LUCASEVANGELIE , EERSTE HOOFDSTUK , LC 1 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -
- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -- Lc 1,57-66.80 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

Overzicht van het Lucasevangelie : - Lucas : overzicht .
- Lucas taalgebruik - Lucas taalgebruik A - Lucas taalgebruik B - Lucas taalgebruik C - Lucas taalgebruik D - Lucas taalgebruik E - Lucas taalgebruik F - Lucas taalgebruik G - Lucas taalgebruik H - Lucas taalgebruik I - Lucas taalgebruik J - Lucas taalgebruik K - Lucas taalgebruik L - Lucas taalgebruik M - Lucas taalgebruik N - Lucas taalgebruik O - Lucas taalgebruik P - Lucas taalgebruik Q - Lucas taalgebruik R - Lucas taalgebruik S - Lucas taalgebruik T - Lucas taalgebruik U - Lucas taalgebruik V - Lucas taalgebruik Z -
- Lc : commentaar

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,

  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
                                                   

Tekstuitleg - Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 - Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 - Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 - Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
http://hometown.aol.com/graphelabible/page4.html http://daniel5.skynetblogs.be/    
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie : http://www.pford.stjohnsem.edu/ford/courses/church-in-consummation/docs/20%20McHugh%20and%20Ott.doc.pdf .
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Lc 1,1-4 : 3de (derde) zondag door het jaar C .
- Lc 1,57-66.80 :
Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Lucasevangelie :
1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4
2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38
4. Bezoek van Maria aan Elisabet : Lc 1,39-56
5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80

Evangelielezing van 3de (derde) zondag door het jaar C : Lc 1,1-4 en Lc 4,14-21
Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden, aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in diens van het woord zijn getreden. Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot – na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht – voor u een ordelijk verslag te schrijven, met de bedoeling u te doen zien hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.

1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

Het kindsheidsevangelie van Lucas (Lc 1 - Lc 2) bestaat uit een voorwoord en zeven verhalen .
Het eerste en het tweede verhaal (Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38) zijn op een parallelle wijze opgebouwd ; zij betreffen de aankondiging van de geboorte van Johannes , de Doper (Lc 1,5-25) en die van Jezus (Lc 1,26-38) . De tijdsaanduiding “in de zesde maand” vormt een link tussen het eerste en het tweede verhaal .
Dit tweeluik wordt gevolgd door een tussenluik nl. het bezoek van Maria aan Elisabeth (Lc 1,39-56) , waarop een tweede tweeluik volgt , die de geboorte van Johannes , de Doper (Lc 1,57-80) en die van Jezus (Lc 2,1-20) betreffen . Deze vijf verhalen worden gevolgd door twee Jezusverhalen : de opdracht van Jezus in de tempel , veertig dagen na zijn geboorte (Lc 2,21-40) en de twaalfjarige Jezus te midden van de leraren (Lc 2,41-52) .

De verhalen van het "kindsheidsevangelie" van Lucas worden meestal als onhistorische , fictieve verhalen geïnterpreteerd . Dit betekent geenszins dat ze niet rijk aan betekenis zijn . We zullen ons afvragen hoe de evangelist tot de constructie van deze verhalen is gekomen en wat de betekenis ervan is .

Lc 1,1 - Lc 1,1 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:1 epeidèper polloi epecheirèsan anataxasthai diègèsin peri tôn peplèroforèmenôn en èmin pragmatôn  1 quoniam quidem multi conati sunt ordinare narrationem quae in nobis conpletae sunt rerum   1. Aangezien al velen ondernomen hebben een verhaal op te stellen omtrent de gebeurtenissen die onder ons voltrokken zijn,   Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden,   Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;  [1] Velen * hebben zich er al toe gezet het verhaal te doen van wat zich bij ons heeft voltrokken,   [1] Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken,  1 ¶ Nadat velen reeds het ter hand hebben genomen een verhandeling op te stellen over de gebeurtenissen die zich bij ons hebben voltrokken,  1. Puisque beaucoup ont entrepris de composer un récit des événements qui se sont accomplis parmi nous, 

King James Bible . [1] Forasmuch as many have taken in hand to set forth in order a declaration of those things which are most surely believed among us,
Luther-Bibel . Viele haben es schon unternommen, Bericht zu geben von den Geschichten, die unter uns geschehen sind,

Tekstuitleg van Lc 1,1 . Het vers Lc 1,1 telt 11 woorden en 83 letters . De getalwaarde van Lc 1,1 is 7457 .

Lc 1,1.1.epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in het NT : epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in Lc : epeidèper (nadat nu, daar nu) . Slechts in Lc 1,1 . Voegwoord van tijd : toen nu , nadat nu , sinds . Voegwoord van reden : daar nu , daar immers .
- epei . Voegwoord van tijd : nadat, wanneer . Voegwoord van reden : daar , omdat .
- dè (inderdaad, dus) . Het wordt gebruikt waar een feitelijke , zichtbare evidentie wordt aangebracht .
- -per . Om de betekenis van het voorgaande woord te versterken .

Lc 1,1.2. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) .
Lc (8) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 1,16 .

Lc 1,1.3. act. ind. aor. 3de pers. mv. epecheirèsan (zij beproefden) van het werkw. epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Taalgebruik in het NT : epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Taalgebruik in Lc : epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Slechts in Lc 1,1 . Dit is het enigste vers en de enigste vorm in de evangelies .

Lc 1,1.4. passief infinitief aorist anataxasthai van het werkw. anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . Taalgebruik in het NT : anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . Taalgebruik in Lc : anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . anatassô diègèsin : een verhaal opbouwen , omstandig vertellen . Lc (1) Lc 1,1 . Hapax . Zij namen ter hand dat een verhaal zou opgebouwd worden .

Lc 1,1.5. nom. vr. enk. diègèsin van het zelfst. naamw. diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in het NT : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in Lc : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Lc (1) Lc 1,1 .

Lc 1,1.6. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,4 .

Lc 1,1.7. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,70 . (5) Lc 1,71 . (6) Lc 1,72 .

Lc 1,1.8. pass. part. perf. gen. nom. + onz. mv. peplèroforèmenôn van het werkw. plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Taalgebruik in het NT : plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Taalgebruik in Lc : plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Lc (1) Lc 1,1 .

Lc 1,1.9. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,1.10. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . hèmin . Lc (22) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,2 . (3) Lc 1,73 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,48 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 7,5 . (8) Lc 7,16 . (9) Lc 9,13 . (10) Lc 10,11 . (11) Lc 10,17 . (12) Lc 11,3 . (13) Lc 11,4 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 17,5 . (16) Lc 20,2 . (17) Lc 20,28 . (18) Lc 22,8 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 23,18 . (21) Lc 24,24 . (22) Lc 24,32 .

Lc 1,1.11. gen. onz. mv. pragmatôn (van de handelingen / gebeurtenissen) van het zelfst. naamw. pragma (daad, handeling) . Taalgebruik in het NT : pragma (daad, handeling) . Taalgebruik in Lc : pragma (daad, handeling) . Lc (1) Lc 1,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,2 - Lc 1,2 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:2 kathôs paredosan èmin oi ap archès autoptai kai upèretai genomenoi tou logou  2 sicut tradiderunt nobis qui ab initio ipsi viderunt et ministri fuerunt sermonis   2 zoals zij ons hebben overgeleverd die vanaf het begin ooggetuigen waren en dienaren van het woord geworden zijn,  aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in diens van het woord zijn getreden.   2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;  [2] aan de hand van de overlevering van de oorspronkelijke ooggetuigen die dienaar van het woord zijn geworden.  [2] en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden,  2 zoals aan ons hebben overgeleverd zij die van het begin af ooggetuigen en dienaars van het woord zijn geweest,  2. d'après ce que nous ont transmis ceux qui furent dès le début témoins oculaires et serviteurs de la Parole, 

King James Bible .[2] Even as they delivered them unto us, which from the beginning were eyewitnesses, and ministers of the word;
Luther-Bibel . 2 wie uns das überliefert haben, die es von Anfang an selbst gesehen haben und Diener des Worts gewesen sind.

Tekstuitleg van Lc 1,2 . Het vers Lc 1,2 telt 12 (2² X 3) woorden en 63 (3² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,2 is 6462 (2 X 3² X 359) .

Lc 1,2.1. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs (zoals) .
Lc (17) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 .

Lc 1,2.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. paredosan paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . Lc (1) Lc 1,2 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 9,44 . (4) Lc 10,22 . (5) Lc 12,58 . (6) Lc 18,32 . (7) Lc 20,20 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,16 . (10) Lc 22,4 . (11) Lc 22,6 . (12) Lc 22,21 . (13) Lc 22,22 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 23,25 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,20 .

Lc 1,2.3. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . hèmin . Lc (22) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,2 . (3) Lc 1,73 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,48 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 7,5 . (8) Lc 7,16 . (9) Lc 9,13 . (10) Lc 10,11 . (11) Lc 10,17 . (12) Lc 11,3 . (13) Lc 11,4 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 17,5 . (16) Lc 20,2 . (17) Lc 20,28 . (18) Lc 22,8 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 23,18 . (21) Lc 24,24 . (22) Lc 24,32 .

Lc 1,2.4. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,2.5. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 1,52 . ap' . Lc (32) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,70 .

Lc 1,2.6. gen. vr. enk. archès van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in Lc : archè (begin, heerschappij) . Lc (1) Lc 1,2 . Een vorm van archè (begin, heerschappij) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 20,20 .

Lc 1,2.7. nom. vr. mv. autoptai van het zelfst. naamw. autoptès (zelfziener, ooggetuige) . Taalgebruik in het NT : autoptès (zelfziener, ooggetuige) . Taalgebruik in Lc : autoptès (zelfziener, ooggetuige) . Lc (1) Lc 1,2 . Dit is de enigste vorm in het NT .

Lc 1,2.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,2.9. nom. mann. mv. hupèretai van het zelfst. naamw. hupèretès (dienaar) . Taalgebruik in het NT : hupèretès (dienaar) . Taalgebruik in Lc : hupèretès (dienaar) . Lc (1) Lc 1,2 . Een vorm van hupèretès (dienaar) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 4,20 .

Lc 1,2.10. part. aor. nom. mann. mv. genomenoi van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Lc (2) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 24,37 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

Lc 1,2.11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,2.12. gen. mann. enk. logou van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (2) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 20,20 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 . In Lc : 8 vormen van logos (woord) in 17 / 24 hoofdstukken en in 33 verzen . In Hnd : 8 vormen van logos (woord) in 20 / 28 hoofdstukken en in 65 verzen .

Lc 1,3 - Lc 1,3 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:3 edoxen kamoi parèkolouthèkoti anôthen pasin akribôs kathexès soi grapsai kratiste theofile   3 visum est et mihi adsecuto a principio omnibus diligenter ex ordine tibi scribere optime Theophile  3 leek het ook mij goed, na alles vanaf het begin nauwkeurig te hebben vervolgd, het ordelijk voor u op te schrijven, hoogedele Theofilus,   Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot – na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht – voor u een ordelijk verslag te schrijven,   3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!   [3] Nu heb ook ik besloten alles van voren af aan nauwkeurig na te gaan en voor u, geachte Teofilus, ordelijk op schrift te stellen,  [3] leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen,  3 leek het ook mij goed, na alles van meet af zorgvuldig te hebben nagevorst het ordelijk voor je op te schrijven, beste Teofilus,  3. j'ai décidé, moi aussi, après m'être informé exactement de tout depuis les origines, d'en écrire pour toi l'exposé suivi, excellent Théophile,. 

King James Bible . [3] It seemed good to me also, having had perfect understanding of all things from the very first, to write unto thee in order, most excellent Theophilus,
Luther-Bibel . 3 So habe auch ich's für gut gehalten, nachdem ich alles von Anfang an sorgfältig erkundet habe, es für dich, hochgeehrter Theophilus, in guter Ordnung aufzuschreiben,

Tekstuitleg van Lc 1,3 . Het vers Lc 1,3 telt 11 woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Lc 1,3 is 6833 .

Lc 1,3.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. edoxe van het werkw. dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in het NT : dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : dokeô (menen, schijnen) . Lc (1) Lc 1,3 . Een vorm van dokeô (menen, schijnen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 8,18 . (3) Lc 10,36 . (4) Lc 12,40 . (5) Lc 12,51 . (6) Lc 13,2 . (7) Lc 13,4 . (8) Lc 19,11 . (9) Lc 22,24 . (10) Lc 24,37 .

Lc 1,3.2. kamoi < kai (en) + moi (pers. voornaamw. dat. mann. enk. : aan mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (1) Lc 1,3 .

Lc 1,3.3. act. part. perf. dat. mann. enk. parèkolouthèkoti van het werkw. parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Taalgebruik in het NT : parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Taalgebruik in het NT : parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Lc (1) Lc 1,3 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,3.4. anôthen (van boven af) . Taalgebruik in het NT : anôthen (van boven af) . Taalgebruik in Lc : anôthen (van boven af) . Lc (1) Lc 1,3 .

Lc 1,3.5. dat mann. + onz. mv. pasin van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (13) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,38 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 3,20 . (6) Lc 9,43 . (7) Lc 9,48 . (8) Lc 12,44 . (9) Lc 13,17 . (10) Lc 14,33 . (11) Lc 24,9 . (12) Lc 24,21 . (13) Lc 24,25 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,3.6. akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Taalgebruik in het NT : akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Taalgebruik in Lc : akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Lc (1) Lc 1,3 .

Lc 1,3.7. kathexès = efexès (in volgorde, op een rij) . Taalgebruik in het NT : kathexès = efexès (in volgorde, op een rij) . Taalgebruik in Lc : kathexès = efexès (in volgorde, op een rij) . Lc (2) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 8,1 .

Lc 1,3.8. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,3.9. act. inf. aor. grapsai van het werkw. grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc (1) Lc 1,3 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 .

Lc 1,3.10. voc. mann. enk. kratiste van het bijvoegl. naamw. kratistos (machtigst, best) . Taalgebruik in het NT : kratistos (machtigst, best) . Taalgebruik in Lc : kratistos (machtigst, best) . Lc (1) Lc 1,3 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,3.11. theofile (Theofilus) . Vocatief mannelijk enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 1,3 . (2) Hnd 1,1 . Het evangelie (volgens Lucas) en het boek Handelingen zijn gericht tot Teofilus . Wellicht was hij een christen van Antiochië .

Lc 1,4 - Lc 1,4 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:4 ina epignôs peri ôn katèchèthès logôn tèn asfaleian   4 ut cognoscas eorum verborum de quibus eruditus es veritatem   4 opdat u de betrouwbaarheid zou erkennen van de dingen waaromtrent u onderricht bent.   met de bedoeling u te doen zien hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.   4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.   [4] zodat u zich kunt overtuigen van de betrouwbaarheid van de berichten die u hebt ontvangen.  [4] om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.  4 opdat je de onwankelbare grond zult kennen van de woorden waarin je bent onderricht.   4. pour que tu te rendes bien compte de la sûreté des enseignements que tu as reçus. 

King James Bible . [4] That thou mightest know the certainty of those things, wherein thou hast been instructed.
Luther-Bibel . 4 damit du den sicheren Grund der Lehre erfährst, in der du unterrichtet bist. Die Ankündigung der Geburt Johannes des Täufers

Tekstuitleg van Lc 1,4 . Het vers Lc 1,4 telt 8 (2³) woorden en 43 letters . De getalwaarde van Lc 1,4 is 5527 .

Lc 1,4.1. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in Lc : hina (opdat) . Lc (46) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,43 .

Lc 1,4.2. act. conj. aor. 2de pers. enk. epignô(i)s van het werkw. epiginôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in het NT : epiginôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in Lc : epiginôskô (leren kennen, begrijpen) . (1) Lc 1,4 . Een vorm van epiginôskô (leren kennen, begrijpen) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,22 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 7,37 . (5) Lc 23,7 . (6) Lc 24,16 . (7) Lc 24,31 .

Lc 1,4.3. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,4 .

Lc 1,4.4. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .

Lc 1,4.5. pass. ind. aor. 2de pers. enk. katèchèthès van het werkw. katècheô (doen klinken, leren) . Taakgebruik in het NT : katècheô (doen klinken, leren) . Taakgebruik in Lc : katècheô (doen klinken, leren) . Lc (1) Lc 1,4 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,4.6. gen. mann. mv. logôn van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 6,47 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 .

Lc 1,4.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,48 .

8. acc. vr. enk. asfaleian van het zelfst. naamw. asfaleia (vastheid, veiligheid) . Taalgebruik in het NT : asfaleia (vastheid, veiligheid) . Taalgebruik in Lc : asfaleia (vastheid, veiligheid) . Lc (1) Lc 1,4 . Dit is de enigste vorm in Lc .

2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 - Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

In Lc 1,5-25 beginnen 11 / 21 verzen met kai (en) en 6 / 21 verzen met de (echter) .

Lc 1,5 - Lc 1,5 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

In Lc 1,5-25 gebruikt Lucas driemaal egeneto (het gebeurde - er was eens) ; de eerste maal bij het begin van het verhaal ; de tweede en de derde maal bij een overgang in het verhaal . De eerste maal (Lc 1,5) : er was eens een priester - in de dagen van Herodes , de koning van Judea ... . De tweede maal (Lc 1,8) duidt het een overgang aan en wordt omsloten door het derde egeneto (Lc 1,23) . In Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 wordt de beginsituatie , in Lc 1,8-22 de verandering van de ene situatie naar de andere en in Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 de eindsituatie gegeven .

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:5 egeneto en tais èmerais èrôdou basileôs tès ioudaias iereus tis onomati zacharias ex efèmerias abia kai gunè autô ek tôn thugaterôn aarôn kai to onoma autès elisabet 5 fuit in diebus Herodis regis Iudaeae sacerdos quidam nomine Zaccharias de vice Abia et uxor illi de filiabus Aaron et nomen eius Elisabeth  Er was in de dagen van Herodes, koning van Jodea, een zeker priester met de naam van Zaeharias uit de dienstafdeling van Abia, en hij had een vrouw uit de dochters van Aâron en haar naam was Elisabet.   5 In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aäron, en haar naam Elizabet. [5] In de dagen van Herodes, de koning van Judea*, was er een priester, Zacharias genaamd, die behoorde tot de afdeling* Abia. Ook zijn vrouw stamde af van Aäron, en haar naam was Elisabet.  [5] Toen Herodes koning van Judea was, leefde er een priester die Zacharias heette en tot de priesterafdeling Abia behoorde. Zijn vrouw, Elisabet, stamde af van Aäron.  5 ¶ Het geschiedt in de dagen van Herodes, als deze koning over Judea is: een zeker priester, genaamd Zacharias, uit de dagorde van Avia, heeft een vrouw uit de dochters van Aäron; haar naam is Elisabet.  5. Il y eut aux jours d'Hérode, roi de Judée, un prêtre du nom de Zacharie, de la classe d'Abia, et il avait pour femme une descendante d'Aaron, dont le nom était Élisabeth. 

King James Bible : There was in the days of Herod, the king of Judaea, a certain priest named Zacharias, of the course of Abia: and his wife was of the daughters of Aaron, and her name was Elisabeth .
Luther-Bibel . 5 Zu der Zeit des Herodes, des Königs von Judäa, lebte ein Priester von der Ordnung Abija, mit Namen Zacharias, und seine Frau war aus dem Geschlecht Aaron und hieß Elisabeth.

Hebr. wajëhî bîme(j) ... mèlèkh jëhûdâh

Tekstanalyse van Lc 1,5 . Dit vers Lc 1,5 telt 29 woorden en 142 (2 X 71) letters . De getalwaarde van Lc 1,5 is 17171 (7 X 11 X 223) . Van links naar rechts of van rechts naar links gelezen blijft 17171 hetzelfde getal . Reeds bij het allereerste begin van Lc 1,5-25 wordt de tijd van het gebeuren aangeduid : in de dagen (in de tijd) van Herodes , de koning van Judea . En zo is ook onmiddellijk de plaats aangeduid : Judea . De woorden koning en priester staan hier wel heel dicht bij elkaar . Ook in Lc 1,26 wordt de tijds- en plaatsaanduiding kort na elkaar gegeven . Het ene gebeuren speelt zich af in Judea , het andere in Galilea .

Lc 1,5.1. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

Lucas gebruikt egeneto ( het gebeurde) op verschillende wijzen :
1. ... egeneto ... (het gebeurde) + onderwerp : Mc 1,4 . Lc 1,65 .
2. een variante van voorgaande : ... egeneto ... (het gebeurde) + tijdsaanduiding + onderwerp : Lc 1,5 .
3 . ... egeneto ... (het gebeurde) , gevolgd door een tijdsaanduiding + hoofdwerkwoord : Lc 1,59 ; Lc 2,1 .
4. ... egeneto ... (het gebeurde) + en tôi (in het) + infinitiefzin + hoofdwerkwoord . In tweeëntwintig verzen bij Lucas : Lc 1,8 .
Hebr. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. wajëhî (en hij was) van het werkw. hâjâh (zijn) . De getalwaarde van wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 . Totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . Gr. eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) .
Door wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .

Lc 1,5.2. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,5.3. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,5.4. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc 1 in 11 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,39 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,75 . (11) Lc 1,80 .
jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . Gr. hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) .

Lc 1,5.2. - 3. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 . Hebr. bîme(j) < voorzetsel bë + stat. constr. mann. mv. . Tenakh (55) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (22) . bîme(j) < voorzetsel bë + stat. constr. mann. mv. OF bëjâmâj (in mijn dagen) <bë + stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Tenakh (55) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (22) .

Lc 1,5.1. - 4. egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in die dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 17,26 . (3) Lc 17,28 . egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc (1) : (2) Lc 2,1 . (2) Lc 6,12 . wajëhî bîme(j) (en het was in de dagen van) . Tenakh (5) : (1) Gn 14,1 . (2) Rt 1,1 . (3) Est 1,1 . (4) Js 7,1 . (5) Jr 1,3 . wajëhî bîme(j) ... mèlèkh jëhûdâh (en het was in de dagen van ... koning van Juda) . Tenakh (2) : (1) Js 7,1 . (2) Jr 1,3 .

Lc 1,5.5. gen. mann. enk. hèrô(i)dou (van Herodes) van het zelfst. naamw. hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) .
Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 8,3 . (4) Lc 23,7 . Een vorm van hèrô(i)dès (Herodes) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .
De naam Herodes omsluit (Lc 1,5 en Lc 3,19) het verhaal van Johannes de Doper . Vanaf Lc 3,21 verschijnt Jezus op de voorgrond .

Lc 1,5.6. gen. mann. enk. basileôs van het zelfst. naamw. basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) .
Lc (1) : Lc 1,5 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen . Er staat geen bep. lidw. bij basileôs . Dat bep. lidw. zal er wel staan wanneer er sprake is over Jezus als ho basileus tôn ioudaiôn (de koning van de Joden) : (1) Lc 23,3 . (2) Lc 23,37 . (3) Lc 23,38 . Hebr. mèlèkh (koning) . Taalgebruik in Tenakh : mèlèkh (koning) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 3 - 2 . Tenakh (816) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (345) . Latere Profeten (188) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (203) .

Lc 1,5.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,5.8. gen. vr. enk. ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia (Judea) . Lc (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,17 . (7) Lc 23,5 . Een vorm van ioudaia (Judea) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,4 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,44 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 6,17 . (8) Lc 7,17 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 23,5 . Hier wordt een plaatsnaam gebruikt en niet de naam van het volk nl. Joden . Deze naam van Joden komt in Lc in slechts 5 verzen voor , waarvoor 3X om Jezus als de koning van de Joden aan te duiden : (1) Lc 7,3 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,37 . (4) Lc 23,38 . (5) Lc 23,51 .

Lc 1,5.6. - 8. Hebr. mèlèkh jëhûdâh (koning van Juda) . Tenakh (149) . wajëhî bîme(j) ... mèlèkh jëhûdâh (en het was in de dagen van ... koning van Juda) . Tenakh (2) : (1) Js 7,1 . (2) Jr 1,3 .

Lc 1,5.9. nom. mann. enk. hiereus (priester) . Taalgebruik in het NT : hiereus (priester) . Taalgebruik in Lc : hiereus (priester) .
Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,31 . Een vorm van hiereus (priester) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 5,14 .   (3) Lc 6,4 .   (4) Lc 10,31 . (5) Lc 17,14 . Verwant hiermee in deze onmiddellijke context : hierateia (priesterschap) : Lc 1,9 en hierateuô (het priesterschap uitoefenen) : Lc 1,8 . Lc (1) Lc 1,9 . Dit is de enigste vorm van hierateia (priesterschap) in Lc . Lc (1) : Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm van hierateuô (priester zijn) in het NT . In Lc : 4 vormen van hiereus (priester) in 5 hoofdstukken en in 5 verzen . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen .
Hebr. kohen (priester) . Taalgebruik in Tenakh : kohen (priester) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20, he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²) . Structuur : 2 - 5 - 5 . Tenakh (43) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (10) .

Lc 1,5.10. voornaamwoord nom. mann. enk. tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (72) . Lc 1 (1) : Lc 1,5 .

Lc 1,5.9. - 10. hiereus tis (een priester) . Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,31 . In Lc 1,5 zal de priester Zacharia naar de tempel opgaan om er dienst te verrichten . In Lc 10,31 had de priester zijn tempeldienst verricht en daalde hij af om naar huis te gaan . Dat hij door verontreiniging geen tempeldienst zou kunnen verrichten is dus niet terzake . Uit de tempeldienst die een uiting van liefde tot God is , moet ook liefde tot de naaste worden beoefend .

Lc 1,5.11. datief onzijdig enkelvoud onomati (naam) van het zelfstandig naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . L. nomen . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 . (11) Lc 19,2 . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 . (15) Lc 24,18 . (16) Lc 24,47 .
Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 9 verzen : (1) Lc 1,5 (2 vormen) . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 (2 vormen) . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,59 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,63 .

Lc 1,5.12. nom. mann. enk. zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .
Hebr. zëkharëjâh (Zecharja, Zacharia) . Taalgebruik in Tenakh : zëkharëjâh (Zecharja, Zacharia) . Getalwaarde : zain = 7 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 242 (11 X 22) . Structuur : 7 - 2 - 2 - 1 - 5 . Tenakh (20) : (1) 2 K 14,29 . (2) 2 K 25,11 . (20) 2 Kr 24,20 . Ook zëkharëjâhû . Tenakh (10) : (1) 2 K 15,8 .

Lc 1,5.11. - 12. In 7 / 16 verzen in Lc volgt een persoonsnaam op onomati (met de naam) : (1) Lc 1,5 (onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc 5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (3) Lc 10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (4) Lc 16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (5) Lc 19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) . (6) Lc 23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (7) Lc 24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . De eerste en de laatste persoonsnaam zijn de eerst en laatst genoemde personen in Lc .
Voor of na onoma (naam) volgt een persoonsnaam (8 / 10) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (4) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (5) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (6) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (7) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (8) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . Alfabetisch ordening van de persoonsnamen : (1) Elisabeth (Lc 1,5) . (2) Jaïrus (Lc 8,41) . (3) Jezus (Lc 1,31 - Lc 2,21) . (4) Johannes de Doper (Lc 1,13 - Lc 1,63) . (5) Jozef (Lc 1,27) - Lc 2,25) . (6) Jozef (van Arimathea) ( Lc 23,50) . (7) Kleopas (Lc 24,18) . (8) Lazarus (Lc 16,20) . (9) Levi (Lc 5,27) . (10) Martha (Lc 10,38) . (11) Simeon (Lc 2,25) . (12) Zacharia (Lc 1,5) . (13) Zacheüs (Lc 19,2) .

Lc 1,5.13. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .Taalgebruik in Hnd : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,5.14. gen. vr. enk. efèmerias van het zelfst. naamw. efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in het NT : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in Mc : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) .
Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,5.15. abia (Abia) . Taalgebruik in het NT : abia (Abia) . Taalgebruik in Lc : abia (Abia) . Benaming van de achtste priesterklasse . Getalwaarde is 14 (2 X 7) . Hebreeuws ´äbijjâh (letterlijk : JHWH is mijn vader) . Maar het Hebreeuwse ´âbîhä = haar vader .

Lc 1,5.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,5.17. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen , in Lc 1 in 6 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,42 .

Lc 1,5.18. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,5.19. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) . Taalgebruik in Hnd : ek (uit) . min (uit) . Taalgebruik in Tenakh : min (uit) . Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,5.20. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,70 . (5) Lc 1,71 . (6) Lc 1,72 .

Lc 1,5.21. gen. vr. mv. thugaterôn van het zelfst. naamw. thugatèr (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Taalgebruik in Lc : thugatèr (dochter) . Lc (1) Lc 1,5 . Een vorm van thugatèr (dochter) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 2,36 . (3) Lc 8,42 . (4) Lc 8,48 . (5) Lc 8,49 . (6) Lc 12,53 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 23,28 .

Lc 1,5.22. aarôn (Aäron) . Taalgebruik in het NT : aarôn (Aäron) . Taalgebruik in Lc : aarôn (Aäron) . Lc (1) : Lc 1,5 .

Lc 1,5.23. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,5.24. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,5.25. nom. + acc. onz. enk. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 . (8) Lc 2,21 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 9 verzen : (1) Lc 1,5 (2 vormen) . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 (2 vormen) . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,59 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,63 .

Lc 1,5.26. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,5.27. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,5.24. - 25. 27. Voor of na onoma (naam) volgt een persoonsnaam (8 / 10) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (4) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (5) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (6) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (7) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (8) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) OF een plaatsnaam (2 / 10) : (1) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Alfabetisch ordening van de persoonsnamen : (1) Elisabeth (Lc 1,5) . (2) Jaïrus (Lc 8,41) . (3) Jezus (Lc 1,31 - Lc 2,21) . (4) Johannes de Doper (Lc 1,13 - Lc 1,63) . (5) Jozef (Lc 1,27) - Lc 2,25) . (6) Jozef (van Arimathea) ( Lc 23,50) . (7) Kleopas (Lc 24,18) . (8) Lazarus (Lc 16,20) . (9) Levi (Lc 5,27) . (10) Martha (Lc 10,38) . (11) Simeon (Lc 2,25) . (12) Zacharia (Lc 1,5) . (13) Zacheüs (Lc 19,2) .

Lc 1,6 - Lc 1,6 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:6 èsan de dikaioi amfoteroi enantion tou theou poreuomenoi en pasais tais entolais kai dikaiômasin tou kuriou amemptoi  6 erant autem iusti ambo ante Deum incedentes in omnibus mandatis et iustificationibus Domini sine querella  Ze waren beiden rechtvaardig voor God, onberispelijk wandelend in alle geboden en verordeningen van de Heer.   6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk. [6] Beiden waren rechtvaardig in Gods ogen en leidden een onberispelijk leven, geheel volgens de geboden en voorschriften van de Heer.   [6] Beiden waren vrome en gelovige mensen, die zich strikt aan alle geboden en wetten van de Heer hielden.  6 Beiden zijn ze rechtvaardigen tegenover God, wandelend in al de geboden, en in de gerechtigheden van de Heer onkreukbaar,  6. Tous deux étaient justes devant Dieu, et ils suivaient, irréprochables, tous les commandements et observances du Seigneur. 

King James Bible . [6] And they were both righteous before God, walking in all the commandments and ordinances of the Lord blameless.
Luther-Bibel . 6 Sie waren aber alle beide fromm vor Gott und lebten in allen Geboten und Satzungen des Herrn untadelig.

Tekstuitleg van Lc 1,6 . Dit vers Lc 1,6 telt 17 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 1,6 is 9875 (5 X 5 X 5 X 79) .

Lc 1,6.1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan  (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .

Lc 1,6.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,6.3. nom. mann. mv. dikaioi van het bijvoegl. naamw. dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 18,9 . Een vorm van dikaios (rechtvaardig) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 12,57 . (6) Lc 14,14 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 18,9 . (9) Lc 20,20 . (10) Lc 23,47 . (11) Lc 23,50 .

Lc 1,6.4. nom. mann. mv. amfoteroi van het voornaamw. amfoteros (beide) . Taalgebruik in het NT : amfoteros (beide) . Taalgebruik in Lc : amfoteros (beide) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 6,39 . Een vorm van amfoteroi (beiden) in 5 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 6,39 . (5) Lc 7,42 .

Lc 1,6.5. enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het NT : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 . enanti (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) . Lc (1) Lc 1,8 .  

Lc 1,6.6. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,6.7. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen .

Lc 1,6.5. - 7. enantiou tou theou (tegenover God) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 24,19 . enanti tou theou (tegenover God) . Lc (1) Lc 1,8 .

Lc 1,6.8. part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi (zich op weg begevende) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Hnd : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Hebr. hâlakh (gaan) < halacha . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 8,14 . (3) Lc 24,13 . Hebr. haholëkhîm (zij die gaan) . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 1 (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,39 . In Lc : 19 vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 18 / 24 hoofdstukken en in 48 verzen . In Hnd : X vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 21 / 28 hoofdstukken en in 39 verzen .

Lc 1,6.9. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,6.10. dat. vr. mv. pasais van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Hnd : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 24,27 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,6.11. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,6.12. dat. vr. mv. entolais van het zelfst. naamw. entolè (opdracht) . Taalgebruik in het NT : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Lc. : entolè (opdracht) .
Lc (1) : Lc 1,6 . Een vorm van entolè (opdracht) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 15,29 . (3) Lc 18,20 . (4) Lc 23,56 .

Lc 1,6.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,6.14. dat. onz. mv. dikaiômasin van het zelfst. naamw. dikaiôma (rechtvaardige handeling, gebod) . Taalgebruik in het NT : dikaiôma (rechtvaardige handeling, gebod) . Taalgebruik in het NT : dikaiôma (rechtvaardige handeling, gebod) . Lc (1) : Lc 1,6 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,6.15. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,6.16. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (Heer) in Lc 1 in 17 verzen .

Lc 1,6.17. nom. mann. mv. amemptoi van het bijvoegl. naamw. amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in het NT : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in Lc : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Lc (1) : Lc 1,6 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,7 - Lc 1,7 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:7 kai ouk èn autois teknon kathoti èn hè elisabet steira kai amfoteroi probebèkotes en tais èmerais autôn èsan   7 et non erat illis filius eo quod esset Elisabeth sterilis et ambo processissent in diebus suis   En ze hadden geen kind omdat Elisabet onvruchtbaar was, en beiden waren van gevorderde leeftijd.   7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.  [7] Zij hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren ze al op jaren.  [7] Ze hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren al op leeftijd.  7 maar een kind hebben ze niet gekregen, omdat Elisabet onvruchtbaar is; beiden zijn met hun levensdagen al ver heen.  7. Mais ils n'avaient pas d'enfant, parce que Élisabeth était stérile et que tous deux étaient avancés en âge. 

King James Bible . [7] And they had no child, because that Elisabeth was barren, and they both were now well stricken in years.
Luther-Bibel . 7 Und sie hatten kein Kind; denn Elisabeth war unfruchtbar und beide waren hochbetagt.

Tekstuitleg van Lc 1,7 . Het vers Lc 1,7 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 89 letters . De getalwaarde van Lc 1,7 is 8429 .

Lc 1,7.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,7.2. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,7.3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,7.4. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,7.2. - 4. Lc 1,7 : ouk èn autois teknon (er was niet aan hen een kind = zij hadden geen kind) . Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 2,7 . Hebr. ´e(j)n lahèm

Lc 1,7.5. nom. + voc. + acc. onz. enk. teknon (kind) . Taalgebruik in het NT : teknon (kind) . Taalgebruik in Mc : teknon (kind) .
Lc (4) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 2,48 . (3) Lc 15,31 . (4) Lc 16,25 . Een vorm van teknon (kind) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,48 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 7,35 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 13,34 . (8) Lc 14,26. (9) Lc 15,31 . (10) Lc 16,25 . (11) Lc 18,29 . (12) Lc 19,44 . (13) Lc 20,31 . (14) Lc 23,28 .

1. - 5. Lc 1,7 : ouk èn autois teknon (er was niet aan hen een kind = zij hadden geen kind) . Hebr. ´e(j)n lahèm wâlâd . Hieraan beantwoordt Gn 11,30 : ´e(j)n lâh wâlâd (er was geen kind aan haar = zij had geen kind) . LXX vertaalt : kai (MT heeft geen verbindingsartikel wa = en) ouk (ontkenning in het Hebreeuwe ´en = er is niet) eteknopoiei (zij maakte een kind - teknopoieô) ; zij maakte geen kind . Gelijkaardig : 1 S 1,2 : wajëhî liphëninnâh jëlâdîm ûlëchannâh ´e(j)n jëlâdîm (en Pennana had kinderen maar Hannah had geen kinderen) ; LXX : kai èn tèi Pennana paidia kai tèi Anna ouk èn paidion (en Penanna had kinderen maar Hanna had geen kind) .

