.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,8 . (2) Lc 24,23 . (3) Lc 24,26 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,50 . Hnd (118) .
Lc 24,50.12. act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen (hij zegende) van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) . Taalgebruik in het N.T. : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Taalgebruik in Tenach : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . eulogeô = Lat. benedicere (benedijen) . Fr. bénir . Ned. zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan . E. to bless . Lc (5) : (1) Lc 2,28 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 24,30 . (5) Lc 24,50 . Bijbel (69) . LXX (60) . N.T. (9) . Hebr. waw consec. + piel imperf. 3de pers. mann. enk. wajëbhârèkh (en hij zegende) . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : 2 vormen van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in 2 verzen in 1 / 28 hoofdstukken . In Lc : 5 verzen in de kindsheidsverhalen , 4 verzen in de verschijningsverhalen , in de verhalen van de vlakterede en de broodvermenigvuldiging , in een citaat (Ps 118,26) in Lc 13,35 dat ook bij de intrede van Jezus in Jeruzalem wordt aangehaald . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) in de LXX (516) , in het N.T. (42) .
Lc 24,50.13. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 . Hnd (95) .
Lc 24,50.8.
- 13. Lc
24,50 : kai eparas tas cheiras autou eulogèsen autous (en zijn handen opgeheven
zegende hij hen) . Er is een sterke gelijkenis tussen Lc
24,50 en Sir
50,20 : tote katabas epèren tas cheiras autou ... dounai eulogian
kuriou (en afgedaald hief hij zijn handen op om de zegen van de Heer te geven)
. In Sir wordt beschreven hoe de hogepriester op het einde van de liturgische
offerdienst het volk zegent . In Lc 24,50-53 neemt Jezus afscheid van zijn leerlingen
. Een nog sterkere gelijkenis met Lc
24,50 lijkt me Lv
9,22 . MT : wajjishshâ´ ´ahäron ´èth
jâdô ´èl hâ `âm wajëbârëkhem
(en Aäron hief zijn hand op en hij zegende hen) . LXX : kai exaras Aaron
tas cheiras epi ton laon eulogèsen autous (en de handen uitgestoken op
het volk zegende hij hen) . In Lv
9,22 wordt de eerste zegen van de hogepriester Aäron beschreven . De
tekst van Sir is gebaseerd op die van Lv. De hand uitsteken naar iemand kan
teken zijn van toenadering , vriendschap . Het is dan de bedoeling de hand te
drukken . In feite wordt dan arm en hand uitgestoken . Bij Aäron wordt
de arm en de hand opgeheven en uitgestrekt over . In exaras (uitgestrekt) ligt
de nadruk op het uit-strekken , in eparas (opgeheven) op het opheffen . Voor
de zegen worden de handen en armen uitgestrekt naar voren , naar het 'object'
; Jezus strekt zijn armen uit zijwaarts door de kruisiging .
Op het kruis strekt Jezus zijn handen uit . Zoals Aäron offert Jezus geen
offerdieren maar zichzelf . Na het offer zegent Aäron het volk . Zo zal
ook Jezus zijn zegen geven . Hij geeft zijn geest . Hij is de hogepriester die
het heilige der heilgen binnengaat .
| Lc 24,51 - Lc 24,51 : 356. Afscheid en hemelvaart - Lc 24,50-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24 -- Lc 24,50 - Lc 24,51 - Lc 24,52 - Lc 24,53 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 51 En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen
scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
King James Bible . 51 Und es geschah, als er sie segnete, schied er von ihnen
und fuhr auf gen Himmel.
Luther-Bibel . [51] And it came to pass, while he blessed them, he was parted
from them, and carried up into heaven.
Tekstanalyse van Lc 24,51 . In Lc 24,51 zijn er drie nevenschikkende zinnen en één infinitiefzin . Lc 24,51 telt 15 (3 X 5) woorden en 72 (2³ X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 24,51 is 9001 .
