- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het eenentwintigste hoofdstuk van het Lucasevangelie
:
298. De penningen van de weduwe : Mc
12,41-44 - Lc
21,1-4 -
299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc
13,1-4 - Mt
24,1-3 - Lc
21,5-7 -
300. Het begin van het einde : Mc
13,5-8 - Mt
24,4-8 - Lc
21,8-11 -
301. Gedrag bij vervolgingen : Mc
13,9-13 - Mt
24,9-14 - Lc
21,12-19
302. De gruwel van de verwoesting van Judea : Mc
13,14-20 - Mt
24,15-22 - Lc
21,20-24 -
305. De komst van de Mensenzoon : Mc
13,24-27 - Mt
24,29-31 - Lc
21,25-28 -
306. Gelijkenis van de vijgeboom : Mc
13,28-29 - Mt
24,32-33 - Lc
21,29-31 -
307. De tijd van het einde : Mc
13,30-32 - Mt
24,34-36 - Lc
21,32-33 -
309. Slot van de eschatologische rede (Lc): Oproep tot waakzaamheid : Lc
21,34-36 - Mc
13,33-37 - Mt
25,1-13a -
298. De penningen van de weduwe : Lc 21,1-4 - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,1 - Lc 21,2 - Lc 21,3 - Lc 21,4 -
| Lc 21,1 - Lc 21,1 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,1 - Lc 21,2 - Lc 21,3 - Lc 21,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [1] And he looked up, and saw the rich men casting their
gifts into the treasury.
Luther-Bibel . 21 1 Er blickte aber auf und sah, wie die Reichen ihre Opfer
in den Gotteskasten einlegten.
Tekstuitleg van Lc 21,1 .
| Lc 21,2 - Lc 21,2 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,1 - Lc 21,2 - Lc 21,3 - Lc 21,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [2] And he saw also a certain poor widow casting in thither
two mites.
Luther-Bibel . 2 Er sah aber auch eine arme Witwe, die legte dort zwei Scherflein
ein.
Tekstuitleg van Lc 21,2 .
| Lc 21,3 - Lc 21,3 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,1 - Lc 21,2 - Lc 21,3 - Lc 21,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [3] And he said, Of a truth I say unto you, that this poor
widow hath cast in more than they all:
Luther-Bibel . 3 Und er sprach: Wahrlich, ich sage euch: Diese arme Witwe hat
mehr als sie alle eingelegt.
Tekstuitleg van Lc 21,3 .
| Lc 21,4 - Lc 21,4 : 298. De penningen van de weduwe - Mc 12,41-44 - Lc 21,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,1 - Lc 21,2 - Lc 21,3 - Lc 21,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] For all these have of their abundance cast in unto the
offerings of God: but she of her penury hath cast in all the living that she
had.
Luther-Bibel . 4 Denn diese alle haben etwas von ihrem Überfluss zu den Opfern
eingelegt; sie aber hat von ihrer Armut alles eingelegt, was sie zum Leben hatte.
Tekstuitleg van Lc 21,4 .
22. actief indic. imperf. 3de pers. enk. eichen (hij had, hij bezat) van het werkw. echô (hebben) . Taalgebruik in het N.T. : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Lc : echô (hebben, bezitten) . Lc (4) : (1) Lc 13,6 . (2) Lc 15,11 . (3) Lc 16,1 . (4) Lc 21,4 .
299. Inleiding tot de eschatologische rede : Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,5 - Lc 21,6 - Lc 21,7 -
| Lc 21,5 - Lc 21,5 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,5 - Lc 21,6 - Lc 21,7 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] And as some spake of the temple, how it was adorned
with goodly stones and gifts, he said,
Luther-Bibel . 5 Und als einige von dem Tempel sagten, dass er mit schönen Steinen
und Kleinoden geschmückt sei, sprach er:
Tekstuitleg van Lc 21,5 .
6. gen. onz. enk. hierou van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (4) : (1) Lc 2,37 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 21,5 . (4) Lc 22,52 . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .
| Lc 21,6 - Lc 21,6 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,5 - Lc 21,6 - Lc 21,7 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] As for these things which ye behold, the days will come,
in the which there shall not be left one stone upon another, that shall not
be thrown down.
Luther-Bibel . 6 Es wird die Zeit kommen, in der von allem, was ihr seht, nicht
ein Stein auf dem andern gelassen wird, der nicht zerbrochen werde.
Tekstuitleg van Lc 21,6 .
6. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
11. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,8 . (3) Lc
21,10 . (4) Lc
21,12 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,35 . ep' (1) : Lc
21,10 . ef' (2) : (1) Lc
21,12 . (2) Lc
21,34 .
| Lc 21,7 - Lc 21,7 : 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,5 - Lc 21,6 - Lc 21,7 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] And they asked him, saying, Master, but when shall these
things be? and what sign will there be when these things shall come to pass?
Luther-Bibel . 7 Sie fragten ihn aber: Meister, wann wird das geschehen? Und
was wird das Zeichen sein, wenn das geschehen wird?
Tekstuitleg van Lc 21,7 .
13. nom. + acc. onz. enk. sèmeion (teken) . Taalgebruik in het N.T.
: sèmeion
(teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion
(teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen .
Lc (7) : (1) Lc
2,12 . (2) Lc
2,34 . (3) Lc
11,16 . (4) Lc
11,29 . (5) Lc
11,30 . (6) Lc
21,7 . (7) Lc
23,8 . Een vorm van sèmeion (teken) in Lc in 9 verzen : (1) Lc
2,12 . (2) Lc
2,34 . (3) Lc
11,16 . (4) Lc
11,29 . (5) Lc
11,30 . (6) Lc
21,7 . (7) Lc
21,11 . (8) Lc
21,25 . (9) Lc
23,8 .
We komen dichterbij het einde . Het drama voltrekt zich . In Lc 20,20-26 komen gezanten (wellicht van de Farizeeën) met een vraag die in Jeruzalem wel gevoelig moet liggen : belasting betalen aan de keizer . En de vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis kondigt wel heel sterk het einde aan . Resultaat van dit alles is : de tegenstanders durven geen vragen meer stellen . De vraag in Lc 21,7 komt van de leerlingen en handelt precies over het einde. Heel wat uitleg kan je vinden onder Lc 17,20-21 . Het uiteindelijk antwoord op die vraag kennen we vanuit Mc 13,33-37 . Maar Lukas laat dat weg .