Lc 1,7.6. kathoti (naarmate, omdat) . Taalgebruik in het NT : kathoti (naarmate, omdat) . Taalgebruik in Lc : kathoti (naarmate, omdat) .
Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 19,9 .

Lc 1,7.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 . Een vorm van eimi (zijn) in het NT (2450) , in de LXX (6947) .

Lc 1,7.8. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 . Een vorm van het bep. lidw. in Lc (2629) , in het NT (19734) , in de LXX (88439) .

Lc 1,7.9. elisabet (Elisabet) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabet) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabet) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,7.10. nom. vr. enk. steira van het bijvoegl. naamw. steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het NT : steiros (onvruchtbaar) . Hebr. `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh (onvruchtbaar) . Gr. steiros . Lat. sterilis . Fr. stérile . Ned. onvruchtbaar . D. unfruchtbar . E. barren . Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . Een vorm van steiros in Lc (3) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . (3) Lc 23,29 , in de LXX (17) , in het NT (4) . `äqârâh (onvruchtbaar) . Tenakh (8) : (1) Gn 11,30 (Sara) . (2) Gn 25,21 (Rebekka) . (3) Gn 29,31 (Rachel) . (4) Re 13,2 (de moeder van Simson) . (5) Re 13,3 . (6) 1 S 2,5 (Hanna , de moeder van Samuël) . (7) Js 54,1 . (8) Job 24,21 . wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Tenakh (2) : (1) Ex 23,26 . (2) Dt 7,14 . In deze 10 verzen heeft de LXX steira als vertaling . soera 3,40 .

Lc 1,7.7. - 10. Lc 1,7 : èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar) . Deze zin beantwoordt het best aan Gn 11,30 (Sara) : waththëhî Shâraj `äqârâh (en Sarai was onvruchtbaar) . LXX : kai èn sara steira (en Sara was onvruchtbaar) . De woordvolgorde in de LXX is die van de Tenakh . Door de naamgeving Elisabet in Lc 1,7 is een link gelegd met Elisabet , de vrouw van Aäron (Ex 6,23) , en de inhoud en de zinsconstructie van Lc 1,7 legt een link met Saraj , de vrouw van Abram (Gn 11,30) .

Lc 1,7 leunt het sterkst aan bij Gn 11,30 , maar de zinnen staan er evenwel in omgekeerde volgorde . In Lc 1,7 is de onvruchtbaarheid de reden van de kinderloosheid . In Gn 11,30 is de kinderloosheid het gevolg van de onvruchtbaarheid .

Lc 1,7.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,7.12. nom. mann. mv. amfoteroi van het voornaamw. amfoteros (beide) . Taalgebruik in het NT : amfoteros (beide) . Taalgebruik in Lc : amfoteros (beide) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 6,39 . Een vorm van amfoteroi (beiden) in 5 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 6,39 . (5) Lc 7,42 .

Lc 1,7.13. pass. part. perf. nom. mann. mv. probebèkotes van het werkw. probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in het NT : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in Lc : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) .
Lc (1) Lc 1,7 . Een vorm van probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .
De vorm (probas : voortgegaan) komt in de bijbel slechts in Mc 1,19 voor en in de paralleltekst Mt 4,21 voor . bainô : banen , gaan . pro-bainô : vooruitgaan . Een vorm van het werkwoord probainô komt slechts in vijf verzen in het NT voor . Bij Mc en Mt in de ruimtelijke betekenis , bij Lucas in temporele (tijdelijke) betekenis : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .

Lc 1,7.14. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,7.15. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,7.16. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,7.14. - 16. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .

Lc 1,7.17. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,77 .

Lc 1,7.18. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan  (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .

Lc 1,8 - Lc 1,8 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:8 egeneto de en tô ierateuein auton en tè taxei tès efèmerias autou enanti tou theou  8 factum est autem cum sacerdotio fungeretur in ordine vicis suae ante Deum  Het gebeurde nu, terwijl hij priesterdienst verrichtte voor God toen zijn dienstafdeling aan de beurt was,  8 En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde. [8] Eens, toen Zacharias met zijn afdeling aan de beurt was om als priester dienst te doen voor Gods aangezicht,   [8] Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen,  8 Het geschiedt als hij de priesterdienst doet, als zijn dagorde staat opgesteld tegenover God  8. Or il advint, comme il remplissait devant Dieu les fonctions sacerdotales au tour de sa classe, 

King James Bible .[8] And it came to pass, that while he executed the priest's office before God in the order of his course,
Luther-Bibel . 8 Und es begab sich, als Zacharias den Priesterdienst vor Gott versah, da seine Ordnung an der Reihe war,

Tekstuitleg van Lc 1,8 . Het vers Lc 1,8 telt 15 (3 X 5) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,8 is 8286 (2 X 3 X 1381) .

Lc 1,8.1. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 130 verzen .
Lucas gebruikt egeneto ( het gebeurde) op verschillende wijzen :
1. ... egeneto ... (het gebeurde) + onderwerp : Lc 1,65 .
2. een variante van voorgaande : ... egeneto ... (het gebeurde) + tijdsaanduiding + onderwerp : Lc 1,5 .
3 . ... egeneto ... (het gebeurde) , gevolgd door een tijdsaanduiding + hoofdwerkwoord : Lc 1,59 ; Lc 2,1 .
4. ... egeneto ... (het gebeurde) + en tôi (in het) + infinitiefzin + hoofdwerkwoord . In tweeëntwintig verzen bij Lucas : Lc 1,8 .

In Lc 1,5-25 gebruikt Lucas driemaal egeneto (het gebeurde - er was eens) ; de eerste maal bij het begin van het verhaal ; de tweede en de derde maal bij een overgang in het verhaal . De eerste maal (Lc 1,5) : er was eens een priester - in de dagen van Herodes , de koning van Judea ... . De tweede maal (Lc 1,8) duidt het een overgang aan en wordt omsloten door het derde egeneto (Lc 1,23) . In Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 wordt de beginsituatie , in Lc 1,8-22 de verandering van de ene situatie naar de andere en in Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 de eindsituatie gegeven .

Lc 1,8.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede (eventueel derde) woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,8.3. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,8.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,8.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .

Lc 1,8.5. act. inf. praes. hierateuein (priester zijn, priesterschap uitoefenen) van het werkw. hierateuô (priester zijn) . Taalgebruik in het NT : hierateuô (priester zijn) . Taalgebruik in Lc : hierateuô (priester zijn) . Lc (1) : Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm van hierateuô (priester zijn) in het NT .

Lc 1,8.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,8.7. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,8.8. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,8.9. dat. vr. enk. taksei van het zelfst. naamw. taksis (orde, ordening, volgorde) . Taalgebruik in het NT : taksis (orde, ordening, volgorde) . Taalgebruik in Lc : taksis (orde, ordening, volgorde) . Lc (1) Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,8.10. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,8.11. gen. vr. enk. efèmerias van het zelfst. naamw. efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in het NT : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in Lc : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,8.12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,8.13. enanti (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) . Lc (1) Lc 1,8 . enantion (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 .

Lc 1,8.14. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bep. lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,8.15. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen .

Lc 1,8.13. - 15. enantion tou theou (tegenover God) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 24,19 . enanti tou theou (tegenover God) . Lc (1) Lc 1,8 .

Lc 1,9 - Lc 1,9 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:9 kata to ethos tès ierateias elachen tou thumiasai eiselthôn eis ton naon tou kuriou  9 secundum consuetudinem sacerdotii sorte exiit ut incensum poneret ingressus in templum Domini  dat hij volgens het gebruik van de priesterschap door loting verkreeg om de tempel van de Heer binnen te gaan en er een wierookoffer te brengen.  9 Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.  [9] werd hij, volgens priesterlijk gebruik, door loting aangewezen om het heiligdom van de Heer binnen te gaan en het reukoffer te brengen.   [9] werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer.  9 dat hij het lotsteentje trekt –dat is naar de gewoonte van de priesterschap– voor het brengen van het wierookoffer en binnentreedt in de tempel van de Heer,   9. qu'il fut, suivant la coutume sacerdotale, désigné par le sort pour entrer dans le sanctuaire du Seigneur et y brûler l'encens. 

King James Bible . [9] According to the custom of the priest's office, his lot was to burn incense when he went into the temple of the Lord.
Luther-Bibel . 9 dass ihn nach dem Brauch der Priesterschaft das Los traf, das Räucheropfer darzubringen; und er ging in den Tempel des Herrn.

Tekstuitleg van Lc 1,9 . Het vers Lc 1,9 telt 14 (2 X 7) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,9 is 7883 .

Lc 1,9.1. kata (tegen, volgens) . Afkortingen : kat' , kath' . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,9.2. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,9.3. nom. + acc. onz. enk. ethos (gewoonte) . Taalgebruik in het NT : ethos (gewoonte) . Taalgebruik in Lc : ethos (gewoonte) .
Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 23,39 . Slechts deze vorm in Lc .

Lc 1,9.1. - 3. kata to ethos (volgens de gewoonte) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 23,39 .

Lc 1,9.4. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,9.5. gen. vr. enk. hierateias van het zelfst. naamw. hierateia (priesterschap) . Taalgebruik in het NT : hierateia (priesterschap) . Taalgebruik in Lc : hierateia (priesterschap) . Lc (1) Lc 1,9 . Dit is de enigste vorm van hierateia (priesterschap) in Lc .

Lc 1,9.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. elache (hij lootte , hij verkreeg door het lot) van het werkw. lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Taalgebruik in het NT : lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Taalgebruik in Lc : lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Lc (1) Lc 1,9 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,9.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,9.8. act. inf. aor. thumiasai van het werkw. thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Taalgebruik in het NT : thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Taalgebruik in Lc . : thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,9.9. part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 11,37 . (5) Lc 19,1 . (6) Lc 19,45 .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 45 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan , weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,38 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

Lc 1,9.10. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,9.9. - 10. eiselthôn eis (binnengegaan in) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (3) Lc 7,36 . (6) Lc 19,45 .

Lc 1,9.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,9.12. acc. mann. enk. naon van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Lc : naos (tempel) .
Lc (1) Lc 1,9 . Een vorm van naos (tempel) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 23,35 .

Lc 1,9.13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,9.14. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen .

Lc 1,10 - Lc 1,10 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:10 kai pan to plèthos èn tou laou proseuchomenon exô tè ôra tou thumiamatos   10 et omnis multitudo erat populi orans foris hora incensi  En de hele menigte van het volk was buiten aan het bidden op liet uur van liet wierookoffer.  10 En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.   [10] Tijdens het offer stond heel het volk buiten te bidden.   [10] De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht.  10 terwijl heel de volheid van de gemeente buiten in gebed is, dat uur van het wierookoffer.  10. Et toute la multitude du peuple était en prière, dehors, à l'heure de l'encens. 

King James Bible . [10] And the whole multitude of the people were praying without at the time of incense.
Luther-Bibel . 10 Und die ganze Menge des Volkes stand draußen und betete zur Stunde des Räucheropfers.

Tekstuitleg van Lc 1,10 . Het vers Lc 1,10 telt 13 woorden en 59 letters . De getalwaarde van Lc 1,10 is 7933 .

Lc 1,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,10.2. nom. + acc. onz. enk. pan van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Lc (6) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,5 . (5) Lc 3,9 . (6) Lc 11,42 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,10.3. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,10.4. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,10.2. - 4. (a)pan to plèthos (de hele menigte) . NT (3) : (1) Lc 1,10 . (2) Hnd 15,12 . (3) Hnd 25,24 .

Lc 1,10.5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,10.6. bep. lidw . gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,10.7. gen. mann. enk. laou van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (12) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,32 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,26 . (9) Lc 20,45 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,27 . (12) Lc 24,19 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 .
Nadat Zacharia de tempel was binnengegaan om het reukoffer te brengen , stond het volk buiten te bidden (Lc 1,10) . Het volk wacht en is verwonderd dat Zacharia zo lang in de tempel blijft (Lc 1,21) . In beide verzen wordt een omschrijvende constructie gebruikt : het was ... aan het bidden / wachten . De omschrijvende constructie omarmt een vorm van laos (volk) ; Lc 1,10 : èn tou laou proseuchomenon = de ganse menigte van het volk was aan het bidden . Lc 1,21 : èn ho laos prosdokôn = het volk was aan het wachten .

Lc 1,10.4. 6.- 7. plèthos (...) tou laou (een menigte van het volk . In drie verzen in het NT : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 23,27 . (3) Hnd 21,36 .

Lc 1,10.8. part. pr. acc. mann. enk. proseuchomenon van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 11,1 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
Zoals de engelverschijning aan Zacharia in de tempel gebeurde in een omgeving van gebed en volk , zo gebeurt de godsopenbaring aan Jezus in een omgeving van gebed en volk .

Lc 1,10.5. 10. èn ... proseuchomenon = de hele menigte van het volk was aan het bidden . Ook omschrijvende constructie in Lc 9,18 (kai egeneto en tô(i) einai auton proseuchomenon = en het gebeurde terwijl hij aan het bidden was) en Lc 11,1 (kai egeneto en tô(i) einai auton .... proseuchomenon = en het gebeurde terwijl hij aan het bidden was) .

Lc 1,10.9. exô (buiten) . Taalgebruik in het NT : exô (buiten) . Taalgebruik in Mc : exô (buiten) . Lc (10) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 13,25 . (5) Lc 13,28 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 20,15 . (9) Lc 22,62 . (10) Lc 24,50 .

Lc 1,10.10. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,10.11. nom. + dat. vr. enk. hôra(i)  van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in Lc : hôra (uur) .
Lc (15) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 7,21 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 12,39 . (7) Lc 12,40 . (8) Lc 12,46 . (9) Lc 13,31 . (10) Lc 14,17 . (11) Lc 20,19 . (12) Lc 22,14 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 23,44 . (15) Lc 24,33 . Een vorm van hôra (uur) in 16 verzen : voorgaande + Lc 22,59 en Lc 23,44 (tweede vorm) .

Lc 1,10.12. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

13. gen. onz. enk. thumiamatos van het zelfst. naamw. thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van het NT : thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van Lc : thumiama (reukoffer) . Lc (2) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,11 . Dit is de enigste vorm van thumiama (reukoffer) in Lc .

Lc 1,11 - Lc 1,11 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:11 ôfthè de autô aggelos kuriou estôs ek dexiôn tou thusiastèriou tou thumiamatos   11 apparuit autem illi angelus Domini stans a dextris altaris incensi   Hem verscheen nu een engel van de Heer staande aan de rechterzijde van het wierookofferaltaar.   11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.   [11] Toen verscheen hem een engel van de Heer, rechts van het offeraltaar.  [11] Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond.  11 Aan hem laat zich zien een aankondig–engel van de Heer, staande aan de rechterzijde van het altaar voor het wierookoffer.  11. Alors lui apparut l'Ange du Seigneur, debout à droite de l'autel de l'encens. 

King James Bible . [11] And there appeared unto him an angel of the Lord standing on the right side of the altar of incense.
Luther-Bibel . 11 Da erschien ihm der Engel des Herrn und stand an der rechten Seite des Räucheraltars.

Tekstuitleg van Lc 1,11 . Het vers Lc 1,11 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,11 is 10927 (7 X 7 X 223) .

Lc 1,11.1. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè (hij liet zich zien , hij verscheen) van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 22,43 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van horaô (zien) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,22 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 9,31 . (5) Lc 9,36 . (6) Lc 12,15 . (7) Lc 13,28 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 17,22 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,43 . (12) Lc 23,49 . (13) Lc 24,23 . (14) Lc 24,34 .
wajjerâ´ ´elâ(j)w malë´akh JHWH (LXX : kai ôfthè autô(i) aggelos kuriou) = en een engel van de Heer verscheen hem . Slechts in Re 6,12 . De engel verschijnt aan Gideon . In Lc : 12 vormen van horaô (zien) in 11 / 24 hoofdstukken en in 14 verzen .

Lc 1,11.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,11.3. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,11.4. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . In Lc : 8 vormen van aggelos (engel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .

Lc 1,11.5. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 1 in 17 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,16 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,28 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,43 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,66 . (16) Lc 1,68 . (17) Lc 1,76 .

Lc 1,11.4. - 5. aggelos kuriou (de engel van de Heer) . In twee verzen bij Lucas :
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = een engel van de Heer echter verscheen hem .
(2) Lc 2,9 : kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou epestè autois (en een engel van de Heer stond bij hen) .

Lc 1,11.1. - 5. ôfthè de autôi aggelos ('maar' een engel verscheen hem) .
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = 'maar' een engel van de Heer verscheen hem .
(2) Lc 22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = 'maar' een engel uit de hemel verscheen hem .

Lc 1,11.6. part. perf. nom. mann. enk. hestôs van het werkw. histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in het NT : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Lc : histèmi (doen staan, staan) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 5,1 . (3) Lc 18,13 . Een vorm van histèmi (doen staan, staan) in Lc in 25 verzen . Dit is de enigste vorm in Lc 1 .

Lc 1,11.7. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,11.8. gen. mv. dexiôn van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts) . Taalgebruik in het NT : dexios (rechts) . Taalgebruik in Lc : dexios (rechts) . Taalgebruik in Hnd : dexios (rechts) .Taalgebruik in de Septuaginta : dexios (rechts) . Hebr. jâmîn (rechterzijde, rechts) .Taalgebruik in Tenakh : jâmîn (rechterzijde, rechts) . L. dexter . Fr. droit . Ned. rechts . E. right . D. rechter . Lc (4) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 20,42 . (3) Lc 22,69 . (4) Lc 23,33 . Bijbel (67) . LXX (44) . NT. (23) . Een vorm van dexios (rechts) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 20,42 . (4) Lc 22,50 . (5) Lc 22,69 . (6) Lc 23,33 . In Lc : 3 vormen van dexios (rechter- , rechts) in 5 / 24 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 3 vormen van dexios (rechter- , rechts) in 7 verzen in 4 hoofdstukken . Een vorm van (rechter- , rechts) in het NT (54) , in de LXX (228) .

7. - 8. ek dexiôn (rechts) . Lc (4 / 4) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 20,42 . (3) Lc 22,69 . (4) Lc 23,33 . NT (22) .

6. - 8. Lc 1,11 : estôs ek dexiôn = staande rechts van . Een vorm van kathèmai (neerzitten) + ek dexiôn (rechts) in Lc (2 / 4) : (1) Lc 20,42 . (2) Lc 22,69 .

Lc 1,11.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,11.10. gen. ons. enk. thusiastèriou van het zelfst. naamw. thusiastèrion (brandofferaltaar) . Taalgebruik in het NT : thusiastèrion (brandofferaltaar) . Taalgebruik in Lc : thusiastèrion (brandofferaltaar) . Lc (2) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 11,51 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,11.11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,11.12. gen. onz. enk. thumiamatos van het zelfst. naamw. thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van het NT : thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van Lc : thumiama (reukoffer) . Lc (2) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,11 . Dit is de enigste vorm van thumiama (reukoffer) in Lc .

Lc 1,12 - Lc 1,12 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:12 kai etarachthè zacharias idôn kai fobos epepesen ep auton  12 et Zaccharias turbatus est videns et timor inruit super eum  En Zaeharias werd ontsteld toen hij hem zag en vrees overviel hem.   12 En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.   [12] Zacharias raakte in verwarring toen hij hem zag en werd door vrees overvallen.  [12] Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen.  12 Zacharias is geschokt om wat hij ziet, en vreze valt over hem.  12. A cette vue, Zacharie fut troublé et la crainte fondit sur lui.  

King James Bible . [12] And when Zacharias saw him, he was troubled, and fear fell upon him.
Luther-Bibel . 12 Und als Zacharias ihn sah, erschrak er, und es kam Furcht über ihn.

Tekstuitleg van Lc 1,12 . Het vers Lc 1,12 telt 9 (3²) woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,12 is 5048 (2³ X 631) . In Lc 1,8 - Lc 1,9 is Zacharia onderwerp , in Lc 1,10 de volkmenigte , in Lc 1,11 de engel . Op het einde van het middendeel (Lc 1,19-23) gaat het in omgekeerde volgorde : de engel blijft in de tempel , het volk (Lc 1,21) en Zacharia (Lc 1,22 - Lc 1,23) . Op het visioen reageert Zacharia dubbel : verward en met vrees . De reactie van vrees op het visioen vinden we in Da 10,7 .

Lc 1,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,12.2. pass. ind. aor. 3de pers. enk. etarachthè (hij werd in verwarring gebracht) van het werkw. tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in het NT : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in Lc : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Lc (1) Lc 1,12 . Een vorm van tarassô (in verwarring brengen, verwarren) in 2 vormen : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 24,38 .
Zacharia werd in verwarring gebracht (etarachthè) door het visioen van de engel (Lc 1,12) , Maria werd in verwarring gebracht (dietarachthè) door het woord van de engel (Lc 1,29) .Overeenkomst en verschil .

Lc 1,12.3. nom. mann. enk. zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,12.4. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 64 verzen , in Lc 1 slechts in Lc 1,12 . idôn (gezien) verwijst naar het visioen , naar de verschijning van de engel in Lc 1,11 . Volgens Da 10,7 heeft Daniël een visioen (kai eidon egô danièl = en ik Daniël zag) . Bij Zacharia gebeurt de 'Godsopenbaring' via een verschijning (visueel) , bij Maria via het woord (akoustisch) (Lc 1,29) .

Lc 1,12.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,12.6. nom. mann. enk. fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in het NT : fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in Lc : fobos (vrees, fobie) .
In drie verzen bij Lucas : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 7,16 . Een vorm van fobos (vrees, fobie) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,9 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6) Lc 8,37 . (7) Lc 21,26 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen : (1)Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,50 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 8,35 . (9) Lc 8,50 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 12,4 . (13) Lc 12,5 . (14) Lc 12,7 . (15) Lc 12,32 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 19,21 . (19) Lc 20,19 . (20) Lc 22,2 . (21) Lc 23,40 .

Lc 1,12.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. epepesen van het werkw. epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in het NT : epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in Lc : epipiptô (vallen op, opdringen) . Lc (2) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 15,20 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,12.8. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,12.9. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,12.5. - 9. De reactie op het visioen is de vrees .
- Lc 1,12 : kai fobos epepesen ep' auton (en vrees overviel over hem) .
- Da 10,7 : kai fobos ischuros epepesen ep' autous (en een sterke vrees overviel over hen) .
In Lc 1,12 valt vrees over Zacharias na het zien van het visioen . Hij wordt met verstomming geslagen . In Lc 1,65 gebeurt dat over alle omwonenden van Zacharia en Elisabeth nadat Zacharia heeft duidelijk gemaakt dat het kind Johannes moet heten .
In Lc 5,9 omgaf ontzetting om Simon Petrus en zijn metgezellen na het zien van de wonderbare visvangst . Op deze reactie volgt de geruststelling van Jezus (Lc 5,10) , zoals Zacharia werd gerustgesteld na de reactie van Zacharia (Lc 1,13) .

Lc 1,13 - Lc 1,13 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:13 eipen de pros auton o aggelos mè fobou zacharia dioti eisèkousthè è deèsis sou kai è gunè sou elisabet gennèsei uion soi kai kaleseis to onoma autou iôannèn  13 ait autem ad illum angelus ne timeas Zaccharia quoniam exaudita est deprecatio tua et uxor tua Elisabeth pariet tibi filium et vocabis nomen eius Iohannem  De engel zei echter tegen hem: Zacharias, want je smeekbede is verhoord, en je vrouw Elisabet zal je een zoon baren en je zult zijn naam Johannes noemen   13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.   [13] Maar de engel zei tegen hem: ‘Schrik niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, die u de naam Johannes moet geven.  [13] Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen.  13 Maar de engel zegt tot hem: vrees niet, Zacharias, want je gebed is verhoord: je vrouw, Elisabet, zal je een zoon voortbrengen en zijn naam zul je noemen: Johannes,–   13. Mais l'ange lui dit : « Sois sans crainte, Zacharie, car ta supplication a été exaucée ; ta femme Élisabeth t'enfantera un fils, et tu l'appelleras du nom de Jean. 

King James Bible . But the angel said unto him, Fear not, Zacharias: for thy prayer is heard; and thy wife Elisabeth shall bear thee a son, and thou shalt call his name John.
Luther-Bibel (1984) . Aber der Engel sprach zu ihm: Fürchte dich nicht, Zacharias, denn dein Gebet ist erhört, und deine Frau Elisabeth wird dir einen Sohn gebären, und du sollst ihm den Namen Johannes geben.

Tekstuitleg van Lc 1,13 . Dit vers telt 28 (2 X 2 X 7 of 2 X 14) woorden en 126 (2 X 3 X 3 X 7 of 9 X 14) letters . De getalwaarde van Lc 1,13 is 12108 (2 X 2 X 3 X 1009) . De zwangerschap van Elisabet wordt aangekondigd in Lc 1,13 , die van Jezus in Lc 1,31 . 13 en 31 zijn elkaars spiegelbeelden .

Lc 1,13.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 1,66 . (4) Lc 1,67 ; van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . (12) Lc 1,61 .

Lc 1,13.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,13.1. - 2. eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 .
kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .
Hebr. act. qal perf. 3de pers. enk. wajj´omèr (en hij zei) van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Tenakh (1879) .

Lc 1,13.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,13.1. - 3. eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (16) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . Zie ook Lc 1,34 : eipen de mariam pros (Maria zei echter) .

Lc 1,13.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,13.1. - 4. eipen de pros auton (hij zei echter tot hem) in Lc (3) : (1) Lc 1,13 (+ onderwerp : ho aggelos = de engel). (2) Lc 9,62 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (3) Lc 19,9 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) .
kai eipen pros auton (hij zei tot hem) in Lc (2) : (1) Lc 9,50 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (2) Lc 19,5 .
Hebr. : wajj´omèr ´lô (en hij zei tot hem) in Tenakh (2) : (1) 1 S 22,13 . (2) Zach 2,8 .

Lc 1,13.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk ho . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .
Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud bij het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) . In Lc 1,11 verscheen een engel van de Heer aan Zacharias . Daar staat geen lidwoord . Hierna wordt telkens een lidwoord bij een vorm van het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) gebruikt . In Lc 1,19 maakt de engel zich bekend als Gabriël . Het is ook deze engel die aan Maria verscheen . Door het bepaald lidwoord bij aggelos (engel) en door de eigennaam van de engel nl. Gabriël is dit vers aan de vorige perikope (Lc 1,5-25) gelinkt .

Lc 1,13.6. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .

Lc 1,13.1. - 2. 5. - 6. Van de tien verzen in het Lucasevangelie waarin ho aggelos (de engel) onderwerp is , is er slechts 1 vers met eipen de (hij echter zei) nl. Lc 1,13 (eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem) en 2 verzen beginnen met kai eipen (en hij zei) : (5) Lc 1,30 (kai eipen ho aggelos autè(i) = en de engel zei haar) . (9) Lc 2,10 (kai eipen autois ho aggelos = en de engel zei hen) .

Lc 1,13.1. - 6. eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem . Het vervoegd werkwoord staat vooraan de zin . de (echter) dat een lichte tegenstelling uitdrukt , staat meestal op de tweede plaats in de zin . In het Hebreeuws maakt de bepaling met het persoonlijk voornaamwoord deel uit van het werkwoord ; daarom vinden we pros auton (tot hem) onmiddellijk na het werkwoord . Hierna volgt het onderwerp ho aggelos (de engel) . Slechts eenmaal in Lc . Bij de aankondiging van een kind wordt een literair schema gebruikt dat aansluit bij de werkelijkheid : zwangerschap , geboorte , naamgeving en toekomstwens . Bij de aankondiging aan Elisabeth is geen vermelding van de zwangerschap . Uit de vele geboorteaankondigingen komt die van Isaäk (Gn 17,19) het meest met die van Johannes overeen :
- Gn 17,19 : idou sarra hè gunè sou texetai soi huion kai kaleseis to onoma autou isaak (zie Sara je vrouw zal voor jou een zoon baren en jij zult zijn naam noemen Isaak .
- Lc 1,13 : kai hè gunè sou elisabet gennèsei huion soi kai kaleseis to onoma autou iôannou (en je vrouw Elisabeth zal een zoon voor jou voortbrengen en je zult noemen zijn naam Johannes .
Abraham en Sara zijn de oudsten van het volk Israël . Zacharia en Elisabeth staan aan het begin van het NT .
Twee geboorteaankondigingen : die van Johannes aan Zacharia (Lc 1,13) , die van Jezus aan Maria (Lc 1,31) . Verwoord aan de hand van de geboorteaankondigingen van Isaäk aan Abraham (Gn 17,19) en van Ismaël aan Hagar (Gn 16,11) .

Lc 1,13.7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) . Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,13.8. imperat. praes. 2de pers. enk. fobou (vrees) van het werkw. fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (5) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 8,50 . (5) Lc 12,32 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen : (1)Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,50 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 8,35 . (9) Lc 8,50 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 12,4 . (13) Lc 12,5 . (14) Lc 12,7 . (15) Lc 12,32 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 19,21 . (19) Lc 20,19 . (20) Lc 22,2 . (21) Lc 23,40 .

Lc 1,13.9. voc. mann. enk. zacharia van de eigennaaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) . Lc (1) Lc 1,13 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,13.10. dioti (omdat) . Taalgebruik in het NT : dioti (omdat) . Taalgebruik in Lc : dioti (omdat) . Lc (3) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 2,7 . (3) Lc 21,28 .

Lc 1,13.11. pass. ind. aor. 3de pers. enk. eisèkousthè (er werd gehoord, werd verhoord) van het werkw. eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in het NT : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in Lc . : eisakouô (luisteren naar, verhoren) .
In vijf verzen in de bijbel : (1) Da 10,12 (eisèkousthè to rèma sou = uw woord werd verhoord) . (2) Tob 3,16 (Kai eisèkousthè hè proseuchè amfoterôn = en het gebed van beiden werd verhoord) . (3) Sir 51,11 (eisèkousthè hè deèsis mou = mijn bede werd verhoord) . (4) Lc 1,13 : dioti eisèkousthè hè deèsis sou = en daarom werd uw gebed verhoord . (5) Hnd 10,31 = eisèkousthè sou hè proseuchè = uw gebed werd verhoord .

Lc 1,13.12. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,13.13. nom. vr. enk. deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in het NT : deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in Lc : deèsis (gebed, vraag) . Lc (1) Lc 1,13 . Een vorm van deèsis (gebed, vraag) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 5,33 .

Lc 1,13.14. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,13.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,13.16. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,13.17. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen .

Lc 1,13.18. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,13.19. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,13.20. act. ind. fut. 3de pers. enk. gennèsei (zij zal voortbrengen) van het werkw. gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) .
Lc (1) Lc 1,13 . Deze werkwoordvorm komt nog slechts in Gn 17,20 voor . Het gaat om de zegen over Ismaël : hij zal twaalf volkeren voortbrengen . Een vorm van gennaô (voortbrengen, baren) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 23,29 .

Lc 1,13.21. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,38 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 12,10 . (11) Lc 20,13 . (12) Lc 20,41 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 24,7 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,13.22. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord .
Lc (44) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,13.23. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,13.24. act. ind. fut. 2de pers. enk. kaleseis (jij zult noemen) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (2) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,13.25. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,13.26. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .

Lc 1,13.27. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,13. 28. acc. mann. enk. Iôannèn van het zelfst. naamw. iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Lc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John . Lc (11) . Johannes de Doper (6) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,20 . (4) Lc 9,9 . (5) Lc 9,19 . (6) . Lc 20,6 . Johannes de apostel (5) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 22,8 .  Een vorm van iôannès (Johannes) in Lc in 30 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,60 . (3) Lc 1,63 .

Lc 1,14 - Lc 1,14 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:14 kai estai chara soi kai agalliasis kai polloi epi tè genesei autou charèsontai   14 et erit gaudium tibi et exultatio et multi in nativitate eius gaudebunt  14 En vreugde en gejuich zal je deel zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.  14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.   [14] Hij zal u vreugde en blijdschap brengen. Om zijn geboorte zullen zich velen verheugen,  [14] Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.  14 vreugde en verrukking zal hij voor je zijn, vélen zullen zich over zijn geboorte verheugen;   14. Tu auras joie et allégresse, et beaucoup se réjouiront de sa naissance.  

King James Bible . [14] And thou shalt have joy and gladness; and many shall rejoice at his birth.
Luther-Bibel . 14 Und du wirst Freude und Wonne haben, und viele werden sich über seine Geburt freuen.

Tekstuitleg van Lc 1,14 . Dit vers Lc 1,14 telt 13 woorden en 66 (2 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 1,14 is 5622 (2 X 3 X 937) .

Lc 1,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,14.2. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,14.3. nom. + dat. vr. enk. chara(i) van het zelfst. naamw. chara (vreugde) . Taalgebruik in het NT : chara (vreugde) . Taalgebruik in Lc . : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , Fr. joie , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie .
Lc (3) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 15,7 . (3) Lc 15,10 . Een vorm van chara (vreugde) .in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 10,17 . (5) Lc 15,7 . (6) Lc 15,10 . (7) Lc 24,41 . (8) Lc 24,52 .

Lc 1,14.4. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,14.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,14.5.6. nom. vr. enk. agalliasis (jubel) . Taalgebruik in het NT : agalliasis (jubel) . Taalgebruik in Lc : agalliasis (jubel) . Lc (1) Lc 1,14 . Een vorm van agalliasis (jubel) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,44 .

Lc 1,14.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,14.8. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) .
Lc (8) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 1,16 .

Lc 1,14.9. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,14.10. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,14.11. dat. vr. enk. genesei van het zelfst. naamw. genesis (oorsprong, geslacht) . Taalgebruik in het NT : genesis (oorsprong, geslacht) . Taalgebruik in Lc . : genesis (oorsprong, geslacht) . Lc (1) Lc 1,14 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,14.12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,14.13. med. ind. fut. 3de pers. mv. charèsontai (zij zullen zich verheugen) van het werkw. chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in het NT : chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in Lc : chairô (zich verheugen) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . Lc (1) Lc 1,14 . Een vorm van chairô (zich verheugen) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 6,23 . (4) Lc 10,20 . (5) Lc 13,17 . (6) Lc 15,5 . (7) Lc 15,32 . (8) Lc 19,6 . (9) Lc 19,37 . (10) Lc 22,5 . (11) Lc 23,8 .

Lc 1,15 - Lc 1,15 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:15 estai gar megas enôpion [tou] kuriou kai oinon kai sikera ou mè piè kai pneumatos agiou plèsthèsetai eti ek koilias mètros autou 15 erit enim magnus coram Domino et vinum et sicera non bibet et Spiritu Sancto replebitur adhuc ex utero matris suae  Hij zal immers groot zijn voor de Heer, en wijn en bedwelmende drank zal hij niet drinken en nog in de schoot van zijn moeder zal hij van heiligc Geest vervuld worden,    15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.   [15] want hij zal groot zijn in de ogen van de Heer. Wijn en sterke drank zal hij niet drinken, met heilige* Geest zal hij vervuld worden, al in de schoot van zijn moeder.  [15] Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer, en wijn en andere gegiste drank zal hij niet drinken. Hij zal vervuld worden met de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is,  15 want hij zal groot zijn voor het aanschijn van de Heer, ‘wijn en sterke drank zal hij niet drinken’: van heilige Geest zal hij vervuld worden, van de moederschoot af   15. Car il sera grand devant le Seigneur ; il ne boira ni vin ni boisson forte ; il sera rempli d'Esprit Saint dès le sein de sa mère

King James Bible . [15] For he shall be great in the sight of the Lord, and shall drink neither wine nor strong drink; and he shall be filled with the Holy Ghost, even from his mother's womb.
Luther-Bibel . 15 Denn er wird groß sein vor dem Herrn; Wein und starkes Getränk wird er nicht trinken und wird schon von Mutterleib an erfüllt werden mit dem Heiligen Geist.

Tekstanalyse van Lc 1,15 . Het vers Lc 1,15 telt 22 (2 X 11) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,15 is 10060 (2 X 2 X 5 X 503) . In Lc 1,14-17 spreekt de engel over het kind dat Elisabet zal ontvangen . In Lc 1,15 worden een drietal redenen gegeven waarom velen zich over zijn geboorte zullen verheugen .

Lc 1,15.1. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,15.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

Lc 1,15.3. nom. mann. enk. megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,48 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzn , in Lc 1 (4) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,49 .

Lc 1,15.4. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .

Lc 1,15.5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,15.6. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen .

Lc 1,15.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,15.11. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,15.12. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,15.15. gen. onz. enk. pneumatos (geest) van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (6) : zie hieronder . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 . In vier verzen in combinatie met vervullen / vol :
(1) Johannes de Doper : Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) .
(2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou hè Elisabet = Elisabeth werd vervuld van heilige geest) .
(3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) .
(4) Lc 2,26 .
(5) Lc 4,1 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(6) Lc 4,14 : en tèi dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) .
Meestal volgt de bepaling pneumatos (van geest) op het begrip van vullen / vol , behalve in Lc 1,15 .
Bij het zelfstandig naamwoord pneumatos (van geest) staat het bijvoeglijk naamwoord hagiou (heilig) . Er zijn geen lidwoorden .

Lc 1,15.16. gen. mann. + onz. enk. hagiou van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Mc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Brieven : hagios (heilig) .
Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . Een vorm van hagios (heilig) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 .

Lc 1,15.17. plèsthèsetai (hij zal vervuld worden) pass. ind. 3de pers. enk. van het werkw. pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in Hnd : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in de Septuaginta : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Een vorm van pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116) . Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen) . Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill . Bijbel (17) . NT (1) Lc 1,15 . Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 . In Lc : 5 vormen van pimplèmi (vervullen, vol maken) in 6 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen .

. Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . In deze vorm slechts in Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) in het NT .
Johannes werd van heilige geest vervuld , terwijl hij nog in de moederschoot was. Wellicht verwijst dit naar Lc 1,41 , waar het kind Johannes in de moederschoot van Elisabeth opspringt bij het bezoek van haar nicht Maria . Dan is Elisabeth zes maanden zwanger . Jezus is vervuld van heilige geest vanaf de ontvangenis in de schoot van Maria (Lc 1,35) .

Lc 1,15.19. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,15.20. gen. vr. enk. koilias van het zelfst. naamw. koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in de Septuaginta : koilia (buikholte , moederschoot) . bètèn (buik, schoot) . Taalgebruik in Tenakh : bètèn (buik, schoot) . Lat. uterus . Fr. sein . E. womb . D. Leib . Lc (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,42 . Bijbel (58) . LXX (51) . NT (7) . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 2,21 . (6) Lc 11,27 . (7) Lc 15,16 . (8) Lc 23,29 . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) , in de LXX (108) , in het NT (23) .

Lc 1,15.22. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,15.14. - 22. vanaf de moederschoot
- Lc 1,15 : kai pneumatos agiou plèsthèsetai eti ek koilias mètros autou (en met heilige geest zal hij vervuld worden vanaf zijn moederschoot) .
- Jr 1,5 : ek mètras hègiaka se (vanaf de moederschoot heb ik je geheiligd) .

Lc 1,16 - Lc 1,16 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:16 kai pollous tôn uiôn israèl epistrepsei epi kurion ton theon autôn   16 et multos filiorum Israhel convertet ad Dominum Deum ipsorum  en velen van de zonen van Israël zal hij terugbrengen tot de Heer hun God,   16 En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot den Heere, hun God. [16] Vele Israëlieten zal hij bekeren tot de Heer hun God.  [16] en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen.  16 en velen van de zonen van Israël zal hij doen omkeren naar de Heer, hun God:   16. et il ramènera de nombreux fils d'Israël au Seigneur, leur Dieu. 

King James Bible . [16] And many of the children of Israel shall he turn to the Lord their God.
Luther-Bibel . 16 Und er wird vom Volk Israel viele zu dem Herrn, ihrem Gott, bekehren.

Tekstuitleg van Lc 1,16 . Het vers Lc 1,16 telt 11 woorden en 54 (2 X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 1,16 is 7935 (3 X 5 X 23²) .

Lc 1,16.1. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,16.2. acc. mann. mv. pollous (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) . Taalgebruik in Hnd : polus (veel) . Taalgebruik in de Septuaginta : polus (veel) . Hebr. rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) . N. veel . D. veil . Lat. multus . E. many . Fr. nombreus (tal-rijk) . Lc (3) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 7,21 . (3) Lc 14,16 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 1,16 . In Lc : X vormen van polus (veel) in 44 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van polus (veel) in 46 verzen in 25 / 28 hoofdstukken .

Lc 1,16.3. bep.lidw. gen. mv. tôn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) . Lc (119) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,70 . (5) Lc 1,71 . (6) Lc 1,72 .

Lc 1,16.4. gen. mann. mv. huiôn van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Taalgebruik in Hnd : huios (zoon) . Taalgebruik in de Septuaginta : huios (zoon) . Hebr. ben (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (1) Lc 1,16 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 . In Lc : X vormen van huios (zoon) in 72 verzen in 22 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van huios (zoon) in 22 verzen in 12 / 28 hoofdstukken

Lc 1,16.5. israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Taalgebruik in Lc : Israèl (Israël) .
Lc (12) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,54 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,25 . (6) Lc 2,32 . (7) Lc 2,34 . (8)Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 7,9 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 24,21 .

Lc 1,16.6. act. ind. fut. 3de pers. enk. epistrepsei (hij zal toekeren) van het werkw. epistrefô (naar iets toedraaien / keren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in Lc : epistrefô (naar iets toekeren) . Lc (1) Lc 1,16 . Taalgebruik in Hnd : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : epistrefô (naar iets toekeren) . Hebr. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenakh : sjûbh (terugkeren) . Lat. convertere . Ned. draaien naar , bekeren . D. bekehren . E. turn . Een vorm van epistrefô (naar iets toekeren) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 8,55 . (5) Lc 17,4 . (6) Lc 17,31 . (7) Lc 22,32 . In Lc : 7 vormen van epistrefô (naar iets toedraaien / keren) in 7 verzen in 5 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van epistrefô (naar iets toedraaien / keren) in 11 verzen in 8 / 28 hoofdstukken .

Lc 1,16.7. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,16.8. acc. mann. enk. kurion van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Fr. seigneur . Ned. heer . D. Herr . E. lord . Lc (10) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 7,19 . (6) Lc 10,27 . (7) Lc 12,36 . (8) Lc 19,8 . (9) Lc 20,37 . (10) Lc 20,44 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,16 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,28 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,43 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,66 . (16) Lc 1,68 . (17) Lc 1,76 .

Lc 1,16.9. bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,16.10. acc.  mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) . (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,64 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,28 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,12 . (8) Lc 5,25 . (9) Lc 5,26 . (10) Lc 7,16 . (11) Lc 7,29 . (12) Lc 10,27 . (13) Lc 12,21 . (14) Lc 13,13 . (15) Lc 17,15 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 18,43 . (19) Lc 19,37 . (20) Lc 20,37 . (21) Lc 23,40 . (22) Lc 23,47 . (23) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,16.8. - 10. kurion ton theon (JHWH God) . Lc (5) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 10,27 . (5) Lc 20,37 .

Lc 1,16.11. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,77 .

Lc 1,17 - Lc 1,17 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:17 kai autos proeleusetai enôpion autou en pneumati kai dunamei èliou epistrepsai kardias paterôn epi tekna kai apeitheis en fronèsei dikaiôn etoimasai kuriô laon kateskeuasmenon   17 et ipse praecedet ante illum in spiritu et virtute Heliae ut convertat corda patrum in filios et incredibiles ad prudentiam iustorum parare Domino plebem perfectam   17 En hij zal v66r hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaderen terug te brengen bij de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid van de rechtvaardigen, om een weltoegerust volk te bereiden voor de Heer.”  17 En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.   [17] Hij zal voor Hem uit gaan in de geest en de kracht van Elia, om het hart van de vaders te keren naar de kinderen, en ongehoorzamen tot de houding van rechtvaardigen, en zo voor de Heer een volk in gereedheid te brengen.’  [17] Als bode zal hij voor God uit gaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer.’  17 hij is het die zal uitgaan voor zijn aanschijn met de geest en de kracht van Elia,– ‘om de harten van vaderen te bekeren tot hun kinderen’ en ongehoorzamen tot de bezonnenheid van rechtvaardigen,– om voor de Heer gereed te maken een weltoegerust volk!  17. Il marchera devant lui avec l'esprit et la puissance d'Élie, pour ramener le cœur des pères vers les enfants et les rebelles à la prudence des justes, préparant au Seigneur un peuple bien disposé. »  

King James Bible .[17] And he shall go before him in the spirit and power of Elias, to turn the hearts of the fathers to the children, and the disobedient to the wisdom of the just; to make ready a people prepared for the Lord.
Luther-Bibel . 17 Und er wird vor ihm hergehen im Geist und in der Kraft Elias, zu bekehren die Herzen der Väter zu den Kindern und die Ungehorsamen zu der Klugheit der Gerechten, zuzurichten dem Herrn ein Volk, das wohl vorbereitet ist.

Tekstanalyse van Lc 1,17 . Het vers Lc 1,17 telt 24 (2³ X 3) woorden en 151 letters. De getalwaarde van Lc 1,17 is 15737 . In Lc 1,15-17 wordt de toekomst van Johannes de Doper geschetst .

Lc 1,17.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,17.2. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,17.3. ind. fut. 3de pers. enk. proeleusetai (hij zal vooraf gaan) van het werkw. proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in het NT : proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in Lc : proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Lc (1) Lc 1,17 . Een vorm van proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 22,47 .

Lc 1,17.4. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 . + Lc 1,75 .

Lc 1,17.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,17.4. - 5. enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 5,18 . enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,43 .

Lc 1,17.6. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,17.7. dat. onz. enk. pneumati van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (8) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,17.6. - 7. en pneumati (met een geest) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,16 . In een bredere contekst . (1) Lc 1,17 .: kai proeleusetai enôpion autou en pneumati kai dunamei èliou (en hij zal voorgaan in zijn aangezicht in een geest en een kracht van Elia) . (2) Lc 3,16 : autos humas baptisei en tô(i) pneumati kai puri (hij zal jullie dopen met heilige geest en vuur) . Lc 1,17 .verwijst naar Johannes de Doper , Lc 3,16 naar Jezus . en tô(i) pneumati (door de geest) . Lc (2) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 4,1 . In een bredere contekst . (1) Lc 2,27 : kai èlthen en tô(i) pneumati eis to hieron (en hij ging door de geest naar de tempel) . (2) Lc 4,1 : kai hègeto en tô(i) pneumati eis tèn erèmon (en hij werd door de geest naar de woestijn gedreven) .

Lc 1,17.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,17.9. datief vrouw. enkelvoud dunamei (met de kracht) van het zelfst. naamw. dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in het NT : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis (macht, kracht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,36 . Een vorm van dunamis (enk.) (macht, kracht) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,36 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,19 . (7) Lc 8,46 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 10,19 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,69 . (12) Lc 24,49 . Een mv.vorm in : (1) Lc 10,13 . (2) Lc 19,37 . (3) Lc 21,26 .

Lc 1,17.6. - 9. en (tè(i) ... dunamei (met - de - kracht) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 (en pneumati kai dunamei = in de geest en de kracht van ) . (2) Lc 4,14 (en tè(i) dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) . (3) Lc 4,36 . (en... dunamei = in de kracht) .

Lc 1,17.10. gen. mann. enk. (h)èliou (van Elia) van het zelfst. naamw. (h)èlios (zon / Elia) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Taalgebruik in Lc . : hèlios (zon) . Lc (4) : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 23,45 . Een vorm van (h)èlios (zon / Elia) in 5 verzen : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 21,25 . (5) Lc 23,45 .

Lc 1,17.1. - 10. Johannes wordt getypeerd als een voor-ganger, voor-loper in de geest en de kracht van Elia (Lc 1,17) . De zwangerschap van Maria zal gebeuren omdat heilige geest over haar komt en kracht van de Allerhoogste overschaduwt haar .

Lc 1,17.11. act. inf. aor. epistrepsai van het werkw. epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in Lc : epistrefô (naar iets toekeren) . Lc (1) Lc 1,17 . Een vorm van epistrefô (naar iets toekeren) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 8,55 . (5) Lc 17,4 . (6) Lc 17,31 . (7) Lc 22,32 .

Lc 1,17.13. gen. mann. mv. paterôn van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 11,48 . Een vorm van patèr (vader) in Lc in 48 verzen , in Lc 1 in 8 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,55 . (4) Lc 1,59 . (5) Lc 1,62 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 1,73 .

Lc 1,17.14. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,17.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,17.21. act. inf. aor. hetoimasai van het werkw. hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in het NT : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in het NT : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) .
Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 9,52 . Een vorm van hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 2,31 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 9,52 . (6) Lc 12,20 . (7) Lc 12,47 . (8) Lc 17,8 . (9) Lc 22,8 . (10) Lc 22,9 . (11) Lc 22,12 . (12) Lc 22,13 . (13) Lc 23,56 . (14) Lc 24,1 . Johannes de Doper wordt gezien als een voorbereider . Hij moet de weg bereiden (Lc 1,17) en hij moet een volk gereedmaken voor de Heer (Lc 1,76) . Naar het woord van Jesaja zal Johannes de Doper de weg bereiden (Lc 3,4) .

Lc 1,17.23. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (12) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,9 . (8) Lc 20,19 . (9) Lc 22,2 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,13 . (12) Lc 23,14 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 . Terwijl het volk bidt (Lc 1,10) en wacht (Lc 1,21) , krijgt Zacharia een boodschap die betrekking heeft op het volk (Lc 1,17) . Het wordt de taak van de toekomstige Johannes om een goed uitgerust volk voor de Heer voor te bereiden .

Lc 1,18 - Lc 1,18 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:18 kai eipen zacharias pros ton aggelon kata ti gnôsomai touto egô gar eimi presbutès kai è gunè mou probebèkuia en tais èmerais autès   18 et dixit Zaccharias ad angelum unde hoc sciam ego enim sum senex et uxor mea processit in diebus suis  En Zacharias zei tegen de engel: “Waaraan zal ik dit weten . Ik ben immers een oud man en mijn vrouw is van gevorderde leeftijd.”  18 En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen. [18] Daarop zei Zacharias tegen de engel: ‘Hoe kan ik daar zeker van zijn? Ik ben een oude man en mijn vrouw is al op jaren.’  
[18] Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’  
18 Dan zegt Zacharias tot de aankondig–engel: ‘waaraan zal ik dit wéten?’, want ik ben oud, en ook mijn vrouw is ver heen met haar levensdagen.  18. Zacharie dit à l'ange : « A quoi connaîtrai-je cela ? car moi je suis un vieillard et ma femme est avancée en âge. »  

King James Bible . [18] And Zacharias said unto the angel, Whereby shall I know this? for I am an old man, and my wife well stricken in years.
Luther-Bibel . 18 Und Zacharias sprach zu dem Engel: Woran soll ich das erkennen? Denn ich bin alt und meine Frau ist betagt.

Tekstuitleg van Lc 1,18 . Het vers Lc 1,18 telt 23 woorden en 107 letters . De getalwaarde van Lc 1,18 is 10848 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 113) .

Lc 1,18.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 10 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,18.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,18.1. - 2. kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .
eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,18.3. nom. mann. enk. zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,18.4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,18.5. bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,18.6. acc. mann. enk. aggelon van het zelfst. naamw. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (3) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 7,27 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .

Lc 1,18.7. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,18.8. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,62 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,18.10. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,66 .

Lc 1,18.12. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

Lc 1,18.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,18.16. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,18.17. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen .

19. pass. part. perf. nom. vr. enk. probebèkuia van het werkw. probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in het NT : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in Lc : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) .
Lc (2) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 2,36 . Een vorm van probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .
De vorm (probas : voortgegaan) komt in de bijbel slechts in Mc 1,19 voor en in de paralleltekst Mt 4,21 voor . bainô : banen , gaan . pro-bainô : vooruitgaan . Een vorm van het werkwoord probainô komt slechts in vijf verzen in het NT voor . Bij Mc en Mt in de ruimtelijke betekenis , bij Lucas in temporele (tijdelijke) betekenis : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .

Lc 1,18.20. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,18.21. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,18.22. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,18.20. - 22. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .

Lc 1,18.23. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,19 - Lc 1,19 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:19 kai apokritheis o aggelos eipen autô egô eimi gabrièl o parestèkôs enôpion tou theou kai apestalèn lalèsai pros se kai euaggelisasthai soi tauta  19 et respondens angelus dixit ei ego sum Gabrihel qui adsto ante Deum et missus sum loqui ad te et haec tibi evangelizare  19 En de engel antwoordde (en) zei hem: “Ik ben Gabriël die vóór God staat en ik ben gezonden om tot je te spreken en je deze blijde boodschap te brengen.  19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.   [19] De engel gaf hem ten antwoord: ‘Ik ben Gabriël, die God terzijde staat. Ik ben gezonden om met u te spreken en u dit heuglijke nieuws te brengen.  [19] De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden om je dit goede nieuws te brengen.  19 Ten antwoord zegt de aankondig–engel tot hem: ik ben Gabriël die voor Gods aanschijn staat en ik ben uitgezonden om tot jou te spreken en je dit alles aan te kondigen;   19. Et l'ange lui répondit : « Moi je suis Gabriel, qui me tiens devant Dieu, et j'ai été envoyé pour te parler et t'annoncer cette bonne nouvelle. 

King James Bible . [19] And the angel answering said unto him, I am Gabriel, that stand in the presence of God; and am sent to speak unto thee, and to shew thee these glad tidings.
Luther-Bibel . 19 Der Engel antwortete und sprach zu ihm: Ich bin Gabriel, der vor Gott steht, und bin gesandt, mit dir zu reden und dir dies zu verkündigen.

Tekstuitleg van Lc 1,19 . Het vers Lc 1,19 telt 23 woorden en 120 (2 X 3 X 4 X5) letters . De getalwaarde van Lc 1,19 is 11541 (3 X 3847) .

Lc 1,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,19.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc in 46 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 .

Lc 1,19.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .
Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud bij het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) . In Lc 1,11 verscheen een engel van de Heer aan Zacharias . Daar staat geen lidwoord . Hierna wordt telkens een lidwoord bij een vorm van het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) gebruikt . In Lc 1,19 maakt de engel zich bekend als Gabriël . Het is ook deze engel die aan Maria verscheen . Door het bepaald lidwoord bij aggelos (engel) en door de eigennaam van de engel nl. Gabriël is dit vers aan de vorige perikope (Lc 1,5-25) gelinkt .

Lc 1,19.4. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .

Lc 1,19.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,19.6. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,19.1. - 6. kai apokritheis ho aggelos eipen (en beantwoord ze de engel) .
(1) Lc 1,19 : kai apokritheis ho aggelos eipen autôi = en beantwoord zei de engel hem .
(2) Lc 1,35 : kai apokritheis ho aggelos eipen autèi = en beantwoord zei de engel haar .
In de twee verzen beantwoordt de engel een vraag , in Lc 1,19 van Zacharia en in Lc 1,35 van Maria .

Lc 1,19.12. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .

Lc 1,19.13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,19.14. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,19.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,19.16. pass. ind. aor. 1ste pers. enk. apestalèn (ik werd gezonden) van het werkw. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Lc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden . Lc (2) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 4,43 . Een vorm van apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in Lc in 24 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,26 .   (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,43 . (5) Lc 7,3 . (6) Lc 7,20 . (7) Lc 7,27 . (8) Lc 9,2 . (9) Lc 9,48 . (10) Lc 9,52 . (11) Lc 10,1 . (12) Lc 10,3 .   (13) Lc 10,16 . (14) Lc 11,49 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 14,17 . (17) Lc 14,32 .   (18) Lc 19,14 .  (19) Lc 19,29 . (20) Lc 19,32 . (21) Lc 20,10 . (22) Lc 20,20 . (23) Lc 22,8 . (24) Lc 24,49 . In Lc : 13 vormen in 12 hoofdstukken en in 24 verzen . De engel Gabriël zegt tot Zacharia : Ik werd gezonden (Lc 1,19) . In het parallelverhaal van de aankondiging aan Maria (Lc 1,26) wordt verteld dat de engel Gabriël tot Maria werd gezonden (apestalè = hij werd gezonden) .

Lc 1,19.17 . act. inf. aor. lalèsai van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

Lc 1,19.18. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,19.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,19.21. inf. aor. euaggelisasthai van het werkw. euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in Lc : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Lc (2) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 4,43 . Een vorm van euaggelizomai (goede boodschap brengen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 3,18 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,43 . (6) Lc 7,22 . (7) Lc 8,1 . (8) Lc 9,6 . (9) Lc 16,6 . (10) Lc 20,1 .

Lc 1,19.22. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,19.23. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,65 .

Lc 1,20 - Lc 1,20 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:20 kai idou esè siôpôn kai mè dunamenos lalèsai achri ès èmeras genètai tauta anth ôn ouk episteusas tois logois mou oitines plèrôthèsontai eis ton kairon autôn  20 et ecce eris tacens et non poteris loqui usque in diem quo haec fiant pro eo quod non credidisti verbis meis quae implebuntur in tempore suo  20 En zie, je zult zwijgen en niet kunnen spreken tot de dag dat deze dingen gebeuren, omdat je mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld* zullen worden op hun tijd.”  20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd. [20] Maar u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit gebeurt, omdat u mijn woorden niet hebt geloofd; maar die zullen op hun tijd in vervulling gaan.’  [20] Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’  20 zie, je zult zwijgen, je zult niet kunnen spreken tot op de dag dat dit alles geschiedt,– daarvoor dat je geen geloof gehecht hebt aan mijn woorden die vervuld zullen worden als het hun tijd is!   20. Et voici que tu vas être réduit au silence et sans pouvoir parler jusqu'au jour où ces choses arriveront, parce que tu n'as pas cru à mes paroles, lesquelles s'accompliront en leur temps. »  

King James Bible . [20] And, behold, thou shalt be dumb, and not able to speak, until the day that these things shall be performed, because thou believest not my words, which shall be fulfilled in their season.
Luther-Bibel . 20 Und siehe, du wirst stumm werden und nicht reden können bis zu dem Tag, an dem dies geschehen wird, weil du meinen Worten nicht geglaubt hast, die erfüllt werden sollen zu ihrer Zeit.

Tekstuitleg van Lc 1,20 . Het vers Lc 1,20 telt 26 (2 X 13) woorden en 130 (2 X 5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,20 is 15531 (3 X 31 X 167) .

Lc 1,20.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,20.2. idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

1. - 2. kai idou (en zie) . Lc (27) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 .

Lc 1,20.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,20.8. act. inf. aor. lalèsai van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .

9. achri (tot) . Taalgebruik in het NT : achri (tot) . Taalgebruik in Lc : achri (tot) . Lc (4) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 17,27 . (4) Lc 21,24 .

Lc 1,20.11. gen. vr. enk; + acc. vr. mv. hèmeras van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Lc (14) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,24 . (3) Lc 1,80 .  (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,44 . (6) Lc 2,46 . (7) Lc 4,2 . (8) Lc 4,42 . (9) Lc 9,51 . (10) Lc 15,13 . (11) Lc 17,4 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 18,7 . (14) Lc 21,37 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc 1 in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

13. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,65 .

15. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .

Lc 1,20.16. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,20.17. act. ind. aor. 2de pers. enk. episteusas (jij geloofde) van het werkw. pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in Lc : pisteuô (geloven, vertrouwen) .
Lc (1) Lc 1,20 . Een vorm van (geloven, vertrouwen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 8,12 . (4) Lc 8,13 . (5) Lc 8,50 . (6) Lc 16,11 . (7) Lc 20,5 . (8) Lc 22,67 . (9) Lc 24,25 . In Lc 1 worden Zacharia en Maria tegenover elkaar geplaatst als de niet-gelovige en de gelovige .

Lc 1,20.18. dat onz. mv. tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 1,79 .

Lc 1,20.19. dat. mann. mv. logois van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 23,9 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 .

Lc 1,20.23. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,20.24. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,20.25. acc. mann. enk. kairon van het zelfst. naamw. kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in het NT : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Mc : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Lc : kairos (gunstig moment) . Lc (4) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 8,13 . (3) Lc 12,56 . (4) Lc 19,44 . Een vorm van kairos (gunstig moment) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 12,42 . (5) Lc 12,56 . (6) Lc 13,1 . (7) Lc 18,30 . (8) Lc 19,44 . (9) Lc 20,10 . (10) Lc 21,8 . (11) Lc 21,24 . (12) Lc 21,36 .

Lc 1,20.26. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,77 .

Lc 1,21 - Lc 1,21 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:21 kai èn o laos prosdokôn ton zacharian kai ethaumazon en tô chronizein en tô naô auton  21 et erat plebs expectans Zacchariam et mirabantur quod tardaret ipse in templo  21 En het volk was aan het wachten op Zacharias en ze waren verwonderd dat hij bleef talmen in de tempel.  21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.  [21] Het volk stond op Zacharias te wachten en verbaasde zich erover dat hij zo lang in het heiligdom bleef.   [21] De menigte stond buiten op Zacharias te wachten, en de mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef.  21 De gemeente staat te wachten op Zacharias en zij zijn verwonderd dat hij zo lang in de tempel is.  21. Le peuple cependant attendait Zacharie et s'étonnait qu'il s'attardât dans le sanctuaire.  

King James Bible . [21] And the people waited for Zacharias, and marvelled that he tarried so long in the temple.
Luther-Bibel . 21 Und das Volk wartete auf Zacharias und wunderte sich, dass er so lange im Tempel blieb.

Tekstuitleg van Lc 1,21 . Het vers Lc 1,21 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,21 is 8572 (2 X 2 X 2143) . Lc 1,5-25 is concentrisch opgebouwd . Terwijl Zacharia in de tempel is (Lc 1,9) , is het volk aan het bidden (Lc 1,10) en wacht dan (Lc 1,21) tot Zacharia naar buiten komt (Lc 1,22) .

Lc 1,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,21.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,21.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,21.4. nom. mann. enk. laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (7) : (1) Lc 2,21 . (2) Lc 7,29 . (3) Lc 18,43 . (4) Lc 19,48 . (5) Lc 20,6 . (6) Lc 21,38 . (7) Lc 23,35 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 .
Nadat Zacharia de tempel was binnengegaan om het reukoffer te brengen , stond het volk buiten te bidden (Lc 1,10) . Het volk wacht en is verwonderd dat Zacharia zo lang in de tempel blijft (Lc 1,21) . In beide verzen wordt een omschrijvende constructie gebruikt : het was ... aan het bidden / wachten . De omschrijvende constructie omarmt een vorm van laos (volk) ; Lc 1,10 : èn tou laou proseuchomenon = de ganse menigte van het volk was aan het bidden . Lc 1,21 : èn ho laos prosdokôn = het volk was aan het wachten .

Lc 1,21.5. act. part. praes. nom. mann. enk. prosdokôn van het werkw. prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in het NT : prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in Lc : prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in Hnd : prosdokaô (verwachten, vermoeden) .
Lc (1) Lc 1,21 . Een vorm van prosdokaô (verwachten, vermoeden) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 3,15 . (3) Lc 7,19 . (4) Lc 7,20 . (5) . (6) Lc 8,40 .

Lc 1,21.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,21.7. acc. mann. enk. zacharian van de eigennaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,59 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,21.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,21.9. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ethaumazon (zij verbaasden zich) van het werkw. thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in het NT : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in Lc : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 4,22 . Een vorm van thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 4,22 . (6) Lc 7,9 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 9,43 . (9) Lc 11,14 . (10) Lc 11,38 . (11) Lc 20,26 . (12) Lc 24,12 . (13) Lc 24,41 .

Lc 1,21.10. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,21.11. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,21.12. act. inf. praes. chronizein van het werkw. chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Taalgebruik in het NT : chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Taalgebruik in Lc : chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Lc (1) Lc 1,21 . Deze vorm is in Lc 1,21 de enigste in de bijbel . In Lc : 2 vormen van chronizô (lange tijd verblijven, dralen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . Niet in Hnd . Een vorm van chronizô (lange tijd verblijven, dralen) in het NT (5) , in de LXX (27) . In Ex 32,1 blijft Mozes uit om van de berg af te dalen .

Lc 1,21.13. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,21.14. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,21.15. dat. mann. enk. naô(i) van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Lc : naos (tempel) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 . Een vorm van naos (tempel) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 23,35 .

Lc 1,21.13. - 15. en tô(i) naô(i) = in de tempel . Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,21.16. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,22 - Lc 1,22 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:22 exelthôn de ouk edunato lalèsai autois kai epegnôsan oti optasian eôraken en tô naô kai autos èn dianeuôn autois kai diemenen kôfos   22 egressus autem non poterat loqui ad illos et cognoverunt quod visionem vidisset in templo et ipse erat innuens illis et permansit mutus  22 Toen hij echter buitenkwam kon hij niet met hen spreken, en ze begrepen dat hij in de tempel een verschijning gezien had; en hij wenkte hun toe en bleef stom.   22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.   [22] Toen hij naar buiten kwam kon hij niet tot hen spreken, en ze begrepen dat hij in het heiligdom een verschijning had gezien. Hij maakte gebaren naar hen en bleef stom.  [22] Maar toen hij naar buiten kwam, kon hij niets tegen hen zeggen. Ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien; hij maakte gebaren tegen hen, maar spreken kon hij niet.  22 Als hij naar buiten komt kan hij niet tot hen spreken, en dan begrijpen ze dat hij in de tempel een visioen gezien heeft; hij kan alleen maar gebaren naar hen maken: hij blijft stom.  22. Mais quand il sortit, il ne pouvait leur parler, et ils comprirent qu'il avait eu une vision dans le sanctuaire. Pour lui, il leur faisait des signes et demeurait muet. 

King James Bible . [22] And when he came out, he could not speak unto them: and they perceived that he had seen a vision in the temple: for he beckoned unto them, and remained speechless.
Luther-Bibel . 22 Als er aber herauskam, konnte er nicht mit ihnen reden; und sie merkten, dass er eine Erscheinung gehabt hatte im Tempel. Und er winkte ihnen und blieb stumm.

Tekstuitleg van Lc 1,22 . Het vers Lc 1,22 telt 22 (2 X 11) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 1,22 is 13977 (3² X 1553) .

Lc 1,22.1. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud exelthôn (uitgegaan) van het werkwoord exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 14,18 . (4) Lc 15,28 . (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41) . In Lc 1 de enigste vorm van exerchomai (uitgaan) .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan , weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,28 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

Lc 1,22.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,22.3. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,22.5. act. inf. aor. lalèsai van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

Lc 1,22.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,22.9. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,22.12. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,22.13. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,22.14. dat. mann. enk. naô(i) van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Lc : naos (tempel) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 . Een vorm van naos (tempel) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 23,35 .

Lc 1,22.12. - 14. en tô(i) naô(i) = in de tempel . Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,22.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

16. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,22.17. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,22.15. - 17. kai autos èn (en hij was) . Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 3,23 . (3) Lc 5,1 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 17,16 . (6) Lc 19,2 .

Lc 1,22.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,23 - Lc 1,23 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:23 kai egeneto ôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou apèlthen eis ton oikon autou   23 et factum est ut impleti sunt dies officii eius abiit in domum suam  23 En het gebeurde, als de dagen van zijn dienst vervuld waren, dat hij weer naar huis ging.   23 En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.   [23] Zodra zijn tempeldienst was afgelopen ging hij naar huis.  [23] Toen zijn tempeldienst voorbij was, ging hij terug naar huis.  23 Het geschiedt: met dat de dagen van zijn eredienst vervuld zijn gaat hij heen, naar zijn huis;   23. Et il advint, quand ses jours de service furent accomplis, qu'il s'en retourna chez lui.  

King James Bible . [23] And it came to pass, that, as soon as the days of his ministration were accomplished, he departed to his own house.
Luther-Bibel . 23 Und es begab sich, als die Zeit seines Dienstes um war, da ging er heim in sein Haus.

Tekstanalyse van Lc 1,23 . Het vers Lc 1,23 telt 14 (2 X 7) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Lc 1,23 is 7252 (2 X 2 X 7 X 7 X 37) .

Lc 1,23.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,23.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

In Lc 1,5-25 gebruikt Lucas driemaal egeneto (het gebeurde - er was eens) ; de eerste maal bij het begin van het verhaal ; de tweede en de derde maal bij een overgang in het verhaal . De eerste maal (Lc 1,5) : er was eens een priester - in de dagen van Herodes , de koning van Judea ... . De tweede maal (Lc 1,8) duidt het een overgang aan en wordt omsloten door het derde egeneto (Lc 1,23) . In Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 wordt de beginsituatie , in Lc 1,8-22 de verandering van de ene situatie naar de andere en in Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 de eindsituatie gegeven .

Lc 1,23.3. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 1,56 .

Lc 1,23.2. - 3. egeneto hôs (het gebeurde toen) . Lc (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 19,29 .

Lc 1,23.4. passief indicatief aorist derde persoon meervoud eplèthèsan (zij werden vervuld) van het werkw. pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vullen) .
In zeven verzen bij Lucas . In vier verzen ervan heeft de vervulling te maken met de tijd ; in de andere drie verzen heeft het te maken met gevoelens . .
(1) Lc 1,23 (kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou = en het gebeurde zodra de dagen van zijn dienst) .
(2) Lc 2,6 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren bereikt om...) .
(3) Lc 2,21 (eplèsthèsan hèmerai oktô tou = de acht dagen waren bereikt om ...) .
(4) Lc 2,22 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren bereikt van ...) .
(5) Lc 4,28 (eplèsthèsan pantes thumou = allen werden vervuld van woede) .
(6) Lc 5,26 (eplèsthèsan fobou = zij werden vervuld van vrees) .
(7) Lc 6,11 (autoi de eplèsthèsan avoias = deze echter werden vervuld van onbegrip) .
Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 .

Lc 1,23.6. nom. vr. mv. hèmerai van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (12) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 2,22 . (5) Lc 5,35 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 13,14 . (8) Lc 17,22 . (9) Lc 19,43 . (10) Lc 21,6 . (11) Lc 21,22 . (12) Lc 23,29 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 1 in 11 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,39 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,75 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,23.4. - 6. eplèsthèsan hai hèmerai (de dagen werden vervuld) . Lc (3) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,22 . Zie ook Lc 2,21 : eplèsthèsan hèmerai oktô (de acht dagen waren vervuld) .

Lc 1,23.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,23.9. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,23.10. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,25 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 24,12 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 .  (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 .   (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 .  (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 .  (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 .  (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 .  (17) Lc 22,4 .  (18) Lc 22,13 .  (19) Lc 23,33 .  (20) Lc 24,12 .   (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan, weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,38 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .
Begin- en eindsituatie van het verhaal speelt zich af in het huis van Zacharia . Na de tempeldienst ging Zacharia naar huis (apèlthen eis ton oikon autou = hij ging weg naar zijn huis) .

Lc 1,23.11. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,23.12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,23.13. acc. mann. enk. oikon van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Taalgebruik in Lc : oikos (huis) .
Lc (19) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,33 (epi ton oikon = over het huis) . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,56 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 6,4 . (8) Lc 7,10 .  (9) Lc 7,36 . (10) Lc 8,39 . (11) Lc 8,41 . (12) Lc 9,61 .   (13) Lc 11,17 . (14) Lc 11,24 . (15) Lc 12,39 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,6 . (18) Lc 16,27 . (19) Lc 18,14 . Een vorm van oikos (huis) in Lc in 32 verzen .

Lc 1,23.11. - 13. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .

Lc 1,23.14. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,24 - Lc 1,24 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:24 meta de tautas tas èmeras sunelaben elisabet è gunè autou kai periekruben eautèn mènas pente legousa  24 post hos autem dies concepit Elisabeth uxor eius et occultabat se mensibus quinque dicens   Na die dagen werd Elisabet, zijn vrouw, zwanger. En ze hield zich gedurende vijf maanden verborgen, zeggend:   24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:  
[24] Niet lang daarna werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen. Ze zei:  

[24] Korte tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Ze leefde vijf maanden lang in afzondering en zei bij zichzelf:  
24 en ná deze dagen ontvangt zijn vrouw, Elisabet; zij verbergt zich vijf maanden, zeggend:   24. Quelque temps après, sa femme Élisabeth conçut, et elle se tenait cachée cinq mois durant.  

King James Bible . [24] And after those days his wife Elisabeth conceived, and hid herself five months, saying,
Luther-Bibel . 24 Nach diesen Tagen wurde seine Frau Elisabeth schwanger und hielt sich fünf Monate verborgen und sprach:

Tekstuitleg van Lc 1,24 . Het vers Lc 1,24 telt 16 (2² X 2²) woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 1,24 is 8368 (2² X 2² X 523) .

Lc 1,24.1. meta (met , na) . Afkortingen : met' of meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc 1 (6) . Een vorm van meta (4) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,39 . (4) Lc 1,72 . en met' (2) : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 1,66 .

Lc 1,24.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,24.3. acc. vr. mv. tautas van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (1) Lc 1,24 .

Lc 1,24.4. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc (1) Lc 1,24 .