Lc 24,51.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,51.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 . In Lc : X vormen van ginomai (worden, gebeuren) in 130 verzen in 24 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van ginomai (worden, gebeuren) in 118 verzen in 26 / 28 hoofdstukken . LXX (2174) . N.T. (667) .
Lc 24,51.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,51.4.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,15 . (3) Lc
24,30 . (4) Lc
24,44 . (5) Lc
24,47 . (6) Lc
24,51 . (7) Lc
24,53 .
Lc 24,51.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 24,51.5. actief inf. praes. eulogein (te lofprijzen) van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het N.T. : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Taalgebruik in Tenach : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . eulogeô = Lat. benedicere (benedijen) . Fr. bénir . Ned. zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan . E. to bless . Hebr. piel inf. bârekh . Lc (1) Lc 24,51 . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen .
Lc 24,51.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,51.7. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,51.5. - 7. eulogein auton autous (en terwijl hij hen zegende) gaat terug op het voorgaande vers : eulogèsen autous (hij zegende hen) .
Lc 24,51.8.
act. ind. aor. 3de pers. enk. diestè van het werkw. diistèmi (uiteen
plaatsen, afzonderlijk opstellen, afzonderen, scheiden, tussenin (dia) staan)
. Taalgebruik in Lc : diistèmi
: uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen . Taalgebruik in Hnd : diistèmi
: uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen . Lc (1) Lc
24,51 . In drie teksten in de bijbel . Diestè (hij verwijderde zich
- distantie - hij distantieerde zich van hen - hij nam afstand van hen) komt
in Ex 15,8
in het uittochtverhaal voor . Verder in 2
K 2,14 . De tekst verwijst naar het Exodusverhaal . In 2 K : Elisa heeft
de profetenmantel opgenomen nadat Elia hem bij zijn hemelvaart liet vallen .
De tekst zegt dat de wateren niet uiteengingen nadat Elisa een eerste maal had
geslagen . De werkw.vorm diestè komt hier voor de derde maal voor bij
de hemelvaart van Jezus . In dit geval zou het dan wijzen op de overgang van
de ene naar de andere kant , een pascha . Een vorm van diistèmi in Lc
in 2 verzen : (1) Lc
22,59 . (2) Lc
24,51 . In Lc : 2 vormen van diistèmi in 2 verzen in 2 / 24 hoofdstukken
. In Hnd : 1 vorm van diistèmi in 1 vers in 1 hoofdstuk .
N.T. (3) . LXX (11) . Een vorm van diistèmi in het N.T. (3) , de LXX
(11) .
Lc 24,51.9. apo (af, van-weg) . afkorting ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,51.10. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
9. - 10. ap'autôn (van hen) . Lc (11) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 5,2 . (4) Lc 5,35 . (5) Lc 6,13 . (6) Lc 8,37 . (7) Lc 9,45 . (8) Lc 18,34 . (9) Lc 22,41 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,51 . Hnd (5) . N.T. (23) . Mt (2) . Mc (2) . Joh (1) . Br. (1) . Apk (1) .
8. - 10. Inclusio van Lc 24,36 : estè en mesô(i) autôn (hij stond in hun midden) met Lc 24,51 : diestè ap'autôn (hij verwijderde zich van hen) . ver-wijder-en , ook afstand nemen . Beginwoord is een aoristvorm van een al dan niet samengesteld werkw. histèmi (staan, stellen) en eindigt met het pers. voornaamw. autôn . In Lc 9,33 lezen we : kai egeneto en tô diachôrizesthai autous ap autou (en het gebeurde terwijl zij zich van hem verwijderden) en in Lc 24,51 lezen we : diestè ap'autôn (hij verwijderde zich van hen) . In beide ap' + pers. voornaamw.
1. - 10 . Lc 24,51 : kai egeneto en tôi eulogein auton autous diestè ap autôn (en terwijl hij hen zegende , ging hij van hen afstaan) vertoont grote gelijkenis met kai egeneto en tô diachôrizesthai autous ap autou
Lc 24,51.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,51.12. pass. ind. imperf. 3de pers. enk. anefereto (hij werd omhooggevoerd) van het werkw. anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Taalgebruik in het N.T. : anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Taalgebruik in Lc : anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Hapax in Lc . Niet in Hnd . Een vorm van anaferô in het N.T. (9) , in de LXX (170) . Wil de auteur naast de tenhemelopneming van Jezus ook naar het offer verwijzen .
