LUCASEVANGELIE , VIJFDE HOOFDSTUK , LC 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
Tekstuitleg per perikope - Lc 5,1-11 - Lc 5,12-16 - Lc 5,15b - Lc 5,17-26 - Lc 5,21 - Lc 5,26a - Lc 5,27-28 - Lc 5,29-32 - Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,31b-32 - Lc 5,33-39 -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 - Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 - Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 - Lc 5,27 - Lc 5,28 - Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,32 - Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
http://strongsnumbers.com/            
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   (2) liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- anèr (man), zie Lc 5,12 .
- doxazô (verheerlijken), zie Lc 5,26
- keimai (liggen, rusten) , zie Lc 5,1 .
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik
-
Lc 5,1-11 : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen
Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het vijfde hoofdstuk van het Lucasevangelie :
62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 -
63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -
67. Genezing van de lamme :Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -
68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -
69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -
70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -.0

- MATHIEU Yvan , PIERRE, LÉVI ET LES DOUZE APÔTRES EN LUC 5,1-6,19 : Les conséquences théologiques d'une mise en discours , Science et esprit ISSN 0316-5345 , 2008, vol. 60, no2, pp. 101-118 [18 page(s) (article)] . Website : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=20342659 .

62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 -- Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -

- BOUWMAN G , De wonderbare visvangst (Lc.5,1- 11) . Een proeve van integrale exegese , in : WEREN W . e.a. , Bij de put van Jakob , Tilburg , 1986 . Website : http://publications.uvt.nl/repository/w.j.c.weren/publications.html .
- DREWERMANN E , De wonderbare visvangst , in : IDEM , Hij legde hun de handen op ; de wonderen van Jezus , Zoetermeer , Meinema , 1993 , p.144- 153
- GEYSELS L , Een bijbelse familiefoto , in : Schrift , jg. (1987) nr.114 , p. 211- 215
- JANSSEN J., De bekering van Petrus (Lc.5,4- 10 ; Joh.21,15- 19), in: De Bron, jg.17 (1991- 1992), nr.6, p.22- 25
- JANSSEN, J., Luc 5,1- 11. Kiezen in de diepte van je hart, in: De Bron, jg. (1984- 1985), nr.10, p.18- 21
- JANSSEN, J., Lc.5,1- 11: Voortaan mensen verzamelen, in: De Bron, jg. (1989- 1990) nr.2, p.20- 22
- JONCKHEERE, W., Aanpak als K- verantwoordelijke, in: Bijbel en bezinning, jg. (1995), nr.1, p.781- 784
- OTTEN, M., Roeping van de eerste leerlingen en wonderbare visvangst (Lc.5,1- 11), in: Idem, Deel in mijn vreugde. Lucas in gezin, school en catechese, Averbode/Apeldoorn, Altiora, 1990, p.32- 35
- ROSSEL, W., Volle netten, in: Catechetische informatie, jg.1¸ (1989), nr.3, p.12- 18
- SERVOTTE H , Deel één. 3. De roeping van de eerste leerlingen, in: IDEM, Wegen naar het woord. Interpretaties van evangelieteksten, Averbode, Altiora, 1991, p.41- 43

Evangelielezing van de 5de (vijfde) zondag door het jaar C : Lc 5,1-11
Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: "Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst." Simon antwoordde: "Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien." Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: "Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens." Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: "Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen." Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.

Lc 5,1 - Lc 5,1 : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:1 egeneto de en tô ton ochlon epikeisthai autô kai akouein ton logon tou theou kai autos èn estôs para tèn limnèn gennèsaret 1 factum est autem cum turbae inruerent in eum ut audirent verbum Dei et ipse stabat secus stagnum Gennesareth Het gebeurde nu, terwijl de volksmenigte op hem aandrong om het woord van God te horen en hij bij het meer* van Gennesaret stond, Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. [1] Toen Hij aan het meer van Gennesaret stond en de mensenmenigte zich om Hem verdrong om het woord van God te horen, [1] Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 1 ¶ Het geschiedt, als de schare rondom hem samendringt en het woord van God hoort, –en hij staat langs het meer van Gennesaret–  1. Or il advint, comme la foule le serrait de près et écoutait la parole de Dieu, tandis que lui se tenait sur le bord du lac de Gennésaret,  

Statenvertaling . 1 En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.
King James Bible . [1] And it came to pass, that, as the people pressed upon him to hear the word of God, he stood by the lake of Gennesaret,
Luther-Bibel . 1 Es begab sich aber, als sich die Menge zu ihm drängte, um das Wort Gottes zu hören, da stand er am See Genezareth

Tekstuitleg van Lc 5,1 . Het vers Lc 5,1 telt 29 woorden en 142 (2 X 71) letters . De getalwaarde van Lc 5,1 is 17171 (7 X 11 X 223) .

Lc 5,1.1. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 5 in 3 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 .

Lc 5,1.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . )

Lc 5,1.3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,1.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. . Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,1.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 .

Lc 5,1.5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,1.6. acc. mann. enk. ochlon van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (4) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 8,19 . (4) Lc 9,12 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,29 .

Lc 5,1.7. inf. praes. epikeisthai van het werkw. epikeimai (liggen op, opdringen, in het nauw brengen) . Taalgebruik in het N.T. : epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . Taalgebruik in Lc : epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . In twee verzen in de bijbel : (1) Ex 36,38 . (2) Lc 5,1 . Een vorm van epikeimai (liggen op, opdringen, in het nauw brengen) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 23,23 .

Lc 5,1.8. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

Lc 5,1.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,1.10. act. inf. praes. akouein van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Lc (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 14,35 . (5) Lc 15,1 . (6) Lc 21,38 . (7) Lc 23,8 . Een vorm van akouô (horen) in Lc in 58 verzen , in Lc 5 in 2 verzen 'zie hoger) . Het volk dringt op Jezus om het woord van God te horen . Ofschoon er twee nevenschikkende infinitiefzinnen zijn , is de tweede infinitiefzin bedoeld als een doelzin van de eerste .

Lc 5,1.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,1.12. acc. mann. enk. logon van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 8,12 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 8,15 . (5) Lc 8,21 . (6) Lc 10,39 . (7) Lc 11,28 . (8) Lc 12,10 . (9) Lc 16,2 . (10) Lc 20,3 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 5 in 2 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 .

Lc 5,1.13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,1.14. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 5 (1) Lc 5,1 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 5 (4) : (1) Lc 5,1. (2) Lc 5,21 . (3) Lc 5,25 . (4) Lc 5,26 .

Lc 5,1.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,1.16. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,37 .

Lc 5,1.17. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,29 .

Lc 5,1.15. - 17. kai autos èn (en hij was) . Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 3,23 . (3) Lc 5,1 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 17,16 . (6) Lc 19,2 .

Lc 5,1.18. part. perf. nom. mann. enk. hestôs van het werkw. histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in het N.T. : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Lc : histèmi (doen staan, staan) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 5,1 . (3) Lc 18,13 . Een vorm van histèmi (doen staan, staan) in Lc in 25 verzen , in Lc 5 in 2 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 5,2 .

Lc 5,1.19. para . Afkorting par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in N.T. : para (langs) . Taalgebruik in Lc : para (langs) .
Lc (20 + 8 = 28) . para in Lc (20) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 . par' (8) : (1) Lc 6,19 . (2) Lc 6,34 . (3) Lc 9,47 . (4) Lc 10,7 . (5) Lc 11,16 . (6) Lc 11,37 . (7) Lc 12,48 . (8) Lc 18,14

Lc 5,1.20. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,20 .

Lc 5,1.21. acc. vr. enk. limnèn (van het zelfst. naamw. limnè (meer) . Taalgebruik in het N.T. : limnè (meer) . Taalgebruik in Lc : limnè (meer) .
Lc (4) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,23 . (4) Lc 8,33 . Een vorm van limnè (meer) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 8,23 . (5) Lc 8,33 .

Lc 5,1.19. - 21. para tèn limnèn (langs het meer) . Lc (2) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . In deze twee teksten zijn twee actoren (personages) actief : enerzijds Jezus , anderzijds de boten . Jezus stond (was staande) langs het meer . De boten lagen langs het meer . Het is een statisch moment .

Lc 5,1.22. Gennèsaret (Genezaret) . Taalgebruik in het N.T. : Gennèsaret (Genezaret) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mt 14,34 . (2) Mc 6,53 . (3) Lc 5,1 .

Lc 5,2 - Lc 5,2 : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:2 kai eiden | ploia duo | duo ploia | estôta para tèn limnèn oi de alieis ap autôn apobantes eplunon ta diktua 2 et vidit duas naves stantes secus stagnum piscatores autem descenderant et lavabant retia dat hij twee boten zag liggen langs het meer*. De vissers waren eruit gestegen Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. [2] zag Hij twee boten bij het meer liggen. De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten. [2] zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 2 dat hij twee bootjes ziet staan langs het meer; de vissers zijn eruit gestapt en maken de netten schoon.  2. qu'il vit deux petites barques arrêtées sur le bord du lac ; les pêcheurs en étaient descendus et lavaient leurs filets. 

Statenvertaling . 2 En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.
King James Bible . [2] And saw two ships standing by the lake: but the fishermen were gone out of them, and were washing their nets.
Luther-Bibel . 2 und sah zwei Boote am Ufer liegen; die Fischer aber waren ausgestiegen und wuschen ihre Netze.

Tekstuitleg van Lc 5,2 . Het vers Lc 5,2 telt 17 woorden en 77 (7 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 5,2 is 7473 (3 X 47 X 53) .

Lc 5,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,2.2. ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 15,20 . (3) Lc 21,1 . (4) Lc 21,2 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 64 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,26 .

Lc 5,2.3. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) .

Lc 5,2.4. nom. + acc. onz. mv. ploia van het zelfst. naamw. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion (boot) . Taalgebruik in Lc. : ploion (boot) . N. vloot . L. navis . N. boot . E. ship . D. Boot . Lc (3) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,7 . (3) Lc 5,11 . Een vorm van ploion (boot) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 .

Lc 5,2.5. part. perf. acc. onz. mv. hestôta van het werkw. histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in het N.T. : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Lc : histèmi (doen staan, staan) . Lc (1) Lc 5,2 . Een vorm van histèmi (doen staan, staan) in Lc in 25 verzen , in Lc 5 in 2 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 .

Lc 5,2.6. para . Afkorting par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in N.T. : para (langs) . Taalgebruik in Lc : para (langs) .
Lc (20 + 8 = 28) . para in Lc (20) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 . par' (8) : (1) Lc 6,19 . (2) Lc 6,34 . (3) Lc 9,47 . (4) Lc 10,7 . (5) Lc 11,16 . (6) Lc 11,37 . (7) Lc 12,48 . (8) Lc 18,14

Lc 5,2.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,20 .

Lc 5,2.8. acc. vr. enk. limnèn (van het zelfst. naamw. limnè (meer) . Taalgebruik in het N.T. : limnè (meer) . Taalgebruik in Lc : limnè (meer) .
Lc (4) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,23 . (4) Lc 8,33 . Een vorm van limnè (meer) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 8,23 . (5) Lc 8,33 .

Lc 5,2.6. - 8. para tèn limnèn (langs het meer) . Lc (2) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . In deze twee teksten zijn twee actoren (personages) actief : enerzijds Jezus , anderzijds de boten . Jezus stond (was staande) langs het meer . De boten lagen langs het meer . Het is een statisch moment .

Lc 5,2.9. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,2.10. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,2.11. nominatief mannelijk meervoud haleeis of halieis (vissers) van het zelfst. naamw. halieus (visser) . Taalgebruik in het N.T. : halieus (visser) . Taalgebruik in Lc : halieus (visser) . Lc (1) Lc 5,2 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 5,2.12. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,2.13. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,2.14. act. part. aor. nom. mann. mv. apobantes (afgestapt, uitgeklommen) van het werkw. apobainô (afstappen, uitklimmen) . Taalgebruik in het N.T. : apobainô (afstappen, afklimmen) . Taalgebruik in Lc : apobainô (afstappen, afklimmen) . Lc (1) Lc 5,2 . Een vorm van apobainô (afstappen, uitklimmen) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 21,13 . Niet in Mc en Mt .
De vissers waren uitgestapt uit hun boten om de netten proper te maken . Uit de tekst is niet duidelijk of ze iets gevangen hadden en of ze eventueel de vissen uit het net hadden gehaald . Ze zijn dus met voorbreidingswerk bezig voor een nieuwe vangst . Terwijl de menigte zich opdringt op hem , maken de vissers hun netten proper . Jezus zal in één van de boten stappen . Een tegengestelde beweging van de vissers . Zijn bedoeling is te onderrichten . Vele mensen happen toe - dat wordt althans verondersteld . Na het onderricht volgt de grote visvangst .

Lc 5,2.15. act. ind. imperf. 3de pers. mv. eplunon (zij wasten) van het werkw. plunô (wassen) . Taalgebruik in het N.T. : plunô (wassen) . Taalgebruik in Lc : plunô (wassen) . Lc (1) Lc 5,2 . Enkel in Lc en de enigste vorm in de evangelies .

Lc 5,2.16. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
L c (98) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,11 .

Lc 5,2.17. nom. onz. mv. diktua van het zelfst. naamw. diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in het N.T. : diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in Lc : diktuon (vissersnet) . Lc (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 .

Lc 5,3 - Lc 5, : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:3 embas de eis en tôn ploiôn o èn simônos èrôtèsen auton apo tès gès epanagagein oligon kathisas de ek tou ploiou edidasken tous ochlous 3 ascendens autem in unam navem quae erat Simonis rogavit eum a terra reducere pusillum et sedens docebat de navicula turbas Toen hij nu ingestapt was in één van de boten, die van Simon was, vroeg hij hem een beetje van het land weg uit te varen; hij ging zitten (en) leerde vanuit de boot de volkdmenigten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. [3] Hij stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van het land af te varen. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht. [3] Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 3 Hij stapt in een van de boten –die van Simon is geweest– en vraagt hem een eindje van het land af het water op te varen. Toen is hij gaan zitten en heeft hij vanuit de boot de scharen onderricht gegeven.  3. Il monta dans l'une des barques, qui était à Simon, et pria celui-ci de s'éloigner un peu de la terre ; puis, s'étant assis, de la barque il enseignait les foules.  

Statenvertaling . 3 En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.
King James Bible . [3] And he entered into one of the ships, which was Simon's, and prayed him that he would thrust out a little from the land. And he sat down, and taught the people out of the ship.
Luther-Bibel . 3 Da stieg er in eines der Boote, das Simon gehörte, und bat ihn, ein wenig vom Land wegzufahren. Und er setzte sich und lehrte die Menge vom Boot aus.

Tekstuitleg van Lc 5,3 . Het vers Lc 5,3 telt 25 (5²) woorden en 113 letters . De getalwaarde van Lc 5,3 is 13155 (3 X 5 X 877) .

Lc 5,3.1. act. part. aor. nom. mann. enk. embas van het werkw. embainô (inklimmen) . Taalgebruik in het N.T. : embainô (inklimmen) . Taalgebruik in Lc : embainô (inklimmen) . Lc (2) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 8,37 . Een vorm van embainô (inklimmen) in Mc in 3 verzen : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 8,22 . (3) Lc 8,37 .

Lc 5,3.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,3.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,3.4. en (in, met) OF acc. onz. enk. hen (één) , telwoord . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,3.5. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

Lc 5,3.6. gen. onz. mv. ploiôn van het zelfst. naamw. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion (boot) . Taalgebruik in Lc. : ploion (boot) . N. vloot . L. navis . N. boot . E. ship . D. Boot . Lc (1) Lc 5,3 . Een vorm van ploion (boot) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 .

Lc 5,3.7. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,3.8. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,29 .

Lc 5,3.9. gen. mann. enk. simônos van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (2) : (1) Lc 4,38 (2X) . (2) Lc 5,3 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .

Lc 5,3.10. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,3.11. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

Lc 5,3.12. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,3.13. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,24 .

Lc 5,3.14. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Taalgebruik in Lc : gè (aarde) .
Lc (10) : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,24 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 11,31 . (6) Lc 12,56 . (7) Lc 18,8 . (8) Lc 21,23 . (9) Lc 21,25 . (10) Lc 21,35 . Een vorm van gè (aarde) in Lc in 26 verzen , in Lc 5 (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,11 . (3) Lc 5,24 .

Lc 5,3.15. act. inf. aor. epanagagein van het werkw. epanagô (opvaren) . Taalgebruik in het N.T. : epanagô (opvaren) . Taalgebruik in Lc : epanagô (opvaren) . Lc (1) Lc 5,3 . Een vorm van epanagô (opvaren) in Lc in 2 verzen : Lc (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 .

Lc 5,3.16. oligon (een weinig) . Taalgebruik in het N.T. : oligon (een weinig) . Taalgebruik in Lc : oligon (een weinig) . Het is meestal de vertaling van het Hebreuwse më`at (56) . Lc (2) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 7,47 .