Lc 1,24.5. acc. vr. mv. hèmeras van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (14) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,24 . (3) Lc 1,80 .  (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,44 . (6) Lc 2,46 . (7) Lc 4,2 . (8) Lc 4,42 . (9) Lc 9,51 . (10) Lc 15,13 . (11) Lc 17,4 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 18,7 . (14) Lc 21,37 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc 1 in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,24.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. sunelaben (zij ontving) van het werkw. sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Lc (1) Lc 1,24 . Een vorm van sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 2,21 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,9 . (7) Lc 22,54 .

Lc 1,24.7. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,24.8. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,24.9. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen .

Lc 1,24.10. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,24.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,24.16. part. pr. nom. vr. enk. legousa van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (4) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 9,35 . (3) Lc 15,9 . (4) Lc 18,3 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 1,66 . (4) Lc 1,67 ; van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . (12) Lc 1,61 .

Lc 1,25 - Lc 1,25 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:25 oti outôs moi pepoièken kurios en èmerais ais epeiden afelein oneidos mou en anthrôpois 25 quia sic mihi fecit Dominus in diebus quibus respexit auferre obprobrium meum inter homines   “Zo heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen dat hij neerzag om mijn smaad bij de mensen weg te nemen”.   25 Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.   [25] ‘Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij zich mijn lot aantrok en mijn smaad* onder de mensen wegnam.’  [25] De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten.  25 dit heeft de Heer aan mij gedaan!– dit zijn de dagen waarin hij naar mij omziet om mijn smaad bij de mensen weg te nemen.   25. « Voilà donc, disait-elle, ce qu'a fait pour moi le Seigneur, au temps où il lui a plu d'enlever mon opprobre parmi les hommes ! » 

King James Bible . [25] Thus hath the Lord dealt with me in the days wherein he looked on me, to take away my reproach among men.
Luther-Bibel . 25 So hat der Herr an mir getan in den Tagen, als er mich angesehen hat, um meine Schmach unter den Menschen von mir zu nehmen. Die Ankündigung der Geburt Jesu

Tekstuitleg van Lc 1,25 . Het vers Lc 1,25 telt 16 (2² X 2²) woorden en 75 (3 X5²) letters . De getalwaarde van Lc 1,25 is 7322 (2 X 7 X 523) .

Lc 1,25.1. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,25.3. dat. mann. enk. 1ste pers. enk. moi van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (27) . Lc 1 - 4 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 4,23 .

Lc 1,25.4. act. ind. perf. 3de pers. enk. pepoièken (hij heeft gemaakt) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Lc (1) Lc 1,25 . Een vorm van poieô (doen, maken) in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 1,51 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,72 .

Lc 1,25.5. nom. mann. enk. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . o.a. JHWH .
Lc (30) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . Verder in Lc 1 . : gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen . Een vorm van kurios (heer) in Lc in 99 verzen .

Lc 1,25.7. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

9. epeiden ( hij keek neer ) < ep- eiden . actief indicatief aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in de Septuaginta : eforaô (kijken op, neerkijken) . In vijf verzen in de bijbel : (1) Gn 4,4 (en JHWH keek neer - sjâ`â - op Abel) . (2) Ex 2,25 (en hij - God - keek neer - râ´âh - op de Israëlieten) . (3) Ps 54,9 (Mijn oog keek neer - râ´âh - op mijn vijanden) . (4) Ps 92,12 (Mijn oog keek neer - nâbhat - op mijn vijanden) . (5) Lc 1,25 (God keek neer op mijn schande) . Kijken op - neerzien kan positief of negatief geïnterpreteerd worden : genadig neerzien op , misprijzend neerkijken op . Een vorm van eforaô (kijken op, neerkijken) in de LXX in 29 verzen

11. oneidos (smaad, verwijt, schande) . oneidos (smaad, verwijt, schande) . Taalgebruik in Tenakh : oneidos (smaad, verwijt, schande) . Een vorm van oneidos (smaad, verwijt, schande) in de LXX (53) , in het NT (1) . Hebr. chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . Taalgebruik in Tenakh : chèrëpâh (smaad, hoon, schande) . .

14. dat. mann. mv. anthrôpois van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) . Lc (6) :

Gelijkaardige constructies in Mc 1,2-6 en Lc 1,5

Mc 1,2-6 verhaalt het optreden van Johannes de Doper. De evangelist Marcus begint in Mc 1,2 - Mc 1,3 met een citaat van een Jesajatekst om dan in Mc 1,4 over te gaan op de vervulling van die profetie in de persoon van Johannes. In Mc 1,4 is er voor het eerst sprake over Johannes. De zin begint met egeneto (het gebeurde) gevolgd door het onderwerp Johannes de Doper. In Lc 1,5 treffen we een gelijkaardige zinsconstructie aan: Egeneto (het gebeurde) gevolgd door de tijdsaanduiding (nl. in de dagen van Herodes, koning van Judea) en dan het onderwerp hiereus tis (een priester)... nl. de vader van Johannes de Doper. Vertaald : er was echter in die dagen van Herodes, koning van Judea, een bepaalde priester,... Een merkwaardige gelijkenis.
We kunnen nog verder opmerken dat zowel in Mc 1,4 als in Lc 1,5 noch kai (en) noch de (echter) wordt gebruikt.

Overeenkomsten tussen Mc 1,4 , Mc 1,9 en Lc 1,5
In Mc is er een zekere overeenkomst tussen Mc 1,4 en Mc 1,9. Beide teksten beginnen met egeneto (het gebeurde). In het ene geval (Mc 1,4) om het begin van Johannes de Doper aan te duiden, in het andere geval (Mc 1,9) dat van Jezus. Johannes treedt op in Judea en de Jordaan. Jezus komt van Galilea, van de stad Nazaret om zich door Johannes te laten dopen. Na de gevangenneming van Johannes de Doper zal Jezus naar Galilea teruggaan (Mc 1,14). Deze woonplaatsen en het gaan naar en het terugkeren naar, zullen ook in Lc 1 - Lc 2 een belangrijke rol spelen.
Mc 1,4 gebruikt egeneto (er was) met een onderwerp : er was Johannes de Doper. In Lc 1,5 vinden we een gelijkaardige constructie : er was eens een priester...
In Mc 1,9 vinden we de tijdsaanduiding en ekeinais tais hèmerais (in die dagen). Het zijn de dagen waarin Johannes optrad in de woestijn en doopte in de Jordaan. In Lc 1,5 treffen we de tijdsaanduiding 'in de dagen van koninhg Herodes' aan. En met de tijd wordt tegelijkertijd de plaats aangeduid nl. Judea. Zo krijgen we de invoeging: en tais hijmerais Hijroodou basileoos tijs Ioudaias (in de dagen van Herodes, de koning van Judea). Het begin van Jezus'optreden in Galilea wordt bepaald door de gevangenneming van Johannes de Doper (Mc 1,14). Later blijkt dat deze gevangenneming gebeurde door een zekere koning Herodes. Op een uiterst korte wijze worden de acteurs, de plaats en de tijd aangebracht: een zekere priester nl. de vader van Johannes de Doper, koning Herodes en de plaats Judea. Zie ook Lc 3,2b -

Lc 1,8. Lc 3,21 redactie van Mc 1,9. Lc 3,21 en parallelconstructie in Lc 1,8. Lc 1,8 en Lc 1,23: cirkelstructuur
In Lc 1,5-7 worden de personages van het verhaal voorgesteld. In Lc 1,8 grijpt een overgang plaats met Egeneto de en... (Het gebeurde echter in...). Het gebruikte werkwoord in de infinitief hierateuein (het priesterschap uitoefenen) roept het zelfstandig naamwoord (dat als onderwerp dienst doet) hiereus tis (een priester) (Lc 1,5) en hierateia (het priesterschap) (Lc 1,9) op. Lucas veronderstelt dat de priester Zacharia naar de tempel (in Jeruzalem) is gegaan. Lucas vermeldt heel uitdrukkelijk dat Zacharia naar huis ging zodra de dagen van zijn dienst waren vervuld (Lc 1,23). Hier hebben we met één van de vele elementen van de cirkelopbouw van het verhaal te maken nl. Lc 1,8 : Het gebeurde echter in het uitoeferen van het priesterschap Lc 1,23: en het gebeurde zodra de dagen van zijn diensttijd vervuld waren. Egeneto + en tooi + infinitiefzin, drukt gelijktijdigheid uit. We zien dezelfde zinsconstructie van Lc 1,8 in Lc 3,21 waar Lucas Mc 1,9 redigeert. Met Lc 1,8 begint de verandering van de begin- naar de eindsituatie in het verhaal.

We wijken nu wel af, maar de invloed van Mc 1,5 en Mc 1,9 bespeuren we ook in Lc 2,1; Lc 2,3 en Lc 2,4.
Er is een opmerkelijke gelijkenis tijdens Mc 1,9 en Lc 2,1. In beide gevallen gaat het over het aantreden van Jezus. In Mc 1,9 komt Jezus van Nazaret in Galilea om zich te laten dopen. In Lc 2,1 gaat het om een bevel om zich te laten inschrijven, waardoor de ouders van Jezus naar Betlehem zullen moeten gaan. Naast de invloed van Mc 1,9, speelt ook de invloed van Mc 1,5 een rol. Die beide invloeden en de zinsconstructie van Lc 2,1 zien we terugkomen in Lc 2,3 en Lc 2,4.

De zinsconstructie van Lc 1,8 zien we terugkomen in Lc 2,6.
De beginsituatie van het verhaal (Lc 2,1-7) is gekend. Jozef en Maria verblijven in Nazaret. Maria is zwanger. Als er niets onverwachts gebeurt, zal Maria in Nazaret bevallen. Daar duikt echter het besluit van keizer Augustus op om zich te laten registreren, ieder in zijn eigen stad. Bijgevolg moeten Jozef en Maria naar Betlehem afreizen. Lc 2,6 luidt de eindsituatie aan. Het ene brengt het andere mee. We zagen dat het egeneto van Lc 1,23 de verandering van het verhaal van Lc 1,5-25 omsluit. Zowel in Lc 1,23 als in Lc 2,6 is er sprake over: dagen van... waren vervuld: in het ene geval de dienst, in het andere geval: om hem te baren.

We blijven uitweiden, maar de zinsconstructie van Lc 1,8 vinden we ook terug in Lc 24,4. We beginnen te vermoeden dat het een stijlprocedé van Lucas is. Deze zinsconstructie staat opnieuw bij het begin van de verandering van begin- naar eindsituatie. Het staat dus aan een overgang. Opmerkelijk in beide verhalen is wel dat er daarna sprake is van "hemelse figuren". Maar voor beide verhalen staan we nog geen stap verder waarom Lucas het nu op deze wijze verhaalt.

2.2. en tais hijmerais Hijroodou basileoos tijs Ioudaias (in de dagen van Herodes, koning van Judea) (Lc 1,5); en de tooi mijni tooi heksooi ( in de zesde maand echter) (Lc 1,26)

Reeds bij het allereerste begin wordt de tijd van het gebeuren aangeduid: in de dagen (in de tijd) van Herodes , de koning van Judea . En zo is ook onmiddellijk de plaats aangeduid : Judea . De woorden koning en priester staan hier wel heel dicht bij elkaar . Ook in Lc 1,26 wordt de tijds- en plaatsaanduiding kort na elkaar gegeven . Het ene gebeuren speelt zich af in Judea , het andere in Galilea .

Als we ervan uitgaan dat Lucas deze verhalen heeft geconstrueerd, rijst de vraag waarom Lucas heeft gekozen voor "de zesde maand".
Door een tijdsaanduiding wordt de link gelegd tussen het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper (Lc 1,5-25) en dat van Jezus (Lc 1,26-38): en de tooi mijni ektooi (in de zesde maand echter). In de natuur staat de zonnewende van de zomer regelrecht tegenover de zonnewende van de winter met een verschil van zes maanden. In het vorige verhaal hoorden we dat Elisabet zich gedurende vijf maanden verborgen hield. In de zesde maand zal zij zich in het openbaar vertoond hebben. In die zesde maand (van de zwangerschap van Elisabet) wordt de beginsituatie van Maria en Jozef beschreven. Op het einde van dit verhaal (Lc 1,26-38) wordt de zesde maand nogmaals vermeld (Lc 1,36-37). Beide kinderen zullen dus geboren worden met zes maanden verschil. In de christelijke traditie is men de geboorte van Christus gaan vieren bij de zonnewende van de winter (25 december) en de geboorte van Johannes op 24 juni. Daarbij speelde de idee de rol dat Johannes minder moest worden en dat het licht van Jezus moest toenemen.
Er wordt enerzijds tussen beide verhalen een link gelegd, maar binnen die verhalen zijn er opmerkelijke verschilenl. Uit latere verhalen weten we dat Jezus naar de Jordaan trok om zich door Johannes te laten dopen. Wellicht was Jezus een leerling van Johannes. We zien echter dat de boodschap van Johannes sterk verschilt van die van Jezus.

2.3. apestalij ho aggelos Gabriijl apo tou Theou (werd de engel Gabriël vanwege God gezonden)

Zoals reeds gezegd, is de invloed van Marcus voelbaar in deze verhalen van Lucas. In Mc 1,4 is er voor het eerst sprake van Johannes de Doper, in Mc 1,9 van Jezus. In Lc 1,5 wordt de vader van Johannes de Doper, nl. Zacharia voorgesteld. In Lc 1,26 zouden we dan de vader van Jezus nl. Jozef kunnen verwachten. Maar daar ligt het eigenlijke vaderschap van Jezus blijkbaar niet. Jezus is van goddelijke oorsprong. Daarom komt een engel vanwege God. Zo belanden we bij het begin van het verhaal reeds in de verandering van de begin- naar de eindsituatie. De beginsituatie is verwerkt bij het begin van de verandering in het verhaal.

We gaan ervan uit dat we hier met fictieve verhalen te maken hebben. Dan rijst onmiddellijk de vraag wat de evangelist Lucas geïnspireerd heeft om de zwangerschaps- en geboorteverhalen op deze wijze te schrijven, welke bronnen hij kan gebruikt hebben en hoe hij deze bronnen heeft verwerkt.

De wijze waarop de engel verschijnt is anders in de beide verhalen. In Lc 1,11 wordt de engel gezien, staande aan de rechterkant van het brandofferaltaar, in Lc 1,26 wordt de engel vanwege God gezonden. In de tempel is God aanwezig; Hij hoeft niet te verschijnen. De engel in de nabijheid van God wordt gezien door Zacharia. Er heeft een verschijning plaats: hoti optasion heooraken (omdat hij een verschijning heeft gezien) lLc 1,22). In het verhaal van Maria wordt de engel naar Maria gezonden en gaat hij het huis van Maria binnen. De engel wordt niet gezien, maar gehoord door het woord dat de engel tot Maria richt.

Het is nu toch wel opmerkelijk dat Mc 1,2 (ofschoon in een andere interpretatie) sprake is over het zenden van een engel: idou apostello ton aggelon mou pro prosoopou sou (Zie, ik zend mijn engel voor uw aangezicht). In de beide aankondigingsverhalen van Lucas wordt een engel gezonden.

We zien een zekere gelijkenis tussen Mc 1,9 en Lc 1,26. Zacharia is een priester. Jozef is van koninklijke afkomst. Zacharia is getrouwd met Elisabet. Maria is verloofd met Jozef.


3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 - Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

Lc 1,26 - Lc 1,26 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:26 en de tôi mèni tôi hektôi apestalè ho aggelos gabrièl apo tou theou eis polin tès galilaias è onoma nazareth  26 in mense autem sexto missus est angelus Gabrihel a Deo in civitatem Galilaeae cui nomen Nazareth  26 In de zesde maand nu werd de engel Gabriël van bij God gezonden naar een stad van Galilea, waarvan de naam Nazaret was,   26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;  [26] In* de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret,  [26] In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea,  26 ¶ In de zesde maand wordt de aankondig–engel Gabriël gezonden van God naar een stad in Galilea wier naam is Nazaret,  26. Le sixième mois, l'ange Gabriel fut envoyé par Dieu dans une ville de Galilée, du nom de Nazareth,  

King James Bible . And in the sixth month the angel Gabriel was sent from God unto a city of Galilee, named Nazareth,
Luther-Bibel . Und im sechsten Monat wurde der Engel Gabriel von Gott gesandt in eine Stadt in Galiläa, die heißt Nazareth,

Tekstuitleg van Lc 1,26 . Dit vers Lc 1,26 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Lc 1,26 is 8163 (3 X 3 X 907) . Reeds bij het allereerste begin van Lc 1,5-25 wordt de tijd van het gebeuren aangeduid : in de dagen (in de tijd) van Herodes , de koning van Judea . En zo is ook onmiddellijk de plaats aangeduid : Judea . De woorden koning en priester staan hier wel heel dicht bij elkaar . Ook in Lc 1,26 wordt de tijds- en plaatsaanduiding kort na elkaar gegeven . Het ene gebeuren speelt zich af in Judea , het andere in Galilea .

De perikope Lc 1,26-38 begint niet met egeneto zoals de perikope Lc 1,5-25 . De perikope Lc 1,26-38 start met het centrale gedeelte : de verandering van de begin- naar de eindsituatie . De gegevens van de beginsituatie zijn verwerkt in het vers waarin de veranderingssituatie aanvangt . De gegevens van de beginsituatie zijn uiterst beperkt . Tijdsgegevens : in de zesde maand ; deze tijdsbepaling is gelinkt aan de vorige perikope . Plaatsgegevens : Nazaret van Galilea . Hoofdpersonage : de maagd Maria , verloofd met Jozef . De gegevens van het hoofdpersonage zijn uiterst beperkt : maagd en verloofd . Wie Maria verder is, wie haar ouders zijn enz. wordt niet gegeven . Dit staat in schril contrast met de uitvoerige beschrijving van de beginsituatie van Lc 1,5-25 . Wellicht wil Lucas benadrukken dat Jezus louter genade is (en bijgevolg ook de zwangerschap van Maria) .

Lc 1,26.1. - 6. In de zesde maand (van de zwangerschap van Elisabeth , zo wordt verondersteld) . Deze tijdsaanduiding maakt een link met Lc 1,24 (katekruben heautèn mènas pente = zij verborg zich vijf maanden) , waarin gezegd wordt dat Elisabeth zich gedurende vijf maanden verborgen hield . In Hag 1,1 vinden we een identieke formulering : en tôi mèni tôi hektôi (in de zesde maand) . Zonder en (in) in 1 Kr 27, 9 . In een jaarcyclus is de zesde maand de tegenpool van de eerste maand . Zo kunnen Johannes de Doper en Jezus twee polen van een geheel zijn .
De zwangerschap van Elisabeth bleef zo lang uit met het oog op de zwangerschap van Maria .
- Evenals Lc 1,5 begint met een tijdsbepaling (en... = in...) , begint Lc 1,26 met de tijdsbepaling (en... = in...) .

Lc 1,26.1. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,26.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,26.3. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,26.4. dat. vr. enk. mèni (in de maand) van het zelfst. naamw. mèn (maand) . Taalgebruik in het NT : mèn (maand) . Taalgebruik in Lc : mèn (maand) .
Lc (1) Lc 1,26 . Een vorm van mèn (maand) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,26 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,56 . (5) Lc 4,25 .

Lc 1,26.5. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,26.7. passief aorist derde persoon mannelijk enkelvoud apestalè (hij werd gezonden) van het werkw. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Lc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden . Lc (1) Lc 1,26 . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. : (1) Js 6,6 (apestalè pros me hen tôn serafin = een van de Serafijnen werd tot mij gezonden) . (2) Js 20,1 . (3) Js 37,21 . (4) Est 3,13 . (5) Da 4,11 ( kai idou aggelos apestalè ek tou ouranou = en zie een engel werd gezonden vanuit de hemel) . (6) Da 4,21 (hoti aggelos apestalè para tou kuriou = want een engel werd gezonden vanwege de Heer) . (7) Ezr 5,5 . (8) Ezr 7,14 . (9) Tob 3,17 (apestalè = Rafaël werd gezonden) . (10) Sir 15,9 . In twee verzen in het NT : (1) Lc 1,26 (apestalè ho aggelos Gabrièl apo tou theou = de engel Gabriël werd door God gezonden) . (2) Hnd 28,28 . In vijf van de twaalf teksten werd een engel gezonden : (1) Js 6,6 , (5) Da 4,11 , (6) Da 4,21 , (9) Tob 3,17 en Lc 1,26 . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 .
- apostellô (wegsturen, zenden) is samengesteld door het voorzetsel apo (weg van) en stellô . Aansluitend bij het voorzetsel van het werkwoord sluit de bepaling apo tou theou (weg van God) aan . Het is opvallend dat God geen onderwerp van het wegsturen (zenden) is . Een vorm van apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in Lc in 24 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,26 .   (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,43 . (5) Lc 7,3 . (6) Lc 7,20 . (7) Lc 7,27 . (8) Lc 9,2 . (9) Lc 9,48 . (10) Lc 9,52 . (11) Lc 10,1 . (12) Lc 10,3 .   (13) Lc 10,16 . (14) Lc 11,49 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 14,17 . (17) Lc 14,32 .   (18) Lc 19,14 .  (19) Lc 19,29 . (20) Lc 19,32 . (21) Lc 20,10 . (22) Lc 20,20 . (23) Lc 22,8 . (24) Lc 24,49 . In Lc : 13 vormen in 12 hoofdstukken en in 24 verzen .
- apestalè (hij werd gezonden) maakt een link met Lc 1,19 (kai apestalèn = en ik werd gezonden) . De engel Gabriël zegt tot Zacharia : Ik werd gezonden (Lc 1,19) . In het parallelverhaal van de aankondiging aan Maria (Lc 1,26) wordt verteld dat de engel Gabriël tot Maria werd gezonden (apestalè = hij werd gezonden) .
- Het laatste deel van Lc 1,38 sluit de perikope af met het vertrek van de engel , het tegendeel van het gezonden worden naar . Zoals in Lc 1,26 (apestalè ho aggelos Gabrièl apo tou theou = de engel Gabriël werd door God gezonden) wordt in Lc 1,38 een werkwoord gebruikt met het voorvoegsel ap' en gevolgd door een bepaling die begint met apo (ap') kai apèlthen ap'autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) .

Lc 1,26.8. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .
Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud bij het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) . In Lc 1,11 verscheen een engel van de Heer aan Zacharias . Daar staat geen lidwoord . Hierna wordt telkens een lidwoord bij een vorm van het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) gebruikt . In Lc 1,19 maakt de engel zich bekend als Gabriël . Het is ook deze engel die aan Maria verscheen . Door het bepaald lidwoord bij aggelos (engel) en door de eigennaam van de engel nl. Gabriël is dit vers aan de vorige perikope (Lc 1,5-25) gelinkt .

Lc 1,26.9. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .

 Lc 1,11 Lc 1,19 Lc 1,26   Lc 2,9   Lc 2,9   Lc 9,30 Lc 9,32 Lc 24,4 Mc 1,2
ôfthè de (verscheen echter) autôi (aan hem)   apestalè (werd gezonden) kai (en) kai (en) kai idou (en zie) kai (en) kai idou (en zie) idou apostellô (zie ik zend)
aggelos kuriou (een engel van de Heer) egô eimi Gabrièl (ik ben Gabriël) ho aggelos Gabrièl (de engel Gabriël) aggelos kuriou (een engel van de Heer) doksa kuriou (de heerlijkheid van de Heer) andres duo (twee mannen) tous duo andras (de twee mannen) andres duo (twee mannen) ton aggelon mou (mijn 'engel')
hestôs (staande) ho parestèkôs (die staande )   epestè (stond) perielampsen (omstraalde) sunelaloun (spraken samen)   tous sunestôtas (die staande waren) epestèsan (stonden)  
ek deksiôn (aan de rechterzijde) enôpion tou Theou (voor het aanschijn van God)             pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)
tou thusiastèriou (van het brandofferaltaar)   kai (en) apestalèn (ik werd gezonden) lalèsai pros se (tot u te spreken)  kai euaggelisasthai soi tauta (en te melden aan u deze)   autois (bij hen)  autous (hen)  autôi (met hem) autôi (met hem)  autais (bij hen)   
2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36   168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12  13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6

4. Gabriël (Gabriël) . Verwijzing : Gabriël (Gabriël) , zie Lc 1,26 . Gabriël (Gabriël) . In vier verzen in de bijbel : (1) Da 8,16 . (2) Da 9,21 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 : ho aggelos gabrièl = de engel Gabriël .
- In Lc 1,26-38 komt de engel driemaal aan het woord : (1) Lc 1,28 ; (2) Lc 1,30 ; (3) Lc 1,35 en reageert Maria tweemaal op het woord van de engel : (1) Lc 1,34 ; (2) Lc 1,38 .

Lc 1,26.11. - 13. apo tou theou (weg van God) , zie apestalè (hij werd gezonden) hierboven .
- hupo tou theou (door God) . In veertien verzen in het NT : (1) Mt 22,31 . (2) Lc 1,26 . (3) Hnd 10,33 . (4) Hnd 10,41 . (5) Hnd 10,42 . (6) Hnd 26,6 . (7) Rom 13,1 . (8)

Lc 1,26.11. apo (af, van-weg) . afkoring ap' of af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 1,52 . ap' . Lc (32) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,70 .

Lc 1,26.12. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,26.13. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju .
Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,26.12. 13. tou theou (van God) . Een vorm van theos (God) wordt meestal voorafgegaan door het bepaald lidwoord . Verwijzing : theos (God) , zie Lc 24,53 . theou . In zeventig verzen bij Lucas . In zeven verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 .

14. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,26.15. acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in NT : polis (stad) . Taalgebruik in Lc : polis (stad) .
Lc (17) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 2,3 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 7,11 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,4 . (10) Lc 8,34 . (11) Lc 8,39 . (12) Lc 9,10 . (13) Lc 10,1 . (14) Lc 10,8 . (15) Lc 10,10 . (16) Lc 19,41 . (17) Lc 22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 37 verzen .

Lc 1,26.14. - 15. eis polin (naar een stad) . Lc (7) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (7) Lc 7,11 . (10) Lc 8,34 . (17) Lc 22,10 .

Lc 1,26.16. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,26.17. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .

15. - 17. polin tès galilaias (een stad van Galilea) . Lc (2) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 4,31 .

Lc 1,26.18. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,26.19. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .

Lc 1,26.18. - 19. betrekkelijk voornaamwoord datief enkelvoud + onoma (naam) in Lc (5) : (1) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (3) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (4) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (5) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
Betrekk. voornaamw. datief vrouw. enk. in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Het betreft twee dorpen : Nazareth en Emmaüs , het eerste en het laatste dorp in Lc . De andere drie verzen zijn samengesteld uit het betrekk. voornaamw. datief mann. enk. + een persoonsnaam (Jozef , Simeon en Jaïrus) : (1) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (2) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (3) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) .

Lc 1,26.20. nazaret of nazareth (Nazareth) . Taalgebruik in het NT : nazaret of nazareth (Nazareth) . Taalgebruik in Lc : nazaret of nazareth (Nazareth) .
Lc (4) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 2,51 . nazara in Lc 4,16 .

Lc 1,27 - Lc 1,27 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:27 pros parthenon emnèsteumenèn andri ô onoma iôsèf ex oikou dauid kai to onoma tès parthenou mariam  27 ad virginem desponsatam viro cui nomen erat Ioseph de domo David et nomen virginis Maria   27 tot een maagd die uitgehuwelijkt was aan een man, van wie de naam Jozef was, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria.  27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.  [27] naar een maagd die verloofd* was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria.  [27] naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria.  27 tot een maagd in ondertrouw met een man wiens naam is Jozef uit het huis van David; de naam van de maagd is Maria.   27. à une vierge fiancée à un homme du nom de Joseph, de la maison de David ; et le nom de la vierge était Marie. 

King James Bible . [27] To a virgin espoused to a man whose name was Joseph, of the house of David; and the virgin's name was Mary.
Luther-Bibel . 27 zu einer Jungfrau, die vertraut war einem Mann mit Namen Josef vom Hause David; und die Jungfrau hieß Maria.

Tekstuitleg van Lc 1,27 . Het vers Lc 1,27 telt 16 (2² X 2²) woorden en 82 (2 X 41) letters . De getalwaarde van Lc 1,27 is 7443 (3² X 827) .

Lc 1,27.1. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,27.3. pass. part. perf. acc. vr. enk emnèsteumenèn (verloofd) van het werkw. mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) . Taalgebruik in het NT : mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) . Taalgebruik in Lc : mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) .
Lc (1) Lc 1,27 . Deze vorm komt in de bijbel slechts hier in Lc 1,27 voor . Een vorm van mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,5 .

5. dat. mann. + onz. enk. hô(i) van het betrekk. voornaamw. hos (die) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (14) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,25 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 6,38 . (6) Lc 7,4 . (7) Lc 7,43 . (8) Lc 7,47 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,41 . (11) Lc 10,22 . (12) Lc 12,48 . (13) Lc 19,13 . (14) Lc 24,25 .

Lc 1,27.6. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .

Lc 1,27.5. - 6. betrekkelijk voornaamwoord datief enkelvoud + onoma (naam) in Lc (5) : (1) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (3) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (4) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (5) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
Betrekk. voornaamw. datief vrouw. enk. in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Het betreft twee dorpen : Nazareth en Emmaüs , het eerste en het laatste dorp in Lc . De andere drie verzen zijn samengesteld uit het betrekk. voornaamw. datief mann. enk. + een persoonsnaam (Jozef , Simeon en Jaïrus) : (1) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (2) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (3) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) .

Lc 1,27.7. iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf (Jozef) .
Lc (8) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,16 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 3,24 . (6) Lc 3,30 . (7) Lc 4,22 . (8) Lc 23,50 .

Lc 1,27.8. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,27.9. gen. mann. enk. oikou van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Taalgebruik in Lc : oikos (huis) . Taalgebruik in Hnd : oikos (huis) . Taalgebruik in de Septuaginta : oikos (huis) . Hebr. be(j)th (huis) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)th (huis) . Getalwaarde van be(j)th ; beth = 2 , jod = 10 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 412) . Tenakh (911) . Lat. domus . Fr. maison . Ned. huis . E. house . D. Hause . Een vorm van oikos in de LXX (2062) , in het NT (112) . Lc (3) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 11,51 . Een vorm van oikos (huis) in Lc 1 in 6 verzen : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,33 . (4) Lc 1,40 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,69 . Een vorm van oikos in de LXX (2062) , in het NT (112) . Bij oikou (huis) staat geen lidw. Moeten we vertalen : uit een huis van David ? of : uit het huis van David ? Is het via de lijn van Salomo of uit een andere lijn ?

8. - 9. ek oikou (uit 'het' huis van) . Hebr. mbe(j)th . mibbajith OF mibbe(j)th . Tenakh (102) .

Lc 1,27.10. dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .
Lc (12) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,69 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 3,31 . (7) Lc 6,3 . (8) Lc 18,38 . (9) Lc 18,39 . (10) Lc 20,41 . (11) Lc 20,42 . (12) Lc 20,44 .

Lc 1,27.8. - 10 . ex oikou (...) dauid (uit een huis van David) in Lc (2) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . en oikô(i) dauid (in een huis van David) : Lc 1,69 .

Lc 1,27.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,27.12. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,27.14. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,27.16. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) .
Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

Lc 1,28 - Lc 1,28 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:28 kai eiselthôn pros autèn eipen chaire kecharitômenè o kurios meta sou  28 et ingressus angelus ad eam dixit have gratia plena Dominus tecum benedicta tu in mulieribus   28 En hij ging bij haar binnen (en) zei: “Wees gegroet, begenadigde, de Heer is met je“.
28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.  
[28] De engel trad bij haar binnen en zei: ‘Verheug* u, begenadigde, de Heer is met u.’  [28] Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’  28 Binnengekomen bij haar zegt hij: verheug je, begenadigde, de Heer is met je!– een gezegende ben je onder de vrouwen!  28. Il entra et lui dit : « Réjouis-toi, comblée de grâce, le Seigneur est avec toi. » 

King James Bible . [28] And the angel came in unto her, and said, Hail, thou that art highly favoured, the Lord is with thee: blessed art thou among women.
Luther-Bibel . 28 Und der Engel kam zu ihr hinein und sprach: Sei gegrüßt, du Begnadete! Der Herr ist mit dir!

Tekstuitleg van Lc 1,28 . Het vers Lc 1,28 telt 17 woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 1,28 is 9230 (2 X 5 X 13 X 71) .

Lc 1,28.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,28.2. part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 11,37 . (5) Lc 19,1 . (6) Lc 19,45 .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 45 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan, weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,38 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. vr. enk. autèn (haar) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (25) : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 4,6 . (6) Lc 4,39 . (7) Lc 6,48 . (8) Lc 7,13 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 9,24 . (11) Lc 11,32 . (12) Lc 13,7 . (13) Lc 13,8 . (14) Lc 13,9 . (15) Lc 13,12 . (16) Lc 13,18 . (17) Lc 13,34 . (18) Lc 16,16 . (19) Lc 17,33 . (20) Lc 18,5 . (21) Lc 18,17 . (22) Lc 19,41 . (23) Lc 20,31 . (24) Lc 20,33 . (25) Lc 21,21 .

Lc 1,28.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,28.8. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,28.9. nom. mann. enk. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . o.a. JHWH .
Lc (30) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . Verder in Lc 1 . : gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen . Een vorm van kurios (heer) in Lc in 99 verzen .

Lc 1,28.10. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 = 58) . Lc 1 (6) . Een vorm van meta (4) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,39 . (4) Lc 1,72 . en met' (2) : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 1,66 .

11. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,29 - Lc 1,29 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:29 è de epi tô logô dietarachthè kai dielogizeto potapos eiè o aspasmos outos  29 quae cum vidisset turbata est in sermone eius et cogitabat qualis esset ista salutatio  29 Zij nu was hevig ontsteld door dat woord en ze overlegde van welke aard die groet mocht zijn.  29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide, hoedanig deze groetenis mocht zijn.   [29] Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had.   [29] Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had.  29 Maar zij is door dit woord zeer geschokt en vraagt zich af wat deze begroeting wel betekent.   29. A cette parole elle fut toute troublée, et elle se demandait ce que signifiait cette salutation. 

King James Bible . [29] And when she saw him, she was troubled at his saying, and cast in her mind what manner of salutation this should be.
Luther-Bibel . 29 Sie aber erschrak über die Rede und dachte: Welch ein Gruß ist das?

Tekstuitleg van Lc 1,29 . Het vers Lc 1,29 telt 15 (3 X 5) woorden en 73 letters . De getalwaarde van Lc 1,29 is 8300 (2² X 5² X 83) .

Lc 1,29.1. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,29.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,29.3. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,29.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,29.5. dat. mann. enk. logô(i) van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 7,7 . (3) Lc 24,19 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 2 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 .

Lc 1,29.3. - 5. epi tô(i) logô(i) = op het woord : Lc 1,29 . epi tois logois = op de woorden : Lc 4,22 .

Lc 1,29.6. pass. ind. aor. 3de pers. enk. dietarachthè (zij werd in verwarring gebracht) van het werkw. diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in het NT : diatarassô (in verwarring brengen) . Taalgebruik in Lc : diatarassô (in verwarring brengen) . Lc (1) Lc 1,29 . Enkel deze vorm in het NT . Enigste gebruik van dit werkw. in het NT .
Zacharia werd in verwarring gebracht (etarachthè) door het visioen van de engel (Lc 1,12) , Maria werd in verwarring gebracht (dietarachthè) door het woord van de engel (Lc 1,29) .

Lc 1,29.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,29.7. imperat. praes. 2de pers. enk. fobou (vrees) van het werkw. fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (5) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,29 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 8,50 . (5) Lc 12,32 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen .

Lc 1,29.11. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,29.12. nom. mann. enk. aspasmos (groet, welkom) . Taalgebruik in het NT : aspasmos (groet, welkom) . Taalgebruik in Lc : aspasmos (groet, welkom) .
Lc (1) Lc 1,29 . Een vorm van aspasmos (groet, welkom) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 11,43 . (5) Lc 20,46 .

Lc 1,29.13. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,36 .

Lc 1,30 - Lc 1,30 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:30 kai eipen o aggelos autè mè fobou mariam eures gar charin para tô theô  10 et ait angelus ei ne timeas Maria invenisti enim gratiam apud Deum  30 En de engel zei haar: “Vrees niet, Maria, je hebt immers genade gevonden bij God.   30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.   [30] Maar de engel zei: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God.   [30] Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.   30 De aankondig–engel zegt tot haar: vrees niet, Maria, want je hebt genade gevonden bij God;  30. Et l'ange lui dit : « Sois sans crainte, Marie ; car tu as trouvé grâce auprès de Dieu.  

King James Bible . [30] And the angel said unto her, Fear not, Mary: for thou hast found favour with God.
Luther-Bibel . 30 Und der Engel sprach zu ihr: Fürchte dich nicht, Maria, du hast Gnade bei Gott gefunden.