Lc 24,51.13. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,51.14.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,51.15. acc. mann. enk. ouranon van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Lc : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Hnd : ouranos (hemel) .Hebr. sjamaîm (hemelen) . Taalgebruik in Tenach : sjamaîm (hemelen) . Lat. coelum . Fr. ciel . Ned. hemel . D. Himmel . E. heaven . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,17 . (7) Lc 17,24 . (8) Lc 18,13 . (9) Lc 24,51 . Een vorm van ouranos (hemel) in Lc in 36 verzen , in Lc 24 in 1 vers . In Lc : 6 vormen van ouranos (hemel) in 36 verzen in 19 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van ouranos (hemel) in 24 verzen in 12 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,51.13. - 15. eis ton ouranon (naar de hemel) . Lc (6) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 15,18 . (4) Lc 15,21 . (5) Lc 18,13 . (6) Lc 24,51 . Hnd (5) . N.T. (26) .
Lc 24,51.8 - 15. diestè ap' autôn kai anefereto eis ton ouranon (hij verwijderde zich van hen en hij werd naar de hemel gevoerd) . De overeenkomst met de hemelvaart van Elia is zeer sterk . 2 K 2,11 : kai diesteilan ana meson amfoterôn kai anelèmfthè èliou ... eis ton ouranon (en zij stelden zich tussen beiden en Elia werd opgenomen naar de hemel) .
| Lc 24,52 - Lc 24,52 : 356. Afscheid en hemelvaart - Lc 24,50-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24 -- Lc 24,50 - Lc 24,51 - Lc 24,52 - Lc 24,53 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 52 En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem
met grote blijdschap.
King James Bible . [52] And they worshipped him, and returned to Jerusalem with
great joy:
Luther-Bibel . 52 Sie aber beteten ihn an und kehrten zurück nach Jerusalem
mit großer Freude
Tekstanalyse van Lc 24,52 . Het vers Lc 24,52 telt 10 (2 X 5) woorden en 66 (2 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,52 is 7772 (2² X 29 X 67) . Er is personageverandering . De zin begint met kai (en) . De leerlingen zijn onderwerp in Lc 24,52 - Lc 24,53 .
Lc 24,52.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,52.2. nom. mann. mv. autoi (zij) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (19) : (1) Lc 2,50 . (2) Lc 6,11 . (3) Lc 9,36 . (4) Lc 11,4 . (5) Lc 11,19 . (6) Lc 11,46 . (7) Lc 11,48 . (8) Lc 11,52 . (9) Lc 13,4 . (10) Lc 14,1 . (11) Lc 14,12 . (12) Lc 16,28 . (13) Lc 17,13 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 22,23 . (16) Lc 22,71 . (17) Lc 24,14 . (18) Lc 24,35 . (19) Lc 24,52 .
Lc 24,52.3. act. part. aor. nom. mann. mv. proskunèsantes van het werkw. proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in het N.T. : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in Lc : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in Hnd : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in de Septuaginta : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Hebr. sjâchâh (neerbuigen) . Taalgebruik in Tenach : sjâchâh (neerbuigen) . Lat. prosternere . Fr. prosterner . Lc (1) Lc 24,52 . Een vorm van proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 4,7 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 24,52 . In Lc : 3 vormen van proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in 3 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in 4 verzen in 4 / 28 hoofdstukken .Lc 24,52.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,52.5. act. ind. aor. 3de pers. mv. hupestrepsan (zij keerden terug) van het werkw. hupostrefô (omdraaien, terugkeren) . Taalgebruik in het N.T. : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Hnd : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . hupo-strefô : onderste boven draaien , omdraaien . Lat. (tornare = draaien) revertere . Fr. retourner . E. return . D. zurück kehren . Hebr. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenach : sjûbh (terugkeren) . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 2,20 (de herders) . (2) Lc 2,45 (de ouders - eis Hierousalèm) . (3) Lc 10,17 (de tweeënzeventig) . (4) Lc 24,33 (de Emmaüsgangers - eis Hierousalèm) . (5) Lc 24,52 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 . In Lc : 9 vormen hupostrefô (omdraaien, terugkeren) in 12 / 24 hoofdstukken en 21 verzen . In Hnd : X vormen van hupostrefô (omdraaien, terugkeren) in 12 verzen in 10 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,52.6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,52.7. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,52 .