| Lc 17,20 | Lc 21,7 | Lc 20, 21 | Lc 20,27-28 |
| Eperôtètheis (ondervraagd) | epèrôtèsan (Zij ondervroegen) | kai epèrôtèsan (rn zij vroegen) | Proselthontes de tines tôn Saddoukaiôn ... epèrôtèsan (Komende echter bij - hem - enige Sadduceeërs, vroegen |
| de (echter) | de (echter) | ||
| hupo tôn Farisaiôn (door de Farizeeën) | |||
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | |
| legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | |
| didaskale (meester) | didaskale (meester) | didaskale (meester) | |
| pote (wanneer) ... | pote (wanneer) ... | ||
| apekrithè autois kai eipen (hij antwoordde hen en zei) | ho de eipen (hij echter zei) | ||
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 // Mt 24,1-3 // Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 // Mt 22,15-22 // Lc 20,20-26 - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 - | 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 // Mt 22,23-33 // Lc 20,27-38 - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - |
| Lc 21,7 | |||||||||
| epèrôtèsan (Zij ondervroegen) | ho de eipen (hij echter zei) | ||||||||
| de (echter) | |||||||||
| blepete (kijk uit) | |||||||||
| auton (hem) | mè (dat jullie niet) | mè (dat jullie niet) | |||||||
| legontes (zeggende) | planèthète (misleid worden) | poreuthète opisô autôn (achter hen aan zouden gaan) | |||||||
| didaskale (meester) | |||||||||
| kai tí to sèmeion (en wat is het teken) | |||||||||
| pote (wanneer) ... | hotan (wanneer | ||||||||
| ho kairos (de gunstige tijd - het moment) | mellè tauta (dat zou kunnen) | egô eimi (ik ben het) | ho kairos (de gunstige tijd - het moment) | dei gar tauta (dat moet immers) | |||||
| estin (is) | ginesthai (gebeuren) | èggiken (is nabij) | genesthai prôton (eerst gebeuren) | ||||||
De leerlingen spreken hun meester aan met didaskale (leermeester). Dan volgt een dubbelvoudige vraag. De eerste vraag bestaat uit vier woorden. De tweede vraag bestaat uit een hoofdzin en een bijzin. Beide bestaan uit vier woorden. De vraagstelling bestaat dus uit 12 woorden; met de aanspreektitel zijn het 13 woorden. Wat het aantal lettergrepen betreft : eerste vraag : 7 lettergrepen; tweede vraag, hoofdzin : 6 lettergrepen; bijzin : 9 lettergrepen. De aanspreektitel bestaat uit 4 lettergrepen. De vraagstelling bestaat dus uit 13 woorden en 26 lettergrepen. Wat de woorden betreft : inleidingsformule : 4. De vraag : 1 - 4 - 4 - 4.
| Lc 17,20b | Lc 17,20c | Mc 13,33 | Mc 13,35 | Lc 21,7 | Lc 21,7 | Lc 21,8 | Lc 21,8 | Lc 21,9 |
| Ouk oidate gar (jullie weten immers niet) | Ouk oidate gar (jullie weten immers niet) | |||||||
| didaskale (leermeester) | ||||||||
| kai tí to sèmeion (en wat is het teken) | ||||||||
| pote (wanneer) | pote (wanneer) | pote (wanneer) | pote oun (wanneer dan) | hotan (wanneer | ||||
| ho kairos (de gunstige tijd - het moment) | ho kurios tès oikias (de heer van het huis) | tauta (dat) | mellè tauta (dat zou kunnen) | egô eimi (ik ben het) | ho kairos (de gunstige tijd - het moment) | dei gar tauta (dat moet immers) | ||
| erchetai (komt) | ouk erchetai (komt niet) | estin (is) | erchetai (komt) | estai (zal zijn) | ginesthai (gebeuren) | èggiken (is nabij) | genesthai prôton (eerst gebeuren) | |
| hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | |||||||
| meta paratèrèseôs (met waarneming) | ||||||||
| 1 woord; 4 woorden; . 4 lettergrepen; 7 lettergrepen | 4 woorden; 4 woorden; 6 lettergrepen; 9 lettergrepen : totaal : 13 woorden; 26 lettergrepen | |||||||
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer : Mc 13,33-37 - Mc 13,33-37 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 // Mt 24,1-3 // Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 // Mt 24,4-8 // Lc 21,8-11 - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 - |
| Lc 17,20b | Lc 17,20c | Lc 17,21a | Lc 17,21b1 | Lc 17,21b2 | Lc 17,21c | Lc 17,23a | Lc 17,23b1 | Lc 17,23b2 | Mc 13,21a | Lc 21,8 // Mc 13,5 | |
| oude erousin (noch zullen zij zeggen) | kai erousin humin (en zij zullen zeggen aan jullie) | Kai tote ean tis humin eipèi (en wanneer iemand dan aan jullie zou zeggen) | polloi gar eleusontai epi tôi onomoati mou legontes (velen immers zullen in mijn naam komen zeggende) | ||||||||
| idou (zie) | idou (zie) | idou (zie) | idou (zie) | ide (zie) | ide (zie) | ||||||
| gar (immers) | |||||||||||
| pote (wanneer) | hôde (daar) | è ekei (of hier) | ekei (hier) | hôde (daar) | hôde ho christos (zie, daarr de messias) | ekei (hier) | egô eimi (ik ben het) | ||||
| erchetai (komt) | ouk erchetai (komt niet) | ||||||||||
| hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | |||||||||
| meta paratèrèseôs (met waarneming) | |||||||||||
| entos humôn estin (binnenin jullie is) | |||||||||||
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | 255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon : Lc 17,22-24 // (Mt 24,26-27) - Lc 17,22-24 - | 303. Pseudochristussen en pseudoprofeten : Mc 13,21-23 // Mt 24,23-25 - Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 - | 300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 // Mt 24,4-8 // Lc 21,8-11 - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 - |
| Lc 21,8b | Lc 21,8f | Lc 21,9 | |||||||
| mè (dat jullie niet) | mè (dat jullie niet) | mè (dat jullie niet) | |||||||
| planèthète (niet misleid worden) | poreuthète opisô autôn (achter hen aan zouden gaan) | ptoèthète (door angst bevangen zouden worden) | |||||||
| ... | |||||||||
| gar (immers) | |||||||||
300. Het begin van het einde : Lc 21,8-11 - 300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -
| Lc 21,8 - Lc 21,8 : 300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] And he said, Take heed that ye be not deceived: for
many shall come in my name, saying, I am Christ; and the time draweth near:
go ye not therefore after them.
Luther-Bibel . 8 Er aber sprach: Seht zu, lasst euch nicht verführen. Denn viele
werden kommen unter meinem Namen und sagen: Ich bin's, und: Die Zeit ist herbeigekommen.
– Folgt ihnen nicht nach!
Tekstuitleg van Lc 21,8 .
7. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik
in het N.T. : polus
(veel) . Taalgebruik in Lc : polus
(veel) .
Lc (8) : (1) Lc
1,1 . (2) Lc
1,14 . (3) Lc
4,27 . (4) Lc
5,15 . (5) Lc
10,24 . (6) Lc
13,24 . (7) Lc
14,25 . (8) Lc
21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 21 () :
10. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,8 . (3) Lc
21,10 . (4) Lc
21,12 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,35 . ep' (1) : Lc
21,10 . ef' (2) : (1) Lc
21,12 . (2) Lc
21,34 .