Lc 5,3.17. act. part. aor. nom. mann. enk. kathisas (gezeten) van het werkw. kathizô (zitten) . Taalgebruik in het N.T. : kathizô (zitten) . Taalgebruik in Lc : kathizô (zitten) . Lc (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 14,28 . (3) Lc 14,31 . (4) Lc 16,6 . Een vorm van kathizô (zitten) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 4,20 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 7,15 . (4) Lc 14,28 . (5) Lc 14,31 . (6) Lc 16,6 . (7) Lc 19,30 . (8) Lc 24,49 .

Lc 5,3.18. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,3.19. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) . Lc (46 + 37 = 83) . Lc 5 (2) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,17 .

Lc 5,3.20. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,3.21. gen. onz. enk. ploiou (boot) van het zelfst. naamw. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion (boot) . Taalgebruik in Lc. : ploion (boot) . N. vloot . L. navis . N. boot . E. ship . D. Boot . Lc (1) Lc 5,3 . Een vorm van ploion (boot) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 .

Lc 5,3.22. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie . Lc (2) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . Een vorm van didaskô (leren, onderrichten) in 15 verzen : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 5,3 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 6,6 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 12,12 . (8) Lc 13,10 . (9) Lc 13,22 . (10) Lc 13,26 . (11) Lc 19,47 . (12) Lc 20,1 . (13) Lc 20,21 . (14) Lc 21,37 . (15) Lc 23,5 .

Lc 5,3.23. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,3.24. acc. mann. mv. ochlous van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 7,24 . (3) Lc 23,4 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,29 .

Lc 5,4 - Lc 5, - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:4 ôs de epausato lalôn eipen pros ton simôna epanagage eis to bathos kai chalasate ta diktua umôn eis agran 4 ut cessavit autem loqui dixit ad Simonem duc in altum et laxate retia vestra in capturam 4 En toen hij opgehouden had te spreken, zei hij tegen Simon: "Vaar uit naar het diep en laat je vangnetten neer voor de vangst". Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: "Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst." [4] Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon: ‘Vaar nu het meer op naar diep water. Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’ [4] Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 4 Als hij ophoudt met spreken zegt hij tot Simon: vaar naar het diepe en laat daar jullie netten neer voor de vangst!  4. Quand il eut cessé de parler, il dit à Simon : « Avance en eau profonde, et lâchez vos filets pour la pêche. » 

Statenvertaling . 4 En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.
King James Bible . [4] Now when he had left speaking, he said unto Simon, Launch out into the deep, and let down your nets for a draught.
Luther-Bibel . 4 Und als er aufgehört hatte zu reden, sprach er zu Simon: Fahre hinaus, wo es tief ist, und werft eure Netze zum Fang aus!

Tekstuitleg van Lc 5,4 . Het vers Lc 5,4 telt 19 woorden en 84 (2² X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 5,4 is 9929 .

Lc 5,4.1. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 5 (1) Lc 5,4 .

Lc 5,4.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,4.3. med. ind. aor. 3de pers. enk. epausato (hij hield op) van het werkw. pauomai (ophouden) . Taalgebruik in het N.T. : pauomai (ophouden) . Taalgebruik in Lc : pauomai (ophouden) . Lc (2) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 11,1 . Een vorm van pauomai (ophouden) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 8,24 . (3) Lc 11,1 . Niet in de andere evangelies .

Lc 5,4.4. act. part. praes. nom. mann. enk. lalôn van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (1) Lc 5,4 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen , in Lc 5 in 2 verzen : .(1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,21 .

Lc 5,4.1. - 4. ophouden met praten . hôs de epausato lalôn (zodra hij ophield te praten) : (1) Nu 16,31 . (2) Lc 5,4 .

Lc 5,4.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,4.6. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

Lc 5,4.7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,4.8. acc. mann. enk. simôna van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .

Lc 5,4.5. - 8. eipen pros ton simôna (hij zei tot Simon) Lc (2) :  (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 .

Lc 5,4.9. act. imperat. aor. 2de pers. enk. epanagage van het werkw. epanagô (opvaren) . Taalgebruik in het N.T. : epanagô (opvaren) . Taalgebruik in Lc : epanagô (opvaren) . Lc (1) Lc 5,4 . Een vorm van epanagô (opvaren) in Lc in 2 verzen : Lc (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 .

Lc 5,4.10. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,4.11. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

Lc 5,4.12. nom. + acc. onz. enk. bathos (diepte) . Taalgebruik in het N.T. : bathos (diepte) . Taalgebruik in Lc : bathos (diepte) . Lc (1) Lc 5,4 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 5,4.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,4.14. act. imperat. aor. 2de pers. mv. chalasate (maakt los) van het werkw. chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in het N.T. : chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in Lc : chalaô (ontspannen, los maken) . Lc (1) Lc 5,4 . Deze vorm slechts in Lc in de bijbel . Een vorm van chalaô (ontspannen, los maken) in Lc (2) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 .

Lc 5,4.15. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
L c (98) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,11 .

Lc 5,4.16. nom. onz. mv. diktua van het zelfst. naamw. diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in het N.T. : diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in Lc : diktuon (vissersnet) . Lc (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 .

Lc 5,4.17. persoonl. voornaamw. gen. mv. humôn (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (60) . Lc 5 (2) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,22 .

Lc 5,4.18. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,4.19. acc. vr. enk. agran van het zelfst. naamw. agra (vangst, buit) . Taalgebruik in het N.T. : agra (vangst, buit) . Taalgebruik in Lc : agra (vangst, buit) .
Lc (1) Lc 5,4 . Een vorm van agra (vangst, buit) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,9 .

Lc 5,5 - Lc 5, - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:5 kai apokritheis simôn eipen epistata di olès nuktos kopiasantes ouden elabomen epi de tô rèmati sou chalasô ta diktua 5 et respondens Simon dixit illi praeceptor per totam noctem laborantes nihil cepimus in verbo autem tuo laxabo rete 5 En Simon antwoordde (en) zei: "Meester, gedurende een hele nacht hebben we gezwoegd maar niets gevangen; op uw woord echter zal ik de vangnetten neerlaten". Simon antwoordde: "Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien." [5] ‘Meester,’ antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’ [5] Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 5 Ten antwoord zegt Simon: meester, heel de nacht hebben wij gezwoegd en niets kunnen meenemen,– maar omdat u het zegt zal ik de netten neerlaten!  5. Simon répondit : « Maître, nous avons peiné toute une nuit sans rien prendre, mais sur ta parole je vais lâcher les filets. »  

Statenvertaling . 5 En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen. schilderij van Rafaël: De wonderbaarlijke visvangst
King James Bible . [5] And Simon answering said unto him, Master, we have toiled all the night, and have taken nothing: nevertheless at thy word I will let down the net.
Luther-Bibel . 5 Und Simon antwortete und sprach: Meister, wir haben die ganze Nacht gearbeitet und nichts gefangen; aber auf dein Wort will ich die Netze auswerfen.

Tekstuitleg van Lc 5,5 . Het vers Lc 5,5 telt 22 (2 X 11) woorden en 108 (2² X 3³) letters . De getalwaarde van Lc 5,5 is 13002 (2 X 3 X 11 X 197) .

Lc 5,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,5.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 .

Lc 5,5.3. nom. + voc. mann. enk. simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 7,43 . (5) Lc 22,31 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .

Lc 5,5.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,5.5. voc. mann. enk. epistata van het zelfst. naamw. epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in het N.T. : epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in Lc : epistatès (bijstaander, meester) . Lc (6) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 8,24 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,49 . (6) Lc 17,13 . Dit is de enigste vorm in Lc en de bijbel .

Lc 5,5.6. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 5 (2 + 1 = 3) . dia (2) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 5,30 . di' (1) Lc 5,5 .

Lc 5,5.7. gen. vr. enk. holès van het bijvoegl. naamw. holos (heel) . Taalgebruik in N.T. : holos (heel) . Taalgebruik in Lc : holos (heel) .
Lc (4) : (1) Lc 4,14 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 10,27 . (4) Lc 23,5 .Een vorm van holos (heel) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 7,17 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 8,43 . (7) Lc 9,25 . (8) Lc 10,27 . (9) Lc 11,34 . (10) Lc 11,36 . (11) Lc 13,21 . (12) Lc 23,5 . (13) Lc 23,44 .

Lc 5,5.8. gen. vr. enk. nuktos van het zelfst. naamw. nux (nacht) . Taalgebruik in het N.T. : nux (nacht) . Taalgebruik in Lc : nux (nacht) . Taalgebruik in Hnd : nux (nacht) . Taalgebruik in de Septuaginta : nux (nacht) . Lat. nox . Fr. nuit . E. night . Ned. nacht . D. Nacht . Bijbel (119) . O.T. (87) . N.T. (32) . Lc (3) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 18,7 . Een vorm van nux (nacht) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 12,20 . (5) Lc 17,34 . (6) Lc 18,7 . (7) Lc 21,37 . In Lc : 4 vormen van nux (nacht) in 7 verzen in 6 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 5 vormen van nux (nacht) in 15 verzen in 10 / 28 hoofdstukken . Een vorm van nux (nacht) in het N.T. (61) , in de LXX (294) .

Lc 5,5.9. act. part. aor. nom. mann. mv. kopiasantes van het werkw. kopiaô (moe worden, zich inspannen) . Taalgebruik in het N.T. : kopiaô (moe worden, zich inspannen) . Lc (1) Lc 5,5 . Een vorm van kopiaô (moe worden, zich inspannen) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 12,27 .

Lc 5,5.10. nom. + acc. onz. enk. ouden van het voornaamw. oudeis (niemand) . Taalgebruik in het N.T. : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Mc : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Lc (12) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 9,36 . (4) Lc 10,19 . (5) Lc 12,2 . (6) Lc 18,34 . (7) Lc 20,40 . (8) Lc 23,4 . (9) Lc 23,9 . (10) Lc 23,15 . (11) Lc 23,22 . (12) Lc 23,41 .

Lc 5,5.11. act. ind. aor. 1ste pers. mv. elabomen (wij namen) van het werkw. lambanô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : lambanô (nemen) . Taalgebruik in Lc : lambanô (nemen) . Lc (1) Lc 5,5 . Een vorm van lambanô (nemen) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,26 .

Lc 5,5.12. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

Lc 5,5.13. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,5.14. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,5.15. dat. onz. enk. rèmati van het zelfst. naamw. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T. : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Lc : rèma (woord, uitspraak) . Lc (1) Lc 5,5 . Een vorm van rèma (woord, uitspraak) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,17 . (6) Lc 2,19 . (7) Lc 2,29 . (8) Lc 2,50 . (9) Lc 2,51 . (10) Lc 3,2 . (11) Lc 5,5 . (12) Lc 7,1 . (13) Lc 9,45 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 20,26 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,8 . (18) Lc 24,11 .

Lc 5,5.16. gen. mann. enk. sou . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,23 . (5) Lc 5,24 .

Lc 5,5.17. act. ind. fut. 1ste pers. enk. chalasô (ik zal losmaken) van het werkw. chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in het N.T. : chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in Lc : chalaô (ontspannen, los maken) . Lc (1) Lc 5,5 . Deze vorm slechts in Lc in de bijbel . Een vorm van chalaô (ontspannen, los maken) in Lc (2) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 .

Lc 5,5.18. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
L c (98) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,11 .

Lc 5,5.19. nom. onz. mv. diktua van het zelfst. naamw. diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in het N.T. : diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in Lc : diktuon (vissersnet) . Lc (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 .

Lc 5,6 - Lc 5, - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:6 kai touto poièsantes sunekleisan plèthos ichthuôn polu dierrèsseto de ta diktua autôn 6 et cum hoc fecissent concluserunt piscium multitudinem copiosam rumpebatur autem rete eorum 6 En toen ze dit gedaan hadden, sloten ze een grote menigte vissen in; en hun vangnetten dreigden te scheuren. Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. [6] Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden. [6] En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 6 Ze doen dat en halen een menigte vissen in, zó groot dat hun netten scheuren;  6. Et l'ayant fait, ils capturèrent une grande multitude de poissons, et leurs filets se rompaient. 

Statenvertaling . 6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
King James Bible . [6] And when they had this done, they inclosed a great multitude of fishes: and their net brake.
Luther-Bibel . 6 Und als sie das taten, fingen sie eine große Menge Fische und ihre Netze begannen zu reißen.

Tekstuitleg van Lc 5,6 . Het vers Lc 5,6 telt 12 (2² X 3) woorden en 72 (2³ X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 5,6 is 9746 (2 X 11 X 443) .

Lc 5,6.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,6.5. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het N.T. : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 5,6.9. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,6.10. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
L c (98) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,11 .

Lc 5,6.11. nom. onz. mv. diktua van het zelfst. naamw. diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in het N.T. : diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in Lc : diktuon (vissersnet) . Lc (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 .

Lc 5,6.12. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,7 - Lc 5,7 - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:7 kai kateneusan tois metochois en tô eterô ploiô tou elthontas sullabesthai autois kai èlthon kai eplèsan amfotera ta ploia ôste buthizesthai auta 7 et annuerunt sociis qui erant in alia navi ut et adiuvarent eos et venerunt et impleverunt ambas naviculas ita ut mergerentur En ze wenkten hun maats in de andere boot dat ze zouden komen om hen bij te staan; en ze kwamen en vulden de beide boten zodat ze dreigden te zinken. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren vulden zij de beide boten tot zinkens toe. [7] Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe. [7] Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 7 ze wenken hun maats in de andere boot om hen te komen helpen; die komen en vullen elk van beide boten tot zinkens toe.  7. Ils firent signe alors à leurs associés qui étaient dans l'autre barque de venir à leur aide. Ils vinrent, et l'on remplit les deux barques, au point qu'elles enfonçaient. 

Statenvertaling . 7 En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.
King James Bible . [7] And they beckoned unto their partners, which were in the other ship, that they should come and help them. And they came, and filled both the ships, so that they began to sink.
Luther-Bibel . 7 Und sie winkten ihren Gefährten, die im andern Boot waren, sie sollten kommen und mit ihnen ziehen. Und sie kamen und füllten beide Boote voll, sodass sie fast sanken.

Tekstuitleg van Lc 5,7 . Het vers Lc 5,7 telt 23 woorden en 125 (5³) letters . De getalwaarde van Lc 5,7 is 14979 (3 X 4993) .

Lc 5,7.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,7.5. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,7.6. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,7.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,7.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,7.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,7.18. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
L c (98) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,11 . (7) Lc 5,23 . (8) Lc 5,26 . (9) Lc 5,30 . (10) Lc 5,34 .

Lc 5,7.19. nom. + acc. onz. mv. van het zelfst. naamw. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion (boot) . Taalgebruik in Lc. : ploion (boot) . N. vloot . L. navis . N. boot . E. ship . D. Boot . Lc (3) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,7 . (3) Lc 5,11 . Een vorm van ploion (boot) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 .

Lc 5,8 - Lc 5, - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:8 idôn de simôn petros prosepesen tois gonasin ièsou legôn exelthe ap emou oti anèr amartôlos eimi kurie 8 quod cum videret Simon Petrus procidit ad genua Iesu dicens exi a me quia homo peccator sum Domine 8 Toen nu +Simon Petrus+ dit zag, viel hij neer voor de knieën van Jezus, zeggend: "Ga weg van mij, want ik ben een zondig man, Heer". Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: "Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens." [8] Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’ [8] Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 8 Als hij dat ziet valt Simon Petrus op de knieën voor Jezus neer en zegt: ga weg van mij, want ik ben een zondig man, heer!  8. A cette vue, Simon-Pierre se jeta aux genoux de Jésus, en disant : « Éloigne-toi de moi, Seigneur, car je suis un homme pécheur ! » 

Statenvertaling . 8 En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.
King James Bible . [8] When Simon Peter saw it, he fell down at Jesus' knees, saying, Depart from me; for I am a sinful man, O Lord.
Luther-Bibel . 8 Als das Simon Petrus sah, fiel er Jesus zu Füßen und sprach: Herr, geh weg von mir! Ich bin ein sündiger Mensch.

Tekstuitleg van Lc 5,8 . Het vers Lc 5,8 telt 18 (2 X 3²) woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Lc 5,8 is 10124 (2² X 2531) .

Lc 5,8.1. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 64 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,26 .

Lc 5,8.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,8.3. nom. + voc. mann. enk. simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 7,43 . (5) Lc 22,31 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .

Lc 5,8.4. nom. mann. enk. petros  (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het N.T. : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

Lc 5,8.8. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 5 (7) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,31 . (7) Lc 5,34 . In Lc : 3 vormen in Hoofdstukken en in 87 verzen .

Lc 5,8.9. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,8.10. imperat. aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Lc (5) : (1) Lc 4,35 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 13,31 . (4) Lc 14,21 . (5) Lc 14,23 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41) , in Lc 5 (2) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,27 .

Lc 5,8.11. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,8.12. gen. mann. enk. 1ste pers. enk. emou van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 4,7 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 8,46 . (4) Lc 9,24 . (5) Lc 10,16 . (6) Lc 11,7 . (7) Lc 11,23 . (8) Lc 12,13 . (9) Lc 13,27 . (10) Lc 15,31 . (11) Lc 16,3 . (12) Lc 22,21 . (13) Lc 22,28 . (14) Lc 22,37 . (15) Lc 22,42 . (16) Lc 23,43 . (17) Lc 24,44 .

Lc 5,9 - Lc 5,9 - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:9 thambos gar perieschen auton kai pantas tous sun autô epi tè agra tôn ichthuôn ôn sunelabon 9 stupor enim circumdederat eum et omnes qui cum illo erant in captura piscium quam ceperant 9 Verbijstering immers had hem bevangen, en allen die met hem waren, wegens de vangst van de vissen die ze gevangen hadden, Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. [9] Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen, vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden. [9] Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 9 Want verbazing heeft hem bevangen en allen die met hem zijn,– over de vangst van de vissen die ze hebben kunnen meenemen;  9. La frayeur en effet l'avait envahi, lui et tous ceux qui étaient avec lui, à cause du coup de filet qu'ils venaient de faire ;  

Statenvertaling . 9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;
King James Bible . [9] For he was astonished, and all that were with him, at the draught of the fishes which they had taken:
Luther-Bibel . 9 Denn ein Schrecken hatte ihn erfasst und alle, die bei ihm waren, über diesen Fang, den sie miteinander getan hatten,

Tekstuitleg van Lc 5,9 . Het vers Lc 5,9 telt 16 (2² X 2²) en 74 (2 X 39) letters . De getalwaarde van Lc 5,9 is 10459 .

Lc 5,9.1. nom. mann. enk. thambos van het zelfst. naamw. thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in het N.T. : thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in Lc : thambos (ontzetting, verbazing) . Lc (2) : (1) Lc 4,36 . (2) Lc 5,9 . Dit is de enigste vorm in Lc . Dit woord werd niet door de andere evangelisten gebruikt . In Mc wordt 3X het werkw. thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) gebruikt , niet in de andere evangelies . De tekst van Lc 4,36 : kai egeneto thambos epi pantas (en er 'viel' ontzetting over allen) is een parallel van de tekst van Mc 1,27 : kai ethambèthèsan hapantes (en allen werden met ontzetting geslagen) .

Lc 5,9.2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 5 (2) : (1) Lc 5,9 . (2) Lc 5,39 .

Lc 5,9.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. perieschen (hij omvatte, greep aan) van het werkw. periechô (rondom houden, omvatten) . Taalgebruik in het N.T. : periechô (rondom houden, omvatten) . Taalgebruik in Lc : periechô (rondom houden, omvatten) . Lc (1) Lc 5,9 . Verder geen gebruik van dit werkw. in de evangelies .

Lc 5,9.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

1. - 4. ontzetting .
- Lc 4,36 : kai egeneto thambos epi pantas (en er was ontzetting over allen) .
- Lc 5,9 : thambos gar perieschen auton... (want ontzetting omvatte hem... ) .
In Lc 1,64 begon Zacharia te spreken en vrees kwam over allen , in Lc 4,35 werd de geest met een onreine demon het zwijgen opgelegd en uitgedreven en ontzetting kwam over allen .
In Lc 1,12 valt vrees over Zacharias na het zien van het visioen . Hij wordt met verstomming geslagen . In Lc 1,65 gebeurt dat over alle omwonenden van Zacharia en Elisabeth nadat Zacharia heeft duidelijk gemaakt dat het kind Johannes moet heten .
In Lc 5,9 omgaf ontzetting om Simon Petrus en zijn metgezellen na het zien van de wonderbare visvangst . Op deze reactie volgt de geruststelling van Jezus (Lc 5,10) , zoals Zacharia werd gerustgesteld na de reactie van Zacharia (Lc 1,13) . Op die geruststelling volgt dan de boodschap in de toekomende tijd .

Lc 5,9.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,9.6. acc. mann. mv. pantas van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (14) : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 5,9 . (4) Lc 6,10 . (5) Lc 6,19 . (6) Lc 7,16 . (7) Lc 9,23 . (8) Lc 12,41 . (9) Lc 13,2 . (10) Lc 13,4 . (11) Lc 13,28 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 17,29 . (14) Lc 21,35 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 4 in 11 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 4,15 . (5) Lc 4,20 . (6) Lc 4,22 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 4,28 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,37 . (11) Lc 4,40 .

Lc 5,9.9. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

Lc 5,9.10. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

Lc 5,9.12. dat. vr. enk. agra(i) van het zelfst. naamw. agra (vangst, buit) . Taalgebruik in het N.T. : agra (vangst, buit) . Taalgebruik in Lc : agra (vangst, buit) .
Lc (1) Lc 5,9 . Een vorm van agra (vangst, buit) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,9 .

Lc 5,9.13. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

15. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .

Lc 5,10 - Lc 5, - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:10 omoiôs de kai iakôbon kai iôannèn uious zebedaiou oi èsan koinônoi tô simôni kai eipen pros ton simôna | | o | ièsous mè fobou apo tou nun anthrôpous esè zôgrôn 10 similiter autem Iacobum et Iohannem filios Zebedaei qui erant socii Simonis et ait ad Simonem Iesus noli timere ex hoc iam homines eris capiens 10 insgelijks ook Jakobus en Johannes de zonen van Zebedeüs, die metgezellen waren voor Simon. En Jezus zei tegen Simon: "Vrees niet, van nu af zul je mensen levend vangen". Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: "Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen." [10] Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang. Voortaan zul je mensen* vangen.’ [10] zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 10 evenzo ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen zijn van Simon. Jezus zegt tot Simon: vrees niet!– van nu af zul je iemand zijn die mensen vangt ten leven!   10. pareillement Jacques et Jean, fils de Zébédée, les compagnons de Simon. Mais Jésus dit à Simon : « Sois sans crainte ; désormais ce sont des hommes que tu prendras. »  

Statenvertaling . 10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.
King James Bible . [10] And so was also James, and John, the sons of Zebedee, which were partners with Simon. And Jesus said unto Simon, Fear not; from henceforth thou shalt catch men.
Luther-Bibel . 10 ebenso auch Jakobus und Johannes, die Söhne des Zebedäus, Simons Gefährten. Und Jesus sprach zu Simon: Fürchte dich nicht! Von nun an wirst du Menschen fangen.

Tekstuitleg van Lc 5,10 . Het vers Lc 5,10 telt 28 (2² X 7) woorden en 127 letters . De getalwaarde van Lc 5,10 is 17670 (2 X 3 X 5 X 19 X 31) .

Lc 5,10.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (487 + 5 = 483) . Lc 5 (18 / 39) . Lc 5,1-11 (+ 8 / 11 . - 3 / 11 : (1) Lc 5,7 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 .

Lc 5,10.3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,10.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,10.9. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,10.12. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

13. dat. mann. enk. simôni van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (3) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .

Lc 5,10.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,10.15. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

16. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

Lc 5,10.17. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,10.18. acc. mann. enk. simôna van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 . (9) Lc 24,34 .

Lc 5,10.15. - 18. eipen pros ton simôna (hij zei tot Simon) Lc (2) :  (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 .

Lc 5,10.19. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,10.20. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 5 (4) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 . (4) Lc 5,34 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 5 (7) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,31 . (7) Lc 5,34 .

21. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 5,36 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,10.22. imperat. praes. 2de pers. enk. fobou (vrees) van het werkw. fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (5) : (1) Lc 1,13 . Lc 1,29 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 8,50 . (5) Lc 12,32 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,50 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 8,35 . (9) Lc 8,50 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 12,4 . (13) Lc 12,5 . (14) Lc 12,7 . (15) Lc 12,32 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 19,21 . (19) Lc 20,19 . (20) Lc 22,2 . (21) Lc 23,40 .

Lc 5,10.23. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,10.24. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,11 - Lc 5, - : 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,1 - Lc 5,2 - Lc 5,3 - Lc 5,4 - Lc 5,5 - Lc 5,6 - Lc 5,7 - Lc 5,8 - Lc 5,9 - Lc 5,10 - Lc 5,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 5de (vijfde) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:11 kai katagagontes ta ploia epi tèn gèn afentes panta èkolouthèsan autô 11 et subductis ad terram navibus relictis omnibus secuti sunt illum 11. En nadat ze de boten aan land teruggebracht hadden, lieten ze alles achter (en) volgden hem. Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen. [11] Ze brachten de boten aan land, lieten* alles achter en volgden Hem. [11] En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.  11 Ze varen de boten het land op, laten alles achter en volgen hem!   11. Et ramenant les barques à terre, laissant tout, ils le suivirent.  

Statenvertaling . 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
King James Bible . [11] And when they had brought their ships to land, they forsook all, and followed him.
Luther-Bibel . 11 Und sie brachten die Boote ans Land und verließen alles und folgten ihm nach.

Tekstuitleg van Lc 5,11 . Het vers Lc 5,11 telt 10 (2 X 5) woorden en 43 letters . De getalwaarde van Lc 5,11 is 3265 (5 X 653) .

Lc 5,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,11.3. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
L c (98) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,6 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,11 .

Lc 5,11.4. nom. + acc. onz. mv. van het zelfst. naamw. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion (boot) . Taalgebruik in Lc. : ploion (boot) . N. vloot . L. navis . N. boot . E. ship . D. Boot . Lc (3) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,7 . (3) Lc 5,11 . Een vorm van ploion (boot) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,11 . (5) Lc 8,22 . (6) Lc 8,37 .

Lc 5,11.5. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

Lc 5,11.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,20 .

Lc 5,11.7. acc. vr. enk. gèn (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Taalgebruik in Lc : gè (aarde) .
Lc (12) : (1) Lc 4,25 . (2) Lc 5,11 . (3) Lc 6,49 . (4) Lc 8,8 . (5) Lc 8,27 . (6) Lc 12,49 . (7) Lc 13,7 . (8) Lc 14,35 . (9) Lc 16,17 . (10) Lc 22,44 . (11) Lc 23,44 . (12) Lc 24,5 . Een vorm van gè (aarde) in Lc in 26 verzen , in Lc 5 (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,11 . (3) Lc 5,24 .

Lc 5,11.10. ind. aor. 3de pers. mv. èkolouthèsan van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (3) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 22,39 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .

Lc 5,11.11. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

         
Lc 5,3 Lc 5,4 Lc 5,5 Lc 5,8 Lc 5,10
embas de eis hen tôn ploiôn, ho èn Siônos, (ingestapt echter in één van de boten, die van Simon was)   kai apokritheis (en beantwoord) idôn de (gezien hebbende echter) kai (en)
    Simôn (Simon) Simôn Petros (Simon Petrus)  
èrôtèsen (vroeg hij) eipen (hij zei) eipen (zei) prosepesen tois gonasin Ièsou legôn (viel hij op zijn voeten voor Jezus) eipen (hij zei)
auton (hem) pros ton Simôna (tot Simon)     pros ton Simôna (tot Simon)
        ho Ièsous (Jezus)
apo tès gès (van het land)        
epanagagein (van wel te steken)   epanagage (steek van wal)      katagagontes (aan land gebracht
 oligon (een weinig) eis to bathos (naar het diep)       ta ploia (de boten) 


Mc 1,17-18 Lc 5,10
kai (en) kai (en)
eipen (hij zei) eipen (hij zei)
autois (hen) pros ton Simôna (tot Simon)
ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)
...  
kai (en) apo tou nun (vanaf nu)
poièsô (ik zal maken)  
humas genesthai haleeis anthrôpôn (dat jullie worden vissers van mensen) anthrôpous esèi zôgrôn (mensen zult gij vangende zijn)
18. kai (en) kai (en)
euthus (dadelijk) ...
afentes... (achterlatende) afentes panta (alles achterlatend)
èkolouthèsan (volgden zij) èkolouthèsan (volgden zij)
autôi (hem) autôi (hem)
   23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 // Mt 4,18-22  62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 // (Mc 1,16-20) // (Mt 4,18-22)

62.1. het samenstromen van het volk : Lc 5,1a . Zie ook - Lc 9,51-56 - Lc 5,17-26 -

Door de prediking van Jezus is de menigte in beweging gekomen. Zij dringt zich aan Jezus op. Ze wil nog meer woorden horen die haar in beweging heeft gezet. Er is spanning. Er staat iets te gebeuren. Een ommekeer (metanoia), een revolutie! Het koninkrijk van God komt. De heerschappij van de vijand loopt ten einde. De menigte rilt van vrees in hetgeen aan het gebeuren is.

63. Genezing van een melaatse : Lc 5,12-16 - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 -

Toen de tekst werd geconstrueerd , was er nog geen nummering van hoofdstukken en verzen . Er moeten evenwel aanwijzingen in de tekst zijn die hem leesbaar maken . De indeling in verzen is wellicht bepaald door de verandering van personage : v.40 : de melaatse ; v.41 : Jezus ; v.42 : de melaatsheid en de melaatse ; v.43 : Jezus ; v.44 : Jezus ; v.45 : allerlei personages . Al deze zinnen beginnen met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Er is ook een wisseling in werkwoordtijden . We vinden ook een tweede nevenschikkende zin met het werkwoord legô (zeggen) .

Waar Lukas een directe rede inleidt , gebruikt hij het werkwoord legö (zeggen) . Een nevenschikkende zin kai legei autôi (en hij zei aan hem) na een nevenschikkende zin waarvan het onderwerp hetzelfde is , herleidt Lucas tot legôn (zeggende) .

1.     2.     3.     4.  
Mc 1,40 Lc 5,12   Mc 1,41 ( 'Jezus') Lc 5,13a   Mc 1,44 ('Jezus') Lc 5,14   Mc 1,45 (de melaatse) Lc 5,15 - Lc 5,16
kai (en)...     kai (en)     kai (en) kai autos (en zelf   ho de... (hij echter) Lc 5,15 dièrcheto de ( verspreidde echter) Lc 5,16 autos de (hij echter)
legôn (zeggende) legôn (zeggende)   legei (hij zegt) legôn (zeggende)   legei (hij zegt) parèggeilen (beval)   èrxato kèrussein... (begon te verkondigen)  
autôi aan hem)     autôi (aan hem)     autôi (aan hem) autôi (aan hem)      
+ directe rede (toch ingeleid door hoti : dat)     + directe rede     + directe rede + indirecte rede      
63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -                    

 

Lc 5,12 - Lc 5,12 : 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai idou anèr plèrès lepras 5:12 kai egeneto en tô einai auton en mia tôn poleôn kai idou anèr plèrès lepras idôn de ton ièsoun pesôn epi prosôpon edeèthè autou legôn kurie ean thelès dunasai me katharisai   12 et factum est cum esset in una civitatum et ecce vir plenus lepra et videns Iesum et procidens in faciem rogavit eum dicens Domine si vis potes me mundare  En het gebeurde, toen hij in één van de steden was, en zie (daar was) een man vol van melaatsheid. En toen hij Jezus zag, viel hij op zijn gezicht (en) smeekte hem, zeggend: "Heer, als u wilt, kunt u me reinigen".     [12] Toen Hij in een of andere stad was, dook er opeens een man op, van onder tot boven melaats. Toen hij Jezus zag boog hij diep voor Hem neer en smeekte: ‘Heer, als U wilt, kunt U me rein maken.’ 
[12] In een van de steden waar hij kwam, stond er plotseling een man voor hem die door huidvraat getekend was. Toen hij Jezus zag, liet hij zich languit op de grond vallen en smeekte hem om hulp met de woorden: ‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’
 
12 ¶ Het geschiedt als hij in een van de steden is: zie, een man die een en al melaatsheid is ziet Jezus, valt neer op zijn gelaat en smeekt hem,– zegt: Heer, als u het wilt bent u bij machte mij te reinigen!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstanalyse van Lc 5,12 . Het vers Lc 5,12 telt 31 woorden en 143 (11 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 5,12 is 15095 (5 X 3019) .

Lc 5,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,12.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 5 in 3 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 .

Lc 5,12.3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,12.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,12.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .

Lc 5,12.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

Lc 5,12.1. - 6. kai egeneto en tô(i) einai auton = en het gebeurde terwijl hij was . Lc (3) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 11,1 .

Lc 5,12.7. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,12.8. nom. + dat. vr. mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord heis , mia , hen (één) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (7 . nom 1 / 7 . dat. 6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 17,35 (nom.) . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 24,1 . Een vorm van het telwoord heis , mia , hen (één) in Lc in 42 verzen , in Lc 5 in 3 verzen : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 .

Lc 5,12.7. - 8. en mia(i) (op één) . Lc (5 / 6 . dat. 6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 20,1 .

Lc 5,12.9. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

Lc 5,12.8. - 9. mia(i) tôn) (één van) . Lc (6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 20,1 . (6) Lc 24,1 .

Lc 5,12.10.

Lc 5,12.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

12. idou (zie) , zie Mt 1,20 .

Lc 5,12.13.

Lc 5,12.14. nom. mann. enk. plèrès van het bijvoeglijk naamwoord plèrès (vol) . Taalgebruik in het N.T. : plèrès (vol) . Taalgebruik in Lc : plèrès (vol) .
Lc (2) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 5,12 .
(1) Lc 4,1 : Jezus : plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest .
(2) Lc 5,12 : kai idou anèr plèrès lepras = en zie een man vol van melaatsheid .

Lc 5,12.15. lepras (- vol - met melaatsheid) . Genitief bij plèrès (vol) . Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 .

Lc 5,12.16. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,26 .

Lc 5,12.18. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,12.21. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

Lc 5,12.25. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,14 Lc 8,56 Lc 9,21  
kai (en) autos (hij zelf) ho de (hij echter) ho de (hij echter)  
parijggeilen (hij droeg op) parijggeilen (hij droeg op) epitimijsas autois (berispende hen) parijggeilen (hij droeg op)  
autoi (hem) autois (hen)    
mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand)  
eipein (te zeggen) eipein (te zeggen) legein (te zeggen)  
  to gegonos (het gebeurde) touto (dit)  
63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56
162. Belijdenis van Petrus : Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21

 

Lc 5,13 - Lc 5,13 : 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:13 kai ekteinas tèn cheira èpsato autou legôn thelô katharisthèti kai eutheôs è lepra apèlthen ap autou  13 et extendens manum tetigit illum dicens volo mundare et confestim lepra discessit ab illo   13 En hij strekte de hand uit (en) raakte hem aan, zeggend: ik wil, word rein . En aanstonds ging de melaatsheid van hem heen.   [13] Hij stak zijn hand uit en raakte hem aan. ‘Ik wil het. Word rein’, zei Hij. En onmiddellijk verdween zijn melaatsheid.  [13] Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein!’ En meteen verdween zijn huidvraat.  13 Hij strekt de hand uit, omhelst hem en zegt: ik wil het, wórd gereinigd! En terstond gaat de melaatsheid van hem weg!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Bijbeluitleg van Lc 5,13 . Het vers Lc 5,13 telt 16 (2² x 2²) woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 5,13 is 9512 (2³ X 29 X 41) .

In Mc 1,40 komt een melaatse tot Jezus . Omdat melaatsen besmettelijk zijn , moeten zij buiten de stad in afzondering leven . Wanneer een melaatse een gezonde aanraakt , kan de gezonde besmet en melaats worden . Het omgekeerde bestaat niet . Bij Jezus gebeurt het wel . Jezus raakt de melaatse aan . Jezus wordt niet besmet . Jezus geneest de melaatse . Dat wordt zichtbaar omdat de tekens van melaatsheid verdwijnen en de melaatse zuiver wordt .

Lc 5,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,13.3. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,20 .

Lc 5,13.7. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,13.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,13.15. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,14 - Lc 5,14 : 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:14 kai autos parèggeilen autô mèdeni eipein alla apelthôn deixon seauton tô ierei kai prosenegke peri tou katharismou sou kathôs prosetaxen môusès eis marturion autois  14 et ipse praecepit illi ut nemini diceret sed vade ostende te sacerdoti et offer pro emundatione tua sicut praecepit Moses in testimonium illis  En hij droeg hem op om het aan niemand te zeggen, maar (zei hij): "Ga heen", (en) toon jezelf aan de priester en breng voor je reiniging aan zoals Mozes verordend heeft tot getuigenis van hen".    [14] Hij waarschuwde hem er met niemand over te praten. ‘Ga u laten zien aan de priester en breng, zoals Mozes voorgeschreven heeft, een offer voor uw reiniging; dat zal hun het bewijs leveren.’  [14] Hij beval hem er met niemand over te spreken, maar zei: ‘Ga u aan de priester laten zien en breng een offer voor uw reiniging, zoals Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’  14 Hij kondigt aan hem af: aan niemand iets zeggen! nee, ga weg en ‘toon jezelf aan de heiligdomsdienaar’ en offer voor je reiniging, zoals Mozes heeft geboden tot een getuigenis voor hen!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,14 . Het vers Lc 5,14 telt 24 (2³ X 3) woorden en 138 (2 X 3 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 5,14 is 15008 (2³ X 2² X 7 X 67) .

Lc 5,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,14.2. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,37 .

Lc 5,14.4. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

Lc 5,14.9. acc. mann. enk. seauton (jezelf) , wederkerig voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : wederkerig voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : wederkerig voornaamwoord . Lc (6) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,23 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 10,27 . (5) Lc 23,37 . (6) Lc 23,39 .

Lc 5,14.11. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,14.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,14.16. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,14.18. gen. mann. enk. sou . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,23 . (5) Lc 5,24 .

Lc 5,14.19. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs (zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs (zoals) .
Lc (17) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 .

Lc 5,14.22. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,14 Lc 8,56 Lc 9,21  
kai (en) autos (hij zelf) ho de (hij echter) ho de (hij echter)  
parijggeilen (hij droeg op) parijggeilen (hij droeg op) epitimijsas autois (berispende hen) parijggeilen (hij droeg op)  
autoi (hem) autois (hen)    
mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand)  
eipein (te zeggen) eipein (te zeggen) legein (te zeggen)  
  to gegonos (het gebeurde) touto (dit)  
63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56
162. Belijdenis van Petrus : Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21

paraggellô : opdragen, bevelen

Lc 5,15 - Lc 5,15 : 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:15 dièrcheto de mallon o logos peri autou kai sunèrchonto ochloi polloi akouein kai therapeuesthai apo tôn astheneiôn autôn 15 perambulabat autem magis sermo de illo et conveniebant turbae multae ut audirent et curarentur ab infirmitatibus suis  Het woord nu omtrent hem drong meer door, en veel volksmenigten kwamen samen om (hem) te horen en genezen te worden van hun ziekten.     [15] Verhalen over Hem deden nu in nog wijdere kring de ronde. Grote drommen mensen stroomden samen om Hem te horen en hun ziekten te laten genezen.  [15] Maar het nieuws over hem verspreidde zich juist verder, en grote mensenmassa’s verzamelden zich om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen.  15 Maar eens te méér is het woord over hem tot overal gekomen en grote scharen zijn samengekomen om hem te horen en genezen te worden van hun ziekten;   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuileg van Lc 5,15 . Het vers Lc 5,15 telt 20 (2² X 5) woorden en 104 (2³ X 13) letters . De getalwaarde van Lc 5,15 is 13130 (2 X 5 X 13 X 101) . In Lc 5,15b vermeldt Lucas enerzijds het samenstromen van het volk en anderzijds de tweevoudige activiteit van Jezus . In de paralleltekst Mc 1,45 eindigt Marcus het verhaal van de melaatse (Mc 1,40-45) met een zeer kort summarium (samenvatting) dat ook een verdere stap in de ontwikkeling van de verspreiding van de boodschap geeft : zij kwamen naar hem van overal . In Mc 1,39 vinden we een summarium waarin de dubbele activiteit van Jezus wordt vermeld .

Lc 5,15.4. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,15.5. nom. mann. enk. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (5) : (1) Lc 4,32 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 7,17 . (5) Lc 8,11 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 5 in 2 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 .

Lc 5,15.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,15.10. nom. mann. mv. ochloi van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (10) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 8,42 . (5) Lc 8,45 . (6) Lc 9,11 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 11,14 . (9) Lc 14,25 . (10) Lc 23,48 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,29 .

11. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) .
Lc (8) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 5 () :

10. - 11. ochloi polloi (vele menigten) . Lc (2) : (1) Lc 5,15 . (2) Lc 14,25 .

Lc 5,15.12. act. inf. praes. akouein van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Lc (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,15 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 14,35 . (5) Lc 15,1 . (6) Lc 21,38 . (7) Lc 23,8 .

Lc 5,15.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

Lc 5,15.15. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

16. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

Lc 5,15.18. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Mc 1,45 Lc 5,15 Lc 6,18 Lc 6,18
kai (en) kai (en)   kai (en)
èrchontai pros auton (zij komen bij hem) pantothen (van overal) sunerchontai (- zij - komen samen) hoi èlthon (die kwamen)  
  ochloi polloi (vele menigten)    hoi enochloumenoi (de gekwelden) 
Mc 1,39        
kai èlthen (en hij kwam)      
kèrussôn (verkondigend) ...  akouein (om te luisteren) akousai (om te luisteren) autou (naar hem)  
kai ta daimonia ekballôn (en de duivels uitdrijvend) kai therapeuesthai apo tôn astheneiôn autôn (en genezen te worden van hun zwakheden) kai (en) iathènai (genezen te worden) apo tôn nosôn autôn (van hun ) apo pneumatôn akatharthôn etherapeuonto (werden van onreine geesten genezen)  
63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - 63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - 98. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a  

enochleô : lastig zijn, hinderen

Lc 5,16 - Lc 5,16 : 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,12 - Lc 5,13 - Lc 5,14 - Lc 5,15 - Lc 5,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:16 autos de èn upochôrôn en tais erèmois kai proseuchomenos   16 ipse autem secedebat in deserto et orabat  Hij echter was teruggetrokken in de woestijn en bad.     [16] Maar Hij trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden.  [16] Hijzelf trok zich geregeld terug op eenzame plaatsen om er te bidden.  16 hij trok zich steeds terug in de woestijnen: om te bidden.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,16 . Het vers Lc 5,16 telt 9 (3²) woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 5,16 is 6858 (2 X 3³ X 127) . De melaatse komt in een stad tot Jezus . Wellicht komt de melaatse van buiten de stad . De genezene zal wellicht in de stad blijven ; hij is immers genezen en mag terug in de stad wonen . In tegenstelling met de genezene verblijft Jezus op eenzame plaatsen . Het herinnert aan het verblijf van Jezus in de woestijn (Lc 4,1-11) .

Lc 5,16.1. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,37 .

3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,29 .

Lc 5,16.5. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,16.7. dat. vr. mv.  erèmois van het zelfst. / bijvoegl. naamw. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in N.T. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Lc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
Lc (2) : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 5,16 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 4,1 . (5) Lc 4,42 . (6) Lc 5,16 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,29 . (9) Lc 9,12 . (10) Lc 15,4 .

Lc 5,16.5. - 7. en tais erèmois (op eenzame plaatsen) . Lc (2) : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 5,16 .

Lc 5,16.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 5 (+ 33 / 39 . - 6 / 39 : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 5,34 . (6) Lc 5,38 .)

67. Genezing van de lamme : Lc 5,17-2 - Mc 2,1-12 -- Lc 5,17-26 -- Mt 9,1-8 - Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -

Lc 5,25 - Lc 5,26 Hnd 3,8 - Hnd 3,9 - Hnd 3,10 Hnd 9,35 Hnd 14,11
25b apèlthen eis ton oikon autou (hij ging weg naar zijn huis) 8b kai eisèlthen sun autois eis to hieron (en hij ging met hen de tempel binnen)    
doxazôn ton theon (God verheerlijkend) peripatôn kai hallomenos kai ainôn ton theon (wandelend en springend en God lovend)    
26. kai ekstasis elaben hapantes ... kai eplèsthèsan fobou (en ontsteltenis benam allen... en zij werden vervuld van vrees) 10b kai eplèsthèsan thambous kai ekstaseôs epi ... (en zij werden vervuld van verbazing en ontsteltenis over...)    
26b hoti eidomen paradoxa sèmeron (want we hebben wonderbare dingen gezien vandaag) 9. kai eiden pas ho laos auton ... (en heel het volk zag hem...) kai eidan pantes hoi katoikountes Ludda kai ton Sarôna (en al de bewoners van Lyda en Sarone zagen het) hoi te ochloi idontes ho epoisen Paulos (en de menigten ziende wat Paulus had gedaan)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8   Een verlamde genezen bij de tempelpoort : Hnd 3,1-10   Petrus in Lydda en Joppe : Hnd 9,32-43  In Lystra : Hnd 14,8-20  

 

Lc 5,17 - Lc 5,17 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:17 kai egeneto en mia tôn èmerôn kai autos èn didaskôn kai èsan kathèmenoi farisaioi kai nomodidaskaloi oi èsan elèluthotes ek pasès kômès tès galilaias kai ioudaias kai ierousalèm kai dunamis kuriou èn eis to iasthai auton  17 et factum est in una dierum et ipse sedebat docens et erant Pharisaei sedentes et legis doctores qui venerant ex omni castello Galilaeae et Iudaeae et Hierusalem et virtus erat Domini ad sanandum eos  17 En het gebeurde op één van de dagen dat hij aan het leren was, en er waren Farizeeën gezeten en wetsleraars die gekomen waren uit ieder dorp van Galilea en Judea en Jeruzalem; en er was kracbt van de Heer zodat hij kon genezen.    [17] Op een dag gaf Hij onderricht terwijl er farizeeën* en wetsleraren bij zaten. Ze waren gekomen uit alle plaatsen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem. In Hem was kracht van de Heer om te genezen.   [17] Toen hij op een dag onderricht gaf, bevonden zich onder zijn gehoor ook Farizeeën en wetgeleerden die uit allerlei plaatsen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van de Heer was werkzaam in hem, opdat hij zieken zou genezen.  17 ¶ Het geschiedt op één van die dagen: hij geeft onderricht en er zitten ook farizeeërs en wetleraars,– gekomen uit elk dorp van Galilea en Judea en uit Jeruzalem; en er is kracht van de Heer, zodat hij kan genezen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,17 . Het vers Lc 5,17 telt 36 (2² X 3²) woorden en 184 (2³ X 23) letters . De getalwaarde van Lc 5,17 is 16278 (2 X 3 X 2713) .

Lc 5,17.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 5 in 3 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 .

Lc 5,17.3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,17.4. nom. + dat. vr. mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord heis , mia , hen (één) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (7 . nom 1 / 7 . dat. 6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 17,35 (nom.) . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 24,1 . Een vorm van het telwoord heis , mia , hen (één) in Lc in 42 verzen , in Lc 5 in 3 verzen : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 .

en mia(i) (op één) . Lc (5 / 6 . dat. 6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 20,1 .

Lc 5,17.5. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

mia(i) tôn) (één van) . Lc (6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 20,1 . (6) Lc 24,1 .

Lc 5,17.6. genitief vrouwelijk meervoud hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Lc (4) : (1) Lc 5,17 . (2) Lc 8,22 . (3) Lc 17,22 . (4) Lc 20,1 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 5 : (1) Lc 5,17 . (5) Lc 5,35 .

Lc 5,17.3. - 6. en mia(i) tôn hèmerôn (op één van de dagen) . Lc (3 / 5 . en mia(i) : 5 / 6 . mia(i) dat. 6 / 7 ) . (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 20,1 . Zie ook mian tôn hèmerôn : Lc 17,22 .

Lc 5,17.1. - 6. kai egeneto en mia(i) tôn hèmerôn (en het gebeurde tijdens één van de dagen) . Lc (2) : (1) Lc 5,17 . (2) Lc 20,1 . egeneto de en mia tôn hèmerôn (het gebeurde echter tijdens één van de dagen) : Lc (1) Lc 8,22 .

Lc 5,17.8. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,37 .

Lc 5,17.9. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,29 .

Lc 5,17.7. - 9. kai autos èn (en hij was) . Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 3,23 . (3) Lc 5,1 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 17,16 . (6) Lc 19,2 .

Lc 5,17.17. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,17.20. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) . Lc (46 + 37 = 83) . Lc 5 (2) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,17 .

Lc 5,17.23. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,24 .

Lc 5,17.26. gen. vr. enk. ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het N.T. : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia (Judea) . Lc (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,17 . (7) Lc 23,5 . Een vorm van ioudaia (Judea) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,4 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,44 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 6,17 . (8) Lc 7,17 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 23,5 .

Lc 5,17.33. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,17.34. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

Lc 5,17.36. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

Lc 5,18 - Lc 5,18 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:18 kai idou andres ferontes epi klinès anthrôpon os èn paralelumenos kai ezètoun auton eisenegkein kai theinai [auton] enôpion autou  18 et ecce viri portantes in lecto hominem qui erat paralyticus et quaerebant eum inferre et ponere ante eum  18 En zie, mannen brachten op een bed een mens die verlamd was; en ze zochten hem binnen te brengen en vóór hem te leggen.    [18] Toen kwamen er mannen aan, met op een draagbed iemand die verlamd was. Ze zochten een mogelijkheid om hem binnen te brengen en voor Hem neer te zetten. 

[18] Er kwam

µen een paar mannen met een verlamde op een draagbed, die ze naar binnen wilden brengen om hem voor Jezus neer te leggen.  

18 Ziedaar: mannen die op een baar een mens meedragen die verlamd is, en een weg hebben gezocht om hem binnen te brengen en voor zijn aanschijn te leggen.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,18 . Het vers Lc 5,18 telt 18 (2 X 3²) woorden en 102 (2 X 51) letters . De getalwaarde van Lc 5,18 is 9425 (5² X 13 X 29) .

- Lc 5,18 : ferontes epi klinès anthrôpon os èn paralelumenos =

5. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

6. klinès . klinè (aanligbed, ziekbed , lijkbaar) .
- klinè of klinèi : nominatief vrouwelijk enkelvoud of actief conjunctief derde persoon enkelvoud . In tien verzen in de bijbel . In acht verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. (werkwoordvorm) .
- klinès : genitief vrouwelijk enkelvoud . In vierentwintig verzen in de bijbel . In vier verzen in het N.T. .

9. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,29 .

13. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

12. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ezètoun van het werkw. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô (zoeken) . Taaalgebruik in Lc : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj (zoeken) . Taalgebruik in Tenach : bâqasj (zoeken) . dârasj < midrasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Lc (5) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 6,19 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 19,47 . (5) Lc 22,2 . Een vorm van zèteô (zoeken) in Lc in 26 verzen , in Lc 5 (1) Lc 5,18 . In Lc : 14 vormen van zèteô (zoeken) in 13 / 24 hoofdstukken en in 26 verzen . In Hnd : X vormen van zèteô (zoeken) in 7 / 28 hoofdstukken en in 10 verzen .

Lc 5,19 - Lc 5,19 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:19 kai mè eurontes poias eisenegkôsin auton dia ton ochlon anabantes epi to dôma dia tôn keramôn kathèkan auton sun tô klinidiô eis to meson emprosthen tou ièsou  19 et non invenientes qua parte illum inferrent prae turba ascenderunt supra tectum per tegulas submiserunt illum cum lecto in medium ante Iesum  19 En doordat ze niet vonden langs welke weg ze hem konden binnenbrengen, vanwege de volksmenigte, klommen ze op het dak (en) door de dakpannen lieten ze hem zakken met het rustbed,  in het midden voor Jezus .   [19] Maar omdat ze vanwege de menigte geen kans zagen om hem binnen te brengen, gingen ze het dak op en lieten ze hem met bed en al tussen de tegels* door neer in de kring vóór Jezus.  [19] Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen, en dus gingen ze het dak op en lieten hem op het bed door een opening in het tegeldak naar beneden zakken tot vlak voor Jezus.  19 Toen ze, vanwege de schare, geen weg vonden waarlangs ze hem naar binnen konden brengen, zijn ze het platte dak opgeklommen en hebben ze hem door de tegels heen met bed en al neergelaten,– in het midden, vlak voor Jezus.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,19 . Het vers Lc 5,19 telt 28 (2² X 7) woorden en 134 (2 X 67) letters . De getalwaarde van Lc 5,19 is 15721 (79 X 199) .

3. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 5,36 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,19.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

7. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 5 (2 + 1 = 3) . dia (2) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 5,30 . di' (1) Lc 5,5 .

Lc 5,19.8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,19.9. acc. mann. enk. ochlon van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (4) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 8,19 . (4) Lc 9,12 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,29 .

Lc 5,19.7. - 9. dia ton ochlon (omwille van de menigte) . Lc (2) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 8,19 .

Lc 5,19.10. act. part. aor. nom. mann. mv. anabantes van het werkw. anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô (beklimmen) .
Lc (1) Lc 5,19 . Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 18,31 . (7) Lc 19,4 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 24,38 .

Lc 5,19.11. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

12. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

15. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

Lc 5,19.18. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

Lc 5,19.20. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

22. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

23. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

Lc 5,19.26. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,20 - Lc 5,20 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:20 kai idôn tèn pistin autôn eipen anthrôpe afeôntai soi ai amartiai sou  20 quorum fidem ut vidit dixit homo remittuntur tibi peccata tua   toen hij hun geloof zag, zei hij: Mens, je zonden zijn je vergeven.     [20] Toen Hij hun vertrouwen zag zei Hij tegen de man: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’   [20] Toen hij hun geloof zag, zei hij tegen hem: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’  20 Bij het zien van hun vertrouwen zegt hij: o mens,– dat jou je zonden worden vergeven!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,20 . Het vers Lc 5,20 telt 13 woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalwaarde van Lc 5,20 is 9251 (11 X 29²) .

Lc 5,20.2. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,26 .

Lc 5,20.3. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,2 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,20 .

Lc 5,20.5. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,31 . (10) Lc 5,35 .

6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

12. gen. mann. enk. sou . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,23 . (5) Lc 5,24 .

Lc 5,21 - Lc 5,21 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:21 kai èrxanto dialogizesthai oi grammateis kai oi farisaioi legontes tis estin outos os lalei blasfèmias tis dunatai amartias afeinai ei mè monos o theos  21 et coeperunt cogitare scribae et Pharisaei dicentes quis est hic qui loquitur blasphemias quis potest dimittere peccata nisi solus Deus  21 De schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen, zeggend Wie is deze die godslasteringen spreekt? Wie kan zonden vergeven behalve de enige God ?    [21] De schriftgeleerden* en farizeeën hadden hun bedenkingen. ‘Wat* is dat voor iemand,’ zeiden ze, ‘die zo godslasterlijk spreekt? Wie anders dan God alleen kan zonden vergeven?’  [21] De schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen zich af te vragen: Wie is die man dat hij deze godslasterlijke taal spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?  21 Dan beginnen de schriftgeleerden en de farizeeërs hun bedenkingen te uiten; ze zeggen: wie is deze man wel die godslasteringen uitspreekt?– wie heeft kracht om zonden te vergeven dan God alleen?   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,21 . Het vers Lc 5,21 telt 24 (2² X 3) woorden en 126 (2 X 3² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 5,21 is 10242 (2 X 3² X 569) .

Lc 5,21.4. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,21.7. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

21. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 5,36 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,21.23. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,22 - Lc 5,22 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:22 epignous de o ièsous tous dialogismous autôn apokritheis eipen pros autous ti dialogizesthe en tais kardiais umôn 22 ut cognovit autem Iesus cogitationes eorum respondens dixit ad illos quid cogitatis in cordibus vestris  22 Jezus echter begreep hun overleggingen, antwoordde (en) zei tegen hen: Waarom overlegt u in uw harten?    [22] Jezus doorzag hun bezwaren en gaf hun een weerwoord: ‘Wat hebt u voor bezwaar?   [22] Maar Jezus begreep wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Vanwaar toch al die bedenkingen?  22 Jezus merkt hun bedenkingen op en zegt ten antwoord tot hen: wat overweegt ge toch in uw harten?–   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,22 . Het vers Lc 5,22 telt 17 woorden en 94 (2 X 47) letters . De getalwaarde van Lc 5,22 is 10636 (2² X 2659) .

Lc 5,22.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 5 (4) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 . (4) Lc 5,34 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 5 (7) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,31 . (7) Lc 5,34 .

7. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,31 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,22.8. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 .

Lc 5,22.14. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

9. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

10. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

17. persoonl. voornaamw. gen. mv. humôn (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (60) . Lc 5 (2) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,22 .

Lc 5,23 - Lc 5,23 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:23 ti estin eukopôteron eipein afeôntai soi ai amartiai sou è eipein egeire kai peripatei  23 quid est facilius dicere dimittuntur tibi peccata an dicere surge et ambula  23 Wat is gemakkelijker, te zeggen: je zonden zijn je vergeven of te zeggen: sta op en wandel?    [23] Wat is eenvoudiger? Zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven”, of zeggen: “Sta op en loop”?   [23] Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”?   23 wat is gemakkelijker: te zeggen dat jou je zonden worden vergeven óf te zeggen: waak op en wandel!?–    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,23 .

9. gen. mann. enk. sou . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,23 . (5) Lc 5,24 .

Lc 5,24 - Lc 5,24 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:24 ina de eidète oti o uios tou anthrôpou exousian echei epi tès gès afienai amartias eipen tô paralelumenô soi legô egeire kai aras to klinidion sou poreuou eis ton oikon sou  24 ut autem sciatis quia Filius hominis potestatem habet in terra dimittere peccata ait paralytico tibi dico surge tolle lectum tuum et vade in domum tuam  24 Opdat u nu weet dat de Mensenzoon macht heeft op aarde om zonden te vergeven —hij zei aan de verlamde: Ik zeg je, sta op en neem je rustbed op (en) ga naar je huis.    [24] Maar opdat u weet dat de Mensenzoon bevoegd is om op aarde zonden te vergeven’, zei Hij, nu tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed op en ga naar huis.’  [24] Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ En hij zei tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’  24 maar opdat ge moogt weten dat de mensenzoon volmacht heeft op aarde om zonden te vergeven,– zegt hij tot de verlamde: jou zeg ik: ontwaak, neem je bed op en vertrek naar je huis!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,24 . Het vers Lc 5,24 telt 31 woorden en 142 (2 X 71) letters . De getalwaarde van Lc 5,24 is 15563 (79 X 197) .

Lc 5,24.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,24.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,24.11. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

12. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,24 .

13. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Taalgebruik in Lc : gè (aarde) .
Lc (10) : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,24 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 11,31 . (6) Lc 12,56 . (7) Lc 18,8 . (8) Lc 21,23 . (9) Lc 21,25 . (10) Lc 21,35 . Een vorm van gè (aarde) in Lc in 26 verzen , in Lc 5 (3) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,11 . (3) Lc 5,24 .

16. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,24.17. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

24. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

26. gen. mann. enk. sou . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,23 . (5) Lc 5,24 .

28. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,24.29. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,24.28. - 30. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .

31. gen. mann. enk. sou . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,23 . (5) Lc 5,24 .

Lc 5,25 - Lc 5,25 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:25 kai parachrèma anastas enôpion autôn aras ef o katekeito apèlthen eis ton oikon autou doxazôn ton theon 25 et confestim surgens coram illis tulit in quo iacebat et abiit in domum suam magnificans Deum  25 En ogenblikkelijk stond hij op* vóór hen, nam datgene waarop hij neerlag op (en) ging heen* naar zijn huis, God verheerlijkend.    [25] En meteen stond hij voor hun ogen op, pakte het bed waarop hij had gelegen, en ging naar huis terwijl hij God verheerlijkte.  [25] En onmiddellijk stond hij voor de ogen van alle aanwezigen op, pakte het bed waarop hij altijd had gelegen en vertrok naar huis, terwijl hij God loofde.  25 En ineens staat hij op, daar voor hun aanschijn, neemt het op, dat waarop hij neerlag, en gaat weg naar zijn huis, God verheerlijkend!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,25 . Het vers Lc 5,25 telt 17 woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 5,25 is 10434 (2 X 3 X 37 X 47) .

2. parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Taalgebruik in het N.T. : parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Taalgebruik in Lc : parachrèma (dadelijk, op hetzelfde ogenblik) . Lc (10) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 4,39 . (3) Lc 5,25 . (4) Lc 8,44 . (5) Lc 8,47 . (6) Lc 8,55 . (7) Lc 13,13 . (8) Lc 18,43 . (9) Lc 19,11 . (10) Lc 22,60 .

5. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,31 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,25.7. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

Lc 5,25.8. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

11. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,25.12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,25.11. - 13. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .

Lc 5,25.16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Lc 5,26 - Lc 5,26 : 67. Genezing van de lamme - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 -- Lc 5 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,17 - Lc 5,18 - Lc 5,19 - Lc 5,20 - Lc 5,21 - Lc 5,22 - Lc 5,23 - Lc 5,24 - Lc 5,25 - Lc 5,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:26 kai ekstasis elaben apantas kai edoxazon ton theon kai eplèsthèsan fobou legontes oti eidomen paradoxa sèmeron  26 et stupor adprehendit omnes et magnificabant Deum et repleti sunt timore dicentes quia vidimus mirabilia hodie  26 En ontzetting greep allen* aan en ze verheerlijkten God en ze waren vervuld van vrees, zeggend: Ongelofelijke dingen hebben we vandaag gezien .     [26] Verrukking maakte zich van iedereen meester. Ze verheerlijkten God en zeiden vol ontzag: ‘Het is ongelooflijk wat we vandaag gezien hebben.’  [26] Allen stonden versteld en ze loofden God, en zeiden, vervuld van ontzag: ‘Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien!’  26 Verrukking neemt allen in bezit en zij zijn God gaan verheerlijken; vervuld van vreze zeggen zij: té heerlijke dingen hebben wij heden gezien!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,26

6. doxazô (verheerlijken) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 ; doxa (heerlijkheid) , zie Lc 2,9 .
--- doxazôn (verheerlijkend) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk enkelvoud . In zeven verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. . : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 17,15 . (3) Lc 18,43 . (4) Joh
--- doxazontes (verheerlijkend) . Tegenwoordig deelwoord nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud .
--- doxason (verheerlijk) . Actief imperatief praesens tweede persoon enkelvoud . In negen verzen in de bijbel . In zes verzen in het O.T. . In drie verzen in het N.T. , nl. bij Johannes .
--- edoxazen (hij verheerlijkte) . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 13,13 . (2) Lc 23,47 .
--- edoxazon (zij verheerlijkten) . In zes verzen in de bijbel , enkel in het N.T. : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 .

In zes van de zeven gevallen verheerlijkt de genezene God . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.      
Lc 5,25 Lc 5,26  Lc 7,16   Lc 13,13   Lc 17,15 Lc 18,43  Lc 23,47      
  kai ekstasis elaben hapantes (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)              
doxazôn ton theon (God verheerlijkend) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) doxazôn ton theon (God verheerlijkend)  doxazôn ton theon (God verheerlijkend)   edoxazen ton theon (hij verheerlijkte God)      
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 - 223. Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat : Lc 13,10-17 - 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Lc 18,35-43 - 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48      

7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,26 .

Vanaf Mc 1,21 tot Mc 1,39 volgt Lucas de volgorde van het marcusevangelie : van Lc 4,31 tot Lc 4,44. Dan volgt de inlassing Lc 5,1-11 : de wonderbare visvangst en roeping van Petrus en zijn metgezellen. Dan vervolgt Lucas de volgorde van het marcusevangelie : van Mc 1,44 tot Mc 3,6 d.i. van Lc 5,12-Lc 6,11. De twee volgende pericopen van Marcus (Mc 3,7-12 en Mc 3,13-19) komen omgekeerd bij Lucas voor : Mc 3,7-12 // Lc 6,17-19 en Mc 3,13-19 // Lc 6,12-16. Hierop volgt de vlakterede : Lc 6,20-49. In deze vlakterede komen heel wat teksten overeen met de bergrede van Matteüs (Mt 5-7). Dan volgt de kleine Lucaanse inlassing : Lc 7,1-8,3. Met de gelijkenisrede volgt Lucas opnieuw het marcusevangelie Mc 4,1-9,50 // Lc 8,4-9,50 met weglating van Mc 6,45-8,26. De grote Lucaanse inlassing begint met Lc 9,51-Lc 18,14. Vanaf Mc 10,13 // Lc 18,15 volgt Lucas opnieuw het marcusevangelie.

Mc 2,4 Lc 5,18b Lc 5,19 Lc 8,19            
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)            
mè dunamenoi (niet kunnende) ezètoun (zij zochten) mè heurontes (niet vindende) ouk èdunanto (zij konden niet)            
prosenegkai dragen tot) auton eisenegkein (hem binnen te bdragen) ... poias eisenegkôsin auton (hoe zij hem zouden binnenbrengen) suntucein (geraken tot bij)            
autôi (bij hem)     autôi (hem)            
dia ton ochlon (omwille van de menigte)   dia ton ochlon (omwille van de menigte) dia ton ochlon (omwille van de menigte)            
                   
                   
                   
                   
suntuchein: inf. aorist van suntagchanô : samenkomen, samentreffen

Lc 5,21

1. De Farizeeën en de wetsgeleerden zijn reeds vanaf het begin van het verhaal - Lc 5,17 - aanwezig.
2. De woordvolgorde : voegwoord (kai : en) , vervoegd werkwoord, lijdend voorwerp, deelwoord van het werkwoord zeggen (legô) en citaat in rechtstreekse of onrechtstreekse rede, komt in gelijkaardige verhalen voor.
3. Lucas voegt de Farizeeën toe.
4. De vraag is tweeledig. Zoals de tweede vraag begint Lucas ook de eerste vraag met tís : wie...

   Lc 5,21 Lc 5,30  Lc 15,2  Lc 19,7
voegwoord  kai (en) kai (en)  kai (en)  kai (en)
vervoegd werkwoord èrxanto dialogizesthai (en begonnen te discussiëren) 

egogguzon (morden)

diegogguzon (bromden)   idontes pantes diegogguzon (allen ziende bromden)
onderwerp hoi grammateis kai hoi Farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeeën hoi Farizaioi kai grammateis autôn (de Farizeeën en hun schriftgeleerden) hoi te Farizaioi kai hoi grammateis  (zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden)  
    pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen)    
inleiding om te citeren  legontes (zeggende) legontes (zeggende)  legontes (zeggende) legontes (zeggende) 
rechtstreekse of onrechtstreekse rede  tís estin houtos (wie is deze) hos lalaei blasfèmias; tís dunatai hamartias afienai ei mè monos ho theos; (die godslasteringen spreekt? wie kan zonden vergeven tenzij God alleen?)  dia tí meta tôn telônôn kai hamartôlôn esthiete kai pinete; (waarom eet en drinkt je met tollenaars en zondaars?) hoti houtos hamartôlous prosdechetai kai sunesthiei autois (dat deze zondaars ontvangt en met hen eet).   hoti para hamartôlôi andri eisèlthen katalusai (dat hij bij een zondig man is binnengegaan om te logeren)
bijbelplaats  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -  277. Zacheüs : Lc 19,1-10 - Lc 19,1-10 -

67.8. Lc 5,26 : de drievoudige reactie van het volk

Marcus geeft de reactie van het volk op het wondergebeuren weer door een dubbele gevolgzin. Lucas schrijft drie nevenschikkende zinnen met de woordvolgorde : nevenschikkend voegwoord, werkwoord, nadere bepaling.

67. 8.1. Lc 5,26a : en ontzetting beving allen

In Mc 2,12 werd het passief van het werkwoord existamai : buiten zichzelf zijn, ontsteld zijn gebruikt. Lc 5,25 gebruikt het zelfstandig naamwoord ekstasis (ontzetting) , afgeleid van het werkwoord existamai. Het werkwoord lambanô (nemen) in samenhang met ekstasis (ontzetting) kan vertaald worden als : ontzetting greep allen of ontzetting beving (vangen, grijpen, vastnemen) allen. In Mc 2,12 is pantas (allen) in de accusatief onderwerp van de infinitiefzin. Verondersteld wordt dat allen ook het onderwerp is van de volgende nevenschikkende infinitiefzin. In Lc 5,26 is hapantas (allen) in de accusatief lijdend voorwerp. Het wordt wel als onderwerp van de twee volgende nevenschikkende zinnen verondersteld. De klinker ha- van hapantas (allen) leest vlotter in verbinding met het voorgaande woord dat eindigt op een n van elaben (ontzetting beving).
Het gebeuren - een lamme die opstaat - verwekt ontzetting bij allen. Deze ontzetting wordt onmiddellijk in verband met God gebracht. Want allen verheerlijken God.
Het gaat in Mc 2,1-12 om een opwekkingsverhaal - opstandingsverhaal (vv.9.11 : egeire : sta op ; ègerthè : hij werd opgewekt). De opstanding door God begint reeds in dit leven. Dan is het ook begrijpelijk dat met dit verhaal de zondenvergeving gepaard gaat, want zonde betekent dood voor God. In het verrijzenisverhaal (Mc 16,1-8) vinden we ègerthè (hij werd opgewekt). Op het einde van de pericope staat er : eichen gar autas tromos kai ekstasis : want schrik en ontzetting (extase - buiten zichzelf zijn hadden hen (hadden hen te pakken). Gelijkaardig lezen we in Lc 5,25a : en ontzetting greep allen aan. Lucas heeft het ègerthè (hij werd opgewekt) van Mc 2,12 gewijzigd tot anastas (opgestaan). In de paralleltekst van Mc 16,1-8 lezen we bij Lc 24,7 - een toevoeging van Lucas - kai tèi tritèi hèmerai anastènai : en op de derde dag zal opstaan.

67.8.2. Lc 5,26b : en (allen) verheerlijkten God

De verheerlijking van God volgt op de ontzetting die hen heeft aangegrepen. Lc 5,26b heeft de tweede nevenschikkende infinitiefzin van Mc 2,12 herwerkt tot een nevenschikkende indicatiefzin. Het werkwoord edoxazon (zij - allen - verheerlijkten) staat in de imperfectumtijd (onvoltooid verleden tijd) terwijl de werkwoordtijden in de voorgaande en de volgde zin de aorist (een verleden tijd) is. Het verband tussen in extase zijn en God verheerlijken is reeds bij Mc 2,12 gegeven.
Het gaat in Mc 2,1-12 om een opwekkingsverhaal - opstandingsverhaal (vv.9.11 : egeire : sta op ; ègerthè : hij werd opgewekt). De opstanding door God begint reeds in dit leven. Dan is het ook begrijpelijk dat met dit verhaal de zondenvergeving gepaard gaat, want zonde betekent dood voor God.

doxazô (verheerlijken) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 ; doxa (heerlijkheid) , zie Lc 2,9 .
- doxazôn (verheerlijkend) . In zeven verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 17,15 . (3) Lc 18,43 . (4) Joh
--- doxazontes (verheerlijkend).
--- doxason (verheerlijk). Actief imperatief praesens 2de persoon enkelvoud. In 9 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het O.T., in 3 verzen in het N.T., nl. bij Johannes.
- edoxazen (hij verheerlijkte) . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 13,13 . (2) Lc 23,47 . Telkens in samenhang met het lijdend voorwerp ton theon (God) : hij verheerlijkte God .
- edoxazon (zij verheerlijkten) . Verwijzing : doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26 . In zes verzen in de bijbel , enkel in het N.T. : (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 . (3) Hnd 4,21 . (4) Hnd 13,48 . (5) Hnd 21,20 . (6) Gal 1,24 . Telkens in samenhang met het lijdend voorwerp ton theon (God) : zij verheerlijkten God .

doxazô ton theon : God verheerlijken . In zes van de zeven verzen in Lc verheerlijkt de genezene God . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven (Lc 23,47) .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Lc 5,25 Lc 5,26  Lc 7,16   Lc 13,13   Lc 17,15 Lc 18,43  Lc 23,47
  kai ekstasis elaben hapantas (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)        
doxazôn ton theon (God verheerlijkend) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) kai edoxazen ton theon (en zij verheerlijkten God) doxazôn ton theon (God verheerlijkend)  doxazôn ton theon (God verheerlijkend)   edoxazen ton theon (hij verheerlijkte God)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 - 223. Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat : Lc 13,10-17 - 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Lc 18,35-43 - 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48

In 6 van de 7 gevallen verheerlijkt de genezene God. In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven.

67.1. Lc 5,17a : op een dag in de week . Zie ook - Lc 5,1-11 - Lc 9,51-56 -


68. Roeping van Levi / Matteüs : Lc 5,27-28
- Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,27 - Lc 5,28 -

Lc 5,27 - Lc 5,27 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,27 - Lc 5,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:27 kai meta tauta exèlthen kai etheasato telônèn onomati leuin kathèmenon epi to telônion kai eipen autô akolouthei moi  27 et post haec exiit et vidit publicanum nomine Levi sedentem ad teloneum et ait illi sequere me       [27] Daarna* ging Hij naar buiten en zag bij het tolkantoor een tollenaar zitten, Levi genaamd, en zei tegen hem: ‘Volg Mij.’  [27] Daarna ging hij naar buiten en zag hij bij het tolhuis een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg mij!’   27 ¶ Na dat alles gaat hij de stad uit; hij krijgt een tollenaar in het oog met de naam Levi,– gezeten voor het tolhuis; hij zegt tot hem: volg mij!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,27 . Het vers Lc 5,27 telt 18 (2 X 3²) woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Lc 5,27 is 8857 (17 X 521) .

Lc 5,27.4. indicatief aorist derde persoon enkelvoud exèlthen (ging uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41) , in Lc (2) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,27 .

Lc 5,27.11. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 5 (9 + 0 + 1 = 10) . epi (9) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,27 . (9) Lc 5,36 . ef' (1) Lc 5,25 .

12. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

15. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,27.16. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

Lc 5,28 - Lc 5,28 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,27 - Lc 5,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:28 kai katalipôn panta anastas èkolouthei autô  28 et relictis omnibus surgens secutus est eum       [28] Hij stond op, liet alles achter en volgde Hem.   [28] Levi stond op, liet alles achter en volgde hem.  28 Hij laat alles achter, staat op en wordt volgeling van hem.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,28 . Het vers Lc 5,28 telt 6 (2 X 3) woorden en 41 letters . De getalwaarde van Lc 5,28 is 4890 (2 X 3 X 5 X 163) .

Lc 5,28.5. ind. imperf. 3de pers. enk. èkolouthei van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (4) : (1) Lc 5,28 . (2) Lc 18,43 . (3) Lc 22,54 . (4) Lc 23,27 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .

Lc 5,28.6. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,32 -

Lc 5,29 - Lc 5,29 : 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:29 kai epoièsen dochèn megalèn leuis autô en tè oikia autou kai èn ochlos polus telônôn kai allôn oi èsan met autôn katakeimenoi  29 et fecit ei convivium magnum Levi in domo sua et erat turba multa publicanorum et aliorum qui cum illis erant discumbentes       [29] Levi richtte een groot feest voor Hem aan in zijn huis. Er was een talrijk gezelschap van tollenaars en andere mensen met hen aan tafel.  [29] Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor hem aan, waarop een groot aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanwezig waren.  29 De ontvangst die Levi voor hem in zijn huis houdt is groots: het is een talrijke schare van tollenaars en anderen die met hem aanliggen.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,29 . Het vers Lc 5,29 telt 23 woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 5,29 is 12752 (2² X 2² X 797) .

Lc 5,29.2. act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen (hij deed) . van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) .
Lc (14) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 1,51 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 6,3 . (7) Lc 6,10 . (8) Lc 8,8 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 11,40 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,9 . (13) Lc 19,18 . (14) Lc 23,22 . Een vorm van poieô (doen, maken) in Lc 5 in 4 verzen : (1) Lc 5,6 . (2) Lc 5,29 . (3) Lc 5,33 . (4) Lc 5,34 .

Lc 5,29.4. acc. vr. enk. megalèn van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het N.T. : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) .
Lc (2) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 5,29 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen .

Lc 5,29.6. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,11 . (4) Lc 5,14 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,28 . (7) Lc 5,29 .

Lc 5,29.7. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,29.12. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,29 .

Lc 5,29.13. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (9) : (1) Lc 5,29 . (2) Lc 6,17 . (3) Lc 6,19 . (4) Lc 7,11 . (5) Lc 7,12 . (6) Lc 8,40 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 13,17 . (9) Lc 22,47 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 5 in 5 verzen : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,29 .

Lc 5,29.18. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,29.21. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,31 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,30 - Lc 5,30 : 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:30 kai egogguzon oi farisaioi kai oi grammateis autôn pros tous mathètas autou legontes dia ti meta tôn telônôn kai amartôlôn esthiete kai pinete  30 et murmurabant Pharisaei et scribae eorum dicentes ad discipulos eius quare cum publicanis et peccatoribus manducatis et bibitis      [30] De farizeeën, en vooral de schriftgeleerden onder hen, klaagden daarover tegen zijn leerlingen. ‘Waarom’, zeiden ze, ‘eten en drinken jullie met tollenaars en zondaars?’  [30] De Farizeeën en hun schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’  30 Toen zijn de farizeeërs en de schriftgeleerden onder hen gaan morren; zij zeggen tot zijn leerlingen: waarom eet en drinkt ge met die tollenaars en zondaars?   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,30 . Het vers Lc 5,30 telt 21 (3 X 7) woorden en 115 (5 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 5,30 is 13673 (11² X 113) .

Lc 5,30.3. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,30.6. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,30.8. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,30.9. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

14. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 5 (2 + 1 = 3) . dia (2) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 5,30 . di' (1) Lc 5,5 .

Lc 5,30.17. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

Lc 5,31 - Lc 5,31 : 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:31 kai apokritheis | [o] | o | ièsous eipen pros autous ou chreian echousin oi ugiainontes iatrou alla oi kakôs echontes  31 et respondens Iesus dixit ad illos non egent qui sani sunt medico sed qui male habent      [31] Maar Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel.  [31] Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel;  31 Ten antwoord zegt Jezus tot hen: niet die gezond zijn hebben een geneesheer nodig,– maar die er slecht aan toe zijn!–   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,31 . Het vers Lc 5,31 telt 17 woordene n 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 5,31 is 10458 (2 X 3² X 7 X 83) .

Lc 5,31.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 5 (3) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 .

Lc 5,31.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 5 (4) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 . (4) Lc 5,34 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 5 (7) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,31 . (7) Lc 5,34 .

5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

6. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

11. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,32 - Lc 5,32 : 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,29 - Lc 5,30 - Lc 5,31 - Lc 5,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:32 ouk elèlutha kalesai dikaious alla amartôlous eis metanoian   32 non veni vocare iustos sed peccatores in paenitentiam      [32] Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering op te roepen, maar zondaars.’  [32] ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.’  32 ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen tot omkeer maar zondaars!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,32 .

7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Vanaf Mc 1,21 tot Mc 1,39 volgt Lucas de volgorde van het marcusevangelie : van Lc 4,31 tot Lc 4,44. Dan volgt de inlassing Lc 5,1-11 : de wonderbare visvangst en roeping van Petrus en zijn metgezellen. Dan vervolgt Lucas de volgorde van het marcusevangelie : van Mc 1,44 tot Mc 3,6 d.i. van Lc 5,12-Lc 6,11. De twee volgende pericopen van Marcus (Mc 3,7-12 en Mc 3,13-19) komen omgekeerd bij Lucas voor : Mc 3,7-12 // Lc 6,17-19 en Mc 3,13-19 // Lc 6,12-16. Hierop volgt de vlakterede : Lc 6,20-49. In deze vlakterede komen heel wat teksten overeen met de bergrede van Matteüs (Mt 5-7). Dan volgt de kleine Lucaanse inlassing : Lc 7,1-8,3. Met de gelijkenisrede volgt Lucas opnieuw het marcusevangelie Mc 4,1-9,50 // Lc 8,4-9,50 met weglating van Mc 6,45-8,26. De grote Lucaanse inlassing begint met Lc 9,51-Lc 18,14. Vanaf Mc 10,13 // Lc 18,15 volgt Lucas opnieuw het marcusevangelie.

Lc 5,29 : aanleiding tot het gesprek : het eten met tollenaars en zondaars

Lc 5,30 : de reactie van de Farizeeën en de schriftgeleerden

1. Marcus vermeldt enkel een beperkte groep van Farizeeën nl. de schriftgeleerden van de Farizeeën. Lucas voegt de hele groep eraan toe en zet de Farizeeën vooraan.
2. De woordvolgorde : voegwoord (kai : en) , vervoegd werkwoord, lijdend voorwerp, deelwoord van het werkwoord zeggen (legô) en citaat in rechtstreekse of onrechtstreekse rede, komt in gelijkaardige verhalen voor.
3. Er volgt een vraag in de rechtstreekse rede: waarom?
4. De vraag is naar de hele groep (Jezus en zijn leerlingen) gericht: waarom eten en drinken jullie met de tollenaars en zondaars?

   Lc 5,21 Lc 5,30  Lc 15,2  Lc 19,7
voegwoord  kai (en) kai (en)  kai (en)  kai (en)
vervoegd werkwoord èrxanto dialogizesthai (en begonnen te discussiëren) 

egogguzon (morden)

diegogguzon (bromden)   idontes pantes diegogguzon (allen ziende bromden)
onderwerp hoi grammateis kai hoi Farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeeën hoi Farizaioi kai grammateis autôn (de Farizeeën en hun schriftgeleerden) hoi te Farizaioi kai hoi grammateis  (zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden)  
    pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen)    
inleiding om te citeren  legontes (zeggende) legontes (zeggende)  legontes (zeggende) legontes (zeggende) 
rechtstreekse of onrechtstreekse rede  tís estin houtos (wie is deze) hos lalaei blasfèmias; tís dunatai hamartias afienai ei mè monos ho theos; (die godslasteringen spreekt? wie kan zonden vergeven tenzij God alleen?)  dia tí meta tôn telônôn kai hamartôlôn esthiete kai pinete; (waarom eet en drinkt je met tollenaars en zondaars?) hoti houtos hamartôlous prosdechetai kai sunesthiei autois (dat deze zondaars ontvangt en met hen eet).   hoti para hamartôlôi andri eisèlthen katalusai (dat hij bij een zondig man is binnengegaan om te logeren)
bijbelplaats  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 -

 277. Zacheüs : Lc 19,1-10 -

Lc 5,31a : inleidingsformule op de reactie van Jezus

het antwoord van Jezus tot de Farizeeën tijdens de twistgesprekken Mc 2,1-3,6 : Lc 5,31
1. Op een vraag volgt een antwoord : apokritheis (antwoordende).
2. Het vervoegd werkwoord zeggen staat steeds in de verleden tijd (indicatief aorist eipen : hij zei).
3. Steeds is de naam Jezus vermeld. Daardoor komt de vraag of de opmerking of het gadeslaan van de Farizeeën en de beantwoording door Jezus beter tot zijn recht.
4. Marcus gebruikt geen voorzetsel om degenen aan te duiden tot wie Jezus zich richt. Lucas gebruikt telkens het voorzetsel pros : tot, tegen.

1.     2.     3.     4.      5.  
Mc 2,8 // Lc 5;22 Lc 5,22 // Mc 2,8   Mc 2,17 // Lc 5,31 Lc 5,31 // Mc 2,17   Mc 2,19 // Lc 5,34 Lc 5,34 // Mc 2,19   Mc 2,25 // Lc 6,3 Lc 6,3 // Mc 2,25   Mc 3,4 // Lc 6,9 Lc 6,9 // Mc 3,4
kai euthus (en omiddellijk)     kai (en) kai (en)   kai (en)     kai (en) kai (en)   kai (en)  
epignous (wetend) epignous (wetend)   akousas (horend) apokritheis (ant<oordend)           apokritheis (ant<oordend)      eipen de (hij zei echter)
  de (echter)                        
ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)      ho de Ièsous (Jezus echter)            ho Ièsous (Jezus)
  apokritheis (antwoordend)                        
                           
legei (zegt) eipen (zei hij)   legei (hij zegt) eipen (zei hij)   eipen (zei) eipen (zei hij)   legei (hij zegt) pros autous eipen (zei hij tot hen)   legei (hij zegt)  
                           
autois (aan hen) pros autous (tot hen)   autois (aan hen) pros autous (tot hen)   autois (aanhen) pros autous (tot hen)   autois (aan hen)     autois (aan hen) pros autous (tot hen)
            hi Ièsous (Jezus)       ho Ièsous (Jezus)      
 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -    69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -    70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 // Mt 9,14-17 // Lc 5,33-39 - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -  70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 // Mt 9,14-17 // Lc 5,33-39 - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -    94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 // Mt 12,1-8 // Lc 6,1-5 - Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 -  94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 // Mt 12,1-8 // Lc 6,1-5 - Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 -    95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14

 

Lc 15,3  Lc 19,9
eipen de (hij zei echter)   eipen de (hij zei echter)
pros autous (tot hen)  pros auton (tot hem)
tèn parabolèn tautèn legôn (deze parabel zeggende)  ho Ièsous (Jezus)
238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7  277. Zacheüs : Lc 19,1-10 - Lc 19,1-10 -

Lc 5,31b-32 : het antwoord van Jezus

Lc 5,31b Lc 5,31c Lc 5,32a Lc 5,32b Lc 15,7c Lc 15,7d Lc 15,7e Lc 15,10c Lc 15,32c Lc 19,10
ou chreian echousin (hebben geen nood) alla (maar) ouk elèlutha kalesai (ik ben niet gekomen om te roepen alla (maar   è (dan) hoitines ou chreian echousin (die geen nood hebben aan)     èlthen gar ho huios tou anthrôpou (want de mensenzoon is gekomen)
hoi hugiainontes (de gezonden) hoi kakôs echontes (die slecht eraan toe zijn dikaious (rechtvaardigen) hamartôlous (zondaars) epi heni hamartôlôi (over de ene zondaar) epi enenèkonta ennea dikaiois (over de 99 rechtvaardigen)   epi heni hamartôlôi (over de ene zondaar) kai apolôlôs kai heurethè (en verloren en hij werd gevonden) zètèsai kai sôsai to apolôlos (te zoeken en te redden het verlorene)
iatrous (aan een dokter)           metanoias (bekering)      
      eis metanoian (tot bekering) metanoounti (die zich bekeert)     metanoounti (die zich bekeert)    
 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars :Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : - Lc 15,1-7 -  239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10 -  239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10 - 240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32  277. Zacheüs : Lc 19,1-10 -
²                  

70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Lc 5,33-39 - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -

Lc 5,33 - Lc 5,33 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:33 oi de eipan pros auton oi mathètai iôannou nèsteuousin pukna kai deèseis poiountai omoiôs kai oi tôn farisaiôn oi de soi esthiousin kai pinousin  33 at illi dixerunt ad eum quare discipuli Iohannis ieiunant frequenter et obsecrationes faciunt similiter et Pharisaeorum tui autem edunt et bibunt   en doen smeekbeden, insgelijks ook die van de Farizeeën, de uwe echter eten en drinken !     [33] Nu zeiden ze tegen Hem: ‘De leerlingen van Johannes vasten* geregeld en doen hun gebeden, en de leerlingen van de farizeeën eveneens. Maar die van U eten en drinken maar!’ 
[33] Ze zeiden tegen hem: ‘De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de Farizeeën doen, maar die van u eten en drinken maar.’ 
33 Zij zeggen tot hem: de leerlingen van Johannes vasten dikwijls en doen gebeden evenzo ook die van de farizeeërs; maar die van u eten en drinken maar!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,33 . Het vers Lc 5,33 telt 25 (5²) woorden en 123 (3 X 41) letters . De getalwaarde van Lc 5,33 is 13725 (3² X 5² X 61) .

Lc 5,33.1. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

Lc 5,33.5. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 5 (7) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,18 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,33 .

Lc 5,33.6. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,33.16. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

17. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,9 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,33 .

Lc 5,33.19. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,34 - Lc 5,34 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:34 o de ièsous eipen pros autous mè dunasthe tous uious tou numfônos en ô o numfios met autôn estin poièsai nèsteusai  34 quibus ipse ait numquid potestis filios sponsi dum cum illis est sponsus facere ieiunare   Jezus echter zei tegen hen: Kun je de bruiloftsgasten laten vasten
terwijl de bruidegom met hen is? 
  [34] Jezus zei: ‘U kunt de bruiloftsgasten toch niet laten vasten terwijl de bruidegom bij hen is?  [34] Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de bruidegom bij hen is?  34 Jezus zegt tot hen: u kunt toch niet de ‘zonen van de bruiloftszaal’ zolang de bruidegom bij hen is, laten vasten?–   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,34 . Het vers Lc 5,34 telt 20 (2² X 5) woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Lc 5,34 is 13670 (2 X 5 X 1367) .

Lc 5,34.1. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,34.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 5 (4) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,22 . (3) Lc 5,31 . (4) Lc 5,34 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 5 (7) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,19 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,31 . (7) Lc 5,34 .

Lc 5,34.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,27 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 5 in 9 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,26 . (7) Lc 5,30 . (8) Lc 5,36 . (9) Lc 5,39 , van eipon (ik zei) in Lc 5 in 13 verzen : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,20 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,23 . (9) Lc 5,24 . (10) Lc 5,27 . (11) Lc 5,31 . (12) Lc 5,33 . (13) Lc 5,34 .

Lc 5,34.5. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

Lc 5,34.7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 5,36 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,34.11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,34.13. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,34.14. dat. mann. + onz. enk. hô(i) van het betrekk. voornaamw. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (14) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,25 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 6,38 . (6) Lc 7,4 . (7) Lc 7,43 . (8) Lc 7,47 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,41 . (11) Lc 10,22 . (12) Lc 12,48 . (13) Lc 19,13 . (14) Lc 24,25 .

Lc 5,34.15. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,34.18. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,35 - Lc 5,35 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:35 eleusontai de èmerai kai otan aparthè ap autôn o numfios tote nèsteusousin en ekeinais tais èmerais 35 venient autem dies et cum ablatus fuerit ab illis sponsus tunc ieiunabunt in illis diebus  35 Er zullen echter dagen komen, en wanneer de bruidegom van hen weggenomen zal zijn, dan zullen ze vasten, op die dagen.    [35] Maar er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan, in die dagen, zullen ze vasten.’  [35] Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’  35 maar er kómen dagen: wanneer de bruidegom van hen is weggenomen, dán zullen ze vasten, in díe dagen!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,35 . Het vers Lc 5,35 telt 16 (2² X 2²) woorden en 84 (2² X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 5,35 is 8676 (2² X 3² X 241) .

Lc 5,35.7. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,35.8. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 5,29 . (8) Lc 5,30 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

Lc 5,35.9. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

11. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Lc : tote (dan) . Lc (15) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 6,42 . (3) Lc 11,24 . (4) Lc 11,26 . (5) Lc 13,26. (6) Lc 14,9 . (7) Lc 14,10 . (8) Lc 14,21 . (9) Lc 16,16 . (10) Lc 21,10 . (11) Lc 21,20. (12) Lc 21,21 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 23,30 . (15) Lc 24,45 .

Lc 5,35.13. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,12 . (5) Lc 5,16 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 5,22 . (8) Lc 5,29 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 .

14. aanwijzend voornaamw. datief vrouwelijk meervoud ekeinais (die) . Taalgebruik in het N.T. : ekeinos (die) . Taalgebruik in Lc : ekeinos (die) .
Lc (5) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 5,35 . (4) Lc 9,36 . (5) Lc 21,23 .

15. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 5 ()

16. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 5 ()

13. - 16. en tais hèmerais ekeinais (in die dagen) . Lc (2) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,2 . En ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . In Lc (3) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 9,36 . (3) Lc 21,23 . In die dagen wordt in het Hebreeuws in twee woorden (bajjâmîm hâhem) weergegeven : eerste woord : prefix be- + lidwoord ha + zelfstandig naamwoord meervoud jamim ; tweede woord : bepaald lidwoord + aanwijzend voornaamwoord derde persoon mannelijk en onzijdig meervoud als suffix . Deze constructie komt in eenendertig verzen in de bijbel voor . In het Nederlands staat het aanwijzend voornaamwoord vóór het zelfstandig naamwoord en is er geen lidwoord .

Lc 5,36 - Lc 5,36 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:36 elegen de kai parabolèn pros autous oti oudeis epiblèma apo imatiou kainou schisas epiballei epi imation palaion ei de mè ge kai to kainon schisei kai tô palaiô ou sumfônèsei to epiblèma to apo tou kainou  36 dicebat autem et similitudinem ad illos quia nemo commissuram a vestimento novo inmittit in vestimentum vetus alioquin et novum rumpit et veteri non convenit commissura a novo 
36 Hij zei nu ook een gelijkenis tegen hen: Niemand zet een lap uit een nieuwe mantel gescheurd op een oude mantel; zoniet toch, scheurt én het nieuwe én komt de lap uit het nieuwe niet met het oude overeen.  
  [36] Ook zei Hij tegen hen, in beeldspraak: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe jas om een oude op te lappen. Anders scheur je niet alleen de nieuwe jas, maar zal bovendien blijken dat de lap van de nieuwe niet bij de oude jas past.  [36] Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past.  36 Hij heeft ook met een gelijkeniswoord tot hen gezegd: niemand scheurt een opzetstuk uit een nieuwe mantel om dat op een oude mantel te zetten: anders immers zal ook de oude scheuren,– het opzetstuk van de nieuwe zal bij de oude niet passen!–    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,36 . Het vers Lc 5,36 telt 32 (2³ X 2²) woorden en 155 (5 X 31) letters . De getalwaarde van Lc 5,36 is 13949 (13 X 29 X 37) .

Lc 5,36.5. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 5 (8) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 5,31 . (6) Lc 5,33 . (7) Lc 5,34 . (8) Lc 5,36 .

8. nom. mann. enk.oudeis (niemand) . Taalgebruik in het N.T. : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Lc (18) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,36 . (5) Lc 5,37 . (6) Lc 5,39 . (7) Lc 7,28 . (8) Lc 8,16 . (9) Lc 9,62 . (10) Lc 10,22 . (11) Lc 11,33 . (12) Lc 14,24 . (13) Lc 15,16 . (14) Lc 16,13 . (15) Lc 18,19 . (16) Lc 18,29 . (17) Lc 19,30 . (18) Lc 23,53 .

Lc 5,36.10. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

20. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 5,36 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,36.23. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

Lc 5,36.33. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,27 . (6) Lc 5,36 .

Lc 5,36.34. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc (4 + 4 = 8) . apo (4) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,36 . ap' (4) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,35 .

Lc 5,36.35. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,19 . (7) Lc 5,24 . (8) Lc 5,34 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,37 - Lc 5,37 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:37 kai oudeis ballei oinon neon eis askous palaious ei de mè ge rèxei o oinos o neos tous askous kai autos ekchuthèsetai kai oi askoi apolountai   37 et nemo mittit vinum novum in utres veteres alioquin rumpet vinum novum utres et ipsum effundetur et utres peribunt  37 En niemand giet nieuwe wijn in oude zakken zoniet toch, zal de nieuwe wijn de zakken doen barsten en hij zal uitgegoteti wordeti en de zakken zullen verloren gaan     [37] Ook doet niemand jonge wijn in oude zakken. Anders doet de jonge wijn de zakken barsten, loopt de wijn weg en zijn de zakken kapot.   [37] En niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan.  37 en niemand zet nieuwe wijn weg in oude zakken: anders laat de nieuwe wijn de zakken barsten,– hijzelf zou worden vergoten en ook de zakken gaan verloren!–   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,37 . Het vers Lc 5,37 telt 24 (2³ X 3) woorden en 113 letters . De getalwaarde van Lc 5,37 is 10024 (2³ X 7 X 179) .

2. nom. mann. enk.oudeis (niemand) . Taalgebruik in het N.T. : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Lc (18) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,36 . (5) Lc 5,37 . (6) Lc 5,39 . (7) Lc 7,28 . (8) Lc 8,16 . (9) Lc 9,62 . (10) Lc 10,22 . (11) Lc 11,33 . (12) Lc 14,24 . (13) Lc 15,16 . (14) Lc 16,13 . (15) Lc 18,19 . (16) Lc 18,29 . (17) Lc 19,30 . (18) Lc 23,53 .

Lc 5,37.6. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,37.11. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 5 (6) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 5,36 . (6) Lc 5,37 .

Lc 5,37.14. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,37.16. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .

Lc 5,37.21. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 5 (5) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,37 .

Lc 5,37.24. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,2 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 5,30 . (7) Lc 5,31 . (8) Lc 5,33 . (9) Lc 5,37 .

Lc 5,37.27. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 5 (9) : (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 5,12 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 5,19 . (8) Lc 5,24 . (9) Lc 5,36 .

Lc 5,38 - Lc 5,38 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:38 alla oinon neon eis askous kainous blèteon 38 sed vinum novum in utres novos mittendum est et utraque conservantur  38 maar nieuwe wijn moet je gieten in nieuwe zakken.    [38] Nee, jonge wijn doe je in nieuwe zakken.  [38] Jonge wijn moet in nieuwe zakken worden gedaan.  38 nee, nieuwe wijn wordt in nieuwe zakken weggezet!–    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,38 .

4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 5 (10) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,4 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,32 . (9) Lc 5,37 . (10) Lc 5,38 .

Lc 5,39 - Lc 5,39 : 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 5 -- Lc 5,33 - Lc 5,34 - Lc 5,35 - Lc 5,36 - Lc 5,37 - Lc 5,38 - Lc 5,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5:39 | [oudeis | [kai*] oudeis | piôn palaion thelei neon legei gar o palaios chrèstos | estin] | estin |   et nemo bibens vetus statim vult novum dicit enim vetus melius est   39 (En) niemand die oude gedronken heeft wil nieuwe; hij zegt immers: De oude is goed!    [39] En niemand die oude wijn gedronken heeft vraagt om jonge. Hij zegt natuurlijk: “De oude is lekker.” ’   [39] Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge; hij zegt immers: “De oude wijn is goed!”’  39 en niemand die oude drinkt zal nieuwe willen; want, zal hij zeggen: de oude is zachter!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 5,39 . Het vers Lc 5,39 telt 13 woorden en 67 letters . De getalwaarde van Lc 5,39 is 6692 (2² X 7 X 239) .

Lc 5,39.2. nom. mann. enk.oudeis (niemand) . Taalgebruik in het N.T. : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Lc (18) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,36 . (5) Lc 5,37 . (6) Lc 5,39 . (7) Lc 7,28 . (8) Lc 8,16 . (9) Lc 9,62 . (10) Lc 10,22 . (11) Lc 11,33 . (12) Lc 14,24 . (13) Lc 15,16 . (14) Lc 16,13 . (15) Lc 18,19 . (16) Lc 18,29 . (17) Lc 19,30 . (18) Lc 23,53 .

Lc 5,39.9. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 5 (12) : (1) Lc 5,3 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,22 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 5,31 . (9) Lc 5,34 . (10) Lc 5,35 . (11) Lc 5,37 . (12) Lc 5,39 .


STATENVERTALING

1 En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth. 2 En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten. 3 En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip. 4 En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen. 5 En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen. schilderij van Rafaël: De wonderbaarlijke visvangst 6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken. 8 En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens. 9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden; 10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen. 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem. 12 En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. 13 En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem. 14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 15 Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden. 16 Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar. 17 En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeën en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen. 18 En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. 19 En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken, in het midden, voor Jezus. 20 En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven. 21 En de Schriftgeleerden en de Farizeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die gods lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen? 22 Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten? 23 Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 24 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis. 25 En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende. 26 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien. 27 En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. 28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem. 29 En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten. 30 En hun Schriftgeleerden en de Farizeën murmureerden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren? 31 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. 32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering. 33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeën, maar de Uwe eten en drinken? 34 Doch Hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten? 35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen. 36 En Hij zeide ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen. 37 En niemand doet nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de leder zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de leder zakken zullen verderven. 38 Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe leder zakken doen, en zij worden beide te zamen behouden. 39 En niemand, die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter.  


KING JAMES BIBLE

[1] And it came to pass, that, as the people pressed upon him to hear the word of God, he stood by the lake of Gennesaret, [2] And saw two ships standing by the lake: but the fishermen were gone out of them, and were washing their nets. [3] And he entered into one of the ships, which was Simon's, and prayed him that he would thrust out a little from the land. And he sat down, and taught the people out of the ship. [4] Now when he had left speaking, he said unto Simon, Launch out into the deep, and let down your nets for a draught. [5] And Simon answering said unto him, Master, we have toiled all the night, and have taken nothing: nevertheless at thy word I will let down the net. [6] And when they had this done, they inclosed a great multitude of fishes: and their net brake. [7] And they beckoned unto their partners, which were in the other ship, that they should come and help them. And they came, and filled both the ships, so that they began to sink. [8] When Simon Peter saw it, he fell down at Jesus' knees, saying, Depart from me; for I am a sinful man, O Lord. [9] For he was astonished, and all that were with him, at the draught of the fishes which they had taken: [10] And so was also James, and John, the sons of Zebedee, which were partners with Simon. And Jesus said unto Simon, Fear not; from henceforth thou shalt catch men. [11] And when they had brought their ships to land, they forsook all, and followed him. [12] And it came to pass, when he was in a certain city, behold a man full of leprosy: who seeing Jesus fell on his face, and besought him, saying, Lord, if thou wilt, thou canst make me clean. [13] And he put forth his hand, and touched him, saying, I will: be thou clean. And immediately the leprosy departed from him. [14] And he charged him to tell no man: but go, and shew thyself to the priest, and offer for thy cleansing, according as Moses commanded, for a testimony unto them. [15] But so much the more went there a fame abroad of him: and great multitudes came together to hear, and to be healed by him of their infirmities. [16] And he withdrew himself into the wilderness, and prayed. [17] And it came to pass on a certain day, as he was teaching, that there were Pharisees and doctors of the law sitting by, which were come out of every town of Galilee, and Judaea, and Jerusalem: and the power of the Lord was present to heal them. [18] And, behold, men brought in a bed a man which was taken with a palsy: and they sought means to bring him in, and to lay him before him. [19] And when they could not find by what way they might bring him in because of the multitude, they went upon the housetop, and let him down through the tiling with his couch into the midst before Jesus. [20] And when he saw their faith, he said unto him, Man, thy sins are forgiven thee. [21] And the scribes and the Pharisees began to reason, saying, Who is this which speaketh blasphemies? Who can forgive sins, but God alone? [22] But when Jesus perceived their thoughts, he answering said unto them, What reason ye in your hearts? [23] Whether is easier, to say, Thy sins be forgiven thee; or to say, Rise up and walk? [24] But that ye may know that the Son of man hath power upon earth to forgive sins, (he said unto the sick of the palsy,) I say unto thee, Arise, and take up thy couch, and go into thine house. [25] And immediately he rose up before them, and took up that whereon he lay, and departed to his own house, glorifying God. [26] And they were all amazed, and they glorified God, and were filled with fear, saying, We have seen strange things to day. [27] And after these things he went forth, and saw a publican, named Levi, sitting at the receipt of custom: and he said unto him, Follow me. [28] And he left all, rose up, and followed him. [29] And Levi made him a great feast in his own house: and there was a great company of publicans and of others that sat down with them. [30] But their scribes and Pharisees murmured against his disciples, saying, Why do ye eat and drink with publicans and sinners? [31] And Jesus answering said unto them, They that are whole need not a physician; but they that are sick. [32] I came not to call the righteous, but sinners to repentance. [33] And they said unto him, Why do the disciples of John fast often, and make prayers, and likewise the disciples of the Pharisees; but thine eat and drink? [34] And he said unto them, Can ye make the children of the bridechamber fast, while the bridegroom is with them? [35] But the days will come, when the bridegroom shall be taken away from them, and then shall they fast in those days. [36] And he spake also a parable unto them; No man putteth a piece of a new garment upon an old; if otherwise, then both the new maketh a rent, and the piece that was taken out of the new agreeth not with the old. [37] And no man putteth new wine into old bottles; else the new wine will burst the bottles, and be spilled, and the bottles shall perish. [38] But new wine must be put into new bottles; and both are preserved. [39] No man also having drunk old wine straightway desireth new: for he saith, The old is better. 


LUTHER BIBEL

5 1 Es begab sich aber, als sich die Menge zu ihm drängte, um das Wort Gottes zu hören, da stand er am See Genezareth 2 und sah zwei Boote am Ufer liegen; die Fischer aber waren ausgestiegen und wuschen ihre Netze. 3 Da stieg er in eines der Boote, das Simon gehörte, und bat ihn, ein wenig vom Land wegzufahren. Und er setzte sich und lehrte die Menge vom Boot aus. 4 Und als er aufgehört hatte zu reden, sprach er zu Simon: Fahre hinaus, wo es tief ist, und werft eure Netze zum Fang aus! 5 Und Simon antwortete und sprach: Meister, wir haben die ganze Nacht gearbeitet und nichts gefangen; aber auf dein Wort will ich die Netze auswerfen. 6 Und als sie das taten, fingen sie eine große Menge Fische und ihre Netze begannen zu reißen. 7 Und sie winkten ihren Gefährten, die im andern Boot waren, sie sollten kommen und mit ihnen ziehen. Und sie kamen und füllten beide Boote voll, sodass sie fast sanken. 8 Als das Simon Petrus sah, fiel er Jesus zu Füßen und sprach: Herr, geh weg von mir! Ich bin ein sündiger Mensch. 9 Denn ein Schrecken hatte ihn erfasst und alle, die bei ihm waren, über diesen Fang, den sie miteinander getan hatten, 10 ebenso auch Jakobus und Johannes, die Söhne des Zebedäus, Simons Gefährten. Und Jesus sprach zu Simon: Fürchte dich nicht! Von nun an wirst du Menschen fangen. 11 Und sie brachten die Boote ans Land und verließen alles und folgten ihm nach. 12 Und es begab sich, als er in einer Stadt war, siehe, da war ein Mann voller Aussatz. Als der Jesus sah, fiel er nieder auf sein Angesicht und bat ihn und sprach: Herr, willst du, so kannst du mich reinigen. 13 Und er streckte die Hand aus und rührte ihn an und sprach: Ich will's tun, sei rein! Und sogleich wich der Aussatz von ihm. 14 Und er gebot ihm, dass er's niemandem sagen sollte. Geh aber hin und zeige dich dem Priester und opfere für deine Reinigung, wie Mose geboten hat, ihnen zum Zeugnis. 15 Aber die Kunde von ihm breitete sich immer weiter aus, und es kam eine große Menge zusammen, zu hören und gesund zu werden von ihren Krankheiten. 16 Er aber zog sich zurück in die Wüste und betete. Die Heilung eines Gelähmten (»Der Gichtbrüchige«) 17 Und es begab sich eines Tages, als er lehrte, dass auch Pharisäer und Schriftgelehrte dasaßen, die gekommen waren aus allen Orten in Galiläa und Judäa und aus Jerusalem. Und die Kraft des Herrn war mit ihm, dass er heilen konnte. 18 Und siehe, einige Männer brachten einen Menschen auf einem Bett; der war gelähmt. Und sie versuchten, ihn hineinzubringen und vor ihn zu legen. 19 Und weil sie wegen der Menge keinen Zugang fanden, ihn hineinzubringen, stiegen sie auf das Dach und ließen ihn durch die Ziegel hinunter mit dem Bett mitten unter sie vor Jesus. 20 Und als er ihren Glauben sah, sprach er: Mensch, deine Sünden sind dir vergeben. 21 Und die Schriftgelehrten und Pharisäer fingen an zu überlegen und sprachen: Wer ist der, dass er Gotteslästerungen redet? Wer kann Sünden vergeben als allein Gott? 22 Als aber Jesus ihre Gedanken merkte, antwortete er und sprach zu ihnen: Was denkt ihr in euren Herzen? 23 Was ist leichter, zu sagen: Dir sind deine Sünden vergeben, oder zu sagen: Steh auf und geh umher? 24 Damit ihr aber wisst, dass der Menschensohn Vollmacht hat, auf Erden Sünden zu vergeben – sprach er zu dem Gelähmten: Ich sage dir, steh auf, nimm dein Bett und geh heim! 25 Und sogleich stand er auf vor ihren Augen und nahm das Bett, auf dem er gelegen hatte, und ging heim und pries Gott. 26 Und sie entsetzten sich alle und priesen Gott und wurden von Furcht erfüllt und sprachen: Wir haben heute seltsame Dinge gesehen. Die Berufung des Levi und das Mahl mit den Zöllnern 27 Und danach ging er hinaus und sah einen Zöllner mit Namen Levi am Zoll sitzen und sprach zu ihm: Folge mir nach! 28 Und er verließ alles, stand auf und folgte ihm nach. 29 Und Levi richtete ihm ein großes Mahl zu in seinem Haus, und viele Zöllner und andre saßen mit ihm zu Tisch. 30 Und die Pharisäer und ihre Schriftgelehrten murrten und sprachen zu seinen Jüngern: Warum esst und trinkt ihr mit den Zöllnern und Sündern? 31 Und Jesus antwortete und sprach zu ihnen: Die Gesunden bedürfen des Arztes nicht, sondern die Kranken. 32 Ich bin gekommen, die Sünder zur Buße zu rufen und nicht die Gerechten. 33 Sie aber sprachen zu ihm: Die Jünger des Johannes fasten oft und beten viel, ebenso die Jünger der Pharisäer; aber deine Jünger essen und trinken. 34 Jesus sprach aber zu ihnen: Ihr könnt die Hochzeitsgäste nicht fasten lassen, solange der Bräutigam bei ihnen ist. 35 Es wird aber die Zeit kommen, dass der Bräutigam von ihnen genommen wird; dann werden sie fasten, in jenen Tagen. 36 Und er sagte zu ihnen ein Gleichnis: Niemand reißt einen Lappen von einem neuen Kleid und flickt ihn auf ein altes Kleid; sonst zerreißt man das neue und der Lappen vom neuen passt nicht auf das alte. 37 Und niemand füllt neuen Wein in alte Schläuche; sonst zerreißt der neue Wein die Schläuche und wird verschüttet und die Schläuche verderben. 38 Sondern neuen Wein soll man in neue Schläuche füllen. 39 Und niemand, der vom alten Wein trinkt, will neuen; denn er spricht: Der alte ist milder. 


BIBLE DE JERUSALEM

1. Or il advint, comme la foule le serrait de près et écoutait la parole de Dieu, tandis que lui se tenait sur le bord du lac de Gennésaret, 2. qu'il vit deux petites barques arrêtées sur le bord du lac ; les pêcheurs en étaient descendus et lavaient leurs filets. 3. Il monta dans l'une des barques, qui était à Simon, et pria celui-ci de s'éloigner un peu de la terre ; puis, s'étant assis, de la barque il enseignait les foules. 4. Quand il eut cessé de parler, il dit à Simon : « Avance en eau profonde, et lâchez vos filets pour la pêche. » 5. Simon répondit : « Maître, nous avons peiné toute une nuit sans rien prendre, mais sur ta parole je vais lâcher les filets. » 6. Et l'ayant fait, ils capturèrent une grande multitude de poissons, et leurs filets se rompaient. 7. Ils firent signe alors à leurs associés qui étaient dans l'autre barque de venir à leur aide. Ils vinrent, et l'on remplit les deux barques, au point qu'elles enfonçaient. 8. A cette vue, Simon-Pierre se jeta aux genoux de Jésus, en disant : « Éloigne-toi de moi, Seigneur, car je suis un homme pécheur ! » 9. La frayeur en effet l'avait envahi, lui et tous ceux qui étaient avec lui, à cause du coup de filet qu'ils venaient de faire ; 10. pareillement Jacques et Jean, fils de Zébédée, les compagnons de Simon. Mais Jésus dit à Simon : « Sois sans crainte ; désormais ce sont des hommes que tu prendras. » 11. Et ramenant les barques à terre, laissant tout, ils le suivirent. 12. Et il advint, comme il était dans une ville, qu'il y avait un homme plein de lèpre. A la vue de Jésus, il tomba sur la face et le pria en disant : « Seigneur, si tu le veux, tu peux me purifier. » 13. Il étendit la main et le toucha, en disant : « Je le veux, sois purifié. » Et aussitôt la lèpre le quitta. 14. Et il lui enjoignit de n'en parler à personne : « Mais va-t'en te montrer au prêtre, et offre pour ta purification selon ce qu'a prescrit Moïse : ce leur sera une attestation. » 15. Or, la nouvelle se répandait de plus en plus à son sujet, et des foules nombreuses s'assemblaient pour l'entendre et se faire guérir de leurs maladies. 16. Mais lui se tenait retiré dans les déserts et priait. 17. Et il advint, un jour qu'il était en train d'enseigner, qu'il y avait, assis, des Pharisiens et des docteurs de la Loi venus de tous les villages de Galilée, de Judée, et de Jérusalem ; et la puissance du Seigneur lui faisait opérer des guérisons. 18. Et voici des gens portant sur un lit un homme qui était paralysé, et ils cherchaient à l'introduire et à le placer devant lui. 19. Et comme ils ne savaient par où l'introduire à cause de la foule, ils montèrent sur le toit et, à travers les tuiles, ils le descendirent avec sa civière, au milieu, devant Jésus. 20. Voyant leur foi, il dit : « Homme, tes péchés te sont remis. » 21. Les scribes et les Pharisiens se mirent à penser : « Qui est-il celui-là, qui profère des blasphèmes ? Qui peut remettre les péchés, sinon Dieu seul ? » 22. Mais, percevant leurs pensées, Jésus prit la parole et leur dit : « Pourquoi ces pensées dans vos cœurs ? 23. Quel est le plus facile, de dire : Tes péchés te sont remis, ou de dire : Lève-toi et marche ? 24. Eh bien ! pour que vous sachiez que le Fils de l'homme a le pouvoir sur la terre de remettre les péchés, je te l'ordonne, dit-il au paralysé, lève-toi et, prenant ta civière, va chez toi. » 25. Et, à l'instant même, se levant devant eux, et prenant ce sur quoi il gisait, il s'en alla chez lui en glorifiant Dieu. 26. Tous furent alors saisis de stupeur et ils glorifiaient Dieu. Ils furent remplis de crainte et ils disaient : « Nous avons vu d'étranges choses aujourd'hui ! » 27. Après cela il sortit, remarqua un publicain du nom de Lévi assis au bureau de la douane, et il lui dit : « Suis-moi. » 28. Et, quittant tout et se levant, il le suivait. 29. Lévi lui fit un grand festin dans sa maison, et il y avait une foule nombreuse de publicains et d'autres gens qui se trouvaient à table avec eux. 30. Les Pharisiens et leurs scribes murmuraient et disaient à ses disciples : « Pourquoi mangez-vous et buvez-vous avec les publicains et les pécheurs ? » 31. Et, prenant la parole, Jésus leur dit : « Ce ne sont pas les gens en bonne santé qui ont besoin de médecin, mais les malades ; 32. je ne suis pas venu appeler les justes, mais les pécheurs, au repentir. » 33. Mais eux lui dirent : « Les disciples de Jean jeûnent fréquemment et font des prières, ceux des Pharisiens pareillement, et les tiens mangent et boivent ! » 34. Jésus leur dit : « Pouvez-vous faire jeûner les compagnons de l'époux pendant que l'époux est avec eux ? 35. Mais viendront des jours... et quand l'époux leur aura été enlevé, alors ils jeûneront en ces jours-là. » 36. Il leur disait encore une parabole : « Personne ne déchire une pièce d'un vêtement neuf pour la rajouter à un vieux vêtement ; autrement, on aura déchiré le neuf, et la pièce prise au neuf jurera avec le vieux. 37. « Personne non plus ne met du vin nouveau dans des outres vieilles ; autrement, le vin nouveau fera éclater les outres, et il se répandra et les outres seront perdues. 38. Mais du vin nouveau, il le faut mettre en des outres neuves. 39. Personne, après avoir bu du vin vieux, n'en veut du nouveau. On dit en effet : C'est le vieux qui est bon. »