Lc 24,52.6. - 7. eis hierousalèm (naar Jeruzalem) . Lc (9) : (1) Lc 2,41 . (2) Lc 2,45 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 9,51 . (5) Lc 9,53 . (6) Lc 17,11 . (7) Lc 18,31 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,52 .
Lc 24,52.5. - 7. hupestrepsan eis hierousalèm (zij keerden naar Jeruzalem terug, zij draaiden zich om naar Jeruzalem) . Lc (3) : (5) Lc 2,45 . (24) Lc 24,33 . (26) Lc 24,52 . Hnd (2) : (1) Hnd 1,12 . (2) Hnd 8,25 . Er zijn overeenkomsten tussen Lc 2,41-52 en Lc 24,50-53 . De ouders van Jezus waren Jezus kwijt . Ze zochten hem . Ze waren een dagreis ver . Ze keerden naar Jeruzalem terug . De derde dag vonden ze hem in de tempel . Op hun vraag antwoordde hij : wisten jullie niet dat ik in de dingen van mijn vader moet zijn . Het verhaal van de twaalfjarige Jezus geeft ons de hint dat Jezus in de tempel moet zijn , in het heilge der heiligen , aan de rechterhand van God . Daarom bezoeken zijn leerlingen de tempel en loven ze God .
Lc 24,52.8.
meta (met , na) . Afkorting : met' of meth' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Lc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc (2 + 1 + 1 = 4) . meta (2) : (1) Lc
24,5 . (2) Lc
24,52 . met' (1) Lc
24,30 . meth' (1) Lc
24,29 .
Lc 24,52.9. gen. vr. enk. charas van het zelfst. naamw. chara (vreugde) . Taalgebruik in het N.T. : chara (vreugde) . Taalgebruik in Lc . : chara (vreugde) . Taalgebruik in Hnd. : chara (vreugde) . Taalgebruik in de Septuaginta : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) . L. gaudium . Fr. joie . E. joy . Ned. vreugde . D. Freude . zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . Lc (4) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,41 . (4) Lc 24,52 . Een vorm van chara (vreugde) .in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 10,17 . (5) Lc 15,7 . (6) Lc 15,10 . (7) Lc 24,41 . (8) Lc 24,52 . In Lc : 3 vormen van chara (vreugde) in 8 verzen in 6 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van chara (vreugde) in 4 verzen in 4 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,52.8. - 9. meta charas (met vreugde) . N.T. (11) . Lc (3 / 8) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,52 . Afscheid nemen van iemand gaat meestal met verdriet gepaard . Hier is sprake van grote vreugde . Bij de aankondiging van de geboorte van Jezus door de engelen aan de herders was er eveneens sprake van grote vreugde (Lc 2,10) . Bij hun terugkeer loofden en verheerlijkten de herders God om wat zij gehoord en gezien hadden (Lc 2,20) . Na hun terugkeer zegenden de leerlingen God (Lc 24,53) . In beide gevallen is er dankbaarheid en blijdschap om wat men heeft mogen meemaken . Beide gebeurtenissen omspannen het leven van Jezus . Dat maakt begrijpelijk dat de terminologie ook op elkaar gelijkt ..
| Lc 24,53 - Lc 24,53 : 356. Afscheid en hemelvaart - Lc 24,50-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24 -- Lc 24,50 - Lc 24,51 - Lc 24,52 - Lc 24,53 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 53 En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende
God .