4. blepete (kijk) . Verwijzing : blepô (kijken, zien) . Imperatief praesens 2de pers. enk.
| blepô (kijken, zien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete | 33 | 2 | 31 | 4 : (1) Mt 11,4 . (2) Mt 13,17 . (3) Mt 24,2 . (4) Mt 24,4 . | 8 : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . | 4 : (1) Lc 8,18 . (2) Lc 10,23 . (3) Lc 10,24 . (4) Lc 21,8 . | 2 | 13 | 16 : (1) Mc 4,24 // Lc 8,18 . (2) Mt 13,17 // Lc 10,24 . (3) Mt 24,4 // Mc 13,5 // Lc 21,8 . | 16 | ||
| Totaal | 141 | 50 | 91 | 17 | 13 | 13 | 11 | 10 | 18 | 9 | 43 | 54 |
Wat de vertalingen betreft. De gebiedende wijze wordt - zoals in het Grieks - in de meervoudsvorm (V, LZ, NB) gegeven, in de enkelvoudsvorm (SDV, WV, NV) . Het persoonlijk voornaamwoord is gij (LZ) , ge (NB) of je (WV) , jullie (NV) . Vermits de gebiedende wijze aan het begin van de zin staat , wordt het werkwoord nog eens beklemtoond ; de vertalingen versterken het werkwoord door een bijwoord of een voorzetsel bij het werkwoord : goed kijken (NB) .
| Lc 21,9 - Lc 21,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] But when ye shall hear of wars and commotions, be not
terrified: for these things must first come to pass; but the end is not by and
by.
Luther-Bibel . 9 Wenn ihr aber hören werdet von Kriegen und Aufruhr, so entsetzt
euch nicht. Denn das muss zuvor geschehen; aber das Ende ist noch nicht so bald
da.
Tekstuitleg van Lc 21,9 .
| Lc 21,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] Then said he unto them, Nation shall rise against nation,
and kingdom against kingdom:
Luther-Bibel . 10 Dann sprach er zu ihnen: Ein Volk wird sich erheben gegen
das andere und ein Reich gegen das andere,
Tekstuitleg van Lc 21,10 .
1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Lc : tote (dan) . Lc (15) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 6,42 . (3) Lc 11,24 . (4) Lc 11,26 . (5) Lc 13,26. (6) Lc 14,9 . (7) Lc 14,10 . (8) Lc 14,21 . (9) Lc 16,16 . (10) Lc 21,10 . (11) Lc 21,20. (12) Lc 21,21 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 23,30 . (15) Lc 24,45 .
6. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 21,8 . (3) Lc 21,10 . (4) Lc 21,12 . (5) Lc 21,23 . (6) Lc 21,25 . (7) Lc 21,35 . ep' (1) : Lc 21,10 . ef' (2) : (1) Lc 21,12 . (2) Lc 21,34 .
10. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 21,8 . (3) Lc 21,10 . (4) Lc 21,12 . (5) Lc 21,23 . (6) Lc 21,25 . (7) Lc 21,35 . ep' (1) : Lc 21,10 . ef' (2) : (1) Lc 21,12 . (2) Lc 21,34 .
| Lc 21,11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And great earthquakes shall be in divers places, and
famines, and pestilences; and fearful sights and great signs shall there be
from heaven.
Luther-Bibel . 11 und es werden geschehen große Erdbeben und hier und dort Hungersnöte
und Seuchen; auch werden Schrecknisse und vom Himmel her große Zeichen geschehen.
Tekstuitleg van Lc 21,11 . Het vers Lc 21,11 telt 18 (2 X 3²) en 88 (2³ X 11) letters . De getalwaarde van Lc 21,11 is 6878 (2 X 19 X 181) .
Lc 21,11.3. nom. + acc. onz. mv. megala (grote dingen) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het N.T. : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (2) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 21,11 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 1 (4) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,49 .
Lc 21,11.10. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (zij zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (7) : (1) Lc 11,19 . (2) Lc 12,52 . (3) Lc 13,30 . (4) Lc 17,34 . (5) Lc 17,35 . (6) Lc 21,11 . (7) Lc 21,25 .
Lc 21,11.16. nom. + acc. onz. mv. sèmeia (tekens) van het zelfst. naamw. sèmeion (teken) . Taalgebruik in het N.T. : sèmeion (teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion (teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen . Lc (2) : (1) Lc 21,11 . (2) Lc 21,25 . Een vorm van sèmeion (teken) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 11,29 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 21,7 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,25 . (9) Lc 23,8 .
301. Gedrag bij vervolgingen : Lc 21,12-19 - Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 -
| Lc 21,12 - Lc 21,12 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] But before all these, they shall lay their hands on
you, and persecute you, delivering you up to the synagogues, and into prisons,
being brought before kings and rulers for my name's sake.
Luther-Bibel . 12 Aber vor diesem allen werden sie Hand an euch legen und euch
verfolgen und werden euch überantworten den Synagogen und Gefängnissen und euch
vor Könige und Statthalter führen um meines Namens willen.
Tekstuitleg van Lc 21,12 .
6. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 21,8 . (3) Lc 21,10 . (4) Lc 21,12 . (5) Lc 21,23 . (6) Lc 21,25 . (7) Lc 21,35 . ep' (1) : Lc 21,10 . ef' (2) : (1) Lc 21,12 . (2) Lc 21,34 .
5. - 10. epibalousin ef umas tas cheiras autôn = zij zullen hun hand aan jullie slaan . Verwijzing: ballô (werpen, gooien) , zie Mt 8,14 , vooral Hnd 4,3 . In de apokalyptische rede schrijft Lucas in Lc 21,12 : zij zullen de hand aan jullie slaan . Het is Jezus overkomen : Lc 20,19 : zij zochten de hand aan hem te slaan . Mc 14,46 : zij echter sloegen de hand aan hem . Mt 26,50 : en naderbijgekomen sloegen zij de hand aan Jezus . Het overkomt ook de apostelen (Hnd 5,18 ; Hnd 4,3 : Petrus en Johannes) en Paulus (Hnd 21,27) . De leerling gaat dezelfde weg op als zijn leraar.
16. acc. vr. mv. sunagôgas van het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Lc : sunagôgè (synagoge) . Lc (3) : (1) Lc 4,44 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 21,12 . Een vorm van sunagogè (synagoge) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,20 . (4) Lc 4,28 . (5) Lc 4,33 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,44 . (8) Lc 6,6 . (9) Lc 7,5 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 11,43 . (12) Lc 12,11 . (13) Lc 13,10 . (14) Lc 20,46 . (15) Lc 21,12 .
19. In hetzelfde vers Lc 21,12 zegt Jezus dat ze zullen weggeleid worden voor koningen en landvoogden omwille van zijn naam . Ook Jezus werd weggeleid . Eenmaal dag geworden werd Jezus voor het Sanhedrin geleid (Lc 22,66) . Dat is ook het geval met de apostelen Petrus en Johannes (Hnd 4,5) . Deze apostelen werden gearresteerd en voorgeleid omdat zij onderrichtten in de naam van Jezus .
20. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,8 . (3) Lc
21,10 . (4) Lc
21,12 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,35 . ep' (1) : Lc
21,10 . ef' (2) : (1) Lc
21,12 . (2) Lc
21,34 .
Nog vanuit hetzelfde vers Lc 21,12 wordt de roeping van Saulus geïnterpreteerd . Het weggeleid worden wordt een gezonden worden . Hnd 9,15 : Maar de Heer zei: ‘Ga, want hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten.
| Lc 21,13 - Lc 21,13 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And it shall turn to you for a testimony.
Luther-Bibel . 13 Das wird euch widerfahren zu einem Zeugnis.
Tekstuitleg van Lc 21,13 .
| Lc 21,14 - Lc 21,14 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] Settle it therefore in your hearts, not to meditate
before what ye shall answer:
Luther-Bibel . 14 So nehmt nun zu Herzen, dass ihr euch nicht vorher sorgt,
wie ihr euch verantworten sollt.
Tekstuitleg van Lc 21,14 .
3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
| Lc 21,15 - Lc 21,15 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] For I will give you a mouth and wisdom, which all your
adversaries shall not be able to gainsay nor resist.
Luther-Bibel . 15 Denn ich will euch Mund und Weisheit geben, der alle eure
Gegner nicht widerstehen noch widersprechen können.
Tekstuitleg van Lc 21,15 .
| Lc 21,16 - Lc 21,16 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] And ye shall be betrayed both by parents, and brethren,
and kinsfolks, and friends; and some of you shall they cause to be put to death.
Luther-Bibel . 16 Ihr werdet aber verraten werden von Eltern, Brüdern, Verwandten
und Freunden; und man wird einige von euch töten.
Tekstuitleg van Lc 21,16 .
13. act. ind. fut. 3de pers. mv. thanatôsin (zij zullen doden) van het werkw. thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Taalgebruik in het N.T. : thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Taalgebruik in Lc : thanatoô (doden , ter dood veroordelen, terechtstellen) . Dit is de enigste vorm in Lc . Niet in Hnd .
| Lc 21,17 - Lc 21,17 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And ye shall be hated of all men for my name's sake.
Luther-Bibel . 17 Und ihr werdet gehasst sein von jedermann um meines Namens
willen.
Tekstuitleg van Lc 21,17 .
8. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T. : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .
| Lc 21,18 - Lc 21,18 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] But there shall not an hair of your head perish.
Luther-Bibel . 18 Und kein Haar von eurem Haupt soll verloren gehen.
Tekstuitleg van Lc 21,18 .
4. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 21 (4) : (1) Lc
21,18 . (2) Lc
21,23 . (3) Lc
21,25 . (4) Lc
21,35 .
| Lc 21,19 - Lc 21,19 : 301. Gedrag bij vervolgingen : Mc 13,9-13 - Mt 24,9-14 - Lc 21,12-19 -- Lc 21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,12 - Lc 21,13 - Lc 21,14 - Lc 21,15 - Lc 21,16 - Lc 21,17 - Lc 21,18 - Lc 21,19 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] In your patience possess ye your souls.
Luther-Bibel . 19 Seid standhaft und ihr werdet euer Leben gewinnen.
Tekstuitleg van Lc 21,19 .
1. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
| Mc 14,49 | Lc 22,53 | Lc 19,47 | Lc 21, 37 |
| kai (en) | èn de (hij was echter) | ||
| èn didaskôn (hij was onderrichtende) | |||
| kath'hèmeran (dagelijks) | kath'hèmeran (dagelijks) | to kath'hèmeran (dagelijks) | tas hèmeras (dagelijks) |
| èmèn (was ik) | ontos mou (ik zijnde) | ||
| pros humas (bij u) | meth'humôn (bij jullie) | ||
| en tôi hierôi (in de tempel) | en tôi hierôi (in de tempel) | en tôi hierôi (in de tempel) | en tôi hierôi (in de tempel) |
| didaskôn (onderrchtend) | didaskôn (onderrchtend) | ||
| 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 // Mt 26,47-56 // Lc 22,47-53 | 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 // Mt 26,47-56 // Lc 22,47-53 | 284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 // Mt 21,14-17 // Lc 19,47-48 |
302. De gruwel van de verwoesting van Judea : Lc 21,20-24 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -
| Lc 21,20 - Lc 21,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] And when ye shall see Jerusalem compassed with armies,
then know that the desolation thereof is nigh.
Luther-Bibel . 20 Wenn ihr aber sehen werdet, dass Jerusalem von einem Heer
belagert wird, dann erkennt, dass seine Verwüstung nahe herbeigekommen ist.
Tekstuitleg van Lc 21,20 .
8. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T.
: tote
(dan) . Taalgebruik in Lc : tote
(dan) .
Lc (15) : (1) Lc
5,35 . (2) Lc
6,42 . (3) Lc
11,24 . (4) Lc
11,26 . (5) Lc
13,26. (6) Lc
14,9 . (7) Lc
14,10 . (8) Lc
14,21 . (9) Lc
16,16 . (10) Lc
21,10 . (11) Lc
21,20. (12) Lc
21,21 . (13) Lc
21,27 . (14) Lc
23,30 . (15) Lc
24,45 .
| Lc 21,21 - Lc 21,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] Then let them which are in Judaea flee to the mountains;
and let them which are in the midst of it depart out; and let not them that
are in the countries enter thereinto.
Luther-Bibel . 21 Alsdann, wer in Judäa ist, der fliehe ins Gebirge, und wer
in der Stadt ist, gehe hinaus, und wer auf dem Lande ist, komme nicht herein.
Tekstuitleg van Lc 21,21 .
2. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T.
: tote
(dan) . Taalgebruik in Lc : tote
(dan) .
Lc (15) : (1) Lc
5,35 . (2) Lc
6,42 . (3) Lc
11,24 . (4) Lc
11,26 . (5) Lc
13,26. (6) Lc
14,9 . (7) Lc
14,10 . (8) Lc
14,21 . (9) Lc
16,16 . (10) Lc
21,10 . (11) Lc
21,20. (12) Lc
21,21 . (13) Lc
21,27 . (14) Lc
23,30 . (15) Lc
24,45 .
3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
5. dat. vr. enk. ioudaia(i) van het zelfst. naamw. ioudaia (Judea) . Taalgebruik
in het N.T. : ioudaia
(Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia
(Judea) .
Lc (2) : (1) Lc
7,17 . (2) Lc
21,21 . Een vorm van ioudaia (Judea) in Lc in 10 verzen : (1) Lc
1,5 . (2) Lc
1,65 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
3,1 . (5) Lc
4,44 . (6) Lc
5,17 . (7) Lc
6,17 . (8) Lc
7,17 . (9) Lc
21,21 . (10) Lc
23,5 .
12. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
18. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
| Lc 21,22 - Lc 21,22 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] For these be the days of vengeance, that all things
which are written may be fulfilled.
Luther-Bibel . 22 Denn das sind die Tage der Vergeltung, dass erfüllt werde
alles, was geschrieben ist.
Tekstuitleg van Lc 21,22
7. pass. inf. aor. plèsthènai van het werkw. pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in het N.T. : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in Hnd : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenach : mâlâ´ (vullen, vervullen) . Lc (1) Lc 21,22 . Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 . In Lc : 5 vormen van pimplèmi (vervullen, vol maken) in 6 / 24 hoofdstukken en in 5 verzen . In Hnd : X vormen van pimplèmi (vervullen, vol maken) in 7 hoofdstukken en in 9 verzen .
10. pass. part. perf. nom.. + acc. onz. mv. gegrammena van het werkw. grafô (schrijven) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. sjâphar (schrijven) . Taalgebruik in Tenach : sjâphar (schrijven) . cijfer . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc (3) : (1) Lc 18,31 . (2) Lc 21,22 . (3) Lc 24,44 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .
8. - 10. panta ta gegrammena (al het geschrevene) . In drie verzen in het N.T. nl. bij Lucas : (1) Lc 18,31 : telesthèsetai ... : al het geschrevene zal voltooid worden (derde lijdensvoorspelling) . (2) Lc 21,22 : tou plèsthènai ... : opdat al het geschrevene zou vervuld worden (eschatologische rede) . (3) Lc 24,44 : hoti dei plèrôthènai ... : dat al het geschrevene moet vervuld worden (verschijning aan de elf en hun metgezellen) .Verwijzing : grafô (schrijven) , zie Mc 1,2 . Door deze drie teksten is de derde lijdensvoorspelling , de eschatologische rede en een verschijningsverhaal met elkaar verbonden .
| Lc 21,23 - Lc 21,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] But woe unto them that are with child, and to them
that give suck, in those days! for there shall be great distress in the land,
and wrath upon this people.
Luther-Bibel . 23 Weh aber den Schwangeren und den Stillenden in jenen Tagen!
Denn es wird große Not auf Erden sein und Zorn über dies Volk kommen,
Tekstuitleg van Lc 21,23 . Het vers Lc 21,23 telt 26 (2 X 13) woorden en 116 (2² X 29) letters . De getalwaarde van Lc 21,23 is 11567 (43 X 269) .
Lc 21,23.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
Lc 21,23.9.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
16. nom. + dat. vr. enk. megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het N.T. : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (6) (nom. : 1 / 6 ; dat. 5 / 6) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 4,33 . (3) Lc 8,28 . (4) Lc 19,37 . (5) Lc 21,23 (nom;) . (6) Lc 23,46 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 21 (2) : (1) Lc 21,11 . (2) Lc 21,23 .
Lc 21,23.17.
epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,8 . (3) Lc
21,10 . (4) Lc
21,12 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,35 . ep' (1) : Lc
21,10 . ef' (2) : (1) Lc
21,12 . (2) Lc
21,34 .
Lc 21,23.18. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (109) . Lc 21 (4) : (1) Lc 21,18 . (2) Lc 21,23 . (3) Lc 21,25 . (4) Lc 21,35 .
Lc 21,23.19.
gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde)
. Taalgebruik in het N.T. : gè
(aarde) . Taalgebruik in Lc : gè
(aarde) .
Lc (10) : (1) Lc
2,14 . (2) Lc
5,3 . (3) Lc
5,24 . (4) Lc
10,21 . (5) Lc
11,31 . (6) Lc
12,56 . (7) Lc
18,8 . (8) Lc
21,23 . (9) Lc
21,25 . (10) Lc
21,35 . Een vorm van gè (aarde) in Lc in 26 verzen , in Lc
Lc 21,23.23.
dat. mann. enk. laô(i) van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik
in het N.T. : laos
(volk) . Taalgebruik in Lc : laos
(volk) .
Lc (4) : (1) Lc
1,68 . (2) Lc
1,77 . (3) Lc
2,10 . (4) Lc
21,23 . Een vorm van laos (volk) in Lc (37) , in Lc 21 (2) : (1) Lc
21,23 . (2) Lc
21,38 .
| Lc 21,24 - Lc 21,24 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] And they shall fall by the edge of the sword, and shall
be led away captive into all nations: and Jerusalem shall be trodden down of
the Gentiles, until the times of the Gentiles be fulfilled.
Luther-Bibel . 24 und sie werden fallen durch die Schärfe des Schwertes und
gefangen weggeführt unter alle Völker, und Jerusalem wird zertreten werden von
den Heiden, bis die Zeiten der Heiden erfüllt sind.
Tekstuitleg van Lc 21,24 .
Liturgische lezing van de 1ste
(eerste) zondag van de advent C : Lc 21,25-28 (verwijzing
: Lc
21,25-28) en Lc 21,34-36 (verwijzing : Lc
21,34-36) :
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Er zullen tekenen zijn aan
zon, maan en sterren en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren, radeloos
door het gebulder van de onstuimige zee. De mensen zullen het besterven van
schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen. Want de hemelse heerscharen
zullen in verwarring geraken. Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een
wolk, met macht en grote heerlijkheid. Wanneer zich dit alles begint te voltrekken
richt u dan op en heft uw hoofden omhoog want uw verlossing komt nabij. Zorgt
er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en
de zorgen van het leven; laat die dag u niet onverhoeds grijpen als in een strik;
want hij zal komen over alle mensen, waar ook ter wereld. Weest daarom altijd
waakzaam en bidt dat ge in staat moogt zijn te ontkomen aan al die dingen die
zich gaan voltrekken, en dat ge stand moogt houden voor het aangezicht van de
Mensenzoon."
305. De komst van de Mensenzoon : Lc 21,25-28 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,25 - Lc 21,26 - Lc 21,27 - Lc 21,28 -
| Lc 21,25 - Lc 21,25 : 305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,25 - Lc 21,26 - Lc 21,27 - Lc 21,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] And there shall be signs in the sun, and in the moon,
and in the stars; and upon the earth distress of nations, with perplexity; the
sea and the waves roaring;
Luther-Bibel . 25 Und es werden Zeichen geschehen an Sonne und Mond und Sternen,
und auf Erden wird den Völkern bange sein, und sie werden verzagen vor dem Brausen
und Wogen des Meeres,
Tekstuitleg van Lc 21,25 . Het vers Lc 21,25 telt 21 (3 X 7) woorden en 96 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3) letters . De getalwaarde van Lc 21,25 is 9259 (47 X 197) . De verzen Lc 21,25 en Lc 21,26 horen bij elkaar . In deze twee verzen komen twee werkw. in de toekomende tijd 3de pers. mv. voor ; bij het begin en op het einde en met een assonantie zelfs : esontai (zij zullen zijn) ... saleuthè - sontai (zij zullen geschud worden) . Bij deze werkwoorden worden de kosmische veranderingen beschreven . Daartussen staat wat deze verschijnselen op aarde veroorzaken . Dit centrale gedeelte wordt omsloten door twee tijdsbepalingen ; de ene bij het begin , de andere op het einde . Bij het begin : epi tès gès (op de aarde) , op het einde : tè(i) oikoumenè(i) : over de bewoonde wereld . De aandacht gaat niet zozeer naar wat zich op aarde afspeelt maar naar de gevoelens van de bewoners ; enerzijds de beklemming van de volkeren voor het tumultueeze geluid van de zee en de golven ; anderzijds de schrik waaraan mensen sterven en de verwachting wat hen zal overkomen .
Lc 21,25.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc
21,3 . (2) Lc
21,5 . (3) Lc
21,7 . (4) Lc
21,8 . (5) Lc
21,9 . (6) Lc
21,10 . (7) Lc
21,11 . (8) Lc
21,12 . (9) Lc
21,15 . (10) Lc
21,16 . (11) Lc
21,17 . (12) Lc
21,18 . (13) Lc
21,21 . (14) Lc
21,23 . (15) Lc
21,24 . (16) Lc
21,25 . (17) Lc
21,26 . (18) Lc
21,27 . (19) Lc
21,28 . (20) Lc
21,29 . (21) Lc
21,31 . (22) Lc
21,33 . (23) Lc
21,34 . (24) Lc
21,36 . (25) Lc
21,38 .
Lc 21,25.2. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (zij zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (7) : (1) Lc 11,19 . (2) Lc 12,52 . (3) Lc 13,30 . (4) Lc 17,34 . (5) Lc 17,35 . (6) Lc 21,11 . (7) Lc 21,25 . De verzen Lc 21,25 en Lc 21,26 horen bij elkaar . In deze twee verzen komen twee werkw. in de toekomende tijd 3de pers. mv. voor ; bij het begin en op het einde en met een assonantie zelfs : esontai (zij zullen zijn) ... saleuthè sontai (zij zullen geschud worden) .
Lc 21,25.3. nom. + acc. onz. mv. sèmeia (tekens) van het zelfst. naamw. sèmeion (teken) . Taalgebruik in het N.T. : sèmeion (teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion (teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen . Lc (2) : (1) Lc 21,11 . (2) Lc 21,25 . Een vorm van sèmeion (teken) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 11,29 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 21,7 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,25 . (9) Lc 23,8 .
Lc 21,25.4.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
Lc 21,25.5.
dat. mann. enk. hèliô(i) (zon) van het zelfst. naamw. (h)èlios
(zon) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios
(zon) . Taalgebruik in Lc . : hèlios
(zon) .
Lc (1) : Lc
21,25 . Een vorm van (h)èlios (zon) in Lc in 5 verzen :
Lc 21,25.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,25.7.
nom. + dat. vr. enk. selènè(i) (maan) . Taalgebruik in het N.T.
: selènè
(maan) . Taalgebruik in Lc : selènè
(maan) .
Lc (1) : Lc
21,25 . Slechts één vorm in Lc .
Lc 21,25.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,25.9.
dat. onz. mv. astrois (sterren) van het zelfst. naamw. astron (ster) . Taalgebruik
in het N.T. : astron
(ster) . Taalgebruik in Lc : astron
(ster) .
Lc (1) : Lc
21,25 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 21,25.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,25.11.
epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,8 . (3) Lc
21,10 . (4) Lc
21,12 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,35 . ep' (1) : Lc
21,10 . ef' (2) : (1) Lc
21,12 . (2) Lc
21,34 .
Lc 21,25.12.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 21 (4) : (1) Lc
21,18 . (2) Lc
21,23 . (3) Lc
21,25 . (4) Lc
21,35 .
13. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè
(aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè
(aarde) . Taalgebruik in Lc : gè
(aarde) .
Lc (10) : (1) Lc
2,14 . (2) Lc
5,3 . (3) Lc
5,24 . (4) Lc
10,21 . (5) Lc
11,31 . (6) Lc
12,56 . (7) Lc
18,8 . (8) Lc
21,23 . (9) Lc
21,25 . (10) Lc
21,35 . Een vorm van gè (aarde) in Lc in 26 verzen , in Lc
Lc 21,25.14. nom. vr. enk. sunochè (beklemming, angst) . Taalgebruik in het N.T. : sunochè (beklemming, angst) . Taalgebruik in Lc : sunochè (beklemming, angst) . E. anguish . Lc (1) : Lc 21,25 .
Lc 21,25.16.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
Lc 21,25.17. dat. vr. enk. aporia(i) van het zelfst. naamw. aporia (verlegenheid, radeloosheid) . Taalgebruik in het N.T. : aporia (verlegenheid, radeloosheid) . Taalgebruik in het Lc : aporia (verlegenheid, radeloosheid) . Lc (1) : Lc 21,25 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het N.T. .
Lc 21,25.19. gen. vr. enk. thalassès van het zelfst. naamw. thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in N.T. : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in Lc : thalassa (zee meer) . Mc (1) : Lc 21,25 . Een vorm van thalassa (zee, meer) in Lc in 3 verzen .
Lc 21,25.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . L c (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
| Lc 21,26 - Lc 21,26 : 305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,25 - Lc 21,26 - Lc 21,27 - Lc 21,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] Men's hearts failing them for fear, and for looking
after those things which are coming on the earth: for the powers of heaven shall
be shaken.
Luther-Bibel . 26 und die Menschen werden vergehen vor Furcht und in Erwartung
der Dinge, die kommen sollen über die ganze Erde; denn die Kräfte der Himmel
werden ins Wanken kommen.
Tekstuitleg van Lc 21,26 .
Lc 21,26.1. act. part. praes. gen. mv. mv. apopsuchontôn van het werkw. apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) . Taalgebruik in het N.T. : apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) . Taalgebruik in Lc : apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) . Lc (1) : Lc 21,26 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het N.T. .
Lc 21,26.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
16. De verzen Lc 21,25 en Lc 21,26 horen bij elkaar . In deze twee verzen komen twee werkw. in de toekomende tijd 3de pers. mv. voor ; bij het begin en op het einde en met een assonantie zelfs : esontai (zij zullen zijn) ... saleuthè sontai (zij zullen geschud worden) .
| Lc 21,27 - Lc 21,27 : 305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,25 - Lc 21,26 - Lc 21,27 - Lc 21,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] And then shall they see the Son of man coming in a
cloud with power and great glory.
Luther-Bibel . 27 Und alsdann werden sie sehen den Menschensohn kommen in einer
Wolke mit großer Kraft und Herrlichkeit.
Tekstuitleg van Lc 21,27 .
Lc 21,27.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,27.2.
tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. :
tote
(dan) . Taalgebruik in Lc : tote
(dan) .
Lc (15) : (1) Lc
5,35 . (2) Lc
6,42 . (3) Lc
11,24 . (4) Lc
11,26 . (5) Lc
13,26. (6) Lc
14,9 . (7) Lc
14,10 . (8) Lc
14,21 . (9) Lc
16,16 . (10) Lc
21,10 . (11) Lc
21,20. (12) Lc
21,21 . (13) Lc
21,27 . (14) Lc
23,30 . (15) Lc
24,45 .
Lc 21,27.7. gen. mann. enk. anthrôpou (van de mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) . Lc (30) . Lc 21 (2) : (1) Lc 21,27 . (2) Lc 21,36 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Lc in 94 verzen .
Lc 21,27.9. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 21,14 . (3) Lc 21,19 . (4) Lc 21,21 . (5) Lc 21,23 . (6) Lc 21,25 . (7) Lc 21,27 . (8) Lc 21,34 . (9) Lc 21,36 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 .
Lc 21,27.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
| Lc 21,28 - Lc 21,28 : 305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -- Lc 21,25 - Lc 21,26 - Lc 21,27 - Lc 21,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] And when these things begin to come to pass, then look
up, and lift up your heads; for your redemption draweth nigh.
Luther-Bibel . 28 Wenn aber dieses anfängt zu geschehen, dann seht auf und erhebt
eure Häupter, weil sich eure Erlösung naht. Vom Feigenbaum
Tekstuitleg van Lc 21,28 .
Lc 21,28.5.
act. imperat. aor. 2de pers. mv. anakupsate (hef je hoof omhoog) van het
werkw. anakuptô (het hoofd omhoogsteken) . Taalgebruik in het N.T. : anakuptô
(het hoofd omhoogsteken) . Taalgebruik in Lc : anakuptô
(het hoofd omhoogsteken) .
Lc (1) : Lc
21,28 . Een vorm van anakuptô (het hoofd omhoogsteken) in Lc in 2
verzen : (1) Lc
13,11 . (2) Lc
21,28 .
Lc 21,28.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,28.14. nom. vr. enk. apolutrôsis (afkoping, verlossing) . Taalgebruik in het N.T. : apolutrôsis (afkoping, verlossing) . Taalgebruik in Lc : apolutrôsis (afkoping, verlossing) . Lc (1) : Lc 21,28 . Dit is de enigste vorm in Lc .
306. Gelijkenis van de vijgeboom : Lc 21,29-31 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -
| Lc 21,29 - Lc 21,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] And he spake to them a parable; Behold the fig tree,
and all the trees;
Luther-Bibel . 29 Und er sagte ihnen ein Gleichnis: Seht den Feigenbaum und
alle Bäume an:
Tekstuitleg van Lc 21,29 .
| Lc 21,30 - Lc 21,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] When they now shoot forth, ye see and know of your
own selves that summer is now nigh at hand.
Luther-Bibel . 30 wenn sie jetzt ausschlagen und ihr seht es, so wisst ihr selber,
dass jetzt der Sommer nahe ist.
Tekstuitleg van Lc 21,30 .
3. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Lc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken . Lc (14) : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 5,36 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 12,16 . (5) Lc 12,41 . (6) Lc 13,6 . (7) Lc 14,7 . (8) Lc 15,3 . (9) Lc 18,1 . (10) Lc 18,9 . (11) Lc 19,11 . (12) Lc 20,9 . (13) Lc 20,19 . (14) Lc 21,29 . Een vorm van parabolè (parabel) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 5,36 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 8,4 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,10 . (7) Lc 8,11 . (8) Lc 12,16 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 13,6 . (11) Lc 14,7 . (12) Lc 15,3 . (13) Lc 18,1 . (14) Lc 18,9 . (15) Lc 19,11 . (16) Lc 20,9 . (19) Lc 20,19 . (18) Lc 21,29 .
7. acc. vr. enk. sukèn van het zelfst. naamw. sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in het N.T. : sukè (vijgeboom) . Taalgebruik in Lc : sukè (vijgeboom) . Lc (2) : (1) Lc 13,6 . (2) Lc 21,29 . Een vorm van sukè (vijgeboom) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 13,6 . (2) Lc 13,7 . (3) Lc 21,29 .
| Lc 21,31 - Lc 21,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] So likewise ye, when ye see these things come to pass,
know ye that the kingdom of God is nigh at hand.
Luther-Bibel . 31 So auch ihr: wenn ihr seht, dass dies alles geschieht, so
wisst, dass das Reich Gottes nahe ist.
Tekstuitleg van Lc 21,31 .
307. De tijd van het einde : Lc 21,32-33 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -
| Lc 21,32 - Lc 21,32 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [32] Verily I say unto you, This generation shall not pass
away, till all be fulfilled.
Luther-Bibel . 32 Wahrlich, ich sage euch: Dieses Geschlecht wird nicht vergehen,
bis es alles geschieht.
Tekstuitleg van Lc 21,32 .
| Lc 21,33 - Lc 21,33 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] Heaven and earth shall pass away: but my words shall
not pass away.
Luther-Bibel . 33 Himmel und Erde werden vergehen; aber meine Worte vergehen
nicht.
Tekstuitleg van Lc 21,33 .
9. nom. mann. mv. logoi van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . Taalgebruik in Hnd. : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 21,33 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,44 . Dit is de enigste vorm in Lc 21 . In Lc : 8 vormen van logos (woord) in 17 / 24 hoofdstukken en in 33 verzen . In Hnd : 8 vormen van logos (woord) in 20 / 28 hoofdstukken en in 65 verzen .
309. Slot van de eschatologische rede (Lc): Oproep tot waakzaamheid : Lc 21,34-36 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 21 -
| Lc 21,34 - Lc 21,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] And take heed to yourselves, lest at any time your
hearts be overcharged with surfeiting, and drunkenness, and cares of this life,
and so that day come upon you unawares.
Luther-Bibel . 34 Hütet euch aber, dass eure Herzen nicht beschwert werden mit
Fressen und Saufen und mit täglichen Sorgen und dieser Tag nicht plötzlich über
euch komme wie ein Fallstrick;
Tekstuitleg van Lc 21,34 .
Lc 21,34.9.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
Lc 21,34.10. dat. vr. enk. kraipalè(i) (door roes) van het zelfst. naamw. kraipalè (roes) . Taalgebruik in het N.T. : kraipalè (roes) . Taalgebruik in Lc . : kraipalè (roes) . Lc (1) Lc 21,34 . Deze vorm is de enigste in Lc en in het N.T. .
Lc 21,34.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,34.12. dat. vr. enk. methè(i) (door dronkenschap) van het zelfst. naamw. methè (dronkenschap) . Taalgebruik in het N.T. : methè (dronkenschap) . Taalgebruik in Lc : methè (dronkenschap) . Lc (1) : Lc 21,34 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 21,34.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,34.14. dat. vr. mv. merimnais van het zelfst. naamw. merimna (kommer, angst) . merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in het N.T. : merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in Lc : merimna (kommer, angst) . Lc (1) : Lc 21,34 . Een andere vorm in Lc is Lc 8,14 .
Lc 21,34.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
Lc 21,34.18.
epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,8 . (3) Lc
21,10 . (4) Lc
21,12 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,35 . ep' (1) : Lc
21,10 . ef' (2) : (1) Lc
21,12 . (2) Lc
21,34 .
20. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè
(aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè
(aarde) . Taalgebruik in Lc : gè
(aarde) .
Lc (10) : (1) Lc
2,14 . (2) Lc
5,3 . (3) Lc
5,24 . (4) Lc
10,21 . (5) Lc
11,31 . (6) Lc
12,56 . (7) Lc
18,8 . (8) Lc
21,23 . (9) Lc
21,25 . (10) Lc
21,35 . Een vorm van gè (aarde) in Lc in 26 verzen , in Lc
Lc 21,34.20.
aifnidios (plotseling) . Taalgebruik in het N.T. : aifnidios
(plotseling) . Taalgebruik in Lc : aifnidios
(plotseling) .
Lc (1) : Lc
21,34. . Dit is de enigste vorm in Lc .
| Lc 21,35 - Lc 21,35 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [35] For as a snare shall it come on all them that dwell
on the face of the whole earth.
Luther-Bibel . 35 denn er wird über alle kommen, die auf der ganzen Erde wohnen.
Tekstuitleg van Lc 21,35 . Het vers Lc 21,35 telt 13 woorden en 66 (6 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 21,35 is 7692 (2² X 3 X 641) .
Lc 21,35.2.
nom. vr. enk. pagis (valstrik, verderf) . Taalgebruik in het N.T. : pagis
(valstrik, verderf) . Taalgebruik in Lc : pagis
(valstrik, verderf) .
Lc (1) : Lc
21,35 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 21,35.5. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 21,8 . (3) Lc 21,10 . (4) Lc 21,12 . (5) Lc 21,23 . (6) Lc 21,25 . (7) Lc 21,35 . ep' (1) : Lc 21,10 . ef' (2) : (1) Lc 21,12 . (2) Lc 21,34 .
Lc 21,35.6. acc. mann. mv. pantas van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (14) : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 5,9 . (4) Lc 6,10 . (5) Lc 6,19 . (6) Lc 7,16 . (7) Lc 9,23 . (8) Lc 12,41 . (9) Lc 13,2 . (10) Lc 13,4 . (11) Lc 13,28 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 17,29 . (14) Lc 21,35 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc
Lc 21,35.4. - 5. epi pantas (over allen) . Lc (3) : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 21,35 .
Lc 21,35.9. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (149 = 104 + 25 + 20) . Lc 21 (10 = 7 + 1 + 2) : epi (7) : (1) Lc 21,6 . (2) Lc 21,8 . (3) Lc 21,10 . (4) Lc 21,12 . (5) Lc 21,23 . (6) Lc 21,25 . (7) Lc 21,35 . ep' (1) : Lc 21,10 . ef' (2) : (1) Lc 21,12 . (2) Lc 21,34 .
Lc 21,35.12.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 21 (4) : (1) Lc
21,18 . (2) Lc
21,23 . (3) Lc
21,25 . (4) Lc
21,35 .
| Lc 21,36 - Lc 21,36 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [36] Watch ye therefore, and pray always, that ye may be
accounted worthy to escape all these things that shall come to pass, and to
stand before the Son of man.
Luther-Bibel . 36 So seid allezeit wach und betet, dass ihr stark werdet, zu
entfliehen diesem allen, was geschehen soll, und zu stehen vor dem Menschensohn.
Tekstuitleg van Lc 21,36 .
Lc 21,36.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
Lc 21,36.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 21 (25 / 38) : (1) Lc 21,3 . (2) Lc 21,5 . (3) Lc 21,7 . (4) Lc 21,8 . (5) Lc 21,9 . (6) Lc 21,10 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,15 . (10) Lc 21,16 . (11) Lc 21,17 . (12) Lc 21,18 . (13) Lc 21,21 . (14) Lc 21,23 . (15) Lc 21,24 . (16) Lc 21,25 . (17) Lc 21,26 . (18) Lc 21,27 . (19) Lc 21,28 . (20) Lc 21,29 . (21) Lc 21,31 . (22) Lc 21,33 . (23) Lc 21,34 . (24) Lc 21,36 . (25) Lc 21,38 .
17. emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het N.T. : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in Lc : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . < en (in, naar) + pros (bij) + -then (vanuit) . Lc (9) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 7,27 . (3) Lc 10,21 . (4) Lc 12,8 . (5) Lc 14,2 . (6) Lc 19,4 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 21,36 .
| Lc 21,37 - Lc 21,37 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [37] And in the day time he was teaching in the temple;
and at night he went out, and abode in the mount that is called the mount of
Olives.
Luther-Bibel . 37 Er lehrte des Tags im Tempel; des Nachts aber ging er hinaus
und blieb an dem Berg, den man den Ölberg nennt.
Tekstuitleg van Lc 21,37 .
5. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
7. dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (7) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .
5. - 7. en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het N.T. : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .
| Lc 21,38 - Lc 21,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [38] And all the people came early in the morning to him
in the temple, for to hear him.
Luther-Bibel . 38 Und alles Volk machte sich früh auf zu ihm, ihn im Tempel
zu hören.
Tekstuitleg van Lc 21,38 .
8. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 21 (11) : (1) Lc
21,6 . (2) Lc
21,14 . (3) Lc
21,19 . (4) Lc
21,21 . (5) Lc
21,23 . (6) Lc
21,25 . (7) Lc
21,27 . (8) Lc
21,34 . (9) Lc
21,36 . (10) Lc
21,37 . (11) Lc
21,38 .
10. dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (7) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .
8. - 10. en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het N.T. : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .
VULGAAT
1 respiciens autem vidit eos qui mittebant munera sua in gazofilacium divites 2 vidit autem et quandam viduam pauperculam mittentem aera minuta duo 3 et dixit vere dico vobis quia vidua haec pauper plus quam omnes misit 4 nam omnes hii ex abundanti sibi miserunt in munera Dei haec autem ex eo quod deest illi omnem victum suum quem habuit misit 5 et quibusdam dicentibus de templo quod lapidibus bonis et donis ornatum esset dixit 6 haec quae videtis venient dies in quibus non relinquetur lapis super lapidem qui non destruatur 7 interrogaverunt autem illum dicentes praeceptor quando haec erunt et quod signum cum fieri incipient 8 qui dixit videte ne seducamini multi enim venient in nomine meo dicentes quia ego sum et tempus adpropinquavit nolite ergo ire post illos 9 cum autem audieritis proelia et seditiones nolite terreri oportet primum haec fieri sed non statim finis 10 tunc dicebat illis surget gens contra gentem et regnum adversus regnum 11 terraemotus magni erunt per loca et pestilentiae et fames terroresque de caelo et signa magna erunt 12 sed ante haec omnia inicient vobis manus suas et persequentur tradentes in synagogas et custodias trahentes ad reges et praesides propter nomen meum 13 continget autem vobis in testimonium 14 ponite ergo in cordibus vestris non praemeditari quemadmodum respondeatis 15 ego enim dabo vobis os et sapientiam cui non poterunt resistere et contradicere omnes adversarii vestri 16 trademini autem a parentibus et fratribus et cognatis et amicis et morte adficient ex vobis 17 et eritis odio omnibus propter nomen meum 18 et capillus de capite vestro non peribit 19 in patientia vestra possidebitis animas vestras 20 cum autem videritis circumdari ab exercitu Hierusalem tunc scitote quia adpropinquavit desolatio eius 21 tunc qui in Iudaea sunt fugiant in montes et qui in medio eius discedant et qui in regionibus non intrent in eam 22 quia dies ultionis hii sunt ut impleantur omnia quae scripta sunt 23 vae autem praegnatibus et nutrientibus in illis diebus erit enim pressura magna supra terram et ira populo huic 24 et cadent in ore gladii et captivi ducentur in omnes gentes et Hierusalem calcabitur a gentibus donec impleantur tempora nationum 25 et erunt signa in sole et luna et stellis et in terris pressura gentium prae confusione sonitus maris et fluctuum 26 arescentibus hominibus prae timore et expectatione quae supervenient universo orbi nam virtutes caelorum movebuntur 27 et tunc videbunt Filium hominis venientem in nube cum potestate magna et maiestate 28 his autem fieri incipientibus respicite et levate capita vestra quoniam adpropinquat redemptio vestra 29 et dixit illis similitudinem videte ficulneam et omnes arbores 30 cum producunt iam ex se fructum scitis quoniam prope est aestas 31 ita et vos cum videritis haec fieri scitote quoniam prope est regnum Dei 32 amen dico vobis quia non praeteribit generatio haec donec omnia fiant 33 caelum et terra transibunt verba autem mea non transient 34 adtendite autem vobis ne forte graventur corda vestra in crapula et ebrietate et curis huius vitae et superveniat in vos repentina dies illa 35 tamquam laqueus enim superveniet in omnes qui sedent super faciem omnis terrae 36 vigilate itaque omni tempore orantes ut digni habeamini fugere ista omnia quae futura sunt et stare ante Filium hominis 37 erat autem diebus docens in templo noctibus vero exiens morabatur in monte qui vocatur Oliveti 38 et omnis populus manicabat ad eum in templo audire eum