Tekstuitleg van Lc 1,30 . Het vers Lc 1,30 telt 14 (2 X 7) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Lc 1,30 is 6255 (3² X 5 X 139) .

Lc 1,30.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 . 3. Lc 1,26-38 (+ 10 / 13 . - 3 / 13) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37 .) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,30.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,30.1. - 2. kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .
eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,30.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,30.4. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .

Lc 1,30.1. - 4. Van de tien verzen in het Lucasevangelie waarin ho aggelos (de engel) onderwerp is , is er slechts 1 vers met eipen de (hij echter zei) nl. Lc 1,13 (eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem) en 2 verzen beginnen met kai eipen (en hij zei) : (1) Lc 1,30 (kai eipen ho aggelos autè(i) = en de engel zei haar) . (2) Lc 2,10 (kai eipen autois ho aggelos = en de engel zei hen) .

Lc 1,30.5. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

Lc 1,30.1. - 5. kai eipen ho aggelos autèi = en de engel zei haar . Meestal staat de voornaamwoordbepaling onmiddellijk na het werkwoord . In dit vers staat het onderwerp (ho aggelos = de engel) onmiddellijk na het werkwoord .

Lc 1,30.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,30.7. imperat. praes. 2de pers. enk. fobou (vrees) van het werkw. fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (5) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 8,50 . (5) Lc 12,32 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,50 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 8,35 . (9) Lc 8,50 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 12,4 . (13) Lc 12,5 . (14) Lc 12,7 . (15) Lc 12,32 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 19,21 . (19) Lc 20,19 . (20) Lc 22,2 . (21) Lc 23,40 .

Lc 1,30.8. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) .
Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

Lc 1,30.9. act. ind. aor. 2de pers. enk. heures (jij vondt) (mâtsâ´ thâ) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Hnd : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in de Septuaginta : heuriskô (vinden) . Hebr. mâtsâ´ (vinden) . Taalgebruik in Tenakh : mâtsâ´ (vinden) . Lat. invenire . Fr. trouver . Du latin populaire *tropare (« composer, inventer un air » d’où « composer un poème », puis « inventer, découvrir »), dérivé de tropus (« figure de rhétorique » ? voir trope). Website : http://fr.wiktionary.org/wiki/trouver . Ned. vinden . D. finden . E. to find . Lc (1) Lc 1,30 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen , in Lc 1 (1) Lc 1,30 . In Lc : 17 vormen in 18 / 24 hoofdstukken en 45 verzen . In Hnd : X vormen in 17 hoofdstukken en 33 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in de LXX (613) , in het NT (176) . Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . Lc (1) Lc 1,30 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen .

Lc 1,30.10. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

Lc 1,30.11. acc. vr. enk. charin van het zelfst. naamw. charis (genade, gratie) . Taalgebruik in het NT : charis (genade, gratie) . Taalgebruik in Lc : charis (genade, gratie) .Begin van een groet . ch - r : L. gratia . Fr. grâce . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . We zouden groeten : aangenaam . Verwante woorden : eucharisteô (danken) . Lc (3) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 7,47 . (3) Lc 17,9 . Een vorm van charis (genade, gratie) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 2,40 . (3) Lc 2,52 . (4) Lc 4,22 . (5) Lc 6,32 . (6) Lc 6,33 . (7) Lc 6,34 . (8) Lc 7,47 . (9) Lc 17,9 .

Lc 1,30.12. para . Afkorting par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in NT : para (langs) . Taalgebruik in Lc : para (langs) .
Lc (20 + 8 = 28) . para in Lc (20) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 . par' (8) : (1) Lc 6,19 . (2) Lc 6,34 . (3) Lc 9,47 . (4) Lc 10,7 . (5) Lc 11,16 . (6) Lc 11,37 . (7) Lc 12,48 . (8) Lc 18,14

13. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,30.14. dat.  mann. enk. theô(i) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju .
Lc (9) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,38 . (4) Lc 2,52 . (5) Lc 16,13 . (6) Lc 17,18 . (7) Lc 18,27 . (8) Lc 18,43 . (9) Lc 20,25 .
Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,31 - Lc 1,31 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:31 kai idou sullèmpsè en gastri kai texè uion kai kaleseis to onoma autou ièsoun   11 ecce concipies in utero et paries filium et vocabis nomen eius Iesum   31 En zie, je zult ontvangen in je schoot en je zult een zoon baren en je zult hem Jezus noemen 31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.   [31] U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven.  [31] Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.   31 zie, je zult in je schoot ontvangen en baren een zoon en zijn naam noemen: Jezus,–  31. Voici que tu concevras dans ton sein et enfanteras un fils, et tu l'appelleras du nom de Jésus.

King James Bible . [31] And, behold, thou shalt conceive in thy womb, and bring forth a son, and shalt call his name JESUS.
Luther-Bibel . 31 Siehe, du wirst schwanger werden und einen Sohn gebären, und du sollst ihm den Namen Jesus geben.

Tekstuitleg van Lc 1,31 . Het vers Lc 1,31 telt 14 (2 X 7) woorden en 64 (2³ X 2³) letters . De getalwaarde van Lc 1,31 is 6526 (2 X 13 X 251) . De zwangerschap van Elisabet wordt aangekondigd in Lc 1,13 , die van Jezus in Lc 1,31 . 13 en 31 zijn elkaars spiegelbeelden . De geboorteaankondiging van Jezus aan Maria komt het meest overeen met de geboorteaankondiging van Ismaël aan Hagar .
- Gn 16,11 : idou su en gastri echeis kai texè(i) huion kai kaleseis to onoma autou ismaèl (zie jij hebt in je buik en je zult een zoon baren en je zult zijn naam noemen Ismaël ) .
- Lc 1,31 : kai idou sullèmpsè(i) en gastri kai texè(i) huion kai kaleseis to onoma autou ièsoun (en zie jij zult ontvangen in de buik en je zult een zoon ontvangen en je zult zijn naam noemen Jezus) .
Twee geboorteaankondigingen : die van Johannes aan Zacharia (Lc 1,13) , die van Jezus aan Maria (Lc 1,31) . Verwoord aan de hand van de geboorteaankondigingen van Isaäk aan Abraham (Gn 17,19) en van Ismaël aan Hagar (Gn 16,11) .

hinnâkh hârah wëjoladëthë ben (zie jij zwanger zijnde en barende een zoon) . In drie verzen in de bijbel : (1) Gn 16,11 (de engel van JHWH tot Hagar) . (2) Re 13,5 (de engel van JHWH aan Simson) . (3) Re 13,7 (idem als Re 13,5) . LXX : (1) Gn 16,11 : idou su en gastri echeis (tegenwoordige tijd) kai texèi (toekomende tijd) huion = zie je hebt in je buik en je zult een zoon baren . (2) en (3) idou su en gastri exeis (toekomende tijd) kai texèi (toekomende tijd) huion = zie je zult hebben in je buik en je zult een zoon baren . Zonder hinnâkh (zie jij) maar in de derde persoon : hinneh hâ`alëmäh hârah wëjoladëthë ben (zie de maagd zal zwanger worden en zij zal een zoon baren) . LXX : idou hè parthenos en gastri exei kai texetai huion = zie de maagd zal in de buik hebben en zij zal een zoon baren . Zie Lc 1,31 : kai idou sullèmpsèi en gastri kai texei huion = en zie jij zult ontvangen in je buik en je zult een zoon baren) .

Lc 1,31.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,31.2. idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

Lc 1,31.3. act. ind. fut. 2de pers. enk. sullèmpsè(i) (jij zult zwanger worden) van het werkw. sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Lc (1) Lc 1,31 . Een vorm van sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 2,21 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,9 . (7) Lc 22,54 .

Lc 1,31.4. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,31.5. dat. vr. enk. gastri van het zelfst. naamw. gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in het NT : gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in Lc : gastèr (buik, schoot) . Lc (2) : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 21,23 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,31.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,31.7. act. ind. fut. 2de pers. enk. texè(i) (jij zult baren) van het werkw. tiktô (baren, bevallen) . Taalgebruik in het NT : tiktô (baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô (baren) . Lc (1) Lc 1,31 . Een vorm van tiktô (baren) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,7 . (5) Lc 2,11 .

Lc 1,31.8. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils . Lc (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,38 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 12,10 . (11) Lc 20,13 . (12) Lc 20,41 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 24,7 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,31.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,31.10. act. ind. fut. 2de pers. enk. kaleseis (jij zult noemen) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (2) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,31.11. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,31.12. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .

Lc 1,31.13. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,31.14. acc. mann. enk. ièsoun van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (14) : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 2,27 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 7,4 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 8,35 . (7) Lc 8,40 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 10,29 . (10) Lc 19,3 . (11) Lc 19,35 . (12) Lc 23,8 . (13) Lc 23,20 . (14) Lc 23,25 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen . Dit is de enigste vorm in Lc 1 .

Lc 1,32 - Lc 1,32 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:32 houtos estai megas kai huios hupsistou klèthèsetai kai dôsei autô kurios o theos ton thronon dauid tou patros autou  12 hic erit magnus et Filius Altissimi vocabitur et dabit illi Dominus Deus sedem David patris eius   32 Deze zal groot zijn en zoon van de Allerhoogste genoemd worden; en de Heer God zal hein de troon geven van David zijn vader,  32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.   [32] Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven.   [32] Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.  32 hij zal groot zijn en ‘Zoon van de Allerhoogste’ worden genoemd; de Heer God zal hem geven de troon van zijn vader David;  32. Il sera grand, et sera appelé Fils du Très-Haut. Le Seigneur Dieu lui donnera le trône de David, son père ; 

King James Bible . [32] He shall be great, and shall be called the Son of the Highest: and the Lord God shall give unto him the throne of his father David:
Luther-Bibel . 32 Der wird groß sein und Sohn des Höchsten genannt werden; und Gott der Herr wird ihm den Thron seines Vaters David geben,

Tekstuitleg van Lc 1,32 . Het vers Lc 1,32 telt 19 woorden en 91 (7 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,32 is 12384 ( 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 3 X 43)

Lc 1,32.1. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,36 .

Lc 1,32.2. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Lc (32) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,32.3. nom. mann. enk. megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) .
Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,48 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 1 (4) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,49 .

Lc 1,32.1. - 3. houtos estai megas (deze zal groot zijn) . In NT , nl. in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 9,48 .
Lucas beschrijft op parallelle wijze Johannes de Doper en Jezus . Allereerst wat hun grootheid betreft :
- Lc 1,15 : estai gar megas enôpion tou kuriou (hij zal groot zijn in het oog van de Heer) .
- Lc 1,32 : houtos estai megas (deze zal groot zijn) .

Lc 1,32.4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,32.5. nom. mann. enk. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (39) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,32.6. gen. mann. enk. hupsistou van het zelfst. naamw. hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in het NT : hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in Lc : hupsistos (allerhoogste) . Lc (5) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,76 . (4) Lc 6,35 . (5) Lc 8,28 . Een vorm van hupsistos (allerhoogste) in Lc in 7 verzen : 5 + 2 : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 19,38 .

Lc 1,32.7. pass. ind. fut. 3de pers. enk. klèthèsetai (hij zal genoemd worden) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) .
Lc (4) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 . (4) Lc 2,23 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,32.5. - 7. Opnieuw Johannes de Doper en Jezus , ditmaal om het onderscheid aan te duiden :
- Lc 1,76 : kai su de paidion profètès hupsistou klèthèsè(i) (en jij echter kind jij zult profeet van de Allerhoogste genoemd worden) .
- Lc 1,32 : kai huios hupsistou klèthèsetai (en hij zal zoon van de Allerhoogste genoemd worden) .

Lc 1,32.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,32.9. act. ind. fut. 3de pers. enk. dôsei (hij zal geven) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave .
Lc (5) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 11,8 . (3) Lc 11,13 . (4) Lc 16,12 . (5) Lc 20,16 . Een vorm van didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 1,77 .

Lc 1,32.10. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,32.11. nom. mann. enk. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . o.a. JHWH .
Lc (30) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . Verder in Lc 1 . : gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen . Een vorm van kurios (heer) in Lc in 99 verzen .

Lc 1,32.12. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,32.13. nom. mann. enk. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju .
Lc (15) (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,68 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 7,16 . (6) Lc 8,39 . (7) Lc 12,20 . (8) Lc 12,24 . (9) Lc 12,28 . (10) Lc 16,15 . (11) Lc 18,7 . (12) Lc 18,11 . (13) Lc 18,13 . (14) Lc 18,19 . (15) Lc 20,38 .
Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,32.11. - 13. kurios ho theos (JHWH God) . Lc (2) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,68 .

Lc 1,32.14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,32.15. acc. mann. enk. thronon van het zelfst. naamw. thronos (troon) . Taalgebruik in het NT : thronos (troon) . Taalgebruik in Lc : thronos (troon) .
Lc (1) Lc 1,32 . Een vorm van thronos (troon) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,52 . (3) Lc 22,30 .

Lc 1,32.16. dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .
Lc (12) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,69 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 3,31 . (7) Lc 6,3 . (8) Lc 18,38 . (9) Lc 18,39 . (10) Lc 20,41 . (11) Lc 20,42 . (12) Lc 20,44 .

Lc 1,32.17. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,32.18. gen. mann. enk. patros van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (8) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 2,49 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 10,22 . (6) Lc 15,17 . (7) Lc 16,27 . (8) Lc 24,49 . Een vorm van patèr (vader) in Lc in 48 verzen , in Lc 1 in 8 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,55 . (4) Lc 1,59 . (5) Lc 1,62 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 1,73 .

Lc 1,32.19. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,33 - Lc 1,33 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:33 kai basileusei epi ton oikon iakôb eis tous aiônas kai tès basileias autou ouk estai telos  13 et regnabit in domo Iacob in aeternum et regni eius non erit finis   33 en hij zal heersen over het huis van Jakob voor de eeuwen en aan zijn heerschappij zal er geen einde zijn ).”   33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.  [33] Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’  [33] Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’  33 hij zal koning zijn over het huis van Jakob in alle eeuwen, en aan zijn koninkrijk zal geen grens noch einde zijn!  33. il régnera sur la maison de Jacob pour les siècles et son règne n'aura pas de fin. »  

King James Bible . [33] And he shall reign over the house of Jacob for ever; and of his kingdom there shall be no end.
Luther-Bibel . 33 und er wird König sein über das Haus Jakob in Ewigkeit, und sein Reich wird kein Ende haben.

Tekstuitleg van Lc 1,33 . Het vers Lc 1,33 telt 16 (2² X 2²) woorden en 75 (3 X 5²) letters . De getalwaarde van Lc 1,33 is 8489 (13 X 653) .

Lc 1,33.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,33.3. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,33.4. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,33.7. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

8. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,33 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 1,79 .

Lc 1,33.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,33.11. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,33.12. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Lc : basileia (koninkrijk) . Lc (5) : (1) Lc 1,33 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 8,10 . (4) Lc 9,11 . (5) Lc 18,29 . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Lc in 44 verzen .

Lc 1,33.13. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,33.14. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,33.15. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,34 - Lc 1,34 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:34 eipen de mariam pros ton aggelon pôs estai touto epei andra ou ginôskô  14 dixit autem Maria ad angelum quomodo fiet istud quoniam virum non cognosco  Maria nu zei tegen de engel: “Hoe zal dit zijn, daar ik geen man bekend heb?”  
34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?
[34] ‘Maar hoe moet dat dan?’ zei Maria tegen de engel. ‘Ik heb geen omgang met een man.’   [34] Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’  34 Maria zegt tot de aankondig–engel: hoe kan dit zijn, daar ik met geen man gemeenschap heb?   34. Mais Marie dit à l'ange : « Comment cela sera-t-il, puisque je ne connais pas d'homme ? »  

King James Bible . [34] Then said Mary unto the angel, How shall this be, seeing I know not a man?
Luther-Bibel . 34 Da sprach Maria zu dem Engel: Wie soll das zugehen, da ich doch von keinem Mann weiß?

Tekstuitleg van Lc 1,34 . Het vers Lc 1,34 telt 13 woorden en 57 (3 X 19) letters . De getalwaarde van Lc 1,34 is 6678 (2 X 3² X 7 X 53) .

Lc 1,34.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,34.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,34.1. - 2. eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 .
kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .

Lc 1,34.3. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) .
Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

Lc 1,34.4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,34.5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,34.6. acc. mann. enk. aggelon van het zelfst. naamw. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (3) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 7,27 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .

7. pôs (hoe) . Taalgebruik in het NT : pôs (hoe) . Taalgebruik in Lc : pôs (hoe) .
Lc (16) : (1) Lc 1,34 . (2) Lc 6,42 . (3) Lc 8,18 . (4) Lc 8,36 . (5) Lc 10,26 . (6) Lc 11,18 . (7) Lc 12,11 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 12,50 . (10) Lc 12,56 . (11) Lc 14,7 . (12) Lc 18,24 . (13) Lc 20,41 . (14) Lc 20,44 . (15) Lc 22,2 . (16) Lc 22,4 .

8. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

9. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,66 .

12. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,35 - Lc 1,35 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:35 kai apokritheis o aggelos eipen autè pneuma agion epeleusetai epi se kai dunamis upsistou episkiasei soi dio kai to gennômenon agion klèthèsetai uios theou 15 et respondens angelus dixit ei Spiritus Sanctus superveniet in te et virtus Altissimi obumbrabit tibi ideoque et quod nascetur sanctum vocabitur Filius Dei  35 En de engel antwoordde (en) zei haar: “Dc heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen; daarom ook zal dat wat geboren wordt heilig genoemd worden, zoon van God.   35 En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.   [35] De engel antwoordde haar: ‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken*. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God.   [35] De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.   35 Ten antwoord zegt de aankondig–engel tot haar: geestesadem van de Heilige zal over je komen, kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen; daarom zal wat voortgebracht wordt heilig genoemd worden, Zoon van God;   35. L'ange lui répondit : « L'Esprit Saint viendra sur toi, et la puissance du Très-Haut te prendra sous son ombre ; c'est pourquoi l'être saint qui naîtra sera appelé Fils de Dieu.  

King James Bible . And the angel answered and said unto her, The Holy Ghost shall come upon thee, and the power of the Highest shall overshadow thee: therefore also that holy thing which shall be born of thee shall be called the Son of God.
Luther Bibel . Der Engel antwortete und sprach zu ihr: aDer heilige Geist wird über dich kommen, und die Kraft des Höchsten wird dich überschatten; darum wird auch das Heilige, das geboren wird, Gottes Sohn genannt werden.

Tekstanalyse van Lc 1,35 . Dit vers Lc 1,35 telt 26 (2 X 13) woorden en 134 (2 X 67) letters . De getalwaarde van Lc 1,35 is 11667 (3 X 3889) . In het citaat van de engel treffen we vooreerst twee nevenschikkende zinnen aan , die parallel zijn opgebouwd : onderwerp , vervoegd werkwoord , bepaling . De zinnen tellen elk vijf woorden en dertien lettergrepen . In totaal zijn dat tien woorden en zesentwintig lettergrepen . Zesentwintig is de getalwaarde van de naam JHWH . De twee vervoegde werkwoorden hebben het voorvoegsel epi ; in de eerste zin wordt epi nog eens herhaald na het vervoegd werkwoord . De vervoegde werkwoorden tellen elk vijf lettergrepen .
- Lc 1,35b : pneuma hagion epeleusetai epi se = heilige geest zal op je 'neer'komen
- Lc 1,35c : kai dunamis hupsistou episkiasei se = en kracht van de allerhoogste zal je overschaduwen .

Lc 1,35.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,35.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 .

Lc 1,35.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,35.4. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .

Lc 1,35.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,35.6. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

Lc 1,35.1. - 6. kai apokritheis ho aggelos eipen (en beantwoord zei de engel) .
(1) Lc 1,19 : kai apokritheis ho aggelos eipen autôi = en beantwoord zei de engel hem .
(2) Lc 1,35 : kai apokritheis ho aggelos eipen autèi = en beantwoord zei de engel haar .
In de twee verzen beantwoordt de engel een vraag , in Lc 1,19 van Zacharia en in Lc 1,35 van Maria .

Lc 1,35.7. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Zelfstandig naamwoord . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Hebr. rûach . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (16) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,35.8. nom. + acc. onz. enk. hagion van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) .
Lc (8) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . Een vorm van hagios (heilig) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 .

Lc 1,35.7. - 8. (to) pneuma (...) (to) hagion = (de) heilige geest , als nom. in Lc (2) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 3,22 (to pneuma to hagion = de geest de heilige) . (to) pneuma (...) (to) hagion = (de) heilige geest , als acc. in Lc (2) : (1) Lc 2,25 (pneuma ... hagion = geest was heilig) . (2) Lc 11,13 . to (...) hagion pneuma in Lc (2) : (1) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 ( to gar hagion pneuma = want de heilige geest) .

Lc 1,35.9. ind. fut. 3de pers. enk. epeleusetai (hij zal komen over) van het werkw. eperchomai (komen op) . Taalgebruik in het NT : eperchomai (komen op) . Taalgebruik in Lc : eperchomai (komen op) . Prefix epi (over) en het werkwoord erchomai (gaan, komen) .
Lc (1) Lc 1,35 . Een vorm van eperchomai (komen op) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 11,22 . (3) Lc 21,26 .

10. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,35.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

13. nom. vr. enk. dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in het NT : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Hnd : dunamis (macht, kracht) . Hebr. chaîl (kracht, sterkte) . Taalgebruik in Tenakh : chaîl (kracht, sterkte) . Lat. vir-tus . Fr. puissance + E. power < Lat. potentia (mogelijkheid) zie Lat. posse (kunnen) . Ned. kracht . D. Kraft . Lc (3) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 6,19 . Hnd (1) . Een vorm van dunamis (macht, kracht) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,36 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,19 . (7) Lc 8,46 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 10,19 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,69 . (12) Lc 24,49 . In Lc : 6 vormen van dunamis (macht, kracht) in 15 verzen in 11 hoofdstukken . In Hnd : 6 vormen van dunamis (macht, kracht) in 10 verzen in 7 hoofdstukken .

14. gen. mann. enk. hupsistou van het zelfst. naamw. hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in het NT : hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in Lc : hupsistos (allerhoogste) . Lc (5) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,76 . (4) Lc 6,35 . (5) Lc 8,28 . Een vorm van hupsistos (allerhoogste) in Lc in 7 verzen : 5 + 2 : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 19,38 .

Lc 1,35 a Lc 1,35 b Hnd 1,8 Lc 24,49 Lc 1,17 Lc 3,22 Lc 4,14a Lc 4,18
   kai (en) kai lèmpsethe (en gij zult ontvangen) heôs hou endusèsthe (totdat jullie   kai (en) katabènai (neerdalen)     
pneuma hagion (heilige geest) dunamis hupsistou (de kracht van de Allerhoogste)  dunamin (kracht) eks hupsous dunamin (vanuit de hoge kracht) en pneumati kai dunamei èliou (in de geest en de kracht van Elia)   to pneuma to hagion (de heilige geest) ... en tèi dunamei tou pneutos (in de kracht van de geest) pneuma kuriou (de geest van de Heer)
epeleusetai (zal komen) episkiasei (zal overschaduwen)   epelthontos tou hagiou pneumatos (van de komende heilige geest)          
epi se (over u) soi (u)   ef'humas (over u)     ep'auton (over hem)   ep'eme (op mij)
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart 355. Verschijning aan de leerlingen in Jeruzalem : Lc 24,36-49 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58

Lc 1,35.15. act. ind. fut. 3de pers. enk. episkiasei (hij zal overschaduwen) van het werkw. episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) . Taalgebruik in het NT : episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) . Taalgebruik in Lc : episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) . Lc (1) Lc 1,35 . Schaduw duidt op aanwezigheid en afwezigheid . Een vorm van episkiazô (overschaduwen, een schaduw werpen op) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 9,34 . In Ex 40,35 symboliseert de wolk op de verbondstent de aanwezigheid van JHWH . In Lc 1,35 duidt de overschaduwing op de aanwezigheid van God .

Lc 1,35.18. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,35.19. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,35.20. pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. gennômenon (wat wordt voortgebracht) van het werkw. gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) .
Lc (1) Lc 1,35 . Een vorm van gennaô (voortbrengen, baren) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 23,29 .

Lc 1,35.22. pass. ind. fut. 3de pers. enk. klèthèsetai (hij zal genoemd worden) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) .
Lc (4) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 . (4) Lc 2,23 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,35.23. nom. mann. enk. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (39) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,35.24. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju .
Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,36 - Lc 1,36 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:36 kai idou elisabet è suggenis sou kai autè suneilèfen uion en gèrei autès kai outos mèn ektos estin autè tè kaloumenè steira  16 et ecce Elisabeth cognata tua et ipsa concepit filium in senecta sua et hic mensis est sextus illi quae vocatur sterilis  36 En zie Elisabet, je verwante, ook deze heeft een zoon ontvangen in haar ouderdom, en dit is de zesde maand voor haar die onvruchtbaar genoemd werd.  36 En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.  [36] Bovendien, ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand.   [36] Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap,  36 en zie, Elisabet, die aan jou verwant is, ook zij heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen,– het is nu de zesde maand voor haar die onvruchtbaar werd genoemd;   36. Et voici qu'Élisabeth, ta parente, vient, elle aussi, de concevoir un fils dans sa vieillesse, et elle en est à son sixième mois, elle qu'on appelait la stérile ; 

King James Bible . [36] And, behold, thy cousin Elisabeth, she hath also conceived a son in her old age: and this is the sixth month with her, who was called barren.
Luther-Bibel . 36 Und siehe, Elisabeth, deine Verwandte, ist auch schwanger mit einem Sohn, in ihrem Alter, und ist jetzt im sechsten Monat, von der man sagt, dass sie unfruchtbar sei.

Tekstuitleg van Lc 1,36 . Het vers Lc 1,36 telt 22 (2 X 11) woorden en 107 letters . De getalwaarde van Lc 1,36 is 11211 (3 X 37 X 101) .

Lc 1,36.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,36.1.2. idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) .
Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

Lc 1,36.3. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,36.4. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,36.5. nom. vr. enk. suggenis , zie suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Taalgebruik in het NT : suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Taalgebruik in Lc : suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . In de bijbel slechts in Lc 1,36 .

Lc 1,36.6. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,36.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,36.8. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

Lc 1,36.10. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils . Lc (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,38 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 12,10 . (11) Lc 20,13 . (12) Lc 20,41 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 24,7 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,36.11. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,36.13; pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,36.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,36.15. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,36 .

Lc 1,36.16. nom. vr. enk. mèn (maand) . Taalgebruik in het NT : mèn (maand) . Taalgebruik in Lc : mèn (maand) .
Lc (1) Lc 1,36 . Een vorm van mèn (maand) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,26 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,56 .

18. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . D. sein . E. to be . Lc (96) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,36 . (2) Lc 1,61 . (3) Lc 1,63 .

Lc 1,36.19. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

Lc 1,36.20. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

21. pass. part. praes. dat. vr. enk. kaloumenè(i) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc 3 : (1) Lc 1,36 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 10,39 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

22. nom. vr. enk. steira van het bijvoegl. naamw. steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het NT : steiros (onvruchtbaar) . Hebr. `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh (onvruchtbaar) . Gr. steiros . Lat. sterilis . Fr. stérile . Ned. onvruchtbaar . D. unfruchtbar . E. barren . Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . Een vorm van steiros in Lc (3) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . (3) Lc 23,29 , in de LXX (17) , in het NT (4) . `äqârâh (onvruchtbaar) . Tenakh (8) : (1) Gn 11,30 (Sara) . (2) Gn 25,21 (Rebekka) . (3) Gn 29,31 (Rachel) . (4) Re 13,2 (de moeder van Simson) . (5) Re 13,3 . (6) 1 S 2,5 (Hanna , de moeder van Samuël) . (7) Js 54,1 . (8) Job 24,21 . wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Tenakh (2) : (1) Ex 23,26 . (2) Dt 7,14 . In deze 10 verzen heeft de LXX steira als vertaling . soera 3,40 .

Lc 1,37 - Lc 1,37 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:37 oti ouk adunatèsei para tou theou pan rèma  17 quia non erit inpossibile apud Deum omne verbum   37 Want vanwege God zal geen woord onmogelijk zijn.”  37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.  [37] Want voor God is niets onmogelijk.’  [37] want voor God is niets onmogelijk.’  37 want ‘geen woord van bij God zal machteloos zijn’!  37. car rien n'est impossible à Dieu. »  

King James Bible . [37] For with God nothing shall be impossible.
Luther-Bibel . 37 Denn bei Gott ist kein Ding unmöglich.

Tekstuitleg van Lc 1,37 .

Lc 1,37.1. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,37.2. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,37.4. para . Afkorting par' (langs) . Taalgebruik in NT : para (langs) . Taalgebruik in Lc : para (langs) .
Lc (20 + 8 = 28) . para in Lc (20) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 .

Lc 1,37.5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,37.6. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju .
Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

7. nom. + acc. onz. enk. pan van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Lc (6) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,5 . (5) Lc 3,9 . (6) Lc 11,42 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,38 - Lc 1,38 : 3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:38 eipen de mariam idou è doulè kuriou genoito moi kata to rèma sou kai apèlthen ap autès o aggelos 18 dixit autem Maria ecce ancilla Domini fiat mihi secundum verbum tuum et discessit ab illa angelus   38 Maria nu zei: “Zie de dienares van de Heer. Mij geschiede naar uw woord!” En de engel ging van haar heen.  38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.   [38] Toen zei Maria: ‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel van haar weg.  [38] Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.  38 Dan zegt Maria: hier ben ik, de dienares van de Heer; mij geschiede naar uw woord! Dan gaat de aankondig–engel bij haar weg.  38. Marie dit alors : « Je suis la servante du Seigneur ; qu'il m'advienne selon ta parole ! » Et l'ange la quitta.  

King James Bible . [38] And Mary said, Behold the handmaid of the Lord; be it unto me according to thy word. And the angel departed from her.
Luther-Bibel . 38 Maria aber sprach: Siehe, ich bin des Herrn Magd; mir geschehe, wie du gesagt hast. Und der Engel schied von ihr. Marias Besuch bei Elisabeth

Tekstuitleg van Lc 1,38 . Het vers Lc 1,38 telt 19 woorden en 76 (2² X 19) letters . De getalwaarde van Lc 1,38 is 6030 (2 X 3² X 5 X 67) .

Lc 1,38.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,38.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,38.1. - 2. eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 .
kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .

Lc 1,38.3. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) .
Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

4. idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) .
Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

Lc 1,38.5. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,38.7. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen .

8. Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

9. dat. mann. enk. 1ste pers. enk. moi van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (27) . Lc 1 - 4 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 4,23 .

Lc 1,38.10. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,38 .

13. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,38.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,38.15. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) .
Lc (6) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,25 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 24,12 .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan, weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,38 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

16. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 1,52 . ap' . Lc (32) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,70 .

Lc 1,38.17. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,38.18. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,38.19. nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 : 7 + 2 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan zes verzen in de gen. mv. .


(7) Lc 1,38 : kai apèlthen ap'autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg .

4. Bezoek van Maria aan Elisabet : Lc 1,39-56 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -

Lc 1,39 - Lc 1,39 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:39 anastasa de mariam en tais èmerais tautais eporeuthè eis tèn oreinèn meta spoudès eis polin iouda  exsurgens autem Maria in diebus illis abiit in montana cum festinatione in civitatem Iuda 39 In die dagen nu stond Maria op (en) ging met spoed naar het bergland naar een stad van Judea, 39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;   [39] Na enkele dagen vertrok Maria met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda.  [39] Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda,  39 ¶ In die dagen staat Maria op en spoedt zich het bergland in naar een stad van Juda.  39. En ces jours-là, Marie partit et se rendit en hâte vers la région montagneuse, dans une ville de Juda. 

King James Bible . [39] And Mary arose in those days, and went into the hill country with haste, into a city of Juda;
Luther-Bibel . 39 Maria aber machte sich auf in diesen Tagen und ging eilends in das Gebirge zu einer Stadt in Juda

Tekstuitleg van Lc 1,39 . Dit vers Lc 1,39 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 81 (3 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Lc 1,39 is 8888 (2 X 2 X 2 X3 X 7 X 41) .

Lc 1,39.1. act. part. aor. nom. vr. enk. anastasa (opgestaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Lc (2) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,39 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc in 29 verzen . In Lc 1,36 verwijst de engel naar Elisabet en de ouderdom van Johannes : zes maanden . Elisabet is de draagster van Johannes . Zoals de engel verwijst naar Elisabet , zo verwijzen de engelen de herders naar het kind . De spoed van beiden is een gelijkenis en het aantreffen van het kind (brefos) is daarenboven een gelijkenis . .

Lc 1,39.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,39.3. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) . Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

Lc 1,39.4. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,39.5. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,39.6. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 1 in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen .

Lc 1,39.4. - 6. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 . In Lc 1,39.wordt verwezen naar Lc 1,36 , waar de engel verwijst naar de zes maanden zwangerschap van Elisabet .

Lc 1,39.7. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. tautais van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 23,7 . (4) Lc 24,18 .

Lc 1,39.4. - 7. en tais hèmerais tautais (in deze dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 24,18 . In bredere contekst . (1) Lc 1,39 : anastasa de mariam en tais hèmerais tautais eporeuthè eis tèn oreinèn (Maria echter opgestaan in deze dagen begaf zich op weg naar het gebergte) . (2) Lc 6,12 : egeneto de en tais hèmerais tautais exèlthen eis to horos (het gebeurde echter in deze dagen . Hij ging uit naar de berg) . Hebr. bajjâmim hâ´ellèh (in deze dagen) : Zach 8,9 en Zach 8,15 .

Lc 1,39.8. ind. aor. 3de p. enk. eporeuthè (hij / zij begaf zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (5) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 19,12 . (5) Lc 22,39 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 1 (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,39 .
In Lc 1,39 wordt de heenreis van Maria (eporeuthè = zij begaf zich op weg) gegeven , in Lc 1,56 de terugreis (hupestrepsen = zij keerde terug) .

Lc 1,39.9. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,39.8. - 9. eporeuthè eis (hij / zij begaf zich op weg naar) . Lc (3) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 19,12 .

Lc 1,39.10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,48 .

Lc 1,39.11. acc. vr. enk. oreinèn (gebergte) van het bijvoegl. naamw. oreinos (bergachtig) . Taalgebruik in het NT : oreinos (bergachtig) . Taalgebruik in Lc : oreinos (bergachtig) . Lc (1) Lc 1,39 . Een vorm van oreinos (bergachtig) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,65 .

Lc 1,39.12. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 = 58) . Lc 1 (6) . Een vorm van meta (4) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,39 . (4) Lc 1,72 . en met' (2) : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 1,66 .

Lc 1,39.13. gen. vr. enk. spoudès van het zelfst. naamw. spoudè (spoed, haast) . Taalgebruik in het NT : spoudè (spoed, haast) . Taalgebruik in Lc : spoudè (spoed, haast) . Lc (1) Lc 1,39 . Dit is de enigste vorm in Lc . Zoals Maria begeven ook de herders zich met spoed naar het kind (Lc 2,16) .

Lc 1,39.14. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,39.15. acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in het NT : polis (stad) . Taalgebruik in Lc : polis (stad) .
Lc (17) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 2,3 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 7,11 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,4 . (10) Lc 8,34 . (11) Lc 8,39 . (12) Lc 9,10 . (13) Lc 10,1 . (14) Lc 10,8 . (15) Lc 10,10 . (16) Lc 19,41 . (17) Lc 22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen .

Lc 1,39.14. - 15. eis polin (naar een stad) . Lc (7) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (7) Lc 7,11 . (10) Lc 8,34 . (17) Lc 22,10 .

Lc 1,39.16. iouda (Juda) . Taalgebruik in het NT : iouda (Juda) . Taalgebruik in Lc : iouda (Juda) .
Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 3,30 . (3) Lc 3,33 . (4) Lc 22,48 .

Lc 1,40 - Lc 1,40 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:40 kai eisèlthen eis ton oikon zachariou kai èspasato tèn elisabet  40 et intravit in domum Zacchariae et salutavit Elisabeth  40 en ze ging binnen in het huis van Zacharias en groette Elisabet. 40 En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.   [40] Zij ging het huis van Zacharias binnen, en begroette Elisabet.  [40] waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette.   40 Ze komt aan in het huis van Zacharias en begroet Elisabet.  40. Elle entra chez Zacharie et salua Élisabeth. 

King James Bible . [40] And entered into the house of Zacharias, and saluted Elisabeth.
Luther-Bibel . 40 und kam in das Haus des Zacharias und begrüßte Elisabeth.

Tekstuitleg van Lc 1,40 . Het vers Lc 1,40 telt 7 woorden en 28 (2 X 2 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,40 is 4194 (2 X 3 X 3 X 233) .

Lc 1,40.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,40.2. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 47 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . In Lc : 16 vormen in 17 hoofdstukken en in 47 verzen . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan, weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,28 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

Lc 1,40.1. - 2. kai eisèlthen (en hij ging binnen) . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 24,29 . eisèlthen de ('maar' hij ging binnen) . (1) Lc 9,46 . (2) Lc 22,3 .

Lc 1,40.3. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,40.2. - 3. eisèlthen eis (hij / zij ging binnen in) . (7 / 12) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,38 . (3) Lc 6,4 . (4 ) Lc 7,1 . (5) Lc 8,30 . (6) Lc 10,38 . (7) Lc 17,27 .

Lc 1,40.4; bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,40.5. acc. mann. enk. oikon van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Taalgebruik in Lc : oikos (huis) .
Lc (19) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,33 (epi ton oikon = over het huis) . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,56 . (5) Lc 5,24 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 6,4 . (8) Lc 7,10 .  (9) Lc 7,36 . (10) Lc 8,39 . (11) Lc 8,41 . (12) Lc 9,61 .   (13) Lc 11,17 . (14) Lc 11,24 . (15) Lc 12,39 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,6 . (18) Lc 16,27 . (19) Lc 18,14 . Een vorm van oikos (huis) in Lc in 32 verzen .

Lc 1,40.3. - 5. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .

Lc 1,40.2. - 5. eisèlthen eis ton oikon (hij / zij ging binnen in het huis) . Lc (2) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 6,4 .

Lc 1,40.6. gen. mann. enk. zachariou van de eigennaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 11,51 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,40.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,40.8. ind. aor. 3de pers. enk. èspasato (hij begroette) van het werkw. aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in het NT : aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in Lc : aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Lc (1) Lc 1,40 .  Een vorm van aspazomai (verwelkomen, begroeten) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 10,4 . De twee vrouwen , Maria en Elisabeth , ontmoeten elkaar . Bij deze groet gebeurt er iets . Dat wordt verteld in het volgende vers .

Lc 1,40.9. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,48 .

Lc 1,40.10. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,41 - Lc 1,41 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:41 kai egeneto ôs èkousen ton aspasmon tès marias è elisabet eskirtèsen to brefos en tè koilia autès kai eplèsthè pneumatos agiou è elisabet   41 et factum est ut audivit salutationem Mariae Elisabeth exultavit infans in utero eius et repleta est Spiritu Sancto Elisabeth  41 En het gebeurde, toen Elisabet de groet van Maria hoorde, dat het ongeboren kind opsprong in haar schoot; en Elisabet werd vervuld van de heilige Geest, 41 En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;  [41] Meteen toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met heilige Geest.  [41] Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest  41 En het geschiedt: met dat Elisabet de begroeting van Maria hoort springt het kind óp in haar schoot en wordt Elisabet vervuld van de heilige Geest.   41. Et il advint, dès qu'Élisabeth eut entendu la salutation de Marie, que l'enfant tressaillit dans son sein et Élisabeth fut remplie d'Esprit Saint. 

King James Bible . [41] And it came to pass, that, when Elisabeth heard the salutation of Mary, the babe leaped in her womb; and Elisabeth was filled with the Holy Ghost:
Luther-Bibel . 41 Und es begab sich, als Elisabeth den Gruß Marias hörte, hüpfte das Kind in ihrem Leibe. Und Elisabeth wurde vom Heiligen Geist erfüllt

Tekstuitleg van Lc 1,41 . Het vers Lc 1,41 telt 23 woorden en 115 (5 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,41 is 10795 (5 X 17 X 127) .

- Lc 1,40 : kai èspasato tèn elisabeth (en zij groette Elisabeth) .
- Lc 1,41 : hôs èkousen ton aspasmon tès marias hè elisabeth (zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde) .

Lc 1,41.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,41.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

Lc 1,41.3. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) .
Lc (49) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 1,56 .

Lc 1,41.2. - 3. egeneto hôs (het gebeurde toen) . Lc (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 19,29 .

Lc 1,41.4. act. ind. aor. 3de p. enk. èkousen (hij / zij hoorde) van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Lc (3) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 15,25 . Een vorm van akouô (horen) Lc in 58 verzen , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 1,66 . Dit qluit aan bij de begroeting van Maria aan Elisabeth in het vorige vers Lc 1,40 .

Lc 1,41.5. bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,41.6. acc. mann. enk. aspasmon (groet, welkom) van het zelfst. naamw. aspasmos (groet, welkom) . Taalgebruik in het NT : aspasmos (groet, welkom) . Taalgebruik in Lc : aspasmos (groet, welkom) . Lc (1) Lc 1,41 . Een vorm van aspasmos (groet, welkom) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 11,43 . (5) Lc 20,46 . Het zelfst. naamw. aspasmos (groet) verwijst naar het werkw. èspasato (zij begroette) in het vorige vers Lc 1,40 .

Lc 1,41.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,41.8. gen. vr. enk. marias (Maria) van het zelfst. naamw. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) .
Lc (1) Lc 1,42 . nom. vr. enk. : Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 . Subjectgenitief . In Lc 1,40 begroette Maria Elisabeth .

Lc 1,41.9. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,41.10. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) . Bij de begroeting was Elisabeth lijdend voorwerp . Hier is Elisabeth onderwerp .

Lc 1,41.11. act. ind. aor. 3de pers. enk. eskirtèsen (het sprong op) van het werkw. skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Taalgebruik in het NT : skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Taalgebruik in Lc : skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Lc (2) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . Een vorm van skirtaô (huppelen, springen, dansen) , in de LXX (7) , in Lc (NT) in 3 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 6,23 . Wellicht verwijst dit terug naar Lc 1,15 , waar de engel aan Zacharia aankondigt dat het kind Johannes nog in de moederschoot vervuld zal worden van heilige geest .
In Gn 25,22 stoten de twee kinderen (Esau en Jakob) in de schoot van Rebekka tegen elkaar aan : Esau , de oudste , en Jakob , de jongste . In Lc 1,41 springt het kind Johannes op in de moederschoot van Elisabeth bij de groet van Maria , die Jezus aanwezig stelt . Omwille van Jezus in de moederschoot van Maria springt het kind Johnanes op in de schoot van zijn moeder . Gn 25,22 : skirtôn de ta paidia en autèi (sprongen de kinderen op in haar) en Lc 1,41 : eskirtèsen to brefos en tè(i) koilia(i) autès (sprong het kind op in haar schoot) . In deze beide verhalen gaat het telkens om twee kinderen : Esau en Jakob , Johannes en Jezus .

Lc 1,41.12. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,41.13. nom. + acc. onz. enk. brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in Lc : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . Een vorm van brefos (ongeboren vrucht, jong kind) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . (5) Lc 18,15 .

Lc 1,41.14. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,41.15. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,41.16. nom. + dat. vr. enk. koilia(i) van het zelfst. naamw. koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in Lc : koilia (buikholte , moederschoot) . Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 11,27 . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 2,21 . (6) Lc 11,27 . (7) Lc 15,16 . (8) Lc 23,29 .

Lc 1,41.17. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,41.14. - 16. en tè(i) koilia(i) (in de moederschoot) . Lc (3) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,21 .

Lc 1,41.11. - 17. springen in de moederschoot
- Gn 25,22 : eskirtôn de ta paidia en autè(i) (de kinderen echter sprongen op in haar) .
- Lc 1,41 : eskirtèsen to brefos en tè(i) koilia(i) autès (het kind sprong op in haar schoot) .

Lc 1,41.18. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,41.19. pass. ind. aor. 3de pers. enk. eplèsthè (hij / zij werd vervuld) van het werkw. pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vullen) . Lc (3) : (1) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou = zij werd vervuld van heilige geest) . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) . Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 .

Lc 1,41.20. gen. onz. enk. pneumatos (geest) van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Lc (6) : zie hieronder . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 . pneumatos (- vol - geest) . In zes verzen bij Lucas voor ; in vier verzen in combinatie met vervullen / vol :
(1) Johannes de Doper : Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) .
(2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou hè Elisabet = Elisabeth werd vervuld van heilige geest) .
(3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) .
(4) Lc 2,26 .
(5) Lc 4,1 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(6) Lc 4,14 : en tèi dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) .
Meestal volgt de bepaling pneumatos (van geest) op het begrip van vullen / vol , behalve in Lc 1,15 .
Bij het zelfstandig naamwoord pneumatos (van geest) staat het bijvoeglijk naamwoord hagiou (heilig) . Er zijn geen lidwoorden .
Bij Maria kwam de geest over haar bij de ontvangenis van Jezus (Lc 1,35) , bij Elisabeth bij het bezoek van Maria (Lc 1,41) .
De samenhang van het vervuld worden van heilige geest en het (geestdriftig) spreken komt meermaals in de bijbel voor : Lc 1,42-45 . Lc 1,47-55 . Elisabeth en Maria spreken een lofzang uit tijdens de zwangerschap van hun kind . Zacharia doet dat bij de naamgeving van Johannes . Lucas heeft aandacht voor de bijdrage van vrouwen en mannen in het heilsgebeuren .

Lc 1,41.21. gen. mann. + onz. enk. hagiou van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Mc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Brieven : hagios (heilig) .
Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . Een vorm van hagios (heilig) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 .

Lc 1,41.22. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,41.23. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,42 - Lc 1,42 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:42 kai anefônèsen kraugè megalè kai eipen eulogèmenè su en gunaixin kai eulogèmenos o karpos tès koilias sou   42 et exclamavit voce magna et dixit benedicta tu inter mulieres et benedictus fructus ventris tui 42 en ze riep met een grote schreeuw en zei: “Gezegend ben jij onder vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot.   42 En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!  [42] Ze riep met luide stem: ‘Gezegend ben jij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot.  [42] en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot!  42 Ze slaakt een luide kreet, en zegt: gezegend jij onder de vrouwen!– gezegend de vrucht van je schoot!–  42. Alors elle poussa un grand cri et dit : « Bénie es-tu entre les femmes, et béni le fruit de ton sein !

King James Bible . [42] And she spake out with a loud voice, and said, Blessed art thou among women, and blessed is the fruit of thy womb.
Luther-Bibel . 42 und rief laut und sprach: Gepriesen bist du unter den Frauen, und gepriesen ist die Frucht deines Leibes!

Tekstuitleg van Lc 1,42 . Het vers Lc 1,42 telt 17 woorden en 87 (3 X 29) letters . De getalwaarde van Lc 1,42 is 8076 (2² X 3 X 673) . Elisabeth spreekt woorden van lof uit omdat zij vervuld werd van heilige geest . De samenhang van het vervuld worden van heilige geest en het (geestdriftig) spreken komt meermaals in de bijbel voor : Lc 1,42-45 . Elisabeth en Maria spreken een lofzang uit tijdens de zwangerschap van hun kind . Zacharia doet dat bij de naamgeving van Johannes . Lucas heeft aandacht voor de bijdrage van vrouwen en mannen in het heilsgebeuren .

Lc 1,42.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,42.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. anefônèsen (zij riep uit) van het werkw. anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) . Taalgebruik in het NT : anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) . Taalgebruik in Lc : anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) . Lc (1) : Lc 1,42 . Deze vorm van anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) komt enkel hier in de bijbel voor . In Lc 1,44 verwijst fônè (stem) naar Lc 1,42 met het werkw. ana-fôneô (luid uitspreken, uitroepen) .
Een vorm van anafôneô (luid uitspreken, uitroepen) in O.T. in 5 verzen : (1) 1 Kr 15,28 . (2) 1 Kr 16,4 . (3) 1 Kr 16,5 . (4) 1 Kr 16,42 . (5) 2 Kr 6,13 . In deze 5 verzen gaat het telkens om het overbrengen van de ark van het verbond .

Lc 1,42.3. dat. vr. enk. kraugè(i) van het zelfst. naamw. kraugè (schreeuw, stem) . Taalgebruik in het NT : kraugè (schreeuw, stem) . Taalgebruik in Lc : kraugè (schreeuw, stem) . Lc (1) Lc 1,43 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,42.4. nom. + dat. vr. enk. megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (6) (nom. : 1 / 6 ; dat. 5 / 6) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 4,33 . (3) Lc 8,28 . (4) Lc 19,37 . (5) Lc 21,23 (nom;) . (6) Lc 23,46 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , Lc 1 (4) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,49 .

Lc 1,42.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,42.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,42.5. - 6. kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .
eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,42.7. pass. part. praes. nom. vr. enk.  eulogèmenè van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Lc (1) Lc 1,42 . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 hoofdstukken en in 13 verzen .

Lc 1,42.8. nom. enk su (jij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (25) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 3,22 . (4) Lc 4,7 . (5) Lc 4,41 . (6) Lc 7,19 . (7) Lc 7,20 . (8) Lc 9,60 . (9) Lc 10,15 . (10) Lc 10,37 . (11) Lc 15,31 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 16,25 . (14) Lc 17,8 . (15) Lc 19,19 . (16) Lc 19,42 . (17) Lc 22,32 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 22,70 . (21) Lc 23,3 . (22) Lc 23,37 . (23) Lc 23,39 . (24) Lc 23,40 . (25) Lc 24,18 .

Lc 1,42.9. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,42.10. dat. vr. mv. gunaixin van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (1) Lc 1,42 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen , in Lc 1 in 6 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,42 .

Lc 1,42.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,42.12. pass. part. praes. nom. mann. enk.  eulogèmenos van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Lc (3) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 13,35 . (3) Lc 19,38 . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 hoofdstukken en in 13 verzen .

Lc 1,42.13. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,42.14. nom. mann. enk. karpos (vrucht) . Taalgebruik in het NT : karpos (vrucht) . Taalgebruik in Lc : karpos (vrucht) . Hebr. përî , mv. pêrôth . Lat. frui - fructus . Fr. fruit . Ned. vrucht , fruit . Lc (1) Lc 1,42 . Een vorm van karpos (vrucht) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 6,43 . (5) Lc 6,44 . (6) Lc 8,8 . (7) Lc 12,17 . (8) Lc 13,6 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 13,9 . (11) Lc 20,10 .

Lc 1,42.15. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,42.16. gen. vr. enk. koilias van het zelfst. naamw. koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in de Septuaginta : koilia (buikholte , moederschoot) . bètèn (buik, schoot) . Taalgebruik in Tenakh : bètèn (buik, schoot) . Lat. uterus . Fr. sein . E. womb . D. Leib . Lc (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,42 . Bijbel (58) . LXX (51) . NT (7) . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 2,21 . (6) Lc 11,27 . (7) Lc 15,16 . (8) Lc 23,29 . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) , in de LXX (108) , in het NT (23) .

Lc 1,42.17. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,43 - Lc 1,43 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:43 kai pothen moi touto ina elthè è mètèr tou kuriou mou pros eme  43 et unde hoc mihi ut veniat mater Domini mei ad me   43 En waarvandaan is dit me gegeven dat de moeder van mijn Heer tot mij komt?   43 En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?   [43] Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt?   [43] Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?  43 vanwaar valt mij dit toe dat de moeder van mijn Heer tot mij komt?–   43. Et comment m'est-il donné que vienne à moi la mère de mon Seigneur ?  

King James Bible . [43] And whence is this to me, that the mother of my Lord should come to me?
Luther-Bibel . 43 Und wie geschieht mir das, dass die Mutter meines Herrn zu mir kommt?

Tekstuitleg van Lc 1,43 . Het vers Lc 1,43 telt 13 woorden en 48 (2² X 2² X 3) letters . De getalwaarde van Lc 1,43 is 4867 (31 X 157) .

Lc 1,43.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,43.3. dat. mann. enk. 1ste pers. enk. moi van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (27) . Lc 1 - 4 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 4,23 .

Lc 1,43.4. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,66 .

Lc 1,43.5. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in Lc : hina (opdat) . Lc (46) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,43 .

Lc 1,43.7. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,43.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,43.10. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen .

Lc 1,43.12. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,43.13. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. eme (mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (7) : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 9,48 . (4) Lc 10,16 . (5) Lc 22,53 . (6) Lc 23,28 . (7) Lc 24,39 .

Lc 1,44 - Lc 1,44 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:44 idou gar ôs egeneto è fônè tou aspasmou sou eis ta ôta mou eskirtèsen en agalliasei to brefos en tè koilia mou  44 ecce enim ut facta est vox salutationis tuae in auribus meis exultavit in gaudio infans in utero meo   Zie immers, toen de klank van je groet in mijn oor kwam, sprong het ongeboren kind in gejuich op in mijn schoot.  44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.   [44] Op het moment dat je groet mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot.  [44] Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.   44 want zie, met dat je stem, je groet, geschiedt in mijn oren springt het kind in verrukking óp in mijn schoot!–  44. Car, vois-tu, dès l'instant où ta salutation a frappé mes oreilles, l'enfant a tressailli d'allégresse en mon sein.  

King James Bible . [44] For, lo, as soon as the voice of thy salutation sounded in mine ears, the babe leaped in my womb for joy.
Luther-Bibel . 44 Denn siehe, als ich die Stimme deines Grußes hörte, hüpfte das Kind vor Freude in meinem Leibe.

Tekstuitleg van Lc 1,44 . Het vers Lc 1,44 telt 22 (2 X 11) woorden en 91 letters . De getalwaarde van Lc 1,44 is 11476 (2² X 19 X 151) .

Lc 1,44.1. idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) .
Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

Lc 1,44.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

Lc 1,44.1. - 2. idou gar (want zie) . Lc (5) : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 2,10 . (4) Lc 6,23 . (5) Lc 17,21 .

Lc 1,44.3. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) .
Lc (49) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 1,56 .

Lc 1,44.4. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

Lc 1,44.5. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,44.6. nom. + dat. vr. enk. fônè(i) (stem, roep) . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn . Lc (7) : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 8,28 . (5) Lc 9,35 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,46 . Een vorm van fônè (stem, roep) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 17,13 . (10) Lc 17,15 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 23,23 . (13) Lc 23,46 .

Lc 1,44.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,44.8. gen. mann. enk. aspasmou (groet, welkom) van het zelfst. naamw. aspasmos (groet, welkom) . Taalgebruik in het NT : aspasmos (groet, welkom) . Taalgebruik in Lc : aspasmos (groet, welkom) .
Lc (1) Lc 1,44 . Een vorm van aspasmos (groet, welkom) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 11,43 . (5) Lc 20,46 .

Lc 1,44.9. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,44.10. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,44.14. act. ind. aor. 3de pers. enk. eskirtèsen (het sprong op) van het werkw. skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Taalgebruik in het NT : skirtaô (huppelen, springen, dansen) . Taalgebruik in Lc : skirtaô (huppelen, springen, dansen) .
Lc (2) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . Een vorm van skirtaô (huppelen, springen, dansen) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 6,23 .

Lc 1,44.15. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,44.17. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,44.18. nom. + acc. onz. enk. brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in Lc : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) .
Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . Een vorm van brefos (ongeboren vrucht, jong kind) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . (5) Lc 18,15 .

Lc 1,44.19. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,44.20. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,44.21. nom. + dat. vr. enk. koilia(i) van het zelfst. naamw. koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in Lc : koilia (buikholte , moederschoot) .
Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 11,27 . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 2,21 . (6) Lc 11,27 . (7) Lc 15,16 . (8) Lc 23,29 .

Lc 1,44.19. - 21. en tè(i) koilia(i) (in de moederschoot) . Lc (3) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,21 .

Lc 1,45 - Lc 1,45 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:45 kai makaria è pisteusasa oti estai teleiôsis tois lelalèmenois autè para kuriou 45 et beata quae credidit quoniam perficientur ea quae dicta sunt ei a Domino  45 En zalig zij die geloofd heeft dat er voltooiing zal zijn van dc dingen die haar vanwege de Heer gesproken zijn.”  45 En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.   [45] Gelukkige* vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling gaan.’  [45] Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’  45 zalig zij die heeft geloofd dat er voleinding zal zijn van al wat tot haar gesproken is vanwege de Heer!  45. Oui, bienheureuse celle qui a cru en l'accomplissement de qui lui a été dit de la part du Seigneur ! »  

King James Bible . [45] And blessed is she that believed: for there shall be a performance of those things which were told her from the Lord.
Luther-Bibel . 45 Und selig bist du, die du geglaubt hast! Denn es wird vollendet werden, was dir gesagt ist von dem Herrn. Marias Lobgesang

Tekstuitleg van Lc 1,45 . Het vers Lc 1,45 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,45 is 7025 (5 X 5 X 281) .

Lc 1,45.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,45.2. nom. + dat vr. enk , nom + acc. onz. mv. .makaria(i) van het bijvoegl. naamw. makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in het NT : makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in Lc : makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in Hnd : makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in de Septuaginta : makarios (zalig, gelukkig) . Hebr. ´äsjëre(j) (gelukkig, zalig) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjëre(j) (gelukkig, zalig) . Lat. beatus . Fr. (bien)heureux . E. blessed . D. wohl .
Lc (2) : (1) Lc 1,45 . (2) Lc 11,27 . Een vorm van makarios (zalig, gelukkig) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,45 . (2) Lc 6,20 . (3) Lc 6,21 . (4) Lc 6,22 . (5) Lc 7,23 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,27 . (8) Lc 11,28 . (9) Lc 12,37 . (10) Lc 12,38 . (11) Lc 12,43 . (12) Lc 14,14 . (13) Lc 14,15 . (14) Lc 23,29 .

Lc 1,45.3. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,45.4. act. part. aor. nom. vr. enk. pisteusasa (die geloofde) van het werkw. pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in Lc : pisteuô (geloven, vertrouwen) .
Lc (1) Lc 1,45 . Een vorm van (geloven, vertrouwen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 8,12 . (4) Lc 8,13 . (5) Lc 8,50 . (6) Lc 16,11 . (7) Lc 20,5 . (8) Lc 22,67 . (9) Lc 24,25 . In Lc 1 worden Zacharia en Maria tegenover elkaar geplaatst als de niet-gelovige en de gelovige .

Lc 1,45.5. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,45.6. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,45.7. nom. vr. enk. teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) . Taalgebruik in het NT : teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) . Taalgebruik in Lc : teleiôsis (voltooiing, het in vervulling gaan) . Lc (1) Lc 1,45 . Dit is de enigste vorm in het NT . In de evangelies is het het enigste vers .

Lc 1,45.8. bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud tois van het bep. lidw. ho , hè to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (65) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 1,79 .

Lc 1,45.9. pass. part. perf. dat. mann. + onz. mv. lelalèmenois van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Lc (1) : Lc 1,45 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

Lc 1,45.10. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

Lc 1,45.11. para . Afkorting par' (langs) . Taalgebruik in NT : para (langs) . Taalgebruik in Lc : para (langs) .
Lc (20 + 8 = 28) . para in Lc (20) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 .

Lc 1,45.12. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) .
Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc 1 in 17 verzen .

HERTALING VAN HET MAGNIFICAT (Lc 1,46-55)

Een lied welt op uit mijn hart.
De levensbron zingt in mij.
Wat vandaag met mij gebeurt
mag ik goddelijk noemen.
Opnieuw is er tederheid,
geen mens blijft ongevoelig.

Klein en groot vinden elkaar.
Hoog en laag smeden banden;
Arm en rijk delen alles.
Niemand lijdt honger noch dorst.
Wat mensen vroeger droomden
mogen wij nu ervaren.
Lc 1,46 - Lc 1,46 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:46 kai eipen mariam megalunei è psuchè mou ton kurion  46 et ait Maria magnificat anima mea Dominum  46 En +Maria+ zei: “Mijn ziel maakt groot de Heer,  46 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;   [46] Daarop zei Maria: [46] ‘Met* heel mijn hart roem ik de Heer,   [46] Maria zei: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,  46 Dan zegt Maria: groot maakt mijn ziel de Heer,  46. Marie dit alors : « Mon âme exalte le Seigneur, 

King James Bible . [46] And Mary said, My soul doth magnify the Lord,
Luther-Bibel . 46 Und Maria sprach: Meine Seele erhebt den Herrn,

Hebr. a. wajjo´mèr mirëjâm (en Miriam zei) . b. thigëdal naphësjî ´èth JHWH (mijn ziel maakt groot JHWH) .

Tekstuitleg van Lc 1,46 . Het vers Lc 1,46 telt 9 (3²) woorden en 39 (3 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,46 is 4163 (23 X 181) . In sommige tekstuitgaven begint het loflied van Maria pas in Lc 1,47. 47 = (2 X 22) + 3 . Volgens het Hebr. alfabet komen we in de 3de reeks terecht en wel bij de 3de letter , de ghimel . Het valt op dat de 2 gebruikte werkwoorden (in de Hebr. vertaling) in Lc 1,47 met een ghimel beginnen : gâdal (groot worden, opgroeien) en gîl / gûl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) .

"Mijn ziel maakt groot de Heer" . Mijn ziel is een omschrijving voor ik . Maar er is wel een reden voor die omschrijving . Het lied welt als het ware op uit het innerlijke ik en de woorden vloeien vanuit dat innerlijke . Het 1ste vers van dit loflied komt het sterkst overeen met Ps 35,9a : wënaphësjî thâgîl baJHWH (en mijn geest zal juichen in JHWH) . LXX : hè de psuchè mou agalliasetai epi tô(i) kuriô(i) : mijn ziel echter zal juichen op de Heer . Het is wel zo dat het werkw. agalliaomai pas in het tweede vers gebruikt wordt .

Vergelijk Lc 1,46b : thigëdal naphësjî ´èth JHWH (mijn ziel maakt groot JHWH) .
- Lc 1,47 : Hebr. wëthâgel rûchî be´lohe(j) jisj`î (en min geest verheugt zich in de god van mijn redder .
MET :
1 S 2,1c. `âlats libbî bJHWH (mijn hart juicht door JHWH) .
1 S 2,1d. râmâh qarënî bJHWH (mijn hoorn verheft zich door JHWH) .

Lc 1,46.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. waw (verbindingshaak) . Lat. et . Fr. et . N. en . E. and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

Lc 1,46.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les . Lat. legere . Fr. leçon . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . Hebr. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Een vorm van legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ind. aor. 3de p. enk. eipen  3024  2426  598  118  56  223  114  75  397  511 

Lc 1,46.1. - 2. kai eipen (en hij zei) . Lc 1 (... en 4 / 11) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 .
- eipen de (hij zei echter) in Lc (52) . Lc 1 (3 / 11 en 3 / 17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 . Hebr. wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Tenakh (1879) .

Lc 1,46.3. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) . Hebr. mirëjâm (Miriam) . Taalgebruik in Tenakh : mirëjâm (Miriam) . Tenakh (14) . Volkse etymologie : mârâh (bitter) en jâm (zee) ; bitter is de zee .
Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

  mariam  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    41  13  28    13  10      17  27     

Lc 1,46.1. - 3. kai eipen mariam (en Maria zei) . Tenakh (1) : Lc 1,46 . eipen de mariam (Maria echter zei) . Tenakh (2) : (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . Hebr. wajjo´mèr mirëjâm (en Miriam zei) .

Lc 1,46.4. act. ind. praes. 3de pers. enk. megalunei (hij maakt groot) van het werkw. megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in het NT : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in Lc : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : megalunô (groot maken, verheffen) . Tenakh (2) : (1) Lc 1,46 . (2) Sir 43,31 . Een vorm van megalunô (groot maken, verheffen) in Lc in 2 verzen : Lc 1,46 . (2) Lc 1,58 . Een vorm van megalunô (groot maken, verheffen) in de Septuaginta (92) , in het NT (8) . Hebr. moet een vrouwelijke vorm 3de pers. enk. zijn bij het vrouwelijke naphësjî (mijn ziel) van het werkw. gâdal (groot worden, opgroeien) : thigëdal (en zij maakt groot) . Tenakh (2) : (1) 1 S 26,24 . (2) Zach 12,7 .
Hebr. gâdal (groot worden, opgroeien) . Taalgebruik in Tenakh : gâdal (groot worden, opgroeien) . De getalwaarde van gdl is : gimmel = 3 , daleth = 4 , lamed = 12 of 30 ; totale waarde : 19 of 37 . 37 is de ster met zeshoek 19 . De verhouding 3 - 4 - 3 vinden we in de derde letter , de gimmel : gimmel = 3 , mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 ; totale waarde : 28 (2² X 7) of 73 . Wellicht is het van hieruit begrijpelijk dat in alfabetische Psalmen bij de derde letter gimmel het woord gdl wordt gebruikt . De getalwaarde van beide woorden is elkaars omgekeerde : 37 (gdl) - 73 (gml) . 73 is de ster met 37 als zeshoek .
- act. ind. jussief 3de pers. mann. enk. jigëdal (dat groot worde) . Tenakh (4) : (1) Nu 14,17 . (2) Ps 35,27 . (3) Ps 40,17 . (4) Ps 70,5 . In de 3 Psalmen is de vertaling megalunthètô (dat hij groot gemaakt worde) (pass. imperat. aor. 3de pers. enk.) . In (1) Ps 35,27 en (2) Ps 40,17 is JHWH , in Ps 70,5 ´èlohîm (God) lijdend voorwerp .
- waägaddëlâh (en dat ik groot make) : act. ind. imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. . Tenakh (1) : Gn 12,2 . LXX : megalunô (ik maak groot) .
- waägaddëlènnû (en ik zal hem grootmaken) : act. ind. imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Tenakh (1) Ps 69,31 . LXX : megalunô auton (ik maak hem groot) .
Door iets goeds van de ander te zeggen , door hem op prijs te stellen , gaat de ander meer rechtop staan , groeien , groter worden . De ander prijzen houdt in dat de grootheid en de waarde van de ander wordt erkend , gewaardeerd .

Lc 1,46.5. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. de . E. the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
2. nom. vr. enk. hè 4860 3762  1098  151  76 143  117  83  443  85  370  487 

Lc 1,46.6. psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in het NT : psuchè (adem, geest, leven) . Hebr. nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj (geest) . Lc (5) : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 10,27 . (3) Lc 12,19 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . Hebr. nèphèsj (geest) . Taalgebruik in Tenakh : nèphèsj (geest) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , phe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 52 (2 X 26) of 430 (2 X 5 X 43) . Het spiegelbeeld van 43 is 34 (2 X 17) . 4 + 3 = 7 ; 3 + 4 = 7 ; 43 + 34 = 77 . 43 = 17 + 26 (de 2 godsgetallen) . Structuur : 5 - 8 - 3 . Tenakh (131) . Pentateuch (62) . Eerdere Profeten (18) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (2) . Geschriften (32) . Arabisch : nafs (ziel) . Taalgebruik in de Koran : nafs (ziel) .

  psuchè (adem, geest, leven)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. psuchè(i) 368 293 22 4 1 5 1 4 6 1 10 11 5 1

Lc 1,46.7. gen. enk. mou (van mij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Lc (77) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,25 . (4) Lc 1,43 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,47 .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou  3356  2897  459  67  34  77 82              

Lc 1,46.5. - 7. hè psuchè mou (mijn ziel) . NT (6) : (1) Mt 12,18 . (2) Mt 26,38 . (3) Mc 14,34 . (4) Lc 1,46 . (5) Joh 12,27 . (6) Heb 10,38 . Hebr. naphësjî (mijn geest) < zelfst. naamw. nèphèsj + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Tenakh (170) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (20) . Latere Profeten (18) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (116) . Ps (89) .

Lc 1,46.8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. mann. enk. ton 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 

Lc 1,46.9. acc. mann. enk. kurion van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Lat. dominus . Fr. seigneur . Ned. heer . D. Herr . E. lord . Lc (10) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 7,19 . (6) Lc 10,27 . (7) Lc 12,36 . (8) Lc 19,8 . (9) Lc 20,37 . (10) Lc 20,44 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,16 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,28 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,43 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,66 . (16) Lc 1,68 . (17) Lc 1,76 .

  kurios (heer)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn..  ev. Paul. Ap. br.  
5 acc. mann. enk. kurion 673 605 68 6 2 10 6 12 32   18 24 27 

Lc 1,46.4. - 9. Het 1ste vers van dit loflied komt het sterkst overeen met Ps 35,9a : wënaphësjî thâgîl baJHWH (en mijn geest zal juichen in JHWH) . LXX : hè de psuchè mou agalliasetai epi tô(i) kuriô(i) : mijn ziel echter zal juichen op de Heer . Het is wel zo dat het werkw. agalliaomai pas in het tweede vers gebruikt wordt . Een bijzondere vermelding verdient Ps 34 .

Lc 1,47 - Lc 1,47 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:47 kai ègalliasen to pneuma mou epi tô theô tô sôtèri mou  47 et exultavit spiritus meus in Deo salutari meo  47 en mijn geest juicht over God mijn redder   47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;   [47] met al mijn adem juich ik om God, mijn redder;  [47] mijn hart juicht om God, mijn redder:  47 verrukt is mijn geest over God, mijn bevrijder,–   47. et mon esprit tressaille de joie en Dieu mon Sauveur, 

King James Bible . [47] And my spirit hath rejoiced in God my Saviour.
Luther-Bibel . 47 und mein Geist freut sich Gottes, meines Heilandes;

Lc 1,47 : Hebr. wëthâgel rûchî be´lohe(j) jisj`î (en min geest verheugt zich in de god van mijn redder .

Tekstuitleg van Lc 1,47 . Het vers Lc 1,46 telt 11 woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,46 is 6892 (2 X 2 X 1723) . Dit is het geval wanneer het loflied niet pas vanaf Lc 1,47 begint .

Lc 1,47.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

Lc 1,47.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ègalliasen (hij jubelde) van het werkw. agalliaô (jubelen, juichen) . Taalgebruik in het NT : agalliaô (jubelen) . Taalgebruik in Lc : agalliaô (jubelen) . Bijbel = Lc (1) : Lc 1,47 . Een vorm van agalliaô (jubelen) in de LXX (74) , in het NT (11) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 10,21 .
In Ps 9,3 lezen we de Hebr. werkwoordvorm act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. wë´è`èlëtsâh + bâkh (en dat ik juiche in jou) van het werkw. `âlats (juichen) , in de LXX vertaald door agalliasomai en soi (ik zal juichen in jou) .
De werkwoordvorm act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. ´âgîlâh (dat ik juiche) van het werkw. gîl / gûl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) . Taalgebruik in Tenakh : gjl / gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) . Tenakh (3) : (1) Hab 3,18 . (2) Ps 9,15 . (3) Ps 31,8 . In de 2 Psalmverzen wordt het vertaald door het Griekse agalliasomai (ik zal juichen) .
- act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. : ´è`ëlôzah (dat ik juiche) : Hab 3,18 . ´è`ëlozah (dat ik juiche) : Ps 60,8 . Werkwoord `âlaz (zich verheugen, juichen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlaz (zich verheugen, juichen) . In beide verzen wordt het in de LXX vertaald door agalliasomai (ik zal juichen) .
Zowel ´è`ëlôzah (dat ik juiche) van het werkw. `âlaz (zich verheugen, juichen) als ´âgîlâh (dat ik juiche) van het werkw. gil / gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) kunnen in de LXX vertaald worden door het Griekse agalliasomai (ik zal juichen) . Merkwaardig is wel dat beide werkwoordvormen voorkomen in Hab 3,18 . Daar wordt dan vertaald : agalliasomai , charèsomai (ik zal juichen, ik zal blij zijn) . We mogen ze in dit vers als synoniemen beschouwen . Merkwaardig voor Lc 1,47 is ook wat erop volgt : be´lohe(j) jisjë`î (in God mijn redder) . LXX : epi tô(j) theô(j) tô(j) sôtèri mou (in God mijn redder) .

Lc 1,47.3. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 

Lc 1,47.4. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Zelfstandig naamwoord . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Hebr. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : rûH (geest) . Taalgebruik in de Koran : rûH (geest) . Lc (16) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . Een vorm van pneuma (geest) in de LXX (382) , in het NT (379) , in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48

Lc 1,47.5. gen. enk. mou (van mij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Lc (77) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,25 . (4) Lc 1,43 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,47 .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou  3356  2897  459  67  34  77 82              

Lc 1,47.3. - 5. to pneuma mou (mijn geest) . NT (5) : (1) Mt 12,18 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 23,46 . (4) Hnd 7,39 . (5) 1 Kor 14,14 . rûchî (mijn geest) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Tenakh (31) .

Lc 1,47.6. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

epi (op, bij)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef  430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

Lc 1,47.7. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 

Lc 1,47.8. dat.  mann. enk. theô(i) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . D. Gott . E. God . Lc (9) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,38 . (4) Lc 2,52 . (5) Lc 16,13 . (6) Lc 17,18 . (7) Lc 18,27 . (8) Lc 18,43 . (9) Lc 20,25 . Een vorm van theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) , Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

theos (God)  bijbel  OT  NT Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
dat.  enk. theô(i) 433  249  154  13  154 - 44 = 110  13 

Lc 1,47.6. - 8. epi tô(i) theô(i) (op God) . NT (2) : (1) Lc 1,47 . (2) 2 Kor 1,9 .

Lc 1,47.9. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 

Lc 1,47.10. dat. mann. enk. sôtèri van het zelfst. naamw. sôtèr (redder) . Taalgebruik in het NT : sôtèr (redder) . Taalgebruik in Lc : sôtèr (redder) . Taalgebruik in de LXX : sôtèr (redder) . Hebr. môsjî`a (de reddende) : act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . Jakob (Gn 25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . N. heiland . D. Heiland . Arabisch : najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Koran : najada (redden, helpen) . Hebr. môsjî`a (de reddende) is heel nauw verwant wat letters betreft : mâsjach (zalven) . (mâsjîach = gezalfde, messias, G. christos = Christus) . Bijbel (5) . OT (3) : (1) Mi 7,7 . (2) Hab 3,18 . (3) Ps 95,1 . NT (2) . Lc (1) : Lc 1,47 . Jud (1) : Jud 1,25 .
- Een vorm van sôtèr in Lc (2) : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 2,11 , in de LXX (41) , in het NT (24) .
- Een vorm van sôtèria (redding) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 1,71 . (3) Lc 1,77 . (4) Lc 19,9 , in de LXX (160) , in het NT (45) .
- Een vorm van sôtèrion (redding) in Lc (2) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 , in de LXX (135) , in het NT (4) .
- Een vorm van sôzô (redden, verlossen) in Lc (17) , in de LXX (363) , in het NT (106) .
- jisjë`î (mijn redding) < het zelfst. naamw. jesj`a / jèsj`a / jësju`âh (hulp, heil, redding -> Jezus) en suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Tenakh (14) . In 3 verzen in 1 Kr. is het een persoonsnaam . (1) 2 S 22,3 . (2) 2 S 22,47 . (3) 2 S 23,5 . (4) Js 51,5 . (5) Mi 7,7 . (6) Hab 3,18 . (7) Ps 18,3 . (8) Ps 18,47 . (9) Ps 25,5 . (10) Ps 27,9 . (11) Ps 62,8 . Als jisjë`î (mijn redding) bij theos (God) staat , wordt jisjë`î (mijn redding) soms vertaald door een vorm van sôtèr (redder) : (1) Mi 7,7 . Niet in Ps 18,47 . (2) Ps 25,5 . (3) Ps 27,9 . Niet in (11) Ps 62,8 . Verder God en redder in de Ps : (1) Ps 24,5 . (2) Ps 62,3 . (3) Ps 62,7 . (4) Ps 65,6 . (5) Ps 79,9 . (6) Ps 95,1 .

Lc 1,47.11. gen. enk. mou (van mij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Lc (77) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,25 . (4) Lc 1,43 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,47 .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou  3356  2897  459  67  34  77 82              

6. - 11. epi tô(i) theô(i) (op God) tô(i) sôtèri mou (mijn redder) . Bijbel (3) : (1) Mi 7,7 . (2) Hab 3,18 . (3) Lc 1,47 .

Lc 1,48 - Lc 1,48 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:48 oti epeblepsen epi tèn tapeinôsin tès doulès autou idou gar apo tou nun makariousin me pasai ai geneai  48 quia respexit humilitatem ancillae suae ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes  48 omdat hij neergezien heeft op de geringheid van zijn dienares . Zie immers, van nu af zullen alle geslechten mij zalig prijzen,  48 Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.   [48] want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid. Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig,   [48] hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,   48 want hij heeft aangezien de vernedering van zijn dienares; zie, van nu af prijzen mij zalig alle generaties!–  48. parce qu'il a jeté les yeux sur l'abaissement de sa servante. Oui, désormais toutes les générations me diront bienheureuse, 

King James Bible . [48] For he hath regarded the low estate of his handmaiden: for, behold, from henceforth all generations shall call me blessed.
Luther-Bibel . 48 denn er hat die Niedrigkeit seiner Magd angesehen. Siehe, von nun an werden mich selig preisen alle Kindeskinder.

Tekstuitleg van Lc 1,48 . Het vers Lc 1,48 telt 18 (2 X 3²) woorden en 83 letters . De getalwaarde van Lc 1,48 is 8895 (3 X 5 X 593) .

Lc 1,48.1. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . E. for . D. denn . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,48.2. act. aor. 3de pers. enk. epeblepsen (hij keek op, hij keek neer) van het werkw. epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in de LXX : epiblepô (kijken op , neerzien) . Bijbel (26) . OT (25) . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van epiblepô (kijken op, neerzien) in de LXX (114) , in het NT (3) : (1) Lc 1,48 . (2) Lc 9,38 . (3) Jak 2,3 . In de LXX is een vorm van het werkw. epiblepô (kijken op, neerzien) de vertaling van 9 Hebr. werkw. . Het voorvoegsel epi van het werkw. epiblepô (kijken op, neerzien) wordt hierna in de bepaling met het voorzetsel epi versterkt .

Lc 1,48.3. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 . Een vorm van epi (op) in de LXX (7297) , in het NT (878) . Hier is het voorzetsel epi de versterking van het werkw. met het voorvoegsel epi .

epi (op, bij)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef  430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

Lc 1,48.4. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,48 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 

Lc 1,48.5. acc. vr. enk. tapeinôsin van het zelfst. naamw. tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in het NT : tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Taalgebruik in de LXX: tapeinôsis (vernedering, nederigheid) . Bijbel (17) . LXX (16) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 31,42 . (3) Dt 26,7 . (4) 1 S 1,11 . (5) 1 S 9,16 . (6) 2 K 14,26 . (7) Ps 9,14 . (8) Ps 22,22 . (9) Ps 25,18 . (10) Ps 31,8 . (11) Ps 90,3 . (12) Ps 119,153 . (13) Kl 1,9 . (14) Neh 9,9 . (15) Jdt 6,19 . (16) Jdt 13,20 . NT (1) Lc 1,48 . Een vorm van tapeinôsis (vernedering, nederigheid) in de LXX (42) , in het NT (4) . Een vorm van tapeinôsis (vernedering, nederigheid) is in de LXX de vertaling van 5 Hebr. woorden .

Lc 1,48.4. - 5. tèn tapeinôsin (de vernedering) kan de vertaling zijn van ´èth `ânî . Tenakh (3) : (1) Ex 3,7 . (2) 2 K 14,26 . (3) Neh 9,9 . ´èth `ânëjî (mijn vernedering) = LXX : tèn tapeinôsin mou . Tenakh (3) : (1) Gn 31,42 . (2) Ps 31,8 . (3) Kl 1,9 . tèn tapeinôsin vinden we in (17) : (1) Gn 29,32 . (2) Gn 31,42 . (3) Dt 26,7 . (4) 1 S 1,11 . (5) 1 S 9,16 . (6) 2 K 14,26 . (7) Ps 9,14 . (8) Ps 22,22 . (9) Ps 25,18 . (10) Ps 31,8 . (11) Ps 90,3 . (12) Ps 119,153 . (13) Kl 1,9 . (14) Neh 9,9 . (15) Jdt 6,19 . (16) Jdt 13,20 . NT (1) Lc 1,48 . In Gn 29,32 wordt de vernedering door JHWH gezien (Ruben) , in Gn 16,11 (Ismaël) en Gn 29,33 (Simeon) wordt de vernedering door JHWH gehoord .

Lc 1,48.2. - 5. Een vorm van râ´âh (zien) met een vorm van `ânî (vernedering) , in de LXX vertaald door tapeinôsin . Tenakh (10) : (1) Gn 29,32 . (2) Dt 26,7 . (3) 1 S 1,11 . (4) 1 S 9,16 (LXX) . (5) 2 K 14,26 . (6) Ps 9,14 . (7) Ps 25,18 . (8) Ps 31,8 . (9) Kl 1,9 . (10) Neh 9,9 . NT (1) Lc 1,48 . De LXX vertaling die het meest Lc 1,48 benadert , is 1 S 9,16 : kî râ´îthî ´èth `âmmî (want ik zag mijn volk) , in de LXX vertaald door : hoti epeblepsa epi tèn tapeinôsin tou laou mou (want hij keek op naar de vernedering van mijn volk) . Maar met de gen. bij tapeinôsin benadert 1 S 1,11 het meest Lc 1,48 : ´im râoh thirë´èh bâ`ânî ´ämâthèkhâ (als jij echt ziet naar de vernedering van je dienares) , in de LXX : ean epiblepôn epiblepè(i)s epi tèn tapeinôsin tès doulès sou .
In Dt 26,7 zien we een combinatie van 'zien' en 'vernedering' : wajjarë´ ´èth `ânëjenû (en Hij zag onze vernedering / nederigheid) . In de LXX is dit vertaald in : kai eiden tèn tapeinôsin hèmôn (en Hij zag de vernedering van ons) . DeVulgaat vertaalde : et respexit humilitatem nostram . De Vulgaat van Lc 1,48 is et respexit humilitatem . Dt 26,7 verwijst naar Ex 3,7 , tijdens de roeping van Mozes bij het brandend braambos : râ´îthî ´èth `ânî `ammî (ik zie de ellende van mijn volk) . Dt 26,7 maakt deel uit van het gebed dat het aanbieden van de eerstelingen begeleidt . Wat met Maria gebeurt , luidt een proces van bevrijding in . Er wordt een verband gelegd met de bevrijding uit Egypte en de bevrijding die in de persoon van Jezus , zoon van Maria , aankomt .
Het taalgebruik verwijst naar het verhaal van Hannah (1 S 1,11) . Zoals Rachel geliefd is door Jakob , maar onvruchtbaar is , zo is Hannah geliefd door Elkana , maar is zij onvruchtbaar . Haar gebed verwijst evenwel naar Lea , die minder geliefd was door Jakob , maar wel vruchtbaar was (Gn 32,32 : kî râ´âh JHWH bë`ânijî = want JHWH zag naar mijn vernedering) . Haar vernedering weerklinkt in de vernederingen van het volk Israël . De vernedering van Israël weerklinkt in de vernedering van Hannah . Via Hannah verwijst Lc 1,48 naar Lea en haar eerstgeborene Ruben .

Lc 1,48.6. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

Lc 1,48.7. gen. vr. enk. doulès van het zelfst. naamw. doulè (dienares) . Zie : doulos (dienaar) . Taalgebruik in de bijbel : doulos (dienaar) . doulos (dienaar) . Taalgebruik in de Septuaginta : doulos (dienaar) . Bijbel (22) . OT (21) . NT (1) . Hebr. `èbhèd (dienaar, knecht) . Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar) . Getalwaarde : ayin = 16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 . Totaal : 22 (2 X 11) of 76 (4 X 19) . Structuur : 7 - 2 - 4 . Arabisch : `abd (slaaf) . Taalgebruik in de Koran : `abd (slaaf) . Bijbel (11) : (1) 1 S 1,11 . (2) 1 S 25,24 . (3) 1 S 25,28 . (4) 1 S 25,31 . (5) 1 S 28,22 . (6) 2 S 14,15 . (7) 2 S 14,19 . (8) 2 S 20,17 . (9) Rt 2,13 . (10) Jdt 11,5 . (11) Lc 1,48 .

Lc 1,48.8. gen. mann. enk. autou van het voornaamw. autos (zijn - haar) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

autos (hij)  3de pers. enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
gen. mann. enk. autou  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 

Lc 1,47.9 idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in LXX : idou (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hinneh (zie) . Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

idou (zie)   bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  1229  1037  192  59  55 23  19  25  121  125 

Lc 1,48.10. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in de LXX : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. want . Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

gar (want)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  
  2289  1299  990  123  63  92  61  73  563  15  278  339 

Lc 1,48.9. - 10. idou gar (want zie) . NT (7) . Lc (5) : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 2,10 . (4) Lc 6,23 . (5) Lc 17,21 . Verder : (1) Hnd 9,11 . (2) 2 Kor 7,11 .

11. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 1,52 . ap' . Lc (32) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,70 .

Lc 1,48.12. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,48.15. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (40) . Lc (1) Lc 1,48 .

Lc 1,49 - Lc 1,49 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:49 oti epoièsen moi megala o dunatos kai agion to onoma autou  49 quia fecit mihi magna qui potens est et sanctum nomen eius  omdat de machtige grote dingen aan mij heeft gedaan. En heilig is zijn naam  49 Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.   [49] want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan. Heilig is zijn naam,  [49] ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.  49 want grote dingen heeft hij aan mij gedaan, machtig is hij, heilig is zijn naam!–   49. car le Tout-Puissant a fait pour moi de grandes choses. Saint est son nom,  

King James Bible . [49] For he that is mighty hath done to me great things; and holy is his name.
Luther-Bibel . 49 Denn er hat große Dinge an mir getan, der da mächtig ist und dessen Name heilig ist.

Tekstuitleg van Lc 1,49 . Het vers Lc 1,49 telt 11 woorden en 49 (7²) letters . De getalwaarde van Lc 1,49 is 4005 (3² X 5 X 89) .

Lc 1,49.1. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

hoti ( dat , omdat )  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  4396  3213  1183  137  92  160  237  114  389  54  389  626 

Lc 1,49.2. act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen (hij deed) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Lc (14) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 1,51 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 6,3 . (7) Lc 6,10 . (8) Lc 8,8 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 11,40 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,9 . (13) Lc 19,18 . (14) Lc 23,22 . Een vorm van poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) . Een vorm van poieô (doen, maken) in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 1,51 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,72 . Hebr. `-sh-h . (1) act. qal . perf. 3de pers. mann. enk. `âshâh (hij maakt) . (2) act. qal part. mann. enk. `oshèh (makende) . Tenakh (503) . Pentateuch (112) . Eerdere Profeten (161) . Latere Profeten (78) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (133) . Hebr. `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , shin = 21 of 300 , he = 5 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 3 - 5 . Lat. facere . Fr. faire . N. doen . D. tun . E. make . Het Griekse epoièsen kan de vertaling zijn van het Hebr. `âsâh (zie hierboven) of ja`äsheh : act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. .

poieô (doen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen 714 641 73 13 9 14 18 14 4 1    

1. - 2. hoti epoièsen (omdat Hij deed) . NT (2) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 17,9 .

Lc 1,49.3. dat. mann. enk. 1ste pers. enk. moi van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (27) . Lc 1 - 4 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 4,23 .

Lc 1,49.4. nom. + acc. onz. mv. megala (grote dingen) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Taalgebruik in de Septuaginta : megas (groot) . Lc (2) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 21,11 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 1 (4) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,49 . Een vorm van megas (groot) in de LXX (916) , in het NT (194) . Hebr. gâdôl (groot) . Zie gâdal (groot worden, opgroeien) . Taalgebruik in Tenakh : gâdal (groot worden, opgroeien) . De getalwaarde van gdl is : gimmel = 3 , daleth = 4 , lamed = 12 of 30 ; totale waarde : 19 of 37 . 37 is de ster met zeshoek 19 . De verhouding 3 - 4 - 3 vinden we in de derde letter , de gimmel : gimmel = 3 , mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 ; totale waarde : 28 (2² X 7) of 73 . Wellicht is het van hieruit begrijpelijk dat in alfabetische Psalmen bij de derde letter gimmel het woord gdl wordt gebruikt . De getalwaarde van beide woorden is elkaars omgekeerde : 37 (gdl) - 73 (gml) . 73 is de ster met 37 als zeshoek .

Lc 1,49.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to... , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,49.2. - 6. die grote dingen deed .
- Lc 1,49 : hoti epoièsen moi megala (omdat hij grote dingen aan mij deed) .
- Dt 10,21 : hostis epoièsen en soi ta megala (die de grote dingen onder jou deed) . Hebr. ´äsjèr `âshâh ´iththëkhâ ´èth haggëdoloth .

Lc 1,49.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,49.8. nom. + acc. onz. enk. hagion van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Hnd : hagios (heilig) . Taalgebruik in de Septuaginta : hagios (heilig) . Hebr. qâdôsj (heilig) . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) . Lat. sanctus . Fr. saint . Ned. heilig . D. heilig . E. holy . Arabisch : muqaddas (heilig) < stam q-d-s . Taalgebruik in de Koran : muqaddas (heilig) . Arabisch : muqaddas (heilig) < stam q-d-s . Taalgebruik in de Koran : muqaddas (heilig) . Lc (8) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . Een vorm van hagios (heilig) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 . In Hnd (53) . In de LXX (832) , in het NT (233) .

Lc 1,49.9. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to... , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,49.10. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Taalgebruik in Hnd : onoma (naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma (naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng. name . Hebr. sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Een vorm van onoma (naam) in Lc (32 verzen - 33X) , in Lc 1 (9 verzen - 10X) : (1) Lc 1,5 (2X) . (2) Lc 1,13 .  (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,59 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,63 . In Hnd (60) . Septuaginta (1045) . NT (228) .

Lc 1,49.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,49.9. - 11. to onoma autou (zijn naam) . NT (20) . Lc (5) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,49 . (4) Lc 1,63 . (5) Lc 2,21 . Hebr. sjëmô (zijn naam) . Tenakh (163) .

Lc 1,49.7. - 11. Lc 1,49 : en heilig is zijn naam (wëqadôsj sjëmô) . Hebr. tekst : het eerste woord eindigt met een sjin en het tweede woord begint ermee . Zie sjem qâdësjô (de naam van zijn heiligheid) .Tenakh (2) : (1) Ps 103,1 . (2) Ps 145,21 . Wat betekent het ? Er zijn plaatsen , tijden , personen en zaken die heilig genoemd worden . Dan staan ze in relatie tot God die de Heilige wordt genoemd .

Lc 1,50 - Lc 1,50 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:50 kai to eleos autou eis geneas kai geneas tois foboumenois auton   50 et misericordia eius in progenies et progenies timentibus eum  en zijn barmhartigheid gaat tot geslachten en nog eens geslachten voor degenen die hem vrezen   50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.   [50] barmhartig is Hij, iedere generatie weer, voor wie Hem eerbiedigen.  [50] Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.  50 zijn ontferming is van generatie tot generatie over wie hem vrezen;   50. et sa miséricorde s'étend d'âge en âge sur ceux qui le craignent.  

King James Bible . And his mercy is on them that fear him from generation to generation.
Luther-Bibel . 50 Und seine Barmherzigkeit währt von Geschlecht zu Geschlecht bei denen, die ihn fürchten.

Tekstuitleg van Lc 1,50 . Het vers Lc 1,50 telt 10 (2 X 5) woorden en 50 (2 X 5²) letters . De getalwaarde van Lc 1,50 is 6092 (2² X 1523) .

Lc 1,50.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,50.2. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to... , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,50.3. nom. + acc. onz. enk. eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Lc : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Hnd : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in de Septuaginta : eleos (barmhartigheid) . Lat. misericordia . Fr. miséricorde . E. mercy . Ned. barmhartigheid . D. Barmherzigkeit . Hebr. chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Taalgebruik in Tenakh : chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Lc (4) : (1) Lc 1,50 . (2)  Lc 1,58 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 10,37 . Een vorm van eleos (barmhartigheid) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,54 . (3)  Lc 1,58 . (4) Lc 1,72 . (5) Lc 1,78 . (6) Lc 10,37 . Zelfst. naamw. acc. vr. enk eleèmosunèn van het zelfst. naamw. eleèmosunè (barmhartigheid) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 11,41 . (2) Lc 12,33 . Werkw. act. imperat. aor. 2de pers. enk. eleèson (ontferm je over) van het werkwoord eleeô (zich ontfermen over) . In Lc (4) : (1) Lc 16,24 . (2) Lc 17,13 . (3) Lc 18,38 . (4) Lc 18,39 . Besluit : een vorm met de stam ele (barmhart- ontferm-) in Lc in 12 verzen . Een vorm van eleos (barmhartigheid) in de LXX (338) , in het NT (27) .
In Lucas wordt het woord eleos (barmhartigheid) slechts 6X gebruikt , 5X in Lc 1 en 1X in Lc 10,37 . In het Magnificat (Lc 1,47-54) lezen we in Lc 1,50 : en zijn barmhartigheid van geslacht tot geslacht . En in Lc 1,54 : om barmhartigheid te gedenken . Bij de geboorte van Johannes zullen verwanten en buren : want de Heer vergrootte zijn barmhartigheid . En in het Benedictus . In Lc 1,72 : om barmhartigheid te doen met onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken . En in Lc 1,78 : door de bewogenheid van barmhartigheid van onze God . Barmhartigheid kenmerkt God sinds eeuwigheid , en kijkt Hij terug hoe Hij barmhartig was in de loop der geschiedenis . De oproep van Jezus aan de mens om barmhartig te zijn , ligt in de lijn van wat God doet . Zo kunnen we zeggen : wees barmhartig zoals uw hemelse Vader barmhartig is . Wees barmhartig is ook een smeekbede in de wonderverhalen en in de kerk geworden (kyrie , eleison = Heer , ontferm u over ons) .
Ontferm u . Erbarm u . Wees barmhartig . In 4 verzen bij Lucas : (1) Lc 16,24 (de rijke vrek) . (2) Lc 17,13 (de tien melaatsen) . (3) Lc 18,38 (de blinde) . (4) Lc 18,39 .

Lc 1,50.4. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,50.2. - 4. to eleos autou (zijn barmhartigheid) . NT (3) : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 10,37 . Hebr. hasëdô . Tenakh (61) . Ps (47) .

Lc 1,50.1. - 4. Lc 1,50 : kai to eleos autou (en zijn barmhartigheid) . Hebr. wëhasëdô . Tenakh (1) : Ps 66,20 .

Lc 1,50.5. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

6. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. geneas van het zelfst. naamw. genea (geslacht, generatie) . Taalgebruik in het NT : genea (geslacht, generatie) . Taalgebruik in de Septuaginta : genea (geslacht, generatie) . Hebr. dor (geslacht, generatie) . Taalgebruik in Tenakh : dor (geslacht, generatie) . Getalwaarde : daleth = 4 , resj = 20 of 300 ; totaal : 24 of 304 . Lat. progenies . Fr. génération . E. generation . Ned . geslacht , generatie . D. Geslecht . Tenakh (92) . NT (12) . Lc (7) : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 7,31 . (3) Lc 11,31 . (4) Lc 11,32 . (5) Lc 11,50 . (6) Lc 11,51 . (7) Lc 17,25 . Een vorm van genea (geslacht, generatie) in Lc (13) : (1) Lc 1,48 . (2) Lc 1,50 . (3) Lc 7,31 . (4) Lc 9,41 . (5) Lc 11,29 . (6) Lc 11,30 . (7) Lc 11,31 . (8) Lc 11,32 . (9) Lc 11,50 . (10) Lc 11,51 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,25 . (13) Lc 21,32 . Hebr. dorôth . Tenakh (3) : (1) Re 3,2 . (2) Js 51,9 . (3) Job 42,16 . Een vorm van genea (geslacht, generatie) in de LXX (238) , in het NT (43) . De acc. vr. enk. genean komt in Lc slechts in Lc 16,8 voor . Hebr. dor in Tenakh (8) : (1) Ex 3,15 . (2) Ex 17,16 . (3) Joz 17,11 . (4) Ps 45,18 . (5) Ps 61,7 . (6) Ps 100,5 . (7) Da 3,33 (dâr) . (8) Da 4,31 (dâr) . In 7 verzen in de samenstelling ... dor (dâr) wëdor (wëdar) (geslacht en geslacht) . Niet in Joz 17,11 . In LXX : Ex 17,16 : middor dor (van geslacht geslacht) = apo geneôn eis geneas (van geslachten tot geslachten) .

5. - 6. eis geneas (tot geslachten) . voorzetsel eis (naar, tot) + acc. vr. mv. geneas (geslachten, generaties) . Hebr. lëdoroth (1) of lëdorôth (niet) . In Gn 9,12 is de regenboog het teken van het verbond voor eeuwige geslachten ( lëdoroth `ôlâm) LXX (eis geneas aiônious) . Het enk. lëdor (tot geslacht , generatie) in Tenakh in 16 verzen ; in 15 verzen in een samenstelling met dor / wedor / wëdôr) (van geslacht tot geslacht, van generatie tot generatier) . Niet in een samenstelling in Job 8,8 .

Lc 1,50.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,50.5. - 8. eis geneas kai geneas (tot geslachten en geslachten , van generatie tot generatie) . In NT slechts in Lc 1,50 .
- lëdor wâdor (tot geslacht en geslacht ; van generatie tot generatie) . De getalwaarde is : lamed = 12 of 30 , daleth = 4 , resj = 20 of 300 , waw = 6 ; totaal : 12 + 4 + 20 + 6 + 4 + 20 = 66 of 30 + 4 + 300 + 6 + 4 + 300 = 644 . Tenakh (12) : (1) Ps 10,6 . (2) Ps 33,11 . (3) Ps 49,12 . (4) Ps 77,9 . (5) Ps 79,13 . (6) Ps 85,6 . (7) Ps 89,2 . (8) Ps 102,13 . (9) Ps 106,31 . (10) Ps 119,90 . (11) Ps 135,13 . (12) Ps 146,10 .
- lëdor wâdôr (tot geslacht en geslacht ; van generatie tot generatie) . Tenakh (2) : (1) Ps 89,5 . (2) Kl 5,19 . lëdor dor (tot geslacht geslacht ; van generatie tot generatie) . Tenakh (1) Ex 3,15 .
- De vertaling van de LXX is meestal eis genean kai genean (tot geslacht en geslacht) : (1) Ps 33,11 . (2) Ps 49,12 . (3) Ps 79,13 . (4) Ps 89,2 . (5) Ps 89,5 . (6) Ps 102,13 . (7) Ps 106,31 . (9) Ps 135,13 . (10) Ps 146,10 . (11) Kl 5,19 ; apo geneas eis geneas (van geslacht tot geslacht) : (1) Ps 10,6 . (2) Ps 77,9 . (3) Ps 85,6 . Niet : (1) Ex 3,15 . lëdor wâdôr (tot geslacht en geslacht ; van generatie tot generatie) staat vaak parallel met lë`ôlâm (voor eeuwig) of variante . LXX : eis ton aiôna . Tenakh : (1) Ps 33,11 . (2) Ps 49,12 . (3) Ps 79,13 . (4) Ps 85,6 . (5) Ps 89,2 (`ôlâm) . (5) Ps 89,5 (`ad `ôlâm = tot eeuwig) . (6) Ps 102,13 . (7) Ps 106,31 . (8) Ps 119,90 . (9) Ps 135,13 . (10) Ps 146,10 . (11) Kl 5,19 . Niet in : (1) Ex 3,15 . (2) Ps 10,6 . (3) Ps 77,9 . (4) Ps 119,90 .

Lc 1,50.11. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,51 - Lc 1,51 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:51 epoièsen kratos en brachioni autou dieskorpisen uperèfanous dianoia kardias autôn  51 fecit potentiam in brachio suo dispersit superbos mente cordis sui   51 Hij deed krachtwerk met zijn arm, hij heeft de trotsen van hart uiteengestrooid;   51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.   [51] Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, wie zich verheven waanden, heeft Hij uiteengeslagen.   [51] Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen,*  51 kracht heeft hij betoond met zijn arm; hoogmoedigen met de plannen van hun hart,– hij sloeg ze uiteen;    51. Il a déployé la force de son bras, il a dispersé les hommes au cœur superbe.

King James Bible . [51] He hath shewed strength with his arm; he hath scattered the proud in the imagination of their hearts.
Luther-Bibel . 51 Er übt Gewalt mit seinem Arm und zerstreut, die hoffärtig sind in ihres Herzens Sinn.

Tekstuitleg van Lc 1,51 .

Lc 1,51.1. act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen (hij deed) . van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) .
Lc (14) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 1,51 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 6,3 . (7) Lc 6,10 . (8) Lc 8,8 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 11,40 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,9 . (13) Lc 19,18 . (14) Lc 23,22 . Een vorm van poieô (doen, maken) in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 1,51 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,72 .

Lc 1,51.3. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,51.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,51.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. dieskorpisen (hij verkwistte, verstrooide) van het werkw. diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in het NT : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in de LXX : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in Lc : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Lc (2) : (1) Lc 1,51 . (2) Lc 15,13 . Een vorm van diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) in de LXX (53) , in het NT (9) , in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,51 . (2) Lc 15,13 . (3) Lc 16,1 .

Lc 1,51.10. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5)

Lc 1,52 - Lc 1,52 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:52 katheilen dunastas apo thronôn kai upsôsen tapeinous  52 deposuit potentes de sede et exaltavit humiles  52 hij heeft de trotsen van hart uiteengestrooid ; hij heeft machthebbers van hun tronen neergehaald en geringen verheven   52 Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.   [52] Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, geringen gaf Hij een hoge plaats.   [52] heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.  52 hij heeft machtigen van hun troon gestoten en vernederden verhoogd;   52. Il a renversé les potentats de leurs trônes et élevé les humbles,  

King James Bible . [52] He hath put down the mighty from their seats, and exalted them of low degree.
Luther-Bibel . 52 Er stößt die Gewaltigen vom Thron und erhebt die Niedrigen.

Tekstuitleg van Lc 1,52 .

3. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 1,52 . ap' . Lc (32) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,70 .

Lc 1,53 - Lc 1,53 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:53 peinôntas eneplèsen agathôn kai ploutountas exapesteilen kenous  53 esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes  hongerigen heeft hij verzadigd met goede dingen ) en rijken leeg weggezonden.  53 Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.   [53] Hongerigen overlaadde Hij met het beste, rijken heeft Hij met lege handen weggestuurd.  [53] Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.   53 hongerlijders heeft hij vervuld met alle goeds, en rijken heeft hij ledig heengezonden;  53. Il a comblé de biens les affamés et renvoyé les riches les mains vides. 

King James Bible . [53] He hath filled the hungry with good things; and the rich he hath sent empty away.
Luther-Bibel . 53 Die Hungrigen füllt er mit Gütern und lässt die Reichen leer ausgehen.

Tekstuitleg van Lc 1,53 . Het vers Lc 1,53 telt 7 woorden en 55 (5 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 1,53 is 6171 (3 X 11² X 17) .

Lc 1,53.1. act. part. praes. acc. mann. mv. peinôntas van het werkw. peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in het NT : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in Lc : peinaô (hongeren, honger hebben) . Bijbel (2) . OT (1) : Ps 107,36 . Lc (1) Lc 1,53 . Een vorm van peinaô (hongeren, honger hebben) in de LXX (53) , in het NT (23) , in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 6,3 . (4) Lc 6,21 . (5) Lc 6,25 . Hebr. mann. mv. rë`ebhîm (hongerigen) van het bijvoegl. naamw. râ`eb (hongerig) . Zie : râ`âb (hongeren, honger voelen) . Taalgebruik in Tenakh : râ`âb (hongeren, honger voelen) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , ajin = 16 of 70 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17 Of 16 X 17) . Structuur : 2 - 7 - 2 . E. hungry . D. hungrig Fr. affamé . Honger . Lat. fames . Fr. faim .

  peinaô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. part. praes. acc. mann. mv. peinôntas                  

Lc 1,53.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eneplèsen (hij vervulde, overlaadde) van het werkw. empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in de LXX : empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in Lc. : empimplèmi (invullen, vervullen) . Lc (1) Lc 1,53 . Een vorm van empimplèmi (invullen, vervullen) in de LXX (142) , in het NT (5) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 6,25 . Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 26 OF 71 . Structuur : 4 - 3 - 1 . Gr. pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in de Septuaginta : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill .

  empimplèmi (invullen, vervullen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. eneplèsen   15  14                 

Lc 1,53.3. gen. mv. agathôn van het bijvoegl. naamw. agathos (goed) . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in Mc : agathos (goed) .
Lc (1) Lc 1,53 . Een vorm van agathos (goed) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 6,45 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 8,15 . (5) Lc 10,42 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,18 . (8) Lc 12,19 . (9) Lc 16,25 . (10) Lc 18,18 . (11) Lc 18,19 . (12) Lc 19,17 . (13) Lc 23,50 .

Lc 1,53.1. - 3. hij vervulde (overlaadde) de hongerigen met goede dingen .
- Lc 1,53 : peinôntas eneplèsen agathôn (hongerigen verzadigde hij met goede dingen) .
- Ps 107,9 : kai psuchèn peinôsan eneplèsen agathôn (en een hongerig leven verzadigde hij met goede dingen) .
2 / 3 woorden zijn identiek : eneplèsen agathôn (hij verzadigde met goede dingen) . 1 / 3 verschilt in vorm van het werkw. peinaô (hongerigen) .

Lc 1,54 - Lc 1,54 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:54 antelabeto israèl paidos autou mnèsthènai eleous   54 suscepit Israhel puerum suum memorari misericordiae  54 Hij heeft het opgenomen voor Israël zijn dienstknecht door te herinneren aan zijn barmhartigheid ,  54 Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.   [54] Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, indachtig de barmhartigheid die Hij,   [54] Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,  54 hij heeft zijn kind Israël vastgehouden, hij blijft zijn ontferming indachtig  54. Il est venu en aide à Israël, son serviteur, se souvenant de sa miséricorde,  

King James Bible . [54] He hath holpen his servant Israel, in remembrance of his mercy;
Luther-Bibel . 54 Er gedenkt der Barmherzigkeit und hilft seinem Diener Israel auf,

Tekstuitleg van Lc 1,54 . Het vers Lc 1,54 telt 6 (2 X 3) woorden en 42 (2² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,54 is 3735 (3² X 5 X 83) .

Lc 1,54.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. antelabeto (hij verwierf) van het werkw. antilambanô (in ruil voor iets krijgen, verwerven) . Taalgebruik in het NT : antilambanô (in ruil voor iets krijgen, verwerven) . Taalgebruik in Lc : antilambanô (in ruil voor iets krijgen, verwerven) . Lc (1) Lc 1,54 . Deze vorm komt in het NT enkel in dit vers van Lc voor . Een vorm van antilambanô (in ruil voor iets krijgen, verwerven) in de LXX (53) , in het NT (3) .

Lc 1,54.2. israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Taalgebruik in Lc : Israèl (Israël) .
Lc (12) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,54 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,25 . (6) Lc 2,32 . (7) Lc 2,34 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 7,9 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 24,21 .

Lc 1,54.3. gen. mann. enk. paidos van het zelfst. naamw. pais (kind, dienaar) . Taalgebruik in het NT : pais (kind, dienaar) . Taalgebruik in Lc : pais (kind, dienaar) . Hebr. `èbhèd . Lc (3) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,69 . (3) Lc 8,51 . Een vorm van pais (kind, dienaar) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,69 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 7,7 . (5) Lc 8,51 . (6) Lc 8,54 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 12,45 . (9) Lc 15,26 .

Lc 1,54.4. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,54.5. inf. aor. mnèsthènai van het werkw. mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in de LXX : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Lc (2) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . Een vorm van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in de LXX (275) , in het NT (23) , in Lc (6) , in Hnd (2) . Een vorm van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 2 vormen van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in 2 hoofdstukken en in 2 verzen . Hebr. prefix l en qal inf. constr. zëkhor = lizëkhor (om te gedenken) : Gn 9,16 . Het is het verbond dat God sloot met Noach na de zondvloed . De regenboog dient als herinnering aan dit verbond .

Lc 1,54.6. gen. onz. enk. eleous van het zelfst. naamw. eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Lc : eleos (barmhartigheid) . Lc (2) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,78 . Een vorm van eleos (barmhartigheid) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,54 . (3)  Lc 1,58 . (4) Lc 1,72 . (5) Lc 1,78 .

Lc 1,55 - Lc 1,55 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:55 kathôs elalèsen pros tous pateras èmôn tô abraam kai tô spermati autou eis ton aiôna 55 sicut locutus est ad patres nostros Abraham et semini eius in saecula  - zoals hij gesproken heeft tot onze vaderen - jegens Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid .”  55 (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.   [55] zoals aan onze vaderen toegezegd, bewijzen wil aan Abraham en zijn nageslacht, voor eeuwig.’   zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’   55 –zoals hij tot onze vaderen heeft gesproken– voor Abraham en voor zijn zaad tot in de toekomende eeuw!   55. - selon qu'il l'avait annoncé à nos pères - en faveur d'Abraham et de sa postérité à jamais ! »  

King James Bible . [55] As he spake to our fathers, to Abraham, and to his seed for ever.
Luther-Bibel . 55 wie er geredet hat zu unsern Vätern,
Hebreeuws : ka´äsjèr dibber la´äbhôthe(j)nû lë´abhërâhâm

Tekstuitleg van Lc 1,55 . Het vers Lc 1,55 telt 15 (3 X 5) woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,55 is 10114 (2 X 13 X 389) .

Lc 1,55.1. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lc (17) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 . Hebr. ka´äsjèr (zoals) < kë + ´äsjèr (die) OF persoonsnaam ´âsjer (Aser) . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Hebr. këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

kathôs (zoals)

bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  405 326 179 3 8 17 31 11 109 - 28  59 

Lc 1,55.2. actief indicatief aorist derde persoon enkelvoud elalèsen (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in de LXX : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (5) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 . In acht verzen in Hnd : (1) Hnd 2,31 . (2) Hnd 3,21 . (3) Hnd 7,6 . (4) Hnd 8,26 . (5) Hnd 9,27 . (6) Hnd 23,9 . (7) Hnd 28,21 . (8) Hnd 28,25 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in de LXX (1189) , in het NT (298) , in Lc (31) , in Hnd (60) . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 . Lat. loqui . Fr. parler . E. to speek . D. sprechen . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) .

laleô  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen   431  400  31  13  19   

Lc 1,55.1. - 2. kathôs elalèsen (zoals hij sprak) in NT = Lc (2) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,70 . ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) . Tenakh (59) . Gn (3) : (1) Gn 12,4 . (2) Gn 17,23 . (3) Gn 24,51 . ka´äsjèr dibber (zoals hij sprak) . Tenakh (6) : (1) Gn 21,1 . (2) Ex 12,25 . (3) Dt 26,19 . (4) Joz 14,10 . (5) 1 K 2,24 . (6) Jr 40,3 .

dâbhar (spreken)  Tenakh Gn   Ex   Lv   Nu   Dt   Joz   Re   Rt  1 S  2 S  1 K  2 K  1 Kr  2 Kr  Ezr  Neh  Est  Job  Ps  Spr  Pr 
ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak)  59  15                 

Lc 1,55.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Hebr. ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

Lc 1,55.2. - 3. elalèsen pros (hij sprak tot) . NT (2) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 8,26 .

Lc 1,55.4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. de . E. the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (98) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,33 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 1,79 .

  lidw. mv.   bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
16. acc. m. mv. tous   2960 2330 630 91 52 98 51 122 156 60    

Lc 1,55.5. acc. mann. mv. pateras van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in de LXX : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Lc (1) Lc 1,55 . Hnd (8) : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,12 . (3) Hnd 7,19 . (4) Hnd 13,17 . (5) Hnd 13,32 . (6) Hnd 13,36 . (7) Hnd 26,6 . (8) Hnd 28,25 . Een vorm van patèr (vader) in de LXX (1451) , in het NT (415) , in Lc in 48 verzen , in Lc 1 in 8 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,55 . (4) Lc 1,59 . (5) Lc 1,62 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 1,73 . Hnd (35) . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Hebr. âbh . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . Arabisch : ´ab (vader) . Taalgebruik in de Koran : ´ab (vader) . Hebr. mann. mv. äbhôth (vaders) . Tenakh (31) . Pentateuch (8) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (13) .

 
  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. mann. mv. pateras   54  42  12           

Lc 1,55.4. - 5. tous pateras (de vaders) . NT (11) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,22 . (3) Hnd 3,25 . (4) Hnd 7,12 . (5) Hnd 7,19 . (6) Hnd 13,17 . (7) Hnd 13,32 . (8) Hnd 13,36 . (9) Hnd 26,6 . (10) Hnd 28,25 . (11) Rom 11,28 . Hebr. hâ´âbhôth (de vaders) . Zie ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Tenakh (41)

Lc 1,55.3. - 5. pros tous pateras (tot de vaders) . NT (7) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,22 . (3) Hnd 3,25 . (4) Hnd 13,32 . (5) Hnd 13,36 . (6) Hnd 26,6 . (7) Hnd 28,25

Lc 1,55.5. - 6. pateras hèmôn (onze vaders) . NT (6) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 7,12 . (4) Hnd 7,19 . (5) Hnd 13,17 . (6) Hnd 28,25 . Hebr. ´äbhôthe(j)nû (onze vaders) . Zie ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Tenakh (15) .

Lc 1,55.3. - 6. pros tous pateras hèmôn (tot onze vaders) . NT (4) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 13,32 . (4) Hnd 28,25 . Hebr. la´äbhôthe(j)nû (tot onze vaders) . la´äbhothe(j)nû (tot onze vaders) . Tenakh (7) : (1) Dt 6,23 . (2) Dt 26,3 . (3) Dt 26,15 . (4) 1 K 8,40 . (5) Mi 7,20 . (6) Neh 9,36 . (7) 2 Kr 6,31 .

Lc 1,55.7. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 

Lc 1,55.8. abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Bijbel (241) . OT (164) . NT (69) . Lc (14) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,73 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,34 . (5) Lc 13,16 . (6) Lc 13,28 . (7) Lc 16,22 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 16,24 . (10) Lc 16,25 . (11) Lc 16,29 . (12) Lc 16,30 . (13) Lc 19,9 . (14) Lc 20,37 . Hnd (7) : (1) Hnd 3,13 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 7,2 . (4) Hnd 7,16 . (5) Hnd 7,17 . (6) Hnd 7,32 . (7) Hnd 13,26 . Hebr. ´abhërâhâm (Abraham) . Zie ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Tenakh (128) . Pentateuch (105) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (13) . Arabisch : ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Koran : ibrahim (Ibrahim) .

Lc 1,55.7. - 8. tô(i) (...) abraam (aan Abraham) . NT (10) : (1) Mt 3,9 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 3,8 . (4) Hnd 7,17 . (5) Rom 4,9 . (6) Rom 4,13 . (7) Gal 3,8 . (8) Gal 3,16 . (9) Gal 3,18 . (10) Heb 6,13 . (11) 1 Pe 3,6 . pros abraam (tot Abraham) . NT (2) : (1) Lc 1,73 . (2) Hnd 3,25 . Hebr. lë´abhërâhâm (Abraham) . Tenakh (27) : (1) Gn 20,9 . (2) Gn 20,14 . (3) Gn 21,2 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 22,20 . (8) Gn 23,18 . (9) Gn 23,20 . (10) Gn 25,6 . (11) Gn 25,12 . (12) Gn 26,3 . (13) Gn 28,4 . (14) Gn 35,12 . (15) Gn 50,24 . (16) Ex 6,8 . (17) Ex 32,13 . (18) Ex 33,1 . (19) Nu 32,11 . (20) Dt 1,8 . (21) Dt 6,10 . (22) Dt 9,5 . (23) Dt 9,27 . (24) Dt 29,12 . (25) Dt 30,20 . (26) Dt 34,4 . (27) Mi 7,20 .

Lc 1,55.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,55.10. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 

Lc 1,55.11. dat. onz. enk. spermati van het zelfst. naamw. sperma (zaad, nakomeling) . Taalgebruik in het NT : sperma (zaad, nakomeling) . Hebr. zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) . Taalgebruik in Tenakh : zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) . Bijbel (46) . OT (35) . NT (6) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 7,5 . (4) Rom 4,13 . (5) Rom 4,16 . (6) Gal 3,16 .

Lc 1,55.8. - 11. abraam kai tô(i) spermati (Abraham en aan het zaad / nageslacht) . NT (2) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 .

Lc 1,55.10. - 11. tô(i) spermati (aan het zaad / nageslacht) . NT (6) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 3,25 . (3) Hnd 7,5 . (4) Rom 4,13 . (5) Rom 4,16 . (6) Gal 3,16 (2X) . Hebr. lëzèra` (aan het zaad / nageslacht) . Tenakh : (1) Gn 47,24 . (2) Lv 18,20 . (3) Js 45,19 . (4) Ez 20,5 . (5) 2 Kr 20,7 .

Lc 1,55.12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,55.10. - 12. tô(i) spermati autou (aan zijn zaad / nageslacht) . NT (4) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 7,5 . (3) Rom 4,13 . (4) Gal 3,16 . Hebr. lëzarë`ô (aan zijn zaad / nageslacht) . Tenakh (3) : (1) Gn 17,19 . (2) Neh 9,8 .

Lc 1,55.9. - 12. kai tô(i) spermati autou (en aan zijn zaad ./ nageslacht) . NT (3) : (1) Lc 1,55 . (2) Hnd 7,5 . (3) Gal 3,16 . Hebr. (6) : ûlëzarë`ô (en aan zijn zaad / nageslacht) . Tenakh (3) : (1) Ex 28,43 . (2) Ex 30,21 . (3) Nu 24,13 (ûlëzara`ô) . (4) 2 S 22,51 . (5) 1 K 2,33 . (6) Ps 18,51 .

Lc 1,55.13. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

eis (naar)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77 

Lc 1,55.14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to... , tè... N. de . E. the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. mann. + onz. enk. ton 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 

Lc 1,55.15. acc. mann. enk. aiôna van het zelfst. naamw. aiôn (eeuwigheid) . Taalgebruik in het NT : aiôn (eeuwigheid) . Taalgebruik in de LXX : aiôn (eeuwigheid) . Hebr. `ôlâm (eeuwig) . Taalgebruik in Tenakh : `ôlâm (eeuwig) . Bijbel (312) . OT (243) . NT (28) . Lc (1) : Lc 1,55 .

Lc 1,55.13. - 15. eis ton aiôna (tot in eeuwigheid) . NT (30) . Lc (1) : Lc 1,55 . Hebr. lë`ôlam . Tenakh (20) .

Lc 1,56 - Lc 1,56 : 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : verwijzingen -- Lc 1,39-56 -- Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:56 emeinen de mariam sun autè ôs mènas treis kai upestrepsen eis ton oikon autès  56 mansit autem Maria cum illa quasi mensibus tribus et reversa est in domum suam  56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en keerde (daarna) naar huis terug.   56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.   [56] Maria* bleef ongeveer drie maanden bij haar; toen keerde ze naar huis terug.   [56] Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.   56 Maria blijft zo’n drie maanden bij haar; dan keert zij terug naar haar huis.   56. Marie demeura avec elle environ trois mois, puis elle s'en retourna chez elle.  

King James Bible . [56] And Mary abode with her about three months, and returned to her own house.
Luther-Bibel . 56 Und Maria blieb bei ihr etwa drei Monate; danach kehrte sie wieder heim.

Tekstuitleg van Lc 1,56 . Het vers Lc 1,56 telt 14 (2 X 7) woorden en 65 (3 X 15) letters . De getalwaarde van Lc 1,56 is 7254 (2 X3 X 3 X 13 X 31) .

Lc 1,56.1. act. ind.  aor. 3de pers. enk. emeinen (zij bleef) van het werkw. menô (blijven) . Taalgebruik in het NT : menô (blijven) . Taalgebruik in Lc : menô (blijven) . Lc (1) Lc 1,56 . Een vorm van menô (blijven) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 8,27 . (3) Lc 9,4 . (4) Lc 10,7 . (5) Lc 19,5 . (6) Lc 24,29 (2 vormen) .

Lc 1,56.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,56.3. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam (Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam (Maria) .
Lc (13) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,34 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,46 . (7) Lc 1,56 . (8) Lc 2,5 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,19 . (11) Lc 2,34 . (12) Lc 10,39 . (13) Lc 10,42 .

Lc 1,56.4. sun (met) . Taalgebruik in het NT : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 .

Lc 1,56.5. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

Lc 1,56.6. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) .
Lc (49) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 1,56 .

Lc 1,56.7. acc. vr. mv. mènas van het zelfst. naamw. mèn (maand) . Taalgebruik in het NT : mèn (maand) . Taalgebruik in Lc : mèn (maand) .
Lc (3) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,56 . (3) Lc 4,25 . Een vorm van mèn (maand) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,26 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,56 . (5) Lc 4,25 .

Lc 1,56.8. treis (drie) . Telwoord . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden .
Lc (5) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,46 . (3) Lc 9,33 . (4) Lc 11,5 . (5) Lc 12,52 .

Lc 1,56.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18 : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 1,48 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,52 . (6) Lc 1,53 . (7) Lc 1,54.) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,56.10. act. ind. aor. 3de pers. enk. hupestrepsen (hij keerde terug) van het werkw. hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in het NT : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) .
Lc (5) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 4,1 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 8,37 . (5) Lc 17,15 . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 .
In Lc 1,39 wordt de heenreis van Maria (eporeuthè = zij begaf zich op weg) gegeven , in Lc 1,56 de terugreis (hupestrepsen = zij keerde terug) .

Lc 1,56.11. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

10. - 11. Lc 4,1 : hupestrepsen apo (hij keerde terug van) . Hapax in het NT . Lc 1,56 en Lc 4,14 : hupestrepsen (...) eis (hij / zij keerde terug naar) .

Lc 1,56.13. bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,56.11. - 13. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .

Lc 1,56.14..pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Evangelie op 24 juni : geboorte Johannes de Doper : Lc 1,57.66-80 . Lc 1,57-66.80 .

In die tijd brak voor Elisabeth het ogenblik aan dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon. Toen de buren en de familie hoorden hoe groot de barmhartigheid was die de Heer aan haar had betoond, deelden zij in haar vreugde. Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen. Maar zijn moeder zei daarop: "Neen, het moet Johannes heten." Zij antwoordden haar; "Maar er is in uw familie niemand die zo heet." Met gebaren vroegen zij toen aan zijn vader hoe hij het wilde noemen. Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef er op: "Johannes zal hij heten." Ze stonden allen verbaasd. Onmiddellijk daarop werd zijn mond geopend, zijn tong losgemaakt en verkondigde hij Gods lof. Ontzag vervulde alle omwonenden en in heel het bergland van Judea werd al het gebeurde rondverteld. Ieder die het hoorde dacht er over na en vroeg zich af: "Wat zal er worden van dit kind?" Want de hand des Heren was met hem. Het kind groeide op en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israël in het openbaar vertoonde.

5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -

Lc 1,57 - Lc 1,57 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:57 tè de elisabet eplèsthè o chronos tou tekein autèn kai egennèsen uion  57 Elisabeth autem impletum est tempus pariendi et peperit filium  

57 Voor Elisabet nu werd de tijd vervuld om te baren en ze beviel van een zoon.

 In die tijd brak voor Elisabeth het ogenblik aan dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon.    57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon.   [57] Voor Elisabet was de tijd gekomen dat ze moest bevallen, en ze baarde een zoon  [57] Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabet een zoon ter wereld.   57 ¶ Als voor Elisabet de tijd vervuld is dat zij baren zal, brengt zij een zoon voort.   57. Quant à Élisabeth, le temps fut accompli où elle devait enfanter, et elle mit au monde un fils.  

King James Bible . [57] Now Elisabeth's full time came that she should be delivered; and she brought forth a son.
Luther-Bibel . 57 Und für Elisabeth kam die Zeit, dass sie gebären sollte; und sie gebar einen Sohn.

Tekstuitleg van Lc 1,57 . Het vers Lc 1,57 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 57 letters . De getalwaarde van Lc 1,57 is 5236 (2 X 2 X 7 X 11 X 17) .

Lc 1,57.1. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,57.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,57.1. - 2. tèi de ... (1) Lc 1,57 . (2) Lc 24,1 . Bij het begin van het vers .

Lc 1,57.3. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,57.4. pass. ind. aor. 3de pers. enk. eplèsthè (hij / zij werd vervuld) van het werkw. pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vullen) .
Lc (3) : (1) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou = zij werd vervuld van heilige geest) . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) . Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 .

Lc 1,57.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,57.6. nom. mann. enk. chronos van het zelfst. naamw. chronos (tijd) . Taalgebruik in het NT : chronos (tijd) . Taalgebruik in Lc : chronos (tijd) .
Lc (1) Lc 1,57 . Een vorm van chronos (tijd) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,57 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 8,27 . (4) Lc 8,29 . (5) Lc 18,4 . (6) Lc 20,9 . (7) Lc 23,8 .

Lc 1,57.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,57.8. act. inf. aor. tekein van het werkw. tiktô (baren, bevallen) . Taalgebruik in het NT : tiktô (baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô (baren) .
Lc (2) : (1) Lc 1,57 . (2) Lc 2,6 . Een vorm van tiktô (baren) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,7 . (5) Lc 2,11 .

Lc 1,57.4. - 9. de tijd om te bevallen (Rebekka - Elisabeth - Maria) .
- Gn 25,24 : kai eplèrôthèsan hai hèmerai tou tekein autèn (en de dagen werden vol dat zij zou bevallen) .
- Lc 1,57 : eplèsthè ho chronos tou tekein autèn (de tijd werd vervuld dat zij zou bevallen) .
- Lc 2,6 : eplèsthèsan hai hèmerai tou tekein autèn (de dagen werden vervuld dat zij zou bevallen) .

Lc 1,57.9. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. vr. enk. autèn (haar) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (25) : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 4,6 . (6) Lc 4,39 . (7) Lc 6,48 . (8) Lc 7,13 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 9,24 . (11) Lc 11,32 . (12) Lc 13,7 . (13) Lc 13,8 . (14) Lc 13,9 . (15) Lc 13,12 . (16) Lc 13,18 . (17) Lc 13,34 . (18) Lc 16,16 . (19) Lc 17,33 . (20) Lc 18,5 . (21) Lc 18,17 . (22) Lc 19,41 . (23) Lc 20,31 . (24) Lc 20,33 . (25) Lc 21,21 .

Lc 1,57.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,57.11. act. ind. aor. 3de pers. enk. egennèsen (zij bracht voort) van het werkw. gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) .
Lc (1) Lc 1,57 . Een vorm van gennaô (voortbrengen, baren) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 23,29 .

Lc 1,57.12. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,38 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 12,10 . (11) Lc 20,13 . (12) Lc 20,41 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 24,7 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,58 - Lc 1,58 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:58 kai èkousan oi perioikoi kai oi suggeneis autès oti emegalunen kurios to eleos autou met autès kai sunechairon autè  58 et audierunt vicini et cognati eius quia magnificavit Dominus misericordiam suam cum illa et congratulabantur ei  En de omwoners en haar verwanten hoorden dat de Heer zijn barmhartigheid aan haar grootgemaakt had, en ze verheugden zich met haar.   Toen de buren en de familie hoorden hoe groot de barmhartigheid was die de Heer aan haar had betoond, deelden zij in haar vreugde.    58 En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.   [58] Haar buren en haar familie hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze deelden in haar vreugde.  [58] Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze verheugden zich samen met haar.  58 Die rondom haar wonen en haar bloedverwanten horen dat de Heer zijn ontferming groot gemaakt heeft aan haar en verheugen zich mét haar. 58. Ses voisins et ses proches apprirent que le Seigneur avait fait éclater sa miséricorde à son égard, et ils s'en réjouissaient avec elle.  

King James Bible .[58] And her neighbours and her cousins heard how the Lord had shewed great mercy upon her; and they rejoiced with her.
Luther-Bibel . 58 Und ihre Nachbarn und Verwandten hörten, dass der Herr große Barmherzigkeit an ihr getan hatte, und freuten sich mit ihr.

Tekstuitleg van Lc 1,58 . Het vers Lc 1,58 telt 19 woorden en 96 (2³ X 2² X 3) letters . De getalwaarde van Lc 1,58 is 10191 (3 X 43 X 79) .

Lc 1,58.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,58.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. èkousan (zij hoorden) van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Lc (3) : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 10,24 . Een vorm van akouô (horen) in Lc in 58 verzen , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,58.3. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,58.4. nom. mann. mv. perioikoi  van het zelfst. naamw. perioikos (omwonende) . Taalgebruik in het NT : perioikos (omwonende) . Taalgebruik in Lc : perioikos (omwonende) . Lc (1) Lc 1,58 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,58.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,58.6. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,58.7. nom. mann. mv. suggeneis van het zelfst. naamw. suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Taalgebruik in het NT : suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Taalgebruik in Lc : suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) . Lc (2) : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 14,12 . Een vorm van suggenès (op hetzelfde ogenblik geboren, verwant) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 2,44 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 21,16 .

Lc 1,58.8. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,58.9. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,58.10. act. ind. imperf. 3de pers. enk. emegalunen van het werkw. megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in het NT : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in Lc : megalunô (groot maken, verheffen) . Taalgebruik in de Septuaginta : megalunô (groot maken, verheffen) . Bijbel (11) : (1) 1 S 12,24 . (2) Jl 2,20 . (3) Jl 2,21 . (4) Ps 41,10 . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . Lc (1) Lc 1,46 . Een vorm van megalunô (groot maken, verheffen) in Lc in 2 verzen : Lc 1,46 . (2) Lc 1,58 . Een vorm van megalunô (groot maken, verheffen) in de Septuaginta (92) , in het NT (8) .

Lc 1,58.11. nom. mann. enk. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . o.a. JHWH .
Lc (30) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . Verder in Lc 1 . : gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen . Een vorm van kurios (heer) in Lc in 99 verzen .

Lc 1,58.12. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,58.13. nom. + acc. onz. enk. eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in Lc : eleos (barmhartigheid) .
Lc (4) : (1) Lc 1,50 . (2)  Lc 1,58 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 10,37 . Een vorm van eleos (barmhartigheid) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,54 . (3)  Lc 1,58 . (4) Lc 1,72 . (5) Lc 1,78 .

Lc 1,58.14. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,58.15. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 = 58) . Lc 1 (6) . Een vorm van meta (4) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,39 . (4) Lc 1,72 . en met' (2) : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 1,66 .

Lc 1,58.16. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,58.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,58.18. act. ind. imperf. 3de pers. mv. sunechairon van het werkw. sunchairô (blij zijn met) . Taalgebruik in het NT : sunchairô (blij zijn met) . Taalgebruik in Lc : sunchairô (blij zijn met) . Lc (1) Lc 1,58 . Een vorm van sunchairô (blij zijn met) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,58 . (2) Lc 15,6 . (3) Lc 15,9 .

Lc 1,58.19. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . . Lc (43) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,56 . (6) Lc 1,58 .

------------------------------------------------------------------------------------------
Lc 1,59 - Lc 1,59 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:59 kai egeneto en tè èmera tè ogdoè èlthon peritemein to paidion kai ekaloun auto epi tô onomati tou patros autou zacharian  59 et factum est in die octavo venerunt circumcidere puerum et vocabant eum nomine patris eius Zacchariam  En het gebeurde op dc achtste dag dat ze het kindje kwamen besnijden en het naar de naam van zijn vader Zacharias wilden noemen.   Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen.    59 En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns vaders.   [59] Een* week later kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden hem de naam van zijn vader Zacharias geven.  [59] Op de achtste dag kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden het Zacharias noemen, naar zijn vader.   59 En het geschiedt op de achtste dag: als ze het jongetje komen besnijden noemen ze hem naar de naam van zijn vader Zacharias,  59. Et il advint, le huitième jour, qu'ils vinrent pour circoncire l'enfant. On voulait l'appeler Zacharie, du nom de son père ;  

King James Bible . [59] And it came to pass, that on the eighth day they came to circumcise the child; and they called him Zacharias, after the name of his father.
Luther-Bibel . 59 Und es begab sich am achten Tag, da kamen sie, das Kindlein zu beschneiden, und wollten es nach seinem Vater Zacharias nennen.

Tekstuitleg van Lc 1,59 . Het vers Lc 1,59 telt 20 (2² X 5) en 100 (2² X 5²) letters . De getalwaarde van Lc 1,59 is 9124 (2² X 2281) .

Lc 1,59.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,59.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

Lc 1,59.3. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,59.4. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,59.5. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Lc (27) . Lc 1 (1) Lc 1,59 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc 1 in 11 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,39 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,75 . (11) Lc 1,80 . Een vorm van hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) , in Lc (82) , in Hnd (93) .

Lc 1,59.6. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,59.7. dat. vr. enk. ogdoè(i) van het rangtelwoord ogdoos (achtste) . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (1) Lc 1,59 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,59.8. ind. aor. 3de pers. mv. èlthon (zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) .
Lc (11) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 2,44 . (3) Lc 3,12 . (4) Lc 4,42 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 6,18 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 12,49 . (9) Lc 23,33 . (10) Lc 24,1 . (11) Lc 24,23 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc 1 in 2 verzen : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 1,59 .

Lc 1,59.9. act. inf. aor. peritemein van het werkw. peritemnô (rondom snijden, besnijden) . Taalgebruik in het NT : peritemnô (rondom snijden, besnijden) . Taalgebruik in Lc : peritemnô (rondom snijden, besnijden) . Lc (2) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 2,21 .

Lc 1,59.10. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,59.11. nom. + acc. onz. enk. paidion (kind) . Taalgebruik in het NT : paidion (kind) . Taalgebruik in Lc : paidion (kind) .
Lc (9) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 1,66 . (3) Lc 1,76 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,27 . (6) Lc 2,40 . (7) Lc 9,47 . (8) Lc 9,48 . (9) Lc 18,17 . Een vorm van paidion (kind) in Lc in 13 verzen : 9 + 4 : (1) Lc 2,17 . (2) Lc 7,32 . (3) Lc 11,7 . (4) Lc 18,16 .

Lc 1,59.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,59.13. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ekaloun (zij noemden) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (1) Lc 1,59 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,59.14. nom. + acc. onz. enk auto (het) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (17) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 1,62 . (3) Lc 2,28 . (4) Lc 2,40 . (5) Lc 6,33 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,7 . (8) Lc 9,40 . (9) Lc 9,45 . (10) Lc 9,47 . (11) Lc 11,14 . (12) Lc 14,35 . (13) Lc 15,4 . (14) Lc 17,35 . (15) Lc 19,23 . (16) Lc 22,16 . (17) Lc 23,53 .

Lc 1,59.15. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,59.16. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,59.17. datief onzijdig enkelvoud onomati (naam) van het zelfstandig naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . L. nomen . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 (onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (11) Lc 19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (15) Lc 24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . (16) Lc 24,47 .
Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .

Lc 1,59.18. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,59.19. gen. mann. enk. patros van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (8) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 2,49 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 10,22 . (6) Lc 15,17 . (7) Lc 16,27 . (8) Lc 24,49 . Een vorm van patèr (vader) in Lc in 48 verzen , in Lc 1 in 8 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,55 . (4) Lc 1,59 . (5) Lc 1,62 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 1,73 .

Lc 1,59.20. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,59.21. acc. mann. enk. zacharian van de eigennaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) . Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,59 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,60 - Lc 1,60 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:60 kai apokritheisa è mètèr autou eipen ouchi alla klèthèsetai iôannès   60 et respondens mater eius dixit nequaquam sed vocabitur Iohannes  

Maar zijn moeder antwoordde (en) zei: “Nee, Johannes zal hij genoemd worden”.

Maar zijn moeder zei daarop: "Neen, het moet Johannes heten."    60 En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten.   [60] ‘Nee,’ zei zijn moeder, ‘hij moet Johannes genoemd worden.’  [60] Maar zijn moeder zei: ‘Nee, Johannes zal hij heten!’  60 maar ten antwoord zegt zijn moeder: nee!– Johannes moet hij worden genoemd!  60. mais, prenant la parole, sa mère dit : « Non, il s'appellera Jean. » 

King James Bible . [60] And his mother answered and said, Not so; but he shall be called John.
Luther-Bibel . 60 Aber seine Mutter antwortete und sprach: Nein, sondern er soll Johannes heißen.

Tekstuitleg van Lc 1,60 .

Lc 1,60.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,60.2. part. aor. nom. vr. enk. apokritheisa (beantwoord) . apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (1) Lc 1,60 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 .

Lc 1,60.3. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. hè(i) of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,60.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,60.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,60.9. pass. ind. fut. 3de pers. enk. klèthèsetai (hij zal genoemd worden) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) .
Lc (4) : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 . (4) Lc 2,23 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,60.10. nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Lc (10) . Johannes de Doper : Lc (8) : (1) Lc 1,60 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 7,20 . (6) Lc 7,33 . (7) Lc 9,7 . (8) Lc 11,1 . Johannes de apostel . Lc (2) : (1) Lc 9,49 . (2) Lc 9,54 . Een vorm van iôannès (Johannes) in Lc in 30 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,60 . (3) Lc 1,63 .

Lc 1,61 - Lc 1,61 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:61 kai eipan pros autèn oti oudeis estin ek tès suggeneias sou os kaleitai tô onomati toutô  61 et dixerunt ad illam quia nemo est in cognatione tua qui vocetur hoc nomine  En ze zeiden tegen haar: “Er is niemand onder je verwanten die met deze naam genoemd wordt”.   Zij antwoordden haar; "Maar er is in uw familie niemand die zo heet."    61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam genaamd wordt.   [61] Ze zeiden tegen haar: ‘Die naam komt in de familie toch niet voor.’  [61] Ze zeiden tegen haar: ‘Er is niemand in je familie die zo heet.’  61 Zij zeggen tot haar: niemand uit je bloedverwanten is er die met die naam is genoemd!  61. Et on lui dit : « Il n'y a personne de ta parenté qui porte ce nom ! » 

King James Bible . [61] And they said unto her, There is none of thy kindred that is called by this name.
Luther-Bibel . 61 Und sie sprachen zu ihr: Ist doch niemand in deiner Verwandtschaft, der so heißt.

Tekstuitleg van Lc 1,61 . Het vers Lc 1,61 telt 16 (2² X 2²) woorden en 75 (3 X 5²) letters . De getalwaarde van Lc 1,61 is 8997 (3 X 2999) .

Lc 1,61.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,61.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (28) . Lc 1 (1) Lc 1,61 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 1,66 . (4) Lc 1,67 ; van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . (12) Lc 1,61 .

Lc 1,61.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Hebr. ´l : voorzetsel ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is ´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

Lc 1,61.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. vr. enk. autèn (haar) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (25) : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 4,6 . (6) Lc 4,39 . (7) Lc 6,48 . (8) Lc 7,13 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 9,24 . (11) Lc 11,32 . (12) Lc 13,7 . (13) Lc 13,8 . (14) Lc 13,9 . (15) Lc 13,12 . (16) Lc 13,18 . (17) Lc 13,34 . (18) Lc 16,16 . (19) Lc 17,33 . (20) Lc 18,5 . (21) Lc 18,17 . (22) Lc 19,41 . (23) Lc 20,31 . (24) Lc 20,33 . (25) Lc 21,21 .

Lc 1,61.5. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,61.6. nom. mann. enk.oudeis (niemand) . Taalgebruik in het NT : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Lc (18) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,36 . (5) Lc 5,37 . (6) Lc 5,39 . (7) Lc 7,28 . (8) Lc 8,16 . (9) Lc 9,62 . (10) Lc 10,22 . (11) Lc 11,33 . (12) Lc 14,24 . (13) Lc 15,16 . (14) Lc 16,13 . (15) Lc 18,19 . (16) Lc 18,29 . (17) Lc 19,30 . (18) Lc 23,53 .

Lc 1,61.7. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,36 . (2) Lc 1,61 . (3) Lc 1,63 .

Lc 1,61.8. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,61.9. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,61.10. gen. vr. enk. suggeneias van het zelfst. naamw. suggeneia (verwantschap, familiebanden) . Taalgebruik in het NT : suggeneia (verwantschap, familiebanden) . Taalgebruik in Lc : suggeneia (verwantschap, familiebanden) . Lc (1) Lc 1,61 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,61.11. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,61.12. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (28) . Lc 1 (1) Lc 1,61 .

Lc 1,61.13. pass. ind. praes. 3de pers. enk. kaleitai (hij wordt genoemd) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (2) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 2,4 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,61.14. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,61.15. datief onzijdig enkelvoud onomati (naam) van het zelfstandig naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . L. nomen . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 (onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (11) Lc 19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (15) Lc 24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . (16) Lc 24,47 .
Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .

Lc 1,61.16. dat. mann. enk. toutô(i) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (12) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 7,8 . (4) Lc 10,5 . (5) Lc 10,20 . (6) Lc 14,9 . (7) Lc 18,30 . (8) Lc 19,9 . (9) Lc 19,19 . (10) Lc 21,23 . (11) Lc 23,4 . (12) Lc 23,14 .

Lc 1,62 - Lc 1,62 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:62 eneneuon de tô patri autou to ti an theloi kaleisthai auto  62 innuebant autem patri eius quem vellet vocari eum  Ze wenkten toen zijn vader (om te weten) hoe hij wou dat het genoemd zou worden.   Met gebaren vroegen zij toen aan zijn vader hoe hij het wilde noemen.    62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.   [62] Ze wenkten zijn vader, en vroegen hoe hij hem wilde noemen.  [62] Ze beduidden zijn vader te laten weten hoe hij het kind wilde noemen.  62 Ze gebaren naar zijn vader hoe hij wil dat het wordt genoemd.  62. Et l'on demandait par signes au père comment il voulait qu'on l'appelât. 

King James Bible . [62] And they made signs to his father, how he would have him called.
Luther-Bibel . 62 Und sie winkten seinem Vater, wie er ihn nennen lassen wollte.

Tekstuitleg van Lc 1,62 . Het vers Lc 1,62 telt 11 woorden en 48 (2³ X 2 X 3) letters . De getalwaarde van Lc 1,62 is 5378 (2 X 2689) .

Lc 1,62.1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. eneneuon van het werkw. enneuô (toewenken) . Taalgebruik in het NT : enneuô (toewenken) . Taalgebruik in Lc : enneuô (toewenken) . Lc (1) Lc 1,62 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,62.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,62.3. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,62.4. dat. mann. enk. patri van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (5) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 9,42 . (3) Lc 12,53 . (4) Lc 15,12 . (5) Lc 15,29 . Een vorm van patèr (vader) in Lc in 48 verzen , in Lc 1 in 8 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,55 . (4) Lc 1,59 . (5) Lc 1,62 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 1,73 .

Lc 1,62.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,62.6. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,62.7. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,62 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,62.8. an . Taalgebruik in het NT : an . Taalgebruik in Lc : an . Lc (29) . Lc 1 (1) Lc 1,62 .

Lc 1,62.9. act. optat. praes. 3de pers. enk. theloi (hij zou willen) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . Lc (1) Lc 1,62 . Een vorm van thelô (willen) in Lc in 27 verzen , in Lc 1 in 1 vers : (1) Lc 1,62 .

Lc 1,62.10. pass. inf. praes. kaleisthai (genoemd te worden) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (1) Lc 1,62 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,62.11. nom. + acc. onz. enk auto (het) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (17) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 1,62 . (3) Lc 2,28 . (4) Lc 2,40 . (5) Lc 6,33 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,7 . (8) Lc 9,40 . (9) Lc 9,45 . (10) Lc 9,47 . (11) Lc 11,14 . (12) Lc 14,35 . (13) Lc 15,4 . (14) Lc 17,35 . (15) Lc 19,23 . (16) Lc 22,16 . (17) Lc 23,53 .

Lc 1,63 - Lc 1,63 : 5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 24 juni : geboorte Johannes de Doper Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:63 kai aitèsas pinakidion egrapsen legôn iôannès estin onoma autou kai ethaumasan pantes  63 et postulans pugillarem scripsit dicens Iohannes est nomen eius et mirati sunt universi  63 En hij vroeg een schrijftafeltje (en) schreef, zeggend: “Johannes is zijn naam”. En ze waren allen verwonderd.   Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef er op: "Johannes zal hij heten." Ze stonden allen verbaasd.    63 En als hij een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.   [63] Hij vroeg om een schrijftafeltje en schreef daarop: ‘Zijn naam is Johannes.’ En iedereen was verbaasd.   [63] Hij vroeg om een schrijftablet en schreef erop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen was verbaasd.  63 Hij vraagt om een plankje en schrijft op wat hij wil zeggen: Johannes is zijn naam! Allen zijn verwonderd.  63. Celui-ci demanda une tablette et écrivit : « Jean est son nom » ; et ils en furent tous étonnés. 

King James Bible . [63] And he asked for a writing table, and wrote, saying, His name is John. And they marvelled all.
Luther-Bibel . 63 Und er forderte eine kleine Tafel und schrieb: Er heißt Johannes. Und sie wunderten sich alle.

Tekstuitleg van Lc 1,63 . Het vers Lc 1,63 telt 13 woorden en 72 (2³ X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 1,63 is 7538 (2 X 3769) .

Lc 1,63.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,63.5. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,63 . (2) Lc 1,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 1,66 . (4) Lc 1,67 ; van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . (12) Lc 1,61 . Totaal : Lc 1 (4 + 12 = 16) .

Lc 1,63.6. nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Lc (10) . Johannes de Doper : Lc (8) : (1) Lc 1,60 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 7,20 . (6) Lc 7,33 . (7) Lc 9,7 . (8) Lc 11,1 . Johannes de apostel . Lc (2) : (1) Lc 9,49 . (2) Lc 9,54 . Een vorm van iôannès (Johannes) in Lc in 30 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,60 . (3) Lc 1,63 .

7. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,36 . (2) Lc 1,61 . (3) Lc 1,63 .

Lc 1,63.8. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .

Lc 1,63.9. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,63.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) : (1) Lc 1,62 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 1,72 . (4) Lc 1,73 . (5) Lc 1,74 . (6) Lc 1,77 . (7) Lc 1,78 .

Lc 1,63.12. nom. mann. + vr. mv. pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (25) : (1) Lc 1,63 . (2) Lc 1,66 . (3) Lc 2,3 . (4) Lc 2,18 . (5) Lc 2,47 . (6)