King James Bible . And were continually in the temple, praising and blessing
God. Amen.
Luther-Bibel . 53 und waren allezeit im Tempel und priesen Gott.
Tekstanalyse van Lc 24,53 . Lc 24,53 telt 13 woorden ( niet : ainountes kai ... amèn : prijzend en ... amen) en 60 (2 X 2 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Lc 24,53 is 6399 (3 X 3 X 3 X 3 X 79) . Of tien woorden en negentien lettergrepen ( 1 + 2 + 2 + 2 + 1 + 1 + 3 + 4 + 1 + 2) . Variante lezing : 10 52 X 5) woorden .
Lc 24,53.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,53.2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 . Hnd (20) .
Lc 24,53.3. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . Taalgebruik in Hnd : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 . Hnd (62) .
Lc 24,53.4. gen. mann. + onz. enk. pantos van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Hnd : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (4) : (1) Lc 8,47 . (2) Lc 20,45 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,53 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc in 149 verzen , in Lc 24 (9) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,27 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,47 . (9) Lc 24,53 . Hnd (7) . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 149 verzen . In Hnd : X vormen in 162 verzen in 28 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,53.3. - 4. dia pantos (chronou) (doorheen elke tijd = al / elke tijd) . Hapax in het N.T. .
Lc 24,53.5.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Taalgebruik in Hnd : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 . Hnd (226) .
Lc 24,53.6.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,15 . (3) Lc
24,30 . (4) Lc
24,44 . (5) Lc
24,47 . (6) Lc
24,51 . (7) Lc
24,53 .
Lc 24,53.7.
dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel)
. Taalgebruik in het N.T. : hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron
(heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron
(heiligdom, tempel) . Lc (7) : (1) Lc
2,46 . (2) Lc
19,47 . (3) Lc
20,1 . (4) Lc
21,37 . (5) Lc
21,38 . (6) Lc
22,53 . (7) Lc
24,53 . Hnd (9) . Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i)
(in de tempel) . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen
: (1) Lc
2,27 . (2) Lc
2,37 . (3) Lc
2,46 . (4) Lc
4,9 . (5) Lc
18,10 . (6) Lc
19,45 . (7) Lc
19,47 . (8) Lc
20,1 . (9) Lc
21,5 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 . (12) Lc
22,52 . (13) Lc
22,53 . (14) Lc
24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 / 24 hoofdstukken
en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 / 28
hoofdstukken en in 25 verzen .
Lc 24,53.8.
actief participium nominatief mannelijk meervoud eulogountes (lofprijzend) van
het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het
N.T. : eulogeô
(goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô
(goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô
(goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô
(goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Taalgebruik in Tenach
: bârakh
(zegenen, loven, prijzen) . Lc (1) Lc
24,53 . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc
in 13 verzen : (1) Lc
1,28 . (2) Lc
1,42 . (3) Lc
1,64 . (4) Lc
2,28 . (5) Lc
2,34 . (6) Lc
6,28 . (7) Lc
9,16 . (8) Lc
13,35 . (9) Lc
19,38 . (10) Lc
24,30 . (11) Lc
24,50 . (12) Lc
24,51 . (13) Lc
24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd
: 2 vormen van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in 2 / 28 verzen
in 1 hoofdstuk .
Lc 24,53.9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,46 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,53 .
Lc 24,53.10. acc. mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,64 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,28 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,12 . (8) Lc 5,25 . (9) Lc 5,26 . (10) Lc 7,16 . (11) Lc 7,29 . (12) Lc 10,27 . (13) Lc 12,21 . (14) Lc 13,13 . (15) Lc 17,15 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 18,43 . (19) Lc 19,37 . (20) Lc 20,37 . (21) Lc 23,40 . (22) Lc 23,47 . (23) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (115) , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,53 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen . In Hnd : X vormen van theos (God) in 161 verzen in 27 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,53.8. - 10. Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) + acc. mann. enk. ton theon (God) . Lc (3 / 13) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 2,28 . (3) Lc 24,